GERT SLINGS - <B>GEDICHTEN OVER BIJBELSE FIGUREN</B>  






GEDICHTEN OVER BIJBELSE FIGUREN




 





Een prachtige miniatuur bij 1 Samuël 5

 

 
INLEIDING
 
Het leek me een goed idee om een aparte pagina te maken met gedichten over personen uit de Bijbel.
Die verzen hebben me altijd al geboeid.
Door m'n gereformeerde opvoeding ben ik natuurlijk vertrouwd met de Bijbel.
Van kindsbeen af heb ik die verhalen ingedronken: thuis, op de school met den bijbel en in de kerk.
In je fantasie heb je je een voorstelling van deze mensen gemaakt.

Veel dichters hebben verzen geschreven over bijbelse figuren.
Hoe hebben ze dat gedaan?
Was het hun bedoeling om een schriftgetrouw gedicht te schrijven of geven ze blijk van verzet? Daar ligt nog heel wat tussen.

Ook deze verzen heb ik voorzien van een kort commentaar.

Ik hoop dat deze bloemlezing van gedichten over bijbelse figuren in een behoefte voorziet.


Ik wens u veel leesgenoegen,



Gert Slings


 

 




Index


001 EN JEZUS SCHREEF IN HET ZAND---Gerrit Achterberg

002 FALL-OUT---Gerrit Achterberg

003 GENESIS---Herman de Coninck

004 DAVID SPELENDE VOOR SAOEL---Willem de Mérode

005 DE LAATSTE DAG---Martinus Nijhoff

006 EVA---Harm Schepers

007 GETHSEMANÉ---Simon Vestdijk

008 JOHANNES---Martinus Nijhoff

009 AAN DEN APOSTEL JOHANNES---Nicolaas Beets

010 JOB---Gerrit Achterberg

011 ELIA---Nicolaas Beets

012 CHRISTUS AAN HET KRUIS---Albert Verwey

013 VASTHI EN ESTHER---P.A. de Génestet

014 PNIËL---Jaap Zijlstra

015 OVER DE JABBOK---Gerrit Achterberg

016 EENS OP EEN DAG IN NAZARETH---D. van der Stoep

017 THOMAS---J.W. Schulte Nordholt

018 IK BEN DE KLEINE DOCHTER ...---Ed Hoornik

019 MARIA MAGDALENA---Gerrit Achterberg

020 DAMASCUS---Gerrit Achterberg

021 LAZARUS---Jan H. Eekhout

022 SIMSOM---Jan H. Eekhout

023 PHARAO---Willem de Mérode

024 JONATHAN---Willem de Mérode

025 SALOMO EN DE KONINGIN VAN SABA---Willem de Mérode

026 WONDERBARE SPIJZIGING---Martinus Nijhoff

027 MARIA MAGDALENA---Martinus Nijhoff

028 DE SOLDAAT DIE JEZUS KRUISIGDE---Martinus Nijhoff

029 MOZES---Gerrit Achterberg

030 DE FARIZEEËR---Piet Los

031 JONA---Piet Los

032 JUDAS---Piet Los

033 MOZES---Piet Los

034 EMMAÜS---Patrick Lateur

035 HET OORDEEL---Piet Los

036 INDIVIDUALISME---Lode Bisschop

037 VASTI---Nicolaas Beets

038 IZÈBEL---Nicolaas Beets

039 JOZEF---Nicolaas Beets

040 ESTHER---Nicolaas Beets

041 HANNA---Nicolaas Beets

042 IN EEN BIJBEL---Nicolaas Beets

043 PETRUS---Nicolaas Beets

044 BENÖNI---Nicolaas Beets

045 GOEDE VRYDAG---Jeremias den Decker

046 MAGDALENA’S MORGENLIED---Anton van Duinkerken

047 CHRISTUS STERVENDE---Heiman Dullaert

048 JOBS ELLENDE---Willem Godschalk van Focquenbroch

049 TROOST---Piet Los

050 ANDREAS---Piet Los

051 PETRUS---Willem de Mérode

052 CAMERLING CANDACES---Jacob Revius

053 PETRI TRANEN---Jacob Revius

054 KINDER-LIJK---Joost van den Vondel

055 VANWEGE---J.Bernlef

056 ROMEINEN 8:26---Willem de Mérode

057 INTROÏTUS OP PASEN--- Mattheus Verdaasdonk

058 DE STEM VAN PAULUS--- Renée van Riessen

059 JOB'S KLACHT---Fons Jansen

060 JUDAS---Jan H. de Groot

061 A SOLIS ORTUS CARDINE---Caelius Sedulius

062 THOMAS---Elisabeth Eybers

063 ABRAHAMS OFFERANDE---Joost van den Vondel

064 JUDAS-ISH-KARIOTH---Jan H. Eekhout

065 ELIA---Willem Barnard

066 ESTHER---Willem Barnard

067 MOZES---Judith Herzberg

068 ZE IS EEN VROUW VAN NAAM IN ISRAËL---Maria de Groot

069 DE GELIJKENIS VAN DE VERLOREN VADER---Henk Vreekamp

070 VEERMAN---Menno van der Beek

071 ODE AAN JOZEF---Hilbrand Rozema

072 HET LIED VAN DE HERDER JAN---Gabriël Smit

073 RUTH---Nicolaas Beets

074 ZEBEDEÜS---René van Loenen

075 PRIMEUR---Ria Borkent

076 JEZUS: RAADSMAN, WONDERBAAR---Koos Geerds

077 JOHANNES---Alfred Valstar

078 OPSTANDING---Jaap Zijlstra

079 PINKSTEREN---Nel Benschop

080 ANNUNCIATIE---Len Borgdorff

081 MIJN LEVEN, MIJN LICHT---Koos Geerds

082 JAËL---Menno van der Beek

083 GETSEMANE---Ria Borkent

084 LAATSTE PLAAG---Henk Knol

085 IEMAND DIE JEZUS HEET---Hilbrand Rozema



 
 
 
 
----------------------------------------------------

EN JEZUS SCHREEF IN ‘T ZAND
 
Jezus schreef met Zijn vinger in het zand
Hij bukte Zich en schreef in 't zand, wij weten
niet wat Hij schreef, Hij was het zelf vergeten,
verzonken in de woorden van Zijn hand.
  De schriftgeleerden, die Hem aan de tand
hadden gevoeld over een vrouw, van hete
hartstochten naar een andere man bezeten,
de schriftgeleerden stonden aan de kant.
  Zondig niet meer, zei Hij, ik oordeel niet.
Ga heen en luister, luister naar het lied.
  En Hij stond recht. De woorden lieten los
van hun figuur en brandden in de blos
  waarmee zij heenging, als een kind zo licht.
Zo geestelijk schreef Jezus Zijn gedicht.
  Gerrit Achterberg
  Uit EN JEZUS SCHREEF IN ‘T ZAND 1947
 
Kort commentaar:
 
Dit vers is gebaseerd op Joh.8,1-11.
Het verhaal spreekt voor zichzelf.
Het vers ook grotendeels.
Er staan toch wat merkwaardige regels in:
Zoals in strofe 1: Hij was het zelf vergeten.
  Mooi in strofe 3: Ga heen en luister, luister naar het lied..
Daarmee suggereert de dichter dat Jezus een gedicht, een lied, schreef.
  Ook fraai: ze ging heen, als een kind zo licht!
 
 
 
  -----------------------------------------

FALL-OUT
 
Kaïn, vervloekt na broedermoord, terstond
van de aardbodem, van de grond verdreven,
die hem de vrucht des velds niet meer wou geven,
Kaïn was bang dat doodsloeg wie hem vond.
Hij riep het uit: mijn zonden zijn te groot.
  Maar God stelde een teken, dat geen hond
hem aan zou raken op straffe van zeven
keren vervloekt te worden, een verbond
om in ‘t verborgen verder mee te leven.
  Hij woont, door een Ausweis gedekt van God,
onder het paradijs, in het land Nod.
Bekent zijn huisvrouw volgens het gebod.
Wint Henoch. (Niet die wandelde met God
z’n eigen dood voorbij, cherubs ten spot.
Dat was een neef. Van hem stamt Christus af,
die voor ons stierf en oprees uit het graf.)
  Hij bouwt Henoch, een stad, rondom zijn lot.
Uit deze linie komt het orgel voort
en worden voor het eerst harpen gehoord;
reuzen gezien; mannen van naam, Nimrod.
Totdat de zondvloed zich erover stort.
Babel en Ninevé. De spraak verwart.
 
Gerrit Achterberg
  Uit VERZAMELD WERK 1963
 
Kort commentaar:
 
Dit vers vertelt het verhaal van Kaïn uit het begin van Genesis.
Het gedicht bevat twee problemen: aan het begin en het slot.
  Wat moeten we met de titel: Fall-out?
Het is de radio-actieve neerslag die valt bij een atoombomexplosie.
Misschien kan je zeggen, dat het leven van Kaïn grondig verwoest wordt na het doden van z’n broer.
Hij wordt vogelvrij verklaard, een uitgestotene.
Weliswaar met een Ausweis van God. Ausweis is een woord uit wo2, wat zoveel wil zeggen als een identiteitskaart, een paspoort.
Fall-out kan ook een woordspeling zijn van: eruit gevallen, uit z’n vertrouwde familieomgeving.
Bij zo’n titel moet je beide betekenissen laten meespelen.
  Het tweede probleem is Ninevé.
Bij Babel verwarde de spraak.
Maar wat heeft Ninevé ermee te maken?
Babel en Ninevé waren beide wereldsteden vol goddeloosheid, vol autonome mensen, die het zelf wel uitzochten.
Vol van Kaïns.
 
 
 
 
-------------------------------------------------

GENESIS
 
Het was de zesde dag. Adam stond klaar.
Hij zag de eiken met hun volle greep
in het niets. Macht is een kwestie van
vertakkingen.
hij had de bergen gezien,
opbergruimtes van
alleen maar zichzelf, hoge
leegstaande kelders.
En herten. Met poten zo dun als
stethoscopen
stonden ze te luisteren aan de borst
van de aarde,
en zodra ze iets hoorden, liepen ze
weg,
de uitvinding van het pizzicato
met zich meenemend,
verten in. Herten.
En hij had de zee gezien, het laden
en het lossen van drukte,
waar je rustig van werd. En de lege,
hetzerige gebaren
van de wind, van kom mee, kom
mee, en niemand volgde.
En diepte, afgronden waar je
moeilijk van werd. En zwijgen,
want dat deed het allemaal, en te
groot zijn.
En toen zei God: en nu jij. Nee, zei

Adam.
  H. de Coninck
 
Kort commentaar:
 
Ik ben altijd benieuwd naar gedichten over figuren uit de Bijbel.
Wat heeft de dichter ervan gebakken?
  Iemand die de Bijbel een beetje kent, begrijpt dat dit vers niet over Adam gaat.
Het gaat over Herman de Coninck of over een door hem geschapen Adam.
  Of over Herman de Coninck als Adam.
Ik denk dat we dan het dichtst bij de oplossing zitten.
  In het slot krijgt dit vers een diepe ernst.
Het is een nee tegen God.
Nee, zei Adam de Coninck.


M'n oud-leerling Bram Beute schreef me kort geleden:

"Ik kijk wel eens op uw website met gedichten. Leuk om die te zien. Het negatieve commentaar op het gedicht 'Genesis' van De Coninck snapte ik echter niet. Ik vind het een heel knap gedicht dat het wonder van de schepping prachtig tekent en dan heel scherp de weigering van de mens om zijn positie als beeld van God in te nemen laat zien. Maar misschien zie ik iets over het hoofd."

Ik heb Bram bedankt voor zijn kritiek: "Dank voor je opmerking over het gedicht van Herman de Coninck. Ik geloof dat je gelijk hebt. Ik heb de beschrijving van de schepping te weinig gehonoreerd. Ik heb teveel vanuit het slot geredeneerd. Dat Nee schokte me en maakte me verdrietig."

Van een gewaardeerde Vlaamse lezer kreeg ik het volgende bericht:

Geachte heer Slings

Ik vond op uw website het mooie gedicht Genesis van Herman de Coninck. Ook de commentaar heb ik gelezen en ik vind het wat vreemd hoe u en Bram het gedicht interpreteren. Als ik mij goed herinner is de eerste 'taak' die Adam krijgt van God het benoemen van de dieren. Zoals Adam ze noemde, zo zouden ze heten. Maar Adam wil geen dieren benoemen bij De Coninck, hij wil niet boven de dieren staan, hij wil niet heersen over de dieren.
Of interpreteer ook ik te eng?

Met vriendelijke groeten
Koen Develter

Ik heb Koen het volgende geantwoord:

Dank voor je reactie.
Inderdaad moest Adam de dieren namen geven. Jij betrekt het Nee van Adam op het namen geven aan de dieren.
Dat element heb ik te weinig een plaats gegeven. Ik betrek het meer een totaal Nee tegen God.


 
 
 
  --------------------------------------------------

DAVID SPELENDE VOOR SAOEL
 
Toen zag de koning hoe zijn bruine handen
Ruisend de tonen grepen uit de snaren,
Alsof er blonde bussels korenaren
Voor zichten zwichtten op de hete landen.
  Daar boven hing, een rosse zon, te branden
Zijn blozend hoofd met schone rode haren.
En dieper werd zijn blos bij ’s konings staren,
En grootser werd de greep der slanke handen.
  Toen droomde Saoel zich in vaders woon,
Tussen hun vette vee en voedend koren,
En wist slechts van zijn oud-gewende werk.
Hij was tevreden als zijn vaders zoon.
  Dan voelt hij, plots, Gods onontkoombre tooren,
En om zijn wapen klemt zijn hand zich sterk.
  Willem de Mérode
  Uit VERZAMELDE GEDICHTEN
 
Kort commentaar:
 
Hier wordt de geschiedenis uit 1 Samuel 16,14-23 beschreven.
  Het gaat natuurlijk om die laatste regels.
In de eerste drie strofen voelt Saul zich prettig.
Het snarenspel van David heeft een goede uitwerking.
Saul droomt zelfs weg naar zijn onbezorgde jeugd.
  Dan gaat het plotseling mis.
Even later zal zijn speer zich in de muur boren.
  We staan hier voor het geheim van Gods verwerping.
De Mérode heeft het aangedurfd daar aandacht voor te vragen.
  Hij was niet voor niets een gereformeerd dichter.
 
 
 
  -----------------------------------------

DE LAATSTE DAG
 
Ze grepen hem terwijl zijn vrienden sliepen
En het verraad kuste als een vriend zijn mond.
Rumoer was in de stad, en mannen liepen
Met toortsen in de donkre straten rond.
  Een menigte drong op het plein: ze riepen:
‘Kruis hem! Kruis hem!’ - Hij, die gebonden stond
Voor het paleis, zag in hun oogen ‘t diepe
Geheim, waarvoor hem God ter wereld zond.
  En naakt werd hij gekruisigd door soldaten,
De vrouwen weenden en de priesters praatten,
Er werd gedobbeld en veel wijn vermorst.
  Het voorhang scheurde, de dooden werden wakker,
Een man wierp zilver ten verdoemden akker.
Het is volbracht! - Zijn hoofd viel aan zijn borst.
  Martinus Nijhoff
  Uit DE WANDELAAR 1916
 
  Kort commentaar:
  Je wilt een sonnet schrijven over de laatste dag van Christus. Wat kies je dan? Veertien regels is niet veel. En er heeft zich op die laatste dag heel wat afgespeeld. Elke evangelist heeft uit die gebeurtenissen een eigen keuze gemaakt. Wat heeft Martinus Nijhoff gekozen?
‘Ze grepen hem terwijl zijn vrienden sliepen.’ Daarmee komt dat lijden in Getsemane in onze gedachten. Wat deden z’n vrienden toen? Inderdaad, ze sliepen. En als Christus ze wakker maakt, staat daar het verraad, dat z’n mond kust als een vriend. De naam Judas wordt niet genoemd. Het verraad wordt gepersonifieerd. Daarin wordt al dat gekonkel en bedrog van Judas, waarvan Jezus alles al wist, in beeld gebracht.
De stad was onrustig. Met toortsen waren mannen op pad om Christus te vangen. In enkele streken schildert Nijhoff het tafereel in Getsemane. We zien het voor ons.
  Nu de tweede strofe: we bevinden ons op het plein voor het paleis van Pilatus. De menigte schreeuwt: ‘Kruis hem.’ Jezus staat daar, gebonden. En dan volgen de eerste kernregels van het gedicht: Christus ziet in hun ogen het diepe geheim waarvoor hem God ter wereld zond. Hier steekt Nijhoff af naar de vraag naar de zin van het lijden van Christus. Waarvoor werd Christus door God naar deze wereld gezonden? Johannes zegt het letterlijk zo na dat centrale vers 16: opdat de wereld door Hem behouden worde (Joh.3:17). Christus zag daar scherp z’n opdracht van God, toen Hij het geschreeuw van de menigte hoorde en de haat in hun ogen las. Door die haat heen zag hij het diepe geheim van z’n opdracht, z’n ambt.
Onvergetelijke regels in die tweede strofe:
‘zag in hun oogen ‘t diepe
geheim, waarvoor hem God ter wereld zond.’
  De derde strofe beschrijft de situatie bij het kruis. Nijhoff beschrijft drie groepen: vrouwen, priesters en soldaten. De vrouwen weenden. Zij zijn positief betrokken bij Jezus. De priesters praatten. Hun plan is eindelijk gelukt. Ze zijn in hun nopjes. En tenslotte de soldaten. Ze dobbelden en vermorsten wijn. Daarin komt de ruwe onverschilligheid van hun soldatenleven tot uiting.
  In de laatste strofe verandert Nijhoff de volgorde. Eerst beschrijft hij het scheuren van de voorhang. Het grote offer was gebracht. De offerdienst had afgedaan. Dan het opstaan van doden. Vervolgens, in één verdichte zin zien we wat er met het bloedgeld van Judas is gebeurd. De dichter sluit af met de tweede kern: het is volbracht. Zijn hoofd viel aan z’n borst. Letterlijk Johannes 19:30. Hier worden beide kernen van het gedicht verbonden. Het diepe geheim waarvoor hem God ter wereld zond, was volbracht.
  Een christelijk gedicht van een van onze grootste dichters.
 
 
  ---------------------------------------------

Eva
 
Daar zit ze dan, ze weet weer wie ze is.
Ze heeft die rare kleren uitgetrokken.
De jongens zijn de velden ingetrokken
om wat te offeren. En dat gaat mis.
  Zoiets voorvoelt ze, sinds ze moeder is.
De jongste is ze zelf ook van geschrokken.
Zijn vroom gekwezel met zijn zondebokken
levert een ander geen vergiffenis.
  De rug naar toen, wil ze geen stap terug.
En met de oudste kan ze leren leven
en met zijn kinderen. God is te vlug
met vloeken, trager met vergeven.
Daar zit wel schuld maar dit besef maakt stug:
Om Kains wil zal zij haar God weerstreven.
  Harm Schepers
  Uit TEKENS VAN LEVEN 1991
  Kort commentaar:
  Dit soort verzen wordt ook geschreven.
We komen hier een Eva tegen,
die de Schrift ons niet tekent.
Zij gaat vierkant tegen God in.
Deze Eva heet van achteren Schepers.
 
 
 
 
----------------------------------------------

Gethsemané
 
Waakt met mij, éen nacht, éen uur, éen oogwenk,
Opdat ik de plek voel waar gij zijt.
Kunt gij waken, strijdend tegen lijfsdwang,
Kunt ge ook troosten met aanwezigheid.
  Zóo zijn goden vaak op ’t eind vereenzaamd,
Menschonwaardig haav’loos en verkild,
Dat zij need’rig smeeken om de bijstand
Van een vriend die ’t zelfde heeft gewild.
  En zij gaan ongaarne in de doodsstrijd
Waar geen spiegel zelfs hen gadeslaat,
En zij huiv’ren voor de bleeke nanacht,
Als de haan kraait en de vriend verraadt.
  Waakt met mij, éen nacht, éen uur, éen oogwenk,
Slaap is maar een smalle overzij,
En wanneer de slaap u tóch vermeestert,
Breekt uit droomen los, en waakt met mij.
  Simon Vestdijk
 
Kort commentaar:
  Jezus in Getsemané.
In strofe 1 en 4 wordt Hij sprekend ingevoerd,
terwijl in het middendeel een beschouwing wordt gegeven
over goden die niet graag alleen de doodstrijd in gaan.
  Christus heeft inderdaad zijn vrienden gevraagd te waken.
Zo angstig was Hij, zo groot was zijn lijden.
  Maar in dit vers wordt over dat lijden met geen woord gerept.
Dat is dan ook wat jammerlijk ontbreekt.
Het is zo een horizontaal vers geworden.
 
 
 
----------------------------------------------

JOHANNES
 
Hij hing niet hoog aan ‘t kruis: zijn voeten bleven
Ter hoogte van mijn schouder; maar hij keek,
Als ik van onder naar zijn stil hoofd keek,
Stijgende langs het hout omhoog geheven.
  En toen de spijkers waren losgedreven
En ‘t stijve lichaam in mijn armen streek,
Wist ik dat hij ons in den dood ontweek
En mij den bittren beker had gegeven.
  Maria nam zijn koud hoofd aan haar borst
En Magdalena schreeuwde en hief haar handen,
Petrus zag toe vanaf den muur der stad -
  Mij had hij toen hij leefde liefgehad,
Maar toen hij stierf gaf hij zoo veel, dat ‘k van de
Vervuldheid eerst na jaren spreken dorst.
  Martinus Nijhoff
  Uit VORMEN 1924
 
Kort commentaar:
  Dit vers is geschreven vanuit het perspectief van Johannes.
Beeldend beschrijft het vers wat er gebeurde.
  Op het moment van de kruisafneming
werd Johannes verteerd van verdriet.
Hij dacht toen dat Christus hem de bittere beker had gegeven.
  Johannes schrijft dit eerst na jaren, zegt de laatste regel.
Als je het boek Handelingen leest, zie je wat er allemaal gebeurde:
hemelvaart, pinksteren, preek van Petrus, roeping van Paulus,
kortom de doorbraak van het evangelie de wereld in, zelfs tot in Europa.
  Johannes heeft als laatste evangelist zijn evangelie geschreven.
Inderdaad sprak hij pas na jaren.
 
 
 
 
----------------------------------------------

AAN DEN APOSTEL JOHANNES
 

De Schilders in ’t gemeen, die malen of verzinnen
Een Engel bij Matthijs of Seraphijnschen Man;
Bij Marcus eenen Leeuw, verhit op overwinnen,
Bij Lucas eenen Os, EEN AREND BIJ SINT JAN.


Jeremias de Decker
 
 
 
Waak op mijn ziel! Paar stem en snaar,
En zing den vliegend’ Adelaar,
Die u een bode Gods mag wezen!
Des Heilands vriend, de grote ziel,
Die op zijn boezem nederviel,
En in zijn hart mocht lezen!
  Die door de geest, die uit dat hart
In ’t zijne drong, gedreven werd,
Als hij verkondde: „GOD IS LIEFDE,
DE ZIEL, DIE LIEF HEEFT, IS UIT GOD,
ZIJ BLIJFT IN GODE. ’T OUD GEBOD
EN ’T NIEUW GEBOD IS LIEFDE!”
  O Konings-arend! met wat pracht
Sloegt gij de vleuglen uit, vol kracht;
Hoe hemelhoog zijt gij gevlogen!
Hoe staardet ge in ’t gebied van ’t licht,
De HOOGSTE zon in ’t aangezicht
Met onverbijsterde oogen!
  Haar weerglans, nimmermeer verdoofd,
Blinkt heerlijk om uw hals en hoofd,
En doet uw gulden veedren stralen;
En daalt ge in ons midden neer,
De balsemlucht van hooger sfeer
Komt met u nederdalen.
  Gij neemt ons op; gij draagt ons voort;
Gij zet ons neer in ’t heilig oord,
Waar wij den voetstap kussen mogen,
Door Hem in ’t aardse zand geprent,
Wien de engel voor zijn Heer erkent,
En dient met pinkende ogen.
  Gij stelt zijn beeld ons voor ’t gezicht,
’t Is alles heerlijkheid en licht,
Wat de ogen zien! wat de oren horen.
Ons hart ontgloeit, gelooft, aanbidt,
(Geen zaliger genot dan dit!)
En ademt als herboren.
  Maar eensklaps voert uw stoute vlucht
Ons boven wolken uit en lucht,
En alle starren, alle hemelen,
Tot waar de troon rijst voor ons oog,
De troon, waarom een regenboog,
Zijn kleurenpracht doet wemelen.
  De troon in ’t heiligst heiligdom
Der grote schepping Gods, waarom
Zijn uitverkoornen zich verdringen,
Het twalefmaal-twaalfduizendtal,
De schaar’ die niemand tellen zal,
Hun halleluja’s zingen.
  Met u slaan we ook den Afgrond ga.
Gij zweeft den hemels engel na,
Wiens hand, naar Gods bevelen beide
Zijn sleutel, en de keten voert
Waar hij den Ouden Draak meê snoert.
Die ’t heidendom verleidde.
  En waar uw brede vleugelslag,
Uw sterke klauw ons voeren mag,
In hemel, aarde, of hellekuilen:
Uw levenswarmte, uw liefdegloor,
Dringt koestrend tot de harten door,
Die ge aan uw borst doet schuilen.
  Hoogvliegende Arend! merkt gij niet
Wat pijlenzwerm men om u schiet,
Hoe felle jagers u belagen?
Neen! hoger zweeft ge en geeft geen acht,
Vernieuwt uw jeugd, behoudt uw kracht,
En blijft ons rustig dragen.
  Nicolaas Beets
  Uit GEMENGDE GEDICHTEN 6
 
Kort commentaar:
  Dat het kost even doorzettingsvermogen.
Dit soort langere verzen zijn we ontwend.
  Maar wie de moeite neemt om dit vers rustig te lezen,
wordt vanzelf meegesleept in het enthousiasme van de dichter.
  In de toelichting bij het schilderij bij Schriftstudies 2,
wordt de vergelijking van Johannes met de adelaar toegelicht.
 
 
 
 
----------------------------------------------

JOB
 
Vrienden verbitteren het vuur;
ze zeggen God - en maken rook
tussen mij en de muur;
wij knielen neder in de smook,
zondaren van natuur.
  Maar als zij weer verdwenen zijn,
herbid ik om het helder uur,
waarin die allerlaatste strook
opnieuw tot tuin ontlook, den duur
der woorden die mij vlam doen zijn,
en van de liefde puur.
  Gerrit Achterberg
  Uit DEAD END 1940
 
Kort commentaar:
  Een vers vanuit het perspectief van Job.
  De vrienden leggen een rookgordijn tussen hem en God.
Maar als ze weg zijn hervindt hij zijn God.
Dan verandert de mestbelt tot een tuin.
Hij ervaart dan de heerlijkheid van het dicht bij God mogen zijn.
  Tijdens dat bidden staat hij voor God in vlam
en ervaart hij Gods pure liefde.
  Een bijzonder gedicht.
 
 
 
----------------------------------------------

ELIA
 
Profeet en Held! Mond Gods op aard!
Omgorde met des kemels vacht!
Wiens brood de schorre rave bracht,
Die Isrel sterker toevlucht waart
Dan wagenspan en ruitermacht!
  O Ziener van des Heeren licht
Beschenen, door zijn geest gevoed
Die koningen in arren moed,
Dorst dagen voor uw aangezicht,
En smoren d’ afgodsdienst in bloed!
  Voor u vlamt ’s Heeren bliksemvuur,
Dat wie u tarten ’t hoofd verplet;
De regen ruist op uw gebed;
En ’t water splijt zich als een muur,
Waar ge in ’t geloof de voeten zet.
  Voor u geen duistre grafspelonk,
Geen scheiding tussen lijf en ziel;
Maar ’s Heeren koets met rollend wiel,
Waaruit uw eer hem tegenblonk,
Op wien uw mantel nederviel.
 
Nicolaas Beets
  Uit OOSTERLINGEN 1837
 
Kort commentaar:
  Hier worden in kort bestek (Beets had kennelijk meer te doen) een aantal belangrijke gebeurtenissen in het leven van Elia opgesomd.
  Romantici als Beets waren uitbundig met hun lof.
Opvallend is wat hij weglaat:
Bijvoorbeeld zijn moedeloze tocht door de woestijn,
toen hij het als profeet niet meer zag zitten.

De laaste strofe vind ik het aardigst;
s’ Heeren koets met rollend wiel.
 
 
 
 
----------------------------------------------

CHRISTUS AAN HET KRUIS
 
O Man van Smarte met de doornenkroon,
O bleek bebloed gelaat, dat in den nacht
Gloeit als een grote, bleke vlam, - wat macht
Van eindloos lijden maakt uw beeld zo schoon?
  Glanzende Liefde in enen damp van hoon,
Wat zijn uw lippen stil, hoe zonder klacht
Staart ge af van 't kruis, - hoe lacht gij soms zoo zacht, -
God van Mysterie, Gods bemindste Zoon!
  O Vlam van Passie in dit koud heelal!
Schoonheid van Smarten op deez' donkere aard!
Wonder van Liefde, dat geen sterfling weet!
  Ai mij! ik hoor aldoor den droeven val
Der dropplen bloeds en tot den morgen staart
Hij me aan met grote liefde en eindloos leed.
 
Albert Verwey
  Uit VERZAMELDE GEDICHTEN 1889
  Kort commentaar:
  Een esthetische Christus.
  Het was prof.K.Schilder die me daarvoor de ogen opende.
Het gaat Verwey om de schoonheid van het lijden.
Hij spreekt dat aan het slot van strofe 1 heel duidelijk uit.
In strofe 3 komt dat weer terug.
  Een esthetische Christus is niet naar de Schrift.
Er was geen schoonheid in zijn lijden, maar bitterheid
Hij droeg daar de zonden van de hele wereld.
Het gaat ons om de lijdende Christus, die stierf.
  Tot een volkomen verzoening van al onze zonden!
 
 
 
 
  ----------------------------------------------

VASTHI EN ESTHER
 
De trotsche schoonheid meent te staan,
Te heerschen door haar macht.
Doch zal haar troon en kroon vergaan,
Zij staat en – valt veracht.
  De teêre schoonheid buigt en beeft
En spreekt ootmoedig, zacht.
Doch ’t woord dat van haar lippen zweeft,
Voert koninklijke macht.
  Kort bloeit de kroon der hoovaardij,
En valt in éénen nacht.
Der teedren is de heerschappij,
Der zwakken is de kracht.
  P.A. de Génestet (1829 – 1861)
  Uit Nalezing Postuum verzameld 1856
 
Kort commentaar:
  Dit vers is gebouwd op een tegenstelling:
aan de ene kant de machtige Vasthi
en aan de andere kant de tedere, zwakke Esther.
  Maar de heerseres valt veracht,
terwijl de tedere de heerschappij ontvangt.
  Zo is het inderdaad gegaan.
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

PNIËL
 
Gestalte,
ik geef mij gewonnen,
overvleugel mij,
klapwiek mij neer.
  Geen toonladder
uit de hemel,
geen optocht van engelen
kon mij raken.
  Deze nacht
- een doorwaadbare plaats
in de stroom van de tijd -
heeft U de hand aan mij gelegd.
l
Ik, de geslepene
- een edesteen aan Gods vinger,
een scherpe steen in de slinger –
een geraakte ben ik geworden.
  Gedoopt met een nieuwe naam
- een sjibboleth –
klim ik uit het water,
kom ik aan het licht.
  Ik laat het stromen over mijn gezicht,
over mijn handen
en mijn nieuwe land,
ik, Israël.
  Jaap Zijlstra
  Uit LAND IN ZICHT 1969
 
Kort commentaar:
  Een bekende geschiedenis: Pniël.
Jakob vecht met God en geeft zich gewonnen.
  Het vers bevat verwijzingen naar bijbelse woorden en geschiedenissen
en woordspelingen, waar de dichter (te?) scheutig gebruik maakt.
  Strofe 1: overvleugel, wat tegelijk verwijst naar Gods vleugel,
waaronder we kunnen schuilen.
Strofe 2 herinnert aan Bethel (zie het schilderij op de hoofdpagina)
In strofe 3 een woordspeling: de hand aan mij gelegd, letterlijk en figuurlijk.
Ook in strofe 4 een woordspeling: Jakob de bedrieger, de geslepene,
die tegelijk een geslepen edelsteen is aan Gods vinger.
  Mooi is het beeld van de doop.
Jabbok uit Gen.32 levert het doopwater.
  Zo stapt een herboren Jakob z’n nieuwe leven binnen.
  Het lijkt een eenvoudig vers, maar er zit veel in.
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

EENS OP EEN DAG IN NAZARETH
 
Eens op een dag in Nazareth,
op ’t uur van God daarvoor gezet,
klopte aan Maria’s nederig huis
een engel aan en zij was thuis.
Zij heeft haar deurtje losgedaan
en toen zag zij de engel staan.
Maria schrok. Wie schrikt er niet
als hij een echte engel ziet?
Het moet wel eigenlijk niet zo zijn,
maar ach, een engel is zo rein.
  De engel sprak: Wees niet bevreesd,
want God bemint U allermeest;
van alle vrouwen, groot en klein,
zult gij het meest gezegend zijn,
gij krijgt een kind, een koningszoon,
die heersen zal op Davids troon.
  Maria zat en hoorde toe,
het werd wonderlijk te moe.
Zij sprak de engel schuchter aan
en heeft hem deze vraag gedaan
- haar woorden zongen als een lied –;
Hoe zal dat zijn, ik vat het niet;
ik ben niet eens getrouwd, mijn heer.
Toen sprak de witte engel weer.
Hij heeft haar ’t wonder uitgelegd.
Dit is het wat hij heeft gezegd:
De Heilige Geest heeft u bemind,
God is de vader van Uw kind.
  Toen boog Maria ’t kleine hoofd,
zij heeft in ’t wonder Gods geloofd,
zij sprak – en staakte elk verweer -:
Ik ben de dienstmaagd van de Heer.
  D. van der Stoep
  Uit DIT KIND
 
Kort commentaar:
  Een eenvoudig gedicht, dat direct aanspreekt.
Het lijkt voor kinderen geschreven.
  Dat maakt het ook zo charmant.
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

THOMAS
 
Als God bestond dan viel hij met ons samen
hier op aarde waar wij mensen zijn,
was hij het brood van ons, was hij de wijn
was hij de stem waarvoor we ons zouden schamen.
  Was hij de groene ziel bij ons van binnen,
de vleugel die ons hart had aangeraakt,
het licht waarin ons leven was ontwaakt,
en onze pijn en wildernis van zinnen.
  Hij is een glans die langs de sterren gaat,
een adem in een ontoegankelijk licht.
Hij is zo heilig dat hij niet bestaat.
  Als ik hem niet aanraak met deze hand,
hem kus met deze mond, met dit gezicht
hem in mij opneem, en hij mij verbrandt.
  J.W.Schulte Nordholt
  Uit EEN LICHAAM VAN AARDE EN LICHT 1961
 
Kort commentaar:
  Thomas de ongelovige, we kennen hem uit het evangelie.
Deze Thomas is een moderne ongelovige, althans zo schijnt het.
  In de eerste twee strofen is God heel immanent, heel dichtbij.
In Christus heel dichtbij, in brood en wijn.
Hij woont zelfs in ons, in onze beleving en gevoelens:
de groene ziel bij ons van binnen.
  Maar God is in strofe 3 de transcendente, de verhevene.
Mooie paradox: hij is zo heilig dat hij niet bestaat.
Dus zo ver weg van ons aardse leventje.
  En dan die schitterende laatste strofe:
God bestaat niet als ik hem niet aanraak en kus.
En hij mij in brand zet voor zijn dienst.
Hier komt de oude Thomas weer om de hoek kijken,
met zijn heerlijke belijdenis: Mijn Heer, mijn God! (Joh.20:28)
 
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

IK BEN DE KLEINE DOCHTER ...
 
Ik ben de kleine dochter van Jaïrus.
Ik lig hier op een veel te grote baar.
De dood zit in mijn ogen en mijn haar,
dat, nu de krul er uit is, zonder zwier is.
  Ik mis mijn pop, die nu zij niet mee hier is,
slaapt als ik slaap, de vingers in elkaar.
Ik weet dat tweemaal twee tezamen vier is,
maar nu ik dood ben is dat niet meer waar.
  Waarom had ik daarstraks ook weer verdriet?
Er zou een man, die toveren kon, komen,
mij beter maken, maar toen kwam hij niet.
  De mensen op het dak en in de bomen
gingen naar huis, maar ík blijf van hem dromen.
Morgen ben ik de eerste die hem ziet.
  Ed.Hoornik
  Uit HET MENSELIJK BESTAAN 1951
 
Kort commentaar:
  Een sonnet over de dochter van Jaïrus (Marcus.5).
Het perspectief ligt bij het dochtertje.
Je kunt het ook lezen in de zij-vorm.
Dan gaat er veel van de verrassing verloren.
  Mooi zijn de rijmen op Jaïrus.
Ik herlees dit eenvoudige vers altijd met vreugde.
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

MARIA MAGDALENA
 
Mijn lichaam ligt bereid tot Pasen.
Ik keer met u de zoete zalen in
dier witte, laatste maanden.
O tuin der aarde, die ik nu bemin
meer dan mijn eigen ademhalen,
omdat mijn bloed er in verging.
O bruid, die na mijn hemelvaren
zal zingen in Jeruzalem.
  Gerrit Achterberg
  Uit INERTIE 1944
 
Kort commentaar:
  Een vers vanuit het perspectief van Jezus.
Hij ligt in het graf.
Hij denkt vol emotie terug aan wat er gebeurd is.
Twee keer de uitroep O wijst daarop.
  Hij noemt Maria Magdalena zijn bruid.
Een oude dwaling die vandaag een nieuw jasje heeft aangetrokken.
 
 
 
 
----------------------------------------------

OVER DE JABBOK
 
Toen ik het einde had bereikt
van mijn verdorvenheden,
stond God op uit het slijk,
en weende;
en ik stond naast Hem, ziende neder
op een verloren eeuwigheid.
  En Hij zei: je had geen gelijk;
maar dat is nu voorbij, van heden
tot aan die andere eeuwigheid,
is maar één schrede.
  Gerrit Achterberg
  Uit OSMOSE 1941
 
Kort commentaar:
  Hier wordt heel geconcentreerd de kern van Pniël beschreven.
Het einde van zijn verdorvenheden.
Jakob was een bedrieger.
Hij keek terug op een verloren eeuwigheid,
op een verzondigd verleden.
  Maar nu begint het nieuwe leven.
God ziet z’n zonden niet meer aan.
Dat is nu voorbij.
Tussen nu en de andere eeuwigheid,
waarin Jakob altijd bij God zal zijn,
is maar één schrede.
  En vers met perspectief.
 
 
 
 
----------------------------------------------

DAMASCUS
 
Er is geen baan voor uw beweging.
Nadat de ruimte bij u binnensloeg
naar alle hoeken en u ver genoeg
inkrimpen kon, dat geen omgeving,
  waarin gij om uzelven heen ging,
nog overbleef, geen opening of voeg,
die u misschien een micron verdroeg,
ligt gij gestenigd in verstening.
  Ik stond erbij in de realiteit,
uw mantel toegevouwen op mijn arm.
Maar later op de weg sloeg God alarm:
  ‘Ga naar Damascus, daar wordt u gezegd
wat ge moet doen. Ga naar Damascus. Recht.’
Blind werd ik tussen andren weggeleid.
  Gerrit Achterberg
  Uit EN JEZUS SCHREEF IN ’T ZAND 1947
 
Kort commentaar:
  Een vers vanuit het perspectief van apostel Paulus,
toen nog Saulus van Tarsen.
De eerste drie strofen vertellen over de steniging van Stefanus.
Wel een beetje kryptisch.
Stefanus sterft bedolven onder stenen.
Maar bij hem is een ruimte binnengeslagen.
Een hemelse ruimte
  In de laatste strofe Damascus.
Hier wordt de roeping van Paulus niet door hem genoemd.
Alleen: God sloeg alarm.
En het gevolg ervan: zijn blindheid.
  Alsof hij zich nog schaamt voor zijn gedrag bij de steniging.
 
 
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

LAZARUS
 
Men wond hem van de bleke windselen vrij.
Als één die het in andrer ogen leest
en ’t grondeloze aan zich zelve meet, sprak hij
strak en zacht: Ik ben in de dood geweest.
  En als na enige dagen men hem vroeg:
o zeg ons toch, hoe was het in de dood?,
hief hij het aanschijn, diep van leed doorploegd
en stamelde de woorden ‘zwaar’ en ‘groot’
  en zweeg en staarde in het avondlicht
en zou voor immer zwijgen, en voortaan
keek men hem schuw en als een vreemdeling aan.
  En somtijds zag men hem, een man die zich
voortdurend houden moest in evenwicht,
maar uiterst recht-op door de straten gaan.
  Jan H. Eekhout
  Uit HET GODDELIJK PAARD
 
Kort commentaar:
  Ik heb me als kind wel eens afgevraagd:
“Wat heeft die Lazarus later allemaal doorgemaakt?”
  De Heer heeft het niet nodig gevonden mijn nieuwsgierigheid te bevredigen.
De Vlaming Eekhout geeft in dit vers een aanzetje.
  Als ik nu dit vers lees, denk ik: “Zou het zo gegaan kunnen zijn?”
Wat ik me heel goed kan voorstellen is zijn eenzaamheid.
Hij had iets bovennatuurlijks meegemaakt.
Daarom keken de mensen hem schuw en als een vreemdeling aan.
Zo gaat dat in een dorp. Hij was een getekende.
  De laatste strofe is ook interessant:
hij wankelt alsof hij recht in de zon gekeken heeft,
maar hij loopt kaarsrecht door de straten,
als iemand die zeker is van zijn zaak.
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

SIMSON
 
Ik ga. Ik drijf de molen. Ik ben blind.
Ik hoor mijn stap die dof aan de aarde slaat
in eeuwige ommegang en eendere maat -,
ik hoor de kleine spotroep van een kind.
  Verdwaasd heb ik een warme vrouw bemind.
Het luide bloed, het liefelijk gelaat.
Tot wankele grijsaard kromde mij de smaad
en aan mijn kaken waait de lege wind.
  Ik was die iedere vijand overwint.
Gerecht hebt Gij U, Heer, op mij ontzind.
Nu ben ik eenzaam als de eenzaamheid.
  Ik ga. Ik drijf de molen. Ik ben blind.
Ik maal de bittere korrelen van de tijd.
Ik bid Uw kracht. Ik schrijd. Ik schrijd. Ik schrijd.
  Jan H. Eekhout
  Uit HET GODDELIJK PAARD
 
Kort commentaar:
  Simson aan het eind van zijn carrière als rechter.
De onoverwinnelijke overwonnen
De ogen uitgestoken drijft hij de tredmolen.
  Hij kijkt terug met schuldbesef.
God heeft hem terecht gestraft.
Hij is alles kwijt, maar niet het gebed.
  Het belangrijkste heeft hij behouden.
 
 
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

PHARAO
 
Volkeren hebben zich ontzet gebogen.
Ik nam hun vlees en bloed, hun moeilijk wenen,
om aan mijn naam de donkre glans te lenen
die sloeg uit hun gebroken woedende ogen.
  Mijn grote dood werd langzaam opgetogen
door hun klein sterven, als muurvaste stenen
stapelde ik hun angsten om mij henen
en stierf als zij, maar sterk en onbewogen.
  Schennende handen van hun vuige zonen
braken het graf der heilge pharaonen,
scheurden de wa van hun verdorde leest.
  Niets kan de glorie van MIJN mummie storen.
Zij staat zo stil en zeker als te voren
onder de zware bouw van mijnen geest.
  Willem de Mérode
  Uit HET HEILIG LICHT 1922
 
Kort commentaar:
  Deze farao is niet regelrecht uit Exodus het gedicht binnengestapt.
Toch is die farao te vergelijken met die uit de eerste strofe.
  Hier is de farao zelf aan het woord.
De graven van z’n voorgangers zijn geschonden.
Maar van mijn mummie blijven ze af,
zegt hij zefverzekerd.
  Wat dat betreft zou het de farao van Israëls verdrukking kunnen zijn.
 
 
 
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

JONATHAN
  Zijn kleren had hij niet alleen geruild
en kostbaar wapentuig, maar ook zijn leven.
Hij had zijn wijsheid en zijn kracht gegeven
en wat in harts verholen diepten schuilt.
  Voor simpele eenvoud, sterke aanhanklijkheên,
bood hij het de gebronsde jonge herder.
Die nam, en streed, en slingerde het verder
en trof Saul met de scherpgekante steen.
  En Jonathan duldde het dubbel leed.
Hij dacht zijn vader hard en David wreed,
en kampte om ’t arm geluk van dood te zijn.
  Bij ’t rijzen van de grijze schemervloed
gruwt David van de lauwe smaak van bloed,
en staart vol afschuw naar de rode wijn.
  Willem de Mérode
  Uit VERZAMELDE GEDICHTEN 1987
 
Kort commentaar:
  De Mérode maakt het de lezer niet altijd makkelijk.
We weten van Jonathans vriendschap met David,
ondanks het feit dat zijn logische koningschap op David overging.
  U zult zeggen, David trof toch niet Saul maar Goliath.
Jazeker, maar indirect trof hij Saul.
Vanaf dat moment werd David namelijk een obsessie voor Saul.
  Jonathan moest dubbel leed doorstaan.
Zowel van zijn vader als van David.
Hij bevond zich in voortdurend loyaliteitsconflict.
  Uiteindelijk sneuvelt hij op Gilboa.
Zijn vriend David komt hem betreuren.
  De Mérode heeft zich diep ingeleefd in die wondermooie vriendschap.
 
 
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

SALOMO EN DE KONINGIN VAN SABA
 
Zij zag het heersen van de stilte groot
temidden van de duizend gouden schilden,
die duizend soldenieren blinkend tilden
en lieten vlammen als het morgenrood.
  Verheven en verschriklijk als de dood,
maar zacht als ’t leven dat haar hart doortrilde,
tussen de twaalf ivoren leeuwen, rilde
hij voor haar blode liefelijke nood.
  Toen ’t bloed zwaar door haar tengre wezen suisde
was het alsof zij eenzaam groeide en ruiste,
een krank riet voor de wijde horizont.
  En ’t licht zag opgaan, en hoe ’t licht verstilde
en roerloos werd terwijl haar schaûw nog trilde,
zo was zij toen zij voor zijn glimlach stond.
  Willem de Mérode
  Uit VERZAMELDE GEDICHTEN 1987
 
Kort commentaar:
  Een boeiend geschiedenis van het bezoek uit 1 Koningen 10.
Een ongekend rijke koningin van Seba/Saba bezoekt Salomo.
Ook geen kleintje.
  In de eerste twee strofen wordt de rijkdom van Salomo geschetst.
Verder wordt iets van liefde tussen die twee gesuggereerd.
  We weten dat Salomo niet bepaald een hekel aan vrouwen had.
Dus helemaal uit de lucht gegrepen is de suggestie uit het vers niet.
 
 
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

WONDERBARE SPIJZIGING
 
Onze Vader die in de hemelen zijt,
wij danken U voor Uw barmhartigheid,
Uw zoon Jezus – geprezen zij zijn naam –
kwam wederom in ons midden staan
en volbracht, als toen Hij op aarde ging,
een wonderbare spijziging.
Wederom, herderloos als wij zijn,
bevonden wij ons in een woestijn.
Geen voedsel bood het berooid gebied,
het elders kopen konden wij niet.
Maar Hij was met ons in dat oord.
“Geeft hun te eten” klonk zijn woord.
Voorts, nadat men tezamen las
de geringe mondvoorraad die er was,
deed Hij ons zitten groepsgewijs,
nam, toen wij zaten, de vergaarde spijs,
zag op ten hemel, zegende ’t brood,
brak het, - en wat ternauwernood
had kunnen volstaan voor één gezin,
bleek, toen men het uitdelen ging,
voor een geheel volk te volstaan.
Grote dingen hebt Gij aan ons gedaan.
Wij dank U voor Uw barmhartigheid,
onze Vader die in de hemelen zijt.
  Martinus Nijhoff
  Uit VERZAMELDE GEDICHTEN 1964
 
Kort commentaar:
  Een bijzonder vers.
Een gebed tot de Vader over zijn Zoon.
De bidder vertelt wat de Zoon heeft gedaan bij de wonderbare spijziging.
En hij dankt de Vader voor het wonder van zijn Zoon.
  Een fraai cyclisch gedicht dat eindigt zoals het begint.
 
 
 
 
 
 
 
----------------------------------------------

MARIA MAGDALENA
  Er dropen rozen neer uit de guirlanden
en vielen op het bed, waar we ons verveelden,
terwijl de binnenkanten van haar handen
strelende langs mijn zieke hoofd heen speelden.
  Drinkend het licht, ging zij door de warande
en door de tuin, waar bloemen zijn en beelden -
ik zag een cirkel om het hoofd heen van
vrouw, die doelloos leven nam als weelde.
  Zij ging ten heuvel waar de kruisen stonden,
zag haar leven vervloekt, waar Hij in pijnen
machtloos hing aan ‘t hoge hout gebonden -
  en een triomf scheeuwde in de tambourijnen,
toen zij waanzinnig dansende op de pleinen
luid lachte omdat een God stierf voor haar zonden.
  Martinus Nijhoff
  Uit VERZAMELDE GEDICHTEN 1964
 
Kort commentaar:
  Uit guirlanden (bloemenslingers) vallen rozeblaadjes op een bed,
waar de ik en een vrouw zich vervelen.
  In strofe 2 gaat de vrouw door een warande (wandelpark).
De ik ziet een aureool om haar hoofd,
een lichtkrans waarmee heiligen worden afgebeeld.
  Zij gaat naar Golgota, ziet daar Christus hangen.
Ze weet haar verzondigd leven vervloekt.
  In de laatste strofe weet ze haar zonden vergeven.
Ze wordt waanzinnig van vreugde bij dat besef.
  Nijhoff noemde dit vers Maria Magdalena,
een vrouw die wist van zonde en van vergeving.
  Vooral het slot is aangrijpend:
iemand die gek wordt van blijdschap over haar vergeving.
 
 
 
 

 
 
 
----------------------------------------------

DE SOLDAAT DIE JEZUS KRUISIGDE
  Wij sloegen hem aan ‘t kruis. Zijn vingers grepen
Wild om de spijker toen ‘k de hamer hief -
Maar hij zei zacht mijn naam en:”Heb mij lief -“
En ‘t groot geheim had ik voorgoed begrepen.
  Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief - en sloeg en sloeg en sloeg
De spijker door zijn hand in ‘t hout dat barstte.
  Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een vis - zijn naam, zijn monogram -
In ied’re muur, in ied’re balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,
  En antwoord als de mensen mij wat vragen:
“Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.”
  Martinus Nijhoff
  Uit VORMEN 1924
  Kort commentaar:
  De vers vanuit het perspectief van een Romeins soldaat.
Hij was direct bij de kruisiging betrokken: hij sloeg de spijkers.
  Het gedicht vertelt dat Christus hem aansprak.
De gevolgen lezen we in strofe 3 en 4.
De soldaat wordt een volgeling:
hij tekent de vis, het Christussymbool.
  De slotregel is verrassend en veelzeggend.
 
 
 
----------------------------------------------

MOZES
  Herinnering, een grote hommel, gaat
stuifmeelbeladen, honigdoof,
over het koren in mijn hoofd.
Gij hebt het grond en het land beloofd;
het is ontkiemd aan deze kant.
  En de gedachte wordt bezwaard
met oud geluk – een volle schoof,
die rechtop in mijn lichaam staat.
Gij zult haar nemen zonder graf.
  Gerrit Achterberg
  Uit INERTIE 1944
 
  Kort commentaar:
  We hebben hier te maken met indirecte lyriek.
Achterberg schrijft een vers getiteld Mozes,
maar het gaat over hemzelf.
  Hij gebruikt elementen uit het leven van Mozes,
maar het is het oude verhaal van Achterberg
over zijn gestorven geliefde.
  Zowel in strofe 1 en 2 wordt naar Mozes verwezen:
Gods belofte van het land Kanaän
en zijn bijzondere sterven, waarbij zijn graf onvindbaar bleek.
  Maar verder gaat het over het hoofd van de dichter.
Een hoofd met een herinnering (str.1), met een gedachte (str.2).
Het is een heerlijke herinnering:
een hommel, beladen met lekkernij,
die over korenveld in zijn hoofd gaat.
Met dat koren was iets bijzonders aan hand,
het had een belofte van God.
Die belofte is vervuld: het koren is ontkiemd,
aan deze kant van het graf.
God kwam zijn belofte na.
  Die herinnering wordt nog zwaarder, heviger in strofe 2:
het koren is geoogst: een volle schoof.
Niet meer in zijn hoofd, maar rechtop in zijn lichaam.
Dus in volle omvang aanwezig.
De belofte van God gaat ook verder.
De gedachte dat de gestorven geliefde door God
is opgenomen net als Mozes.
Van deze heerlijke gedachte is de dichter vol.
 
 
 
----------------------------------------------

DE FARIZEEËR
  Hij heeft zijn dille en komijn
geteld en op een goudschaal afgewogen,
en God gediend naar meer dan zijn vermogen,
alléén om schuldeloos te zijn.
  Hij heeft de liefde afgelegd
uit vrees, dat ze hem eenmaal zou verleiden;
En door de vreugde als de pest te mijden
heeft hij de zonde zich ontzegd.
  Maar hoogmoed maakt zijn daden slecht.
Zijn zelfgenoegzaamheid heeft hem bedrogen.
Hij zal de hemel toch niet binnen mogen
Als hij zijn braafheid houdt voor recht.
  Want God heeft tot der dwazen troost gezegd:
“Hemelpoorten hebben heel lage bogen.”
  Piet Los
  Uit WIJNAZIJN 1978
 
Kort commentaar:
  Je moet een beetje van de bijbel afweten om dit vers naar waarde te schatten.
In Matt.23 zegt Jezus over de Farizeeën: ‘Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie geven tienden van munt, dille en komijn, maar veronachtzamen wat in de wet zwaarder weegt: recht, barmhartigheid en trouw.’
Dat hoofdstuk staat vol met verwijten aan de Farizeeën.
  Tegelijk is dit vers voor vandaag geschreven.
Ook nu is er Farizeïsme met hoogmoed, zelfgenoegzaamheid en klein-burgerlijke braafheid.
Bijzonder is strofe 2: ten diepste is het gedrag van een Farizeeër ingegeven door angst: stel je voor dat hij zou zondigen! Maar hoogmoed maakt zijn daden slecht.
  Los heeft altijd partij getrokken voor de kleinen en zwakken in Gods koninkrijk
die wel onder de lage bogen door kunnen, gebukt.
 
 
 
----------------------------------------------

JONA
  Ik was niet bang, alleen maar vol van haat
en blij, dat God haar eindelijk ging vernielen,
de vijand van mijn kleine joodse staat:
een stad van meer dan honderdduizend zielen
  En ik genoot intens van al hun kwaad
omdat ik wist, hoe snel ze sterven zouden.
God kon niet meer terug, het was te laat,
nog veertig dagen en Hij moest woord gaan houden.
  Maar God houdt helemaal zijn woord niet en
luistert als dat verdoemde tuig gaat brullen
dat eens mijn vaderland verwoesten zal.
  Hij denkt misschien , dat ik dit volk niet ken,
maar Hij zal ’t weten, als Hij in een stal
wat Hij hier is begonnen, gaat vervullen.
  Piet Los
  Uit ONGELINIEERD 2000
 
Kort commentaar:
  Een sonnet vanuit het perspectief van Jona.
Goed tekent de dichter de vijandige gevoelens van Jona.
Met name het begin van de fraaie 2de strofe.
De wending in strofe 3 is helder.
De slotstrofe preludeert op het heil voor alle volken,
door de komst van Christus in deze wereld.
God gaat door Christus vervullen wat Hij in Ninevé is begonnen.
 
 
 
----------------------------------------------

JUDAS
  In spartelen van gevangen vis
en in het hanekraaien is
Zijn stem, maar in Jerusalem
voel ik alleen nog het gemis
en huiver in de duisternis,
  omdat mijn hoop vervlogen is
en mijn geloof gelogen is
en al mijn liefde stierf met hem
die dertig zilverlingen is
als loon omdat ik me vergis.
  Piet Los
  Uit DE BROMVLIEG IN DE WINTER 1986
 
Kort commentaar:
  In dit vers ligt het psychisch perspectief bij Judas.
We kijken in het heden van zijn werkelijkheid,
nadat hij Jezus heeft verraden.
Wat betekent dat laatste woord: vergis?
Heeft hij zich vergist met z’n verraad
of met z’n verwachting van Christus als bevrijder?
Ik denk het laatste, want nergens lezen we van inkeer bij Judas.
 
 
 
----------------------------------------------

MOZES
  De man die “Ik vertrap het” zegt
en aan een slavenvolk zich hecht
omdat hij liever sterven wil
dan kruipen voor de krokodil,
  hij dronk met moedermelk de haat
tegen de almacht van de staat
en leerde als Gods kleine knecht
het goddelijk vergeldingsrecht.
  Toen werd hij eerst een moordenaar,
daarna een herder, veertig jaar.
  Nu, na die eerste man in ’t zand
spoelen de paarden aan op ’t strand
en gaat de machteloze stoet
rustig de toekomst tegemoet.
  achter hem die niet spreken kon
en toch de Beresjit begon.
Geen vijand die hem keren kan,
Mosje, een zeer zachtmoedig man.
  Piet Los
  Uit EEN BROMVLIEG IN DE WINTER 1986
 
Kort commentaar:
  Los wijdt een vers aan de belangrijkste man van het Oude Testament.
In het vers wordt gezinspeeld op allerlei bijbelse gebeurtenissen.
Mozes groeide op aan het hof van de Farao.
Hij zou in die tijd gezegd kunnen hebben: “Ik vertrap dat volk”.
Maar ondertussen koos hij wel voor dat verdrukte volk.
  Het volk volgde Mozes, die niet goed uit z’n woorden kon komen,
maar toch begon met het schrijven van Genesis (Beresjit genoemd).
In Numeri 12:3 wordt hij de meest zachtmoedige man genoemd.
 
 
 
----------------------------------------------

GENESIS
  Het was de zesde dag. Adam stond klaar.
Hij zag de eiken met hun volle greep
in het niets. Macht is een kwestie van
vertakkingen.
hij had de bergen gezien,
opbergruimtes van
alleen maar zichzelf, hoge
leegstaande kelders.
En herten. Met poten zo dun als
stethoscopen
stonden ze te luisteren aan de borst
van de aarde,
en zodra ze iets hoorden, liepen ze
weg,
de uitvinding van het pizzicato
met zich meenemend,
verten in. Herten.
En hij had de zee gezien, het laden
en het lossen van drukte,
waar je rustig van werd. En de lege,
hetzerige gebaren
van de wind, van kom mee, kom
mee, en niemand volgde.
En diepte, afgronden waar je
moeilijk van werd. En zwijgen,
want dat deed het allemaal, en te
groot zijn.
En toen zei God: en nu jij. Nee, zei

Adam.
  H. de Coninck
 
Kort commentaar:
  Ik ben altijd benieuwd naar gedichten over figuren uit de Bijbel.
Wat heeft de dichter ervan gebakken?
  Iemand die de Bijbel een beetje kent, begrijpt dat dit vers niet over Adam gaat.
Het gaat over Herman de Coninck of over een door hem geschapen Adam.
  Of over Herman de Coninck als Adam.
Ik denk dat we dan het dichtst bij de oplossing zitten.
  In het slot krijgt dit vers een diepe ernst.
Het is een nee tegen God.
Nee, zei Adam de Coninck.
 
 
 
----------------------------------------------

EMMAÜS
  De tocht terug is nooit zo lang geweest.
Jeruzalem een puin, de droom verdroomd.
Al wat men in de oude Schriften leest
is tevergeefs, voor altijd weggehoond.
  De mijlen naar hun oude dorp doen pijn.
Twee volgelingen gaan vermoeid hun weg
van dagelijks brood en amper samenzijn,
bedroefd om alles wat hun werd ontzegd.
  "Te klein is uw geloof in de profeten."
Alleen hun oren zien, ze houden halt,
vernemen wat men nooit meer kan vergeten
en vragen: "Blijf bij ons, de avond valt."
  Patrick Lateur
  Uit RAVENNA 2001
 
Kort commentaar:
  Wat een boeiende geschiedenis: de Emmaüsgangers.
Hun ogen waren gehouden staat er in de Statenvertaling.
Christus, ‘begonnen hebbende van Mozes
en van al de profeten’ legde hun uit wat erover Hem geschreven was.
En dan hun reactie: “Was ons hart niet brandende in ons,
toen Hij ons de Schriften opende?”
Altijd weer ontroerend.
 
 
 
----------------------------------------------

HET OORDEEL
  Mijnheer de voorzitter, ik ben te oud.
Wanneer de Heer weer in het zand gaat schrijven
vrees ik, dat ik als oudste niet kan blijven.
Ik deed in een lang leven te veel fout.
  Ik weet, dat u beslissingen moet nemen
en dat u eerlijk en rechtvaardig bent.
Het is maar beter dat u mij niet kent.
Mijn handen zijn te zwak voor zware stenen.
  Ik lijk te veel op die verdorven vrouw
om eerlijk en rechtvaardig recht te spreken
en over wie dan ook een staf te breken.
Ik wens u wijsheid, moed, beleid en trouw.
  U kent mij niet maar God heeft zeer bedreven
mijn naam zorgvuldig in het zand geschreven.
  Piet Los
  Uit ONGELINILEERD 2000
 
Kort commentaar:
  Hier is een oudste uit de hoge raad van Israël aan het woord.
Hij acht zich te slecht om bij het oordeel over Christus betrokken te zijn.
Bovendien zijn z’n handen te zwak om mee te doen met de steniging.
  In de laatste strofe bekent de oudste tot de volgelingen van Christus te behoren.
Hij heeft zijn verzondigd leven beleden
en gekozen voor de veroordeelde.
Een boeiend sonnet.
  Indirect beschrijft de dichter zichzelf..
Maar dan wordt het ingewikkeld.
Hoe vertaal je dit vers naar vandaag?
In ieder geval, hij weet zich ondanks z’n zonden door God verkozen.
 
 
 
----------------------------------------------

INDIVIDUALISME
  Toen zei Jezus, het orkest in het hart
van een bezetene ziende, de trommelaars
de paukeniers en fluitisten, het
lawaai van het geschetter
en getrommel aanhorend en zijn oor
verdoofd wetend, met een ongeordende stem:
druktescheppers van duivels, vlieg het heelal in
uit dit huis en de lucht werd vervuld van
alleenstaanden, elk in één ruk eenzaamheid
ongehoord tussen wolken en zon zwartvlekkend
spelend op zijn allenige trommel, pauk en fluit.
  Lode Bisschop
  Uit NASLAAGWERK 1992
 
Kort commentaar:
  De Here Jezus heeft vele duivels uitgeworpen.
In dit gedicht lezen we een boeiende versie.
Het benadrukt vooral het ‘allenige’,
wat we ook aantreffen in het individualisme.
Scherp gezien.
 
 
 
----------------------------------------------

VASTHI
  Manlijker trots in een vrouwlijke borst
is daar wel nooit in het Oosten vernomen,
dan waarmee Vasthi het weigeren dorst,
zonder de sluier ter feestzaal te komen;
was niet de gastheer haar heer en haar vorst?
  „Breng der Vorstinne mijn vorstelijke last:
dat zij het hoofd met de haarband doe pralen
die aan de gade van koningen past;
dat zij u volge in de feestelijke zalen,
waar zich ons oog aan haar schoonheid vergast’!”
  „ „Breng aan de Koning mijn vorstelijke groet:
dat hij mijn aanzicht niet zien zal op heden;
dat ik mijn haarband niet trap met de voet
niet als slavin ter feestzaal zal treden,
zeg hem, dat hoogmoed voor dwaasheid behoed.” ”
  Siddrend bracht Zethar die boodschap de vorst.
Wreed heeft de Koning die fierheid gewroken;
maar zeker nooit heeft in vrouwelijke borst
mannelijker trots in het Oosten gesproken,
dan waarmee Vasthi hem weigeren dorst.
  Nicolaas Beets
  Uit: OOSTERLINGEN 1837
  Kort commentaar:
  Koningin Vasthi weerstaat het bevel van koning Ahasveros.
Die wilde haar laten opdraven voor een troep laveloze edellieden.
Vasthi heeft zoveel eergevoel dat ze weigert.
Dat kon haar de kop kosten.
Beets prijst haar fierheid.
Terecht.
 
 
 
----------------------------------------------

IZÉBEL.
  O Distel Sidons! waarom moest
de Koning u in Isrels gaarde
verplanten tot een vloek der aarde?
Zie, nu is Isrels gaarde woest!
Sinds gij er hieft ’t getulband hoofd,
verdroogt de rank, verschroeit het koren.
Des maaiers hoop is weggeroofd,
en wijn en tarweoogst verloren.
  Om u zijn ’s hemels bronnen droog,
de schoot der aarde dor geworden.
En toch — gij steekt het hoofd omhoog,
wat halmen om u henen dorden.
Maar wee u, als des Heren oog
u moe zal worden op zijn akker:
dan roept zijn stem de Wieder wakker,
dat die uw struik ontwortlen moog!
  Ha! Hoe wreedaardig zal zijn hand
uw hoge kruin doen nederbukken,
uw scherpe steel aan de aarde ontrukken,
en schudden uit uw vezelen ’t zand.
Dan zullen u zijn harde vingeren,
waar men des akkers vuil vergaart,
als een verfoeisel nederslingeren,
u, distel Sidons, vloek der aard!
  Nicolaas Beets
  Uit: OOSTERLINGEN 1837
 
Kort commentaar:
  Een vers dat bol staat van heilige wraak.
Beets maakt zich tot tolk van de vrome Israëliet.
De dichter richt zich rechtstreeks tot Izebel.
Hij slingert haar het ene na het andere verwijt in het gezicht.
Hij stelt haar aansprakelijk voor de neergang van Israël.
  Haar oordeel wordt aangezegd precies op de helft:
‘Maar wee u, als des Heren oog
u moe zal worden op zijn akker.’
  En dan dat krachtige slot:
‘u, distel Sidons, vloek der aard!’
  De taal van Beets is niet meer de onze,
maar de hartstocht knalt uit elke regel:
heilige verontwaardiging en heilige woede.
 
 
 
----------------------------------------------

JOZEF
 
De jongling, die naar Dothan toog
om broedren op te zoeken,
wier haat en nijd hem tegenvloog
met smalen en vervloeken,
toog toch de weg der Grootheid op,
totdat hij, op de hoogsten top,
aan Faro, zij verheven,
een volk behield bij ’t leven.
  Vrees niets, godvruchte, van wat God
gedoogt u te overkomen!
Gij, volg uw plicht; Hij schikt uw lot
en kroont de weg der vromen.
Zie hopende op; treed rustig aan,
al moest het tot het uiterst gaan,
en slechts een manlijk sterven
u troon en kroon doen erven.
  Nicolaas Beets
  Uit: GEMENGDE GEDICHTEN 9de bundel
 
Kort commentaar:
  Beets heeft wel langere verzen geschreven dan dit gedicht.
In strofe 1 wordt bondig het begin van Jozefs levensloop getekend.
Beets spreekt hem rechtstreeks aan in strofe 2,
alsof hij zijn tijdgenoot was.
Dat past in de stijl van de 19de eeuw.
Als lezer sta je oog in oog met Jozef.
Dat maakt het heel direct.
 
 
 
----------------------------------------------

ESTHER.
  Schone Esther, toen uw blanke hand
het sluiergaas had weggeslagen,
en u des konings ogen zagen,
hoe kromp uw hart en ingewand!
Gij zaagt hem, van zijn pracht omtogen
in heerlijkheid en vorstentrots,
met gloed en vlammenschietende ogen
en blinkende als een engel Gods.
  Hoe werd dat oog dus dof van vreze.
Dat van zo schoon een flikkring glom,
als ’t „Kom ik om, zo kom ik om”
het hart verhief der Joodse weze.
Hoe boog dat heerlijk hoofd van schrik,
hoe werd de vuurblos op die wangen,
bestorven voor die koningsblik,
door bleekte van de dood vervangen.
  Maar toen gij in uw blanke hals,
op uw slavinne neergebogen
gelijk een leliebloem des dals,
bezwaard door droppels uit den hogen
des gulden schepters gouden knop
gewaar werdt, die de Koning voerde:
wat vreugd die toen uw ziel ontroerde,
hoe sloegt gij toen uw ogen op!
  „Wat is u, Esther? spreek! schep moed!
Ik ben uw broeder; gij zult leven!”
„Heer! gij zijt wonderlijk en goed!”
Maar weer heeft haar de spraak begeven.
Schone Esther! nogmaals zonkt gij neer
in d’ arm van uw ontstelde vrouwen…
Schone Esther had haar volk behouen,
en Abrams zaad herleefde weer.
  Nicolaas Beets
  Uit: OOSTERLINGEN 1837
 
Kort commentaar:
  Veel gedichten over bijbelse figuren van Beets lijken zo uit de preken van ds. Beets weggelopen.
Of Beets heeft ze geschreven naar aanleiding van een preek.
Opmerkelijk is dat hij ze meestal aanspreekt met u of gij.
Dat geeft dit soort verzen een zekere levendigheid.
Beets heeft met name oog voor de emoties van Esther naast haar rol in het behoud van het volk van de Joden tegen de aanslag door Haman.
 
 
 
----------------------------------------------

HANNA.
  Breng voor Hanna’s aangezicht
wijn noch uitgezochte spijzen.
Want gij zult die af zien wijzen.
Droefheid sluit haar lippen dicht.
Arme, kinderloze vrouw,
die men in haar wee durft tergen!
Ach, waar zult gij ’t hoofd verbergen,
neergebukt door smaad en rouw?
  Elkana veracht u niet,
schoon de Heer uw schoot niet opent.
Altijd liefde op liefde hopend,
zoekt hij troost voor uw verdriet.
Kom dan, droog die tranenvloed!
Meerder dan een tiental zonen,
wil hij u zijn liefde tonen,
en uw jammer is vergoed.
  Bitter wenend gaat zij uit
tot des Heren tabernakel,
en zij bidt dat een mirakel
haar onvruchtbre schoot ontsluit;
„God der Vadren! Zie op mij!
„Wie kan zonder zegen leven?
„Zo uw gunst me een zoon wil geven,
„dat hij U geheiligd zij!
  Dus heeft Hanna hare ziel
voor Jehova uitgegoten.
En Hij heeft haar niet verstoten
wie het leed zo bitter viel.
O, gezegend zij de zucht
en de klachte harer rouwe,
die de schoot der droeve vrouwe
van de ziener heeft bevrucht!
  Nicolaas Beets
  Uit: OOSTERLINGEN 1837
  Kort commentaar:
  Eigenlijk gaat dit vers over het gebed van Hanna in de tabernakel.
Dat is ook het geheim van Hanna.
Eli dacht dat ze dronken was.
Maar dan vertelt ze hem dat ze bidt om een zoon.
Dat wordt Samuël, de profeet van God, de ziener.
Een prachtige, ontroerende geschiedenis.
 
 
 
----------------------------------------------

IN EEN BIJBEL
  Geen Toonbrood op gewijde dis,
slechts spijze voor Aarons loten.
Geen Mannaschat,
in gulden vat
voor ’t oog versloten
bij de Arke der Getuigenis.
Maar mannaregen, daaglijks fris,
om eigen tente neergevloten,
ziedaar wat voor Gods gunstgenoten,
het levend Woord des Heren is.
Zijn welbeminde wordt gezegend,
ook als hij slaapt:
Welzalig, die Gods Manna raapt,
daar ’t nederregent.
  Nicolaas Beets
  Uit: GEMENGDE GEDICHTEN 2de deel
 
Kort commentaar:
  Beets schetst de rijkdom van het Woord van God.
In de eerste zes regels vertelt hij waarin die schat niet bestaat.
Hij vergelijkt de Bijbel niet met de toonbroden,
want die waren slechts voor de priesters bestemd.
Ook niet met de manna in de ark, voor het oog verborgen.
  Maar het woord is voor Gods beminden als een mannaregen, elke dag vers.
Gelukkig hij die Gods manna raapt, waar het te vinden is,
in Gods woord dus.
 
 
 
----------------------------------------------

PETRUS
  Simon Bar Jona, gij Rots der gemeente,
heb ik het zwaard niet gezien in uw vuist?
Draagt gij de naam van onwrikbaar gesteente,
schoon in uw boezem de duive nog huist?
Simon Bar Jona, de Rots is vergruisd.
  Simon Bar Jona, de Rots moest bezwijken,
nietige leem, voor de hand ener vrouw!
Gij, die verknochter dan allen zoudt blijken,
waar is uw moed, held? en zoon, waar uw trouw?
Blode, slechts rest u een traan van berouw.
  Simon, de Heer, die een blik op u vestte,
sluit nog op heden het oog voor de dood.
Blode, voor u was zo’n aanblik de leste.
’t Graf neemt Hem op in zijn duistere schoot:
Diep was uw val, maar uw droefheid is groot!
  Dan, uit het graf is de Christus verrezen,
Simon Bar Jona, bemint gij de Heer?
Juich, gij zult weder zijn schaapherder wezen.
gij wordt de Petra, de onwrikbare weer!
Nieuw is uw kracht, en hersteld is uw eer!
  Of gij Hem liefhebt? Gij, Rots der gemeente!
Vuur zijn uw woorden, en ijzer uw moed.
Heft zich de kerk op uw duurzaam gesteente,
grondt zich de kerk in uw uitgestort bloed.
Simon Bar Jona, de schuld is geboet.
  Nicolaas Beets
  Uit: GEMENGDE GEDICHTEN, tweede deel
 
Kort commentaar:
  In een vijftal strofen tekent Beets de levensloop van Petrus.
Hij doet dat door Petrus rechtstreeks aan te spreken,
Het is als het ware een toespraak.
Daardoor bereikt de dichter een bepaalde levendigheid.
Alsof je als toehoorder er bij zit.
Blode wordt Petrus genoemd: bangerd, lafaard.
 
 
 
----------------------------------------------

BENÖNI.
  Gij wist niet wie ’t was, die zo kort, maar zo zacht.
u aan ’t hart van haar liefde mocht prangen,
ie op eenmaal verdween, in die treurige nacht…
Maar gij scheent haar terug te verlangen.
  Rondom uw wieg werd door velen geschreid.
Doch de reden kondt Gij niet doorgronden.
Slechts hebt gij een dubbele zorgvuldigheid
bij al deze droefheid gevonden.
  Gij wist niet waarom, maar gij kondt maar niet recht
u gewennen aan ’t aardse gewemel…
Totdat gij heel zachtjes werdt nedergelegd
op uw Moeders schoot, in de hemel.
  Nicolaas Beets
  Uit:GEMENGDE GEDICHTEN 4de bundel
  Kort commentaar:
  De geschiedenis achter dit vers vinden we in Genesis 35:16-20.
Moeder Rachel stierf bij de geboorte van Benoni.
Zijn naam betekent: zoon van smart.
Zijn vader Jakob veranderde de naam in Benjamin.
  Jakob vertroetelde z’n zoon en hield hem buiten schot.
Totdat Benjamin stierf en verenigd werd met zijn moeder.
Dat laatste is ontsproten aan de fantasie van Beets.
  Een fantasie die veel christenen met hem delen,
waaronder schrijver dezes.
 
 
 
----------------------------------------------

GOEDE VRYDAG
Ofte
Het Lijden onses Heeren Jesv Christi.
[Tantae molis erat sceptrum confringere mortis.]

Nadien ons deze dag te noden schijnt veel eer
tot klachten als tot kluchten:
zo voel ik mij beweegt uw bitter lijden, Heer,
En in uw lijden, laas! mijn zonden te bezuchten.

Een ander, Christus, mag (indien 't Hem lust) een lied
op vorsten-daden smeden:
Voor mij (ik spreke rond) 't en raakt 't en roert mij niet
wat Caesar heeft gedaan, maar wat gij hebt geleden.

Ik denke menigmaal nu aan die felle roên,
nu aan dat vals betichten,
nu weer aan kroon en kruis; wat kan ik beter doen,
als die gedachten eens uitwerpen in gedichten?
  En ik en hoeve hier toe 'k en weet wat Muzen niet
om konst en kracht t'erlangen:
Neen, neen: uw geest, die kracht in alle geesten giet,
geef kracht aan mijne geest, en geest aan mijn gezangen;

Opdat ik, onvermoeid van aardse zorgen, zing,
hoewel niet zonder schreien,
hoe zwaar die smerte was die U door 't herte ging,
en welk' een' dood ons moest in 't eeuwig leven leien.
  Jeremias den Decker
 
Kort commentaar:
  Het motto vertaald: Zoveel inspanning kostte het, de heerschappij van de dood te verbreken.
Daarvan is de dichter diep doordrongen. En daarvan geeft hij uiting in dit vers.
Hij staat net zo tegenover Christus als Revius in het bekende ‘Hij droeg onze smerten’.
De ik staat schuldig en is zich daar zeer van bewust.
  Met fraaie is dat in de slotstrofe het danklied de boventoon krijgt.
 
 
 
----------------------------------------------

MAGDALENA’S MORGENLIED
  ‘Toen ik bij ‘t lichten van de dag,
mijn hart nog brandend van verdriet,
mijn pas-verrezen Heiland zag,
herkende ik Hem niet.
  Wie dreef mij zeven duivlen uit?
Wie reinigde mijn zieke geest?
Wie maakte mij tot hoogliedbruid
van ‘t edelst liefdefeest?
  Hoe zichtbaar Hij mij uitverkoor,
mijn eigendunkelijk geloof,
te bang om wat ik zelf verloor,
bleef voor zijn goedheid doof.
  Hij was het, die: ‘Maria’ zei
en mij tot nieuw ontwaken riep,
terwijl ik, heil en hel voorbij,
in dof berusten sliep.
  Hoe werd het ledige der ziel
aan alle droefenis ontrukt,
zodra ik aan zijn voeten viel,
door schaamte neergedrukt!
  Rabboni, die ik niet herkend
en toch bemind heb, gun voortaan,
dat zich mijn hele wezen wendt
naar waar Gij wordt verstaan.’
  Anton van Duinkerken
  Uit VERZAMELDE GEDICHTEN z.j.
 
Kort commentaar:
  Een gedicht over Maria van Magdalena.
Over haar is de laatste tijd veel te doen.
We kijken in de werkelijkheid door haar ogen.
Dat is altijd een beetje riskant.
Maar zo komt haar leven wel heel dichtbij.
 
 
 
----------------------------------------------

CHRISTUS STERVENDE
  Die alles troost en laaft, verzucht, bezwijmt, ontverft!
Die alles ondersteunt geraakt, o mij! aan 't wijken.
Een doodse donkerheid komt voor zijne ogen strijken
die kwijnen, als een roos die dauw en warmte derft.

Ach wereld, die nu al van zijne volheid erft;
gestarnten, engelen, met uw Hemelrijken.
Bewoonderen der Aarde, ei! toeft gij te bezwijken,
nu Jezus vast bezwijkt, nu uwe Koning sterft?

Daar hij het leven derft, wil ik het ook gaan derven.
Maar, hoe hij meerder sterft, en ik meer wil gaan sterven,
hoe mij een voller stroom van leven overvloeit.

O hoge wonderen! wat geest is zo bedreven,
die vat hoe zo veel sterkte uit zo veel zwakte groeit,
en hoe het leven sterft om doden te doen leven?
  Heiman Dullaert (1636-1684)
  Uit GEDICHTEN 1719
 
Kort commentaar:
  Een vers uit de 17de eeuw over het sterven van Christus.
Beeldend in strofe 1: als een roos die het ontbreekt aan dauw en warmte.
In strofe 2 spreekt de dichter de wereld aan met de bewoners.
Strofe 3 staat in de ik-vorm: hoe meer de ik sterft, hoe voller de levensstroom.
Dat soort paradox kom je ook tegen in de laatste strofe:
sterkte tegenover zwakheid en leven tegenover de dood.
Typisch een sonnet uit de barok, vol tegenstellingen en paradoxen.
 
 
 
----------------------------------------------

JOBS ELLENDE
  De duivel sloeg met felle slagen,
de vrome Job, aan ziel, en lijf;
en had hem al zijn goed ontdragen.
Maar tot de zwaarste van zijn plagen,
zo liet hij hem alleen zijn Wijf.
  Willem Godschalk van Focquenbroch
  Uit: THALIA, OF GEURIGE ZANG-GODDIN Eerste Deel (1665)
 
Kort commentaar:
  Dit vers is grappig bedoeld.
Vooral het laatste woord past voor ons gevoel heel goed.
Maar ‘wijf’ betekende in de 17de eeuw gewoon vrouw.
Dit soort verzen was toen heel gebruikelijk.
Bij een serieuze dichter als Revius kom je ze ook tegen.
 
 
 
----------------------------------------------

TROOST
  Als ik niet bidden kan en mijn berouw
niet meer is dan gebrek aan goede werken
en God van mijn geloof niet veel kan merken
blijft mij niet anders over dan Zijn trouw.
  Natuurlijk heb ook ik mij uitgesloofd
en Hem zoveel ik kon gelijk gegeven:
het vroom bedrog uit Job 13 vers 7,
maar 'k heb er nooit één jota van geloofd.
  Nu schaam ik mij voor dit verdorven spel,
maar als God Zich niet aan mijn dogma's stoort
en uitleg vraagt van ieder ijdel woord
denk ik ineens getroost: 'Hij redt het wèl'.
  Piet Los
  Uit BROMVLIEG IN DE WINTER 1986
  Kort commentaar:
  Wat blijft er over van de mens op het uiterste ogenblik van sterven,
van verantwoording afleggen van je leven?
Er is niets uit onszelf waarop we kunnen terugvallen dan Gods trouw.
  Wat is dat vroom bedrog uit Job 13:7?
Dat we onwaarheid spreken in naam van God
en Hem met leugens dienen.
De dichter heeft zich daar ook aan schuldig gemaakt.
Maar nu schaamt hij zich voor dit verdorven spel.
Hij weet zich een schuldige die met lege handen staat.
  Weer typisch een vers van Piet Los.
Hij durfde open over eigen menselijk falen te spreken.
Maar hij wist zich als arme zondaar gered door Christus.
Dat is zijn troost.
 
 
 
----------------------------------------------

ANDREAS
  Hij vocht niet voor u met een zwaard
zoals zijn broeder had gedaan,
hij is alleen maar meegegaan
en heeft uw woorden wèl bewaard.
  En toen u bij Filippus zocht
de vrucht van wat u had gezaaid
hebt u bij deze man gemaaid
de oogst die u verwachten mocht.
  Niet dat hij al begrepen had
hoe u zovelen voeden ging,
maar helder werd herinnering
die Kana’s wonder niet vergat.
  Hij vond de vis en ’t brood en vroeg:
“Zo weinig, Heer, is dit genoeg?”
  Piet Los
  Uit ONGELINIEERD 2000
  Kort commentaar:
  De dichter heeft de bijbelse gegevens over Andreas opgezocht
en daarover een shakespearesonnet geschreven.
Andreas was veel minder opvallend dan zijn broer Petrus.
De u in dit vers is onmiskenbaar Christus.
Eigenlijk staat de Heer centraal en niet zijn knecht.
Zo moet het ook.
 
 
 
----------------------------------------------

PETRUS
  Hij stond wreed voor de rechterstoel gebonden,
en zij verweten mij zijn vriend te zijn
en lasterden, wat heilig is en rein,
als laagheid en afschuwelijke zonden.
  ‘k Zag hoe zij Hem bespotten en verwondden.
Hij leed geduldig smaad en vuige pijn.
Ik vreesde hunner ogen valse schijn
en dat ze als Hem mij martelden en schonden.
  Zij vroegen huichelend: gij hebt Hem lief?
Eer Hij naar mij zijn tedere ogen hief,
had ik mij vloekend van Hem afgescheiden.
  Toen stiet de haan zijn schelle morgenkreet.
‘k Voelde mijn hart, dat borst van bitter leed.
‘k Voelde mijn ogen, hoe ze brandend schreiden.
  Willem de Mérode
  Uit HET HEILIG LICHT 1922
  Kort commentaar:
  We kijken mee door de ogen van Petrus.
In het lijdensverhaal speelt hij een niet geringe rol.
Als verklaring voor zijn optreden geeft Petrus angst voor marteling.
  Boeiend om vanuit Petrus de geschiedenis te volgen.
 
 
 
----------------------------------------------

CAMERLING CANDACES
 
Wie is ‘t die zeggen dorf dat moeite zij verloren
te wassen in het bad een naakte moriaan?
Hier ziet u ene moor diep in het water staan,
hier ziet u hem vernieuwd als waar hy nieuw-geboren.
  De Here, die hem had van aanbegin verkoren,
heeft zo genadiglijk gezegend zijne paan
dat hij gekomen is op 's levens rechte baan,
de eerst-gemaaide vrucht van de bekeerde moren.
  Hij las de oude Schrift dewelk hij niet verstond,
hij hoorde Christus’ leer uit des Philippus mond,
en, latende in ijl stil-houden zijne wielen,
  ontving van hem de doop met een gelovig hert,
zijn uiterlijke huid bleef wel gelijke zwert.
Maar witter als de sneeuw werd hij aan zijner zielen.
  Jacobus Revius (Jakob Reefsen) 1586-1658
 
Kort commentaar:
  Een gedicht (sonnet) over de geschiedenis van de kamerling van Candace.
We vinden deze geschiedenis in Hand.8:26-40.
De NBV heeft het over een Ethiopiër. Het is een ontroerende geschiedenis.
Revius maakt graag gebruik van tegenstellingen, zoals in de laatste regels:
Zijn uiterlijk bleef zwart, maar zijn ziel werd witter dan sneeuw.
  Let op het begin van strofe 2: God heeft hem uitverkoren en zijn weg geleid.
De dichter geeft zo God de eer die Hem toekomt.
 
 
 
----------------------------------------------

PETRI TRANEN
  O gang vermengd met zwerven ende zwieren;
o vrees' en hoop die kwellen mijn gemoed;
o vier dat mij die ziele branden doet;
o ogen, niet meer ogen maar rivieren;
  O ijver blind die u niet liet bestieren,
maar roekeloos deed treden mijnen voet
In dit gewest, daar mijnes Heren bloed
wordt na getracht van dees verwoede dieren;
  O tonge die mijn tong' tot leugen dreeft;
o hanen-kraai waardoor mij t'herte beeft;
wat troost kond gij mij troosteloos verlenen?
  O Jesu, die voor mij dit lijden smaakt,
wiens weerden naam ick driemaal heb verzaakt
staat eenmaal stil, en ziet mijn bitter wenen.
  Jacobus Revius (Jakob Reefsen) 1586-1658
 
Kort commentaar:
  Weer een ontroerend sonnet van de gereformeerde dominee Revius.
Met als kernzin: O Jesu, die voor mij dit lijden smaakt.
  Het vers is geschreven in de ik-vorm.
Dus is Petrus zelf aan het woord.
Dat maakt het gedicht zo direct.
 
 
 
----------------------------------------------

KINDER-LIJK
  Constantijntje, ‘t zalig kijntje,
cherubijntje, van omhoog
d’ijdelheden hier beneden
uitlacht met een lodderoog.
  ‘Moeder’, zeit hij, ‘waarom schreit gij,
waarom greit gij op mijn lijk?
Boven leef ik, boven zweef ik,
engeltje van ‘t hemelrijk.
  En ik blink er, en ik drink er
‘t geen de Schinker alles goeds
schenkt de zielen die daar krielen,
dertel van veel overvloeds.
  Leer dan reizen met gepeizen
naar paleizen, uit het slik
dezer werreld, die zo dwerrelt:
eeuwig gaat voor ogenblik’.

Joost van den Vondel
 
Kort commentaar:
  Er staan in die prachtige klaaglied een paar nu onbekende woorden:
lodderoog = vriendelijk lachend (r.4)
greit = huilt (r.6)
dwerrelt = wankelt (r.15)
  Constantijn was een zoontje van Vondel die jong stierf.
Vondel schreef het voor zijn verdrietige vrouw, Maaike de Wolff.
Vooral in de laatste strofe roept Vondel zijn echtgenote op
haar gedachten naar Boven te richten vanuit deze wankele wereld.
Het eeuwige is meer dan het tijdelijke.
 
 
 
----------------------------------------------

 
 
  VANWEGE
  'En het geschiedde in die dagen
dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus….'
Je las het ons strak en plechtig voor.
  Weg moesten ze uit hun huizen
dagreizen ver om ergens geteld.
Waarom? Vanwege. Dat woord kende ik niet.
  Maar wel dat het bevel ook hier
kon gelden, aan deze feestelijke dis
en wij vertrekken moesten, plotseling
  om geteld of erger. Het kind, de kribbe
de wijzen uit het Oosten vielen in het niet.
  Ik keek naar buiten. Nergens scheen de ster.
Je stem leek ver, je las oude woorden.
En ik vreesde met grote vreze. Vanwege.
  J. Bernlef
 
Kort commentaar:
  Een kind luistert naar het kerstevangelie uit Lucas 2.
En schrikt.
  Zo kan een gevoelig kind plotseling beangst worden.
Daar heb je als volwassene geen weet van.
Wat een bekend verhaal al niet te weeg kan brengen.
 
 
 
----------------------------------------------

  ROMEINEN 8:26
  Kan ik U niet genaken,
die hoog, ten troon des hemels zit,
Gij buigt U in de stilste wake
der nachten neêr tot elk, die bidt.
  Als wij, in slaap, bewegen,
onze adem maar een zucht gelìjkt,
ontfronselt ons gelaat ùw zegen,
terwijl de zorge uw glimlach wijkt.
  Wanneer wij, wakker, zuchten
in stagen óm- en ómmekeer,
en de gedachte aan bidden duchten
èn duchten, dat Gij wèèt, o Heer,
  dan, weiflend tussen spreke’ en zwijgen,
in schaamtes bange worstelstrijd,
heeft met een onuitspreeklijk hijgen
Uw Geest ons biddende bevrijd.
  Willem de Mérode
  Uit: VERZAMELDE GEDICHTEN 1987
 
Kort commentaar:
  Allereerst de Bijbeltekst uit de Statenvertaling:
“En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp;
want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort,
maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.”
  Treffend in dit vers is de gebedsworsteling.
De ingewikkeldheid van de zinsbouw heeft daarmee te maken.
Iedereen die de moeite van het bidden kent in zware tijden,
kan amen zeggen op dit indrukwekkende vers.
 
 
 
----------------------------------------------

  INTROÏTUS OP PASEN
  Ik ben verrezen en Ik blijf u bij.
Minnaars vergaan en vrouwen die beminnen,
en van de bronzen luiten van de zinnen
springen de snaren. Alles gaat voorbij.
  Maar waar gij gaat, daar ga Ik aan uw zij,
Ik dring door deur en venster bij u binnen,
Ik ben verrezen en Ik blijf u bij.
  Steden in puin met torens en met tinnen,
tempels van Zeus, van Boeddha en van Mij,
het rijk van Keizers en van Keizerinnen
en 't liefste lichaam wikkelt men in linnen.
Ik ben het leven en het panta rhei.
Ik ben verrezen en Ik blijf u bij.
  Mattheus Verdaasdonk
 
Kort commentaar:
  Hier wordt Christus sprekend ingevoerd.
Hij spreekt in de eerste plaats zijn leerlingen toe.
Maar in hen al zijn leerlingen van alle tijden en plaatsen.
Ook U?
 

 
----------------------------------------------

 
 
  DE STEM VAN PAULUS

Paulus, die tenten maakte, schreef
over een nieuw begin van alle dingen
wanneer het aardse kamp wordt opgebroken

Een oogwenk, tussentijds, een vreemde ruil:
wat losse lappen voor een eeuwig huis.

Nu is het donker, wat we zien
blijft wazig, een beslagen ruit.
De straat is stil, een man
loopt voor mij uit.
Hij wankelt en misschien
valt hij straks om de hoek.

Zijn hond is naast hem, likt
zijn hand, ook als hij struikelt
schrikt,
en vreemde dingen ziet.

Renée van Riessen


Kor commentaar:

Paulus schrijft in 2 Korintiërs 5:1
Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel.
Je leest dat geregeld in rouwadvertenties.

De dichter noemt dit een vreemde ruil, want we weten niet wat ons te wachten staat.

Nu is het donker, wij kijken niet eens in een spiegel in raadselen zoals Paulus in 1 Kor.13 zegt, maar door een beslagen ruit.

Wij zijn als die man die voor mij uitloopt, en misschien straks, om de hoek valt.

De dichter legt een verbinding tussen het echte beroep van Paulus en het beeld van de aardse tent, het vluchtige en zwervende verblijf hier.

Het gedicht draait in feite om het beeld van het huis. Zijn we ooit ergens echt thuis? Bestaat er een eeuwig huis en moet je daarnaar verlangen?

De tekst van Paulus suggereert minstens dat zo'n vreemde ruil mogelijk is. Het beeld van de woning van God is uitdrukking van het verlangen naar Gods aanwezigheid.

De gedachte dat we bij God kunnen wonen is voor Gods kinderen oneindig troostrijk.

Voor de dichter zijn er nog onzekerheden en vragen: weten we precies wat we zeggen als we die woorden herhalen?

 

 
----------------------------------------------

 
 
  JOB'S KLACHT


Wat is er, God, dat u mij overstelpt met gaven
Wat is er, dat u mij overlaadt met zegeningen?
Waarom moeten anderen worden beproefd
Met armoede, schande, ziekte en angst?
Denkt u dat ik zo'n proef niet zou doorstaan?
Is het daarom dat u mij beveiligt in welvaart?

Waarom zet u mij klem in rijkdom, in weelde
Zodat er geen ruimte meer blijft voor een wens?
Waarom hecht u mij aan u vast met geschenken
En bindt u mij levenslang met verplichtingen?
Zou ik zonder beloning niet trouw zijn aan u?
Moet mijn geloof met bezittingen worden gekocht?

Hoe kan ik nog bidden tot u als mijn redder
Wanneer u mij plaatst in een aards paradijs?
Als niets me ontbreekt, wat blijft er te vragen
Waar leef ik op aan, als ik alles al heb?

Toen ik dacht over wat u hiertoe heeft bewogen
Toen geloofde ik het spel dat u speelt te doorzien
Kwam het ooit voor dat een mens werd gezegend
Zonder dat alles hem weer werd ontnomen?
Noem mij een mens die geluk mocht behouden
Bij wie het geen voorloper werd van verdriet?

Uit het magere jaar zien we uit naar het vette
Ons hart is verheugd door de hoop op wat komt
Als het vette er is en het hart wordt verzadigd
Bekruipt ons de vrees voor een kerend getij

Wat heeft het voor zin dat u geeft en weer afneemt?
Waarom zijn uw gunsten nooit eens en voorgoed?
Zo maakt het bezit me maar bang en wantrouwend
Want die het me gaf, komt straks terug als een dief

Als de mensen mij zien, hoor ik rondom gefluister
Mijn vrienden van vroeger, ik ken ze niet meer
De een zegt: 'Die voorspoed is loon voor je deugden
Want zonde baart rampspoed, maar godsvrucht geluk'
De ander: 'Geen kunst om in welvaart en weelde
Een vrome te zijn voor het aanschijn van God'
Een derde: 'Mijn leven was een en al trouw aan de wet
Waarom moet ik lijden als Job wordt gezegend?'

Ik durf mij bij armen al niet meer vertonen
Want zie, mijn bezit wekt hun afgunst en haat
Mijn voorspoed maakt enkel hun pijn nog maar erger
Ze vragen zich af, wat ze hebben misdaan

Ik hoor al uw raad: 'Deel je rijkdommen uit
En geef de behoeftigen van je bezit'
Maar krijg ik in ruil daarvoor eerlijke vriendschap?
Slechts afstand en achting, gekruip en gevlei
Want iedere gift wordt een muur tussen mensen
De gever vereenzaamt maar van wat hij heeft

Omdat u 't bezit onrechtvaardig verdeelde
Moet ik het dan zijn die die fout weer herstelt?
Ik ben ooit verplicht om mijn broeder te hoeden
Maar moet ik nu ook nog gaan toezien op God?

Zo vullen zich dagen en nachten met peinzen
Wat dankbaarheid was wordt ten slotte verwijt
Bezit is een last en de rijkdom beproeving
Ik lijd dit teveel tot u anders beschikt

Fons Jansen (1925-1991)


Kort commentaar:

Job was een vrome en rijke herdersvorst. Hij wordt inzet in een meningsverschil tussen God en Satan. De satan daagt God uit: Job is zo vroom omdat alles hem voor de wind gaat. God geeft Satan de ruimte om Job tot de bedelstaf te brengen: hij belandt op de mestvaalt, beroofd van geld, gezondheid en kinderen. Maar Job behoudt zijn geloof. Hij zegt zelfs:"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geloofd." In het derde hoofdstuk klaagt Job nu hij alles kwijt is, zijn gezondheid incluis. Hij vervloekt de dag van zijn geboorte: "Ik heb geen ander voedsel dan verdriet".

De roomse cabaretier Fons Jansen geeft een moderne draai aan het bijbelverhaal. Hier klaagt Job niet omdat hij alles is kwijtgeraakt, maar omdat hij zo gigantisch rijk is. Job heeft grote problemen met het feit dat het in de wereld zo oneerlijk verdeeld is. Zijn rijkdom is eerder een vloek dan een zegen; zijn vroomheid wordt erdoor bedreigd. In deze klacht worden ook allerlei uitspraken van Jobs 'tegenstanders' - zowel Satan als Jobs kritische vrienden - aangehaald.

 

 
----------------------------------------------

 
 
  JUDAS


Judas vloekte het zilver in z'n hand.
Verradersloon. De zoen brandde op z'n mond.
Gebonden Christus zag hij gaan, nu prijs aan schand'
en spot en dood.

Wild smeet hij voor de priesters 't geld ten grond:
"Laat los, geen schuld treft hem die ik verraadde;
Laat los, hier is uw zilver, laat los, dood mij; hond
die ik was, vervloekt. Laat los, hier is 't verraders-
loon, laat los…"

En Judas brak onder de luide schaters,
der priesters. Gepanserd lag het peilloos zwart
van wilde angst in d'afgrond van z'n raad'loos hart.
Hij ging, een dwaas, de nacht was jong en licht van maan,
Z'n hand plukte aan het koord rondom z'n lend'.
Gebonden zag hij Christus gaan.

Hij vond een boom, geworteld aan de rand
van een ravijn, buiten de stad.
En aan een tak hing hij zich op.
Toen, in z'n wilde doodstrijd zag hij gaan,
Gebonden Christus, die hij verraden had.

Honderd duivels dansten rond de boom een rondedans.
Zij klommen op de stam, zij glommen in de glans
der maan en schoven op de tak,
die Judas droeg, vooruit,… die boog en kraakte en brak.
Een gil joeg snijdend op; snel
tuimelde de vracht in d'afgrond van de hel.

Jan H. de Groot

Uit: STILLE OPVAART 1930


Kort commentaar:

Een indringend vers over de verrader van Christus.
Uit het gedicht spreekt duidelijk wroeging over zijn verraad.
De dichter weet kennelijk dat Judas naar de hel ging.
Ik niet.



 

 
----------------------------------------------

 
 
  A SOLIS ORTUS CARDINE


Door

CAELIUS SEDULIUS ong 450 na Chr.

Van 't vroeglicht van de dageraad
tot waar de zon weer ondergaat
zingt elk de koning Christus eer,
het kind der maagd is onze Heer.

De Heer die alles deed ontstaan,
Hij neemt de knechtsgestalte aan,
opdat door 't vlees Hij 't vlees bevrijdt
en wat Hij schiep behoudt en leidt.

Het is de schoot der reine maagd
die hemelse genade draagt
en zwelt van een geheimenis
dat voor haar zelf verborgen is.

Haar lichaam, ongerept en kuis
wordt voor God zelf een heilig huis,
ontvangt de koning van de troon,
ontvangt nu door het woord de Zoon.

Hem is het die zij 't leven geeft,
dien Gabriël verkondigd heeft,
en wien de Doper hulde bood,
opspringend in zijn moeders schoot

. Hij die het hele leven hoedt
die ook de kleinste vogel voedt,
ligt hier in 't stro, Hij 's hemels vorst!
Hier drinkt Hij aan zijn moeders borst.

Luid klinkt het lied van 't engelenkoor:
Ere zij God, de hemel door.
Aan herders wijst het in een stal
De grote Herder van 't heelal.

Uit: HYMNEN EN LIEDEREN

Vertaald door J.W.Schulte Nordholt 1964

Kort commentaar:

Caelius Sedulius (ca.450) is pas laat tot het Christendom bekeerd.

Het lied is een abecedarium. Deze wijze van acrostichon was heel geliefd in zijn tijd. Uit Sedulius'hymne werden de eerste zeven strofen, dus A-G, gebruikt bij het kerstfeest.

Luther heeft het eerste zeven strofen vertaald onder de titel 'Christum wir sollen loben schon'.

Nogal wat kerstliederen bevatten menselijke fantasieën.
In dit oud-christelijke lied staan verwijzingen naar de Schrift.

Str.1 koning Christus
Het kind is onze Heer= Kurios.
Deze strofe staat in ott.

Str.2 Christus betrokkenheid bij de schepping.
Knechtsgestalte: Jesaja.
Vleeswording Johannes 1.

Enz enz.

Ik denk dat het goed bij Johannes 1 past.
Ook aardig dat het een oudchristelijke hymne is.



 

 
----------------------------------------------

 
 
  THOMAS

Een van die twaalf, die twyfelaar Didimus,

Van niks as nog ’n ontgogeling bewus,

Het hom oor vijf verwondinge gebuig

En met ’n sku voorvinger self oortuig.

Hy mompel: help my, iemand, om my oë

Wat hom sien hang het, lewensgroot, te glo.


Elisabeth Eybers

Uit: EINDER 1977

Kort commentaar:

Het is een gedicht over Thomas,
Hij wordt aan het slot sprekend ingevoerd.





 

 
----------------------------------------------

 
 
  KLINKVERS OVER ABRAHAMS OFFERANDE

D'oud-vader zijnen zoon brengt met bedroefder zielen
Op 't rijzende gebergte, opdat hij 't altaar sprengt
Met 't bloed zijns lieven kinds, en 't vuur 't koud lichaam schenkt,
Hij bindt hem d' armen vast, en doet hem neder knielen.

De liefde 't vuur ontvonkt, om 't slachtschaap te vernielen,
't Geloof dat houdt 't touw daar 't Lam mee is gestrengd,
d' Hoop 't staal den Vader langt, die fluks de slag aanbrengt,
De Dood is al gereed om Izaks ziel te grielen.

Maar 's Heeren Engel (die om 's vromen leger waakt)
Abrahams arm verlet, en 't droevig treurspel staakt
Van Vader en van Zoon, van twee bestorven herten.

Nature by geval van veers zag 't schouwspel aan,
En riep, o sterk geloof! wat durft ge niet bestaan!
Een Vader slacht zijn Kind, en derf de dood uitterten!

Anagram

DOOR EEN IST NU VOLDAEN.

Woordverklaring:

r3 aan het vuur het koude lichaam schenkt
r7 de hoop reikt de vader het zwaard aan
r8 grielen: wegrapen
r11 bestorven: ontstelde
r12 Vrouwe Natuur sloeg van verre het schouwspel gade
r13 o sterk geloof, wat durft ge niet (allemaal) ondernemen
r14 derven= de moed hebben om de dood te trotseren

Kort commentaar:

Een sonnet of klinkvers over het offer van Abraham.

Met de woordverklaring hoop ik het zo begrijpelijk gemaakt te hebben.

Een anagram is een woord (zin) dat volledig bestaat uit de letters van een ander woord (zin).

Anagrammen worden soms gebruikt als pseudoniem, zoals hier bij Vondel.

Het prachtige anagram onder het gedicht is een omzetting van de naam: Joost van den Vondel.

De i van ist = een j en de u van nu is een v.
De i/j en de u/v hadden vaak één teken.





 

 
----------------------------------------------

 
 
  JUDAS-ISH-KARIOTH

Meester, ik heb U lief, gedenkt dit wel,
Maar meer dan liefde bindt het Godsgeheim:
Dat brekend en verschenkend brood en wijn
Gij groot volvoert ons beider lotsbestel.

Al draag ik in mijn bloed de drang der hel,
Omstaat de dood mij - mijn verraad is rein.
Wat zoudt Gij, Meester, zonder Judas zijn?
Een speler ben ik in het goddelijk Spel.

't Altaar der wereld roept zijn offerand.
Licht huwt aan duisternis - en niemand weet.
Zacht rinkelt zilver en ik kus Uw wang.

De schaduw van het kruis slaat over 't land,
Weegt op mij. Door de Ruimte kerft Uw kreet
En kerft mij, - Meester, Meester, ik ben bang.

Jan H. Eekhout

Kort commentaar:

Je kunt huiveren van zo'n vers.
Wat is er allemaal in Judas omgegaan?
Vooral de laatste regel is aansprekend.



 

 
----------------------------------------------

 
 
  ELIA, EEN LIED

Gij gaat voorbij. Een grote ademtocht,
Alles wat vastomlijnd leek staat te beven -
In de emotie heb ik U gezocht,
Gij waart er niet. Niets dan mijn eigen leven.

En de ontreddering ging voor U uit,
het vuur als Uw heraut vooruitgezonden -
Ik bleef alleen in mijn eenzelvigheid,
tot niemand onzer komt Gij onomwonden.

En dan, als niets meer spreekt, alles blijft stom,
achter een sluier soms, uit een stil midden
is er een stem. Gij spreekt, maar andersom:
als ik niets hoor, als ik niets weet te bidden.

Willem Barnard

(Uit: Pieter Holtrop: Gij mijn God; Zoetermeer 1997, blz. 80)

Kort commentaar:

Elia op het diepteput van zijn ambtsdienst als profeet.
Het lijkt alsof je Barnard zelf hoort.
Hij kon er ook zo doorheen zitten.
Maar dan is er opeens een stem: Gij spreekt.
Geweldig.



 

 
----------------------------------------------

 
 
  ESTHER, EEN LIED

God, gij zijt niet te rijmen met het lot!
Achter al wat geschiedt blijft gij verscholen.
Al wat geschiedt - , gij hebt het niet bevolen.
Leven is wat gij wilt en niet de dood.

Niemand kan mij vertellen hoe gij heet.
En toch, uw Naam gebeurt en is geboren...
Ik vind U in de doolhof, niet tevoren,
Maar achteraf. Daarom: wie weet, wie weet...

Want ook de twijfel kan U heilig zijn
en schroom verhindert ons U uit te spreken.
Wij lezen uw verhaal, uw taal en teken
Zal door de nacht heen ons geleide zijn.

Willem Barnard

(Uit: Pieter Holtrop: Gij mijn God; Zoetermeer 1997, blz. 95)

Kort commentaar:

Net als bij het lied ELIA hoor je hier de dichter achter de woorden van Esther.
Door alle twijfel heen zal er in de nacht geleide zijn.
Aan het eind van het vers schijnt er licht.





 

 
----------------------------------------------

 
 
  MOZES

Onze gestorvenen, onder de zon bezweken
aan het zware werk, te zwaar
voor slaven, moest ik die achterlaten?
Dat kan toch niet, die horen toch
in eigen aarde, niet in Egyptisch zand
in waarde, te vergaan.

Maar ook: je kunt geen veertig jaar
met lijken blijven zeulen
nog afgezien van wie op reis bezwijkt.

En tante Jo, de zachte, waar is haar as

Judith Herzberg (1934)

Uit: Het vrolijkt
Uitgever: de Harmonie, Amsterdam 2008

Kort commentaar:

De eerste twee strofen gaan over Mozes' gedachten:
Wat moet hij met de in de woestijn gestorven landgenoten?
Je kunt de hele geschiedenis lezen in het bijbelboek Exodus.
Tot zover kun je het vers gemakkelijk volgen.
Maar dan komt die laatste open regel: zonder punt.
Door die regel zitten we midden in de wereld van de vernietigingskampen.
Ineens gaat het niet meer om Mozes, maar om de 6 miljoen Joden.
Wat doe je met de herinnering aan hen?
Ze zijn niet eens begraven. Hun dood is nog niet afgesloten.
Ineens is daar tante Jo, de zachte.
De geschiedenis van Mozes krijgt plotseling een huiveringwekkend vervolg.
En nog is die geschiedenis niet ten einde.




 

 
----------------------------------------------

 
 
  ZIJ IS EEN VROUW VAN NAAM IN ISRAËL

Lied van Sara

Zij is een vrouw van naam in Israël.
Zij is een vrouw die volkeren mag schragen.
Zij draagt haar naam op goddelijk bevel:
Sara, gezegend tot in onze dagen.
Hoe donker ook de wegen en hoe smal,
vrouwen van Naam, zij zullen niet versagen.

Al blijft vergeefs ons zoeken naar het woord
dat uit den hoge tot u werd gesproken,
vrouw die het ongehoorde hebt gehoord,
zwervend terzijde in uw tent gedoken -
een lach, een wenk, een samenhang verstoord,
vrouw, naar een nieuwe toekomst opgebroken.

Hoog heeft de Heilige uw woord geschat:
'In alles wat zij zegt, wil naar haar horen.'
Uit u, die om uw volk geleden had
zijn koningen van volkeren geboren.
Aartsmoeder Sara, sterre op ons pad,
in wie de glans van Israël mocht gloren.

Maria de Groot, bij Genesis 17, 18, 21, 23

Kort commentaar:

Sara neemt een bijzondere plaats in in de heilsgeschiedenis.
Uit haar zijn volkeren geboren.
Ze was groot in Gods ogen.
In dit lied komen verschillende elementen uit Genesis samen.




 

 
----------------------------------------------

 
 
  DE GELIJKENIS VAN DE VERLOREN VADER

Nu de verloren zoon weer thuis is,
kan eindelijk de vader op reis gaan.
Naar het vergelegen land van zijn verlangen.

De zoon doet de vader uitgeleide.
Tot eerlang, mijn zoon.
Tot weldra, vader.

Vanaf dit moment staat de zoon op de uitkijk,
dag aan dag de horizon aflezend
op de terugkeer van de verloren vader.

Op een dag verschijnt hij aan de einder, de vader,
met in zijn hand een boek,
het dodenboek, herschreven als het boek des levens.

Dan zullen zij beginnen vrolijk te zijn.

Henk Vreekamp

Uit: De tovenaar en de dominee 2010

Kort commentaar:

Boeiend, zo'n variant op het bekende bijbelverhaal.
Kern is dat dodenboek, herschreven als het boek des levens.
En de vreugde die dat beiden geeft.
Ook in dit verhaal wordt de terugkeer gevierd.
Maar niet om de terugkeer maar om het boek des levens,
waarin de namen staan van Gods kinderen.
Mooi te bedenken dat vader en zoon juist nu
beginnen vrolijk te zijn.
Wie zou met hen niet in feeststemming zijn?




 

 
----------------------------------------------

 
 
  VEERMAN

Aan de rivier, staan wachten tot de pont komt,
niemand heeft haast, rustig de boot op wandelen,
en halverwege komt een man om geld;

een klein bedragje. En je krijgt een bonnetje
maar dan pakt hij je beet. En loopt het uit de hand
want je begint te worstelen. En hij gebruikt geweld.

En het gevecht duurt lang, maar niemand lijkt te winnen.
Wie ben jij? hijg je, maar hij heeft geen zin

in praten. Als je eventjes niet oplet
slaat hij je mank. Je laat niet los. Hij zegt:

Oké, je hebt gewonnen. En je hinkt aan land
en je begint een heel nieuw leven aan de overkant.

Menno van der Beek (1967)

De geschiedenis van Pniël herhaalt zich.
Jacob worstelde met God en werd mank.
Hier op klaarlichte dag op een veerpont.
Het gaat hier om iemand, niet een 'ik' maar een 'je'.
Het kan iedereen zijn.
Het gaat om die laatste zin:
'je begint een nieuw leven aan de overkant.'
Je kunt het een bekering noemen, een omkering.
Op een veerpont.




 

 
----------------------------------------------

 
 
  ODE AAN JOZEF

Hier staat het nog maar eens!
In gebeitelde woorden, eeuwenoud.
De vader van Jezus was een man
uit één stuk. Een timmerman.
Hij zwijgt de hele bijbel lang.

Hij is Maria's stille geluk.
Toen zijn vrouw ermee kwam,
met wat haar overvleugeld had,
of beter: Wie, ging hij zwijgend
zijn kamer in. Hij bleef. Kostwinner.

Gouden vent. Karakter van eikenhout.
Nooit verliet hij zijn gezin.
Jozef was geen prater, maar
een luisteraar. Een monument
van een vent. De schutspatroon

van alle noeste zwijgers
en doeners. Immanuël! Voor nu
blijft onbekend, wat Jozef zoal zei.
Maar Maria hoefde niets te vragen.
Jozef wàs de trouw. Jozef bleef erbij.

Hilbrand Rozema

Uit: SCHRIFTGEDICHTEN Poëzie bij het kerkelijk jaar
Ria Borkent en Jaap de Gier (Red.)
Royal Jongbloed Heerenveen 2013

Dit vers komt uit een nieuwe bundel Schriftgedichten.
Het is geschreven voor de vierde zondag van Advent.
Een fraaie bundel die aansluit bij het Kerkelijk jaar.

Een lofdicht voor Jozef.
Heel trefzeker neergezet.
De schutspatroon van alle noeste zwijgers en doeners.
Hij wàs de trouw.
Schitterend.





 

 
----------------------------------------------

 
 
  HET LIED VAN HERDER JAN

Ik zing u van de herder Jan
zo blij als ik maar zingen kan.
Hij zat op een heuvel, stil en goed,
met zijn dikke jas en zijn vilten hoed;
hij had een fluit, een brood en een kan,
een veldfles vol, en hij heette Jan.
Hij speelde op zijn fluit een vrolijk lied.
Zo licht en vrolijk kan ik het niet.

Hij lag op de heuvel, op de grond;
dicht naast hem waakte zijn grote hond.
Toen hij nog maar even geslapen had,
ontwaakte hij - Wat een lied was dat!
Snel stond hij op - Waar kwam het vandaan?
Zijn schapen kwamen rondom hem staan.
Hij krabde verwonderd onder zijn hoed,
want hij zag een ster, zo rood als bloed.

Een "Gloria in Excelsis" klonk
waar het engelenlicht hem tegenblonk.
Hij groette zijn kudde, dier voor dier,
en zei: "Blijf stil, want ik ga van hier,
ik ga Jezus aanbidden, ik ga nu vlug
en morgenochtend ben ik weer terug.
En hond, pas goed op ieder schaap,
dat 't niet gestoord wordt in zijn slaap."

Snel liep hij naar Bethlehem van de berg:
hij kreeg het warm, maar dat was niet erg,
want hij vond dicht bij het dorp in het dal:
Jezus, een Kind in een arme stal.
Hij geloofde bijna zijn ogen niet,
't was mooier dan 't engelenlied.
Hij zei: "de engelen zongen zo blij,
dus al wat ik heb, ik geef het vrij."

Hier Jezus, hebt u mijn fluit en mijn jas,
mijn broek, mijn fles en mijn herderstas.
Nu ga ik terug - al weet ik niet hoe,
want ik moet weer vlug naar mijn schapen toe.
Maria zei zacht: "Dag herder Jan!"
En hij: "Als ik dàt begrijpen kan!
Hoe weet u mijn naam? Maar 't is al goed,
dag, Jezuskind, dag en slaap maar zoet."

Hij danste terug en zong: Wat een feest!
Ik ben bij Jezus te gast geweest!
Ik haal mijn vrienden allemaal
wij vieren Christus' Geboortemaal.
Toen kweelde Jan zijn hoogste lied;
zo hoog en vrolijk kan ik het niet.

GABRIËL SMIT

naar een 16de eeuws Engels handschrift

Een kerstgedicht, ook voor kinderen en kleinkinderen.
Om voor te lezen.
Een heerlijk sprankelend vers.
De vreugde om Christus' geboorte spat eraf.





 

 
----------------------------------------------

 
 
  RUTH


De lieve Ruth, de lieve Ruth!
De dochter Moabs, de getrouwe!
Die, zelve een droeve weduwvrouwe,
Een weduw was tot steun en stut;
Gezegend zij de stroom van smarte,
Die toen haar minlijk oog vergoot,
Toen uit Naomi’s brekend harte
De zegen op haar nedervloot:
„Gods liefde zij als de uwe groot!”

Zij hief haar stemme op en zij schreide,
En Orpa schreide en snikte als zij.
„Nu, dochterkijns! verlaat mij beide,
„Des Heeren hand is tegen mij.”
Als Orpa nu haar moeder kuste,
Zoo kleefde Ruth de moedlooze aan:
„Hoe zou de ik van u henengaan?
„Voor Ruth is zonder u geen ruste!
„Uw droefheid deelt zij en uw lot;
„Zij zal u sterken met haar krachten;
„Waar gij vernacht, zal zij vernachten;
„Uw volk is ’t hare, uw God haar Godt
„Zoo iets, tenzij de dood, ons scheide,
„Zoo straffe mij die God en Heer!
„Waar gij sterft legg’ men mij terneert”
— Dus sprak de lieve Ruth, en schreide.

In Bethlems akkers kwam zij aan;
Zij zamelde de gerstenaren,
Die aan de hand ontvallen waren
Des maaiers, met haar lot begaan
Daar vond ze in Boaz oog genade,
Als ze aan zijn voeten rust genoot;
Daar vond ze een Losser en een Gade;
Daar opende haar moederschoot,
Des Heeren liefde en zorg zijn groot.

De naam der bitterheid van smarte
Moest smelten in den zoeten klank
Der vreugde, bij Naomi’s dank,
Toen zij een kleinzoon drukte aan ’t harte!
En ’t huis van Ruth, tot heil der aard
Moest Isrels hope zijn na dezen,
En als van Perez vruchtbaar wezen,
Dien Thamar Juda had gebaard.
Een Vorstenteelt sproot uit dien bloede,
Totdat, van schijnbren glans beroofd,
Haar stam in ’t eind den Silo voedde,
Dien God den Vaadren had beloofd!
Geloofd, verheerlijkt zij de Algoede.

Nicolaas Beets

Uit: OOSTERLINGEN, nummer VI

Kort commentaar:

De geschiedenis van Ruth wordt verteld.
Het lijkt een korte preek.
David is het laatste woord van het boek Ruth.
Hij wordt hier niet met name genoemd,
maar wel omschreven
: het huis van Ruth, tot heil der aard.
Het blijft een ontroerend verhaal.






 

 
----------------------------------------------

 
 
  ZEBEDEÜS

Hoe simpel laat zich dit verhaal vertellen:
een bootje aan de oever van het meer,
een vader en twee zoons druk in de weer
hun uitgescheurde netten te herstellen.

Dan komt er op de oever iemand aan.
Hij roept twee namen en zijn ogen spreken
een taal die innerlijk verzet kan breken.
De broers staan op om met hem mee te gaan.

Ze laten vader achter op de boot.
Hoe lang heeft Zebedeüs nog geleefd?
Moest hij voortaan alleen de netten boeten
en zonder hulp gaan vissen voor zijn brood?
Ik kan hiermee maar moeilijk uit de voeten,
al neem ik aan dat hij het wél begreep.

René van Loenen

Uit: SCHRIFTGEDICHTEN
Royal Jongbloed Heerenveen 2013

Kort commentaar:

Het gedicht vertelt het verhaal van de roeping van de zonen van Zebedeüs.
Het gaat om de discipelen Johannes en Jacobus.
Maar wat is er verder met Zebedeüs gebeurd?
Dat is de vraag waar de dichter mee tobt.
De laatste regel geeft voor hem de oplossing.





 

 
----------------------------------------------

 
 
  PRIMEUR

De bekers worden minder vol geschonken
dan eerst. En dat met zoveel vrienden.
Achter de schermen weten de bedienden:
we zitten bijna zonder.

Er zit een barst in het bruiloftsfeest:
niets meer in kannen en kruiken.
Paniek, heen en weer geloop, gefluister,
de gastheer voelt de pijn het meest.

Maar Jezus maakt 600 liter water
tot wijn, hij redt van een bruidegom
het beschaamd gezicht.

De knechten scheppen, Jezus staat er
als Schepper bij. Het wordt een om-
loopwijn, fonkelend van scheppingslicht.

Zijn wonder gaat van mond tot mond.

Ria Borkent

Uit: SCHRIFTGEDICHTEN
Royal Jongbloed Heerenveen 2013

Kort commentaar:

Primeur is een aanduiding van wijn die in november op de markt komt.
De druiven zijn twee maanden eerder geplukt. Denk maar aan Beaujolais.
Tegelijk betekent primeur iets wat er als eerste is, een noviteit.
Beide betekenissen passen bij dit gedicht.
Het gaat over het eerste wonder van Jezus op de bruiloft van Kana
en zit vol dubbele bodems. Echt genieten.
Prachtig hoe Jezus als Schepper erbij staat,
als de knechten de wijn scheppen,
fonkelend van scheppingslicht.





 

 
----------------------------------------------

 
 
  JEZUS: RAADSMAN, WONDERBAAR

Genietend van de tempel en het feest
twaalf jaren jong, gretig, doelbewust.

Verwonderd kijkt hij in het rond en speurt
of hier de wijsheid woont als Vader zelf.

Want hij aanvaardt de taak om heel de Schriften
te doorzoeken, scherpzinnig, rusteloos.

Hier is een mens die alle argumenten
weegt in zijn schaal, ze toetst op hun karaat.

Door vraag en tegenvraag zoekt hij de spits,
het brandpunt van zijn woorden raakt het hart.

Zo scheidt hij merg en been, ontdoet de taal
van muggenzifterij en vroom gezwets.

Van eeuwigheden her, twaalf jaren jong,
nader tot God, de tempel en het lam.

Koos Geerds

Uit: SCHRIFTGEDICHTEN
Royal Jongbloed Heerenveen 2013

Kort commentaar:

De twaalfjarige Jezus in de tempel: een bekende geschiedenis.
De dichter steekt af naar de diepte.
Hij probeert te peilen wat er ten diepste gebeurde.
En dat loopt dan uit op die fraaie slotstrofe.
Een prachtig gedicht.





 

 
----------------------------------------------

 
 
  JOHANNES

Door de woestenij komt dwars een man,
om aan te zeggen
dat het oude welhaast is gedaan.

Met een stem die rept van nieuwe staat,
laat hij verleden
van leven in water ondergaan.

Hard horen aanzienlijken hem aan,
hun rijke levens uitgelezen
vruchteloos voornaam.

Om het recht van de weg van de Heer,
spreekt een gedreven
hart - met name - van de komst van meer.

Alfred Valstar

Uit: SCHRIFTGEDICHTEN
Royal Jongbloed Heerenveen 2013

Kort commentaar:

Hier wordt Johannes de Doper in een paar streken neergezet.
Je moet het bijbelverhaal wel kennen om het gedicht te vatten.
Er staan bijzondere typeringen in.
Ook woorden met dubbele bodem.
Johannes komt zo weer wat dichterbij.










-----------------------------


OPSTANDING

Gemarteld is hij en bespogen,
ik zag hem doodgaan voor mijn ogen,
wij dachten hem voorbij en weggelegd,
zijn zeven woorden aan het kruis gezegd
zijn laatste woorden en de smart
om zijn versterven sneed ons door het hart.

En nu, mijn God, mag ik mijn ogen
in deze dodentuin stilaan geloven,
Jezus, hij heeft zijn doodkleed afgelegd,
hij heeft luidop mijn naam gezegd,
wie blies mijn afgestorven Heer de adem in
als Adam ooit, ons aller oerbegin?

Hier gaat mijn smart en twijfel aan ten onder,
Rabboeni, zeg ik, en aanbid het wonder.

Jaap Zijlstra

Uit: SCHRIFTGEDICHTEN
Royal Jongbloed Heerenveen 2013

Kort commentaar:

De 'ik' uit dit gedicht is Maria Magdalena.
We kijken door haar ogen in de werkelijkheid van toen.
Het heerlijke van de opstanding springt eruit.

Zo is het ook voor ons tot troost en bemoediging:
"Hier gaat mijn smart en twijfel aan ten onder,
Rabboeni, zeg ik, en aanbid het wonder."










-----------------------------


PINKSTEREN

Het is een vreemd, ongrijpbaar feest:
de nederdaling van de Geest.

Wat vlammen en geruis van wind,
een taal, die nieuwe woorden vindt.

Nu dalen er geen eng'len meer,
ver lijkt de opgestane Heer.

Er is een wonder voor ons oog:
uit sintels rijst een vlam omhoog.

Er is een wonder voor ons oor:
Gods Geest vindt bij de mens gehoor.

Wie Hem verried getuigt van Hem,
wie Hem verliet spreekt met Zijn stem.

Het is een vreemd, onzegbaar feest:
de woord-geboorte van de Geest.

En in de Geest daalt onze Heer
voor eeuwig in ons midden neer!

Nel Benschop (1918-2005)

Uit "Verzamelde Gedichten" (Kok 2006)

Kort commentaar:

Na haar dood lijkt Nel Benschop snel vergeten.
Dat is niet terecht.
In tweeregelige strofen probeert ze de kern van Pinksteren te vatten.
Ik vind dat ze daarin geslaagd is.
Mooi om hardop te lezen.










-----------------------------


ANNUNCIATIE

In een soort dinsdagmorgenstraat staat ook een huis
dat je gemakkelijk niet ziet. Het huis heeft een deur en een raam
en binnen is het stil: een stofdoek maakt niet veel geluid.

Daar in dat huis kantelt luidruchtig de engel naar binnen
dat het haar hoofd duizelt en suizelend hoort zij
terwijl het huisje als een fleurige sok binnenstebuiten wordt getrokken en zij
door het luchtruim van duizenden schuimende, uitbruisende lichtjaren tuimelt
dat gebeurt, gebeuren gaat wat niet bestaat, dat zij, dus haar, dat God -
Het is echt waar!

Dus schrijf dit maar gauw op, want anders is er straks geen hond, die het gelooft.
Voor zoveel licht en wind en water uit de hemel
zijn dit huisje en dit meisje toch te klein.

- Iemand vouwt alles weer terug. Er is
een stille dinsdagmorgenstraat,
een huis, een meisje op een krukje dat
verwezen zit te staren naar een raam.
Had zij nu zelf nog iets gezegd, gevraagd, gedaan?

Len Borgdorff

Uit: Schriftgedichten
Royal Jongbloed, Heerenveen, 2013

Bij Lucas 1:26-38

Kort commentaar:

De dichter actualiseert de Annunciatie, alsof het gisteren gebeurde.
Schitterend beschrijft het vers de ontzagwekkende verschijning van Gabriël.
Het leven van Maria schudt op haar grondvesten.
Wat een schitterende regels:
terwijl het huisje als een fleurige sok binnenstebuiten wordt getrokken en zij door het luchtruim van duizenden schuimende, uitbruisende lichtjaren tuimelt

Er zijn geen woorden voor en toch is het echt waar.

Magnifiek beschreven.










-----------------------------


MIJN LEVEN, MIJN LICHT

U was er al in het begin, mijn Aanvang,
en mijn Licht. Als u niet had gesproken,
dan was er enkel duisternis geweest,
een dood heelal, zonder een ster of struik,
een muis, muziek of schilderij - en mij …

Wat heeft uw wereld zo verblind voor u,
dat zij u zelfs niet heeft herkend toen eens
uzelf, in laagst ontleed persoon, voorgoed
de ban kwam breken, van genade sprak,
de waarheid eindelijk deed zegevieren?

Wat helpt het dat een Bach zijn passies schiep,
dat Rembrandt clair-obscur de ziel verried,
dat Einstein tijd en ruimte heeft ontraadseld
en dat Gaudi zijn kathedraal ontwierp?
De wereld kreunt, omdat zij nog moet baren…

Maar dan, dan missen wij u nooit meer, Woord,
geen dag!

Koos Geerds

Uit: Schriftgedichten
Royal Jongbloed, Heerenveen, 2013

Bij Joh.1:1-14

Kort commentaar:

Dit gedicht sluit aan bij het machtige begin van het Johannesevangelie:
"In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.
Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit
is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven
en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis
en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen."


Veel elementen daarvan komen we in dit vers tegen in de vorm van vragen:
Wat heeft de wereld zo verblind voor u?
Wat helpt het dat een Bach zijn passies schiep?
Antwoord: De wereld kreunt, omdat zij nog moet baren …

En dan dat schitterende slot:
Maar dan, dan missen wij u nooit meer, Woord,
geen dag!










-----------------------------


JAËL

De vrouw wenkt vriendelijk de man naar binnen.
Hoog nodig wankelt hij naar even rust.
Een vechter die een slokje water lust
en hij heeft haast: men kan niet alles winnen.

Hij gaat languit en mag dan zelf verzinnen
wat of hij drinken wil, in slaap gesust.
Zij buigt naar hem, haast of ze hem bekust
en slaat een tentpin door zijn slaap naar binnen.

Een spierenkronkel en dan is hij dood.
Ze heeft de pin vaak in de grond geslagen
maar nog niet eerder met een man eraan.

De handen rusten op haar moederschoot.
Nu wachten tot de jager op komt dagen:
ontspannen bij de ingang blijven staan.

Menno van der Beek

Uit: Brandaan van de christelijke poëzie
Uitgeverij Brandaan 2008

Bij Rechters 4:12-24

Kort commentaar:

Dit vers sluit goed aan bij het Schriftgedeelte.
Jaël staat in het centrum. Het gaat om haar.
Prachtige regels:
Ze heeft de pin vaak in de grond geslagen
maar nog niet eerder met een man eraan.

We kunnen dit een gruwelijke geschiedenis vinden.
Maar het vervolg luidt: Zo bracht God
koning Jabin van Kanaän in zijn strijd met de Israëlieten
een zware nederlaag toe. (vs.23)










-----------------------------


GETSEMANE

Na de tafel van liefde
en een psalmenlied
gaat Gods genade nog dieper.

In het dal van profetie
moet de herder zijn schapen verliezen,
lijdt hij zonder vrienden.

Zij willen het niet,
zij willen het niet,
dat hij moet krimpen,
dat hij moet drinken
wat wij verdienen.

Hij smeekte en riep:
ik sterf van angst, maar niet
mijn wil, uw wil geschiede.

Wij kunnen dit lijden niet zien
en slapen liever,
maar God, u had hem lief
in zijn nederig knielen.

Ria Borkent

Uit: Schriftgedichten
Royal Jongbloed, Heerenveen, 2013

Bij Matt 26:36-46 Witte Donderdag

Kort commentaar:

Wat een ontroerend gebeuren, daar in Getsemane:
de herder moet zijn schapen verliezen
en lijden zonder vrienden.
En het gaat niet alleen maar om zijn vrienden,
maar ook over ons:
wij kunnen dit lijden niet zien en slapen liever.
Prachtig dat slot met die tegenstelling;
maar God, u had hem lief
in zijn nederig knielen.










-----------------------------


LAATSTE PLAAG

Je hebt het allemaal wel gehad: die week waarin het water
lobbig werd als bloed. Toen die rivier nog stonk
van opgeblazen aas, kreeg je die vorsen op je bordje,
tussen de lakens zelfs. Luizen daarna en zware vermenging
van ander ongedierte. Juist toen je klaar met krabben was,
waaide de pest in de stallen en ieder huis ook nog eens
onder natte blaren. In tranen weet je de platgeslagen oogst
door hagel nog en dat het mooi geweest was zo of anders

en je vloekte: bij de kloten van de bok. Prompt kwam
de straffe oostenwind die jou kaalvreters bracht, geen blaadje
van het nieuwe groen meer over. Na dikke dagen duisternis
had je zowaar nog adem in de krop; omdat zoveel ineens
volgens de radio aan het klimaat lag, dat het een kwestie was
van opgelucht anders gaan boeren. Dus sluit je monter af:
de plaats staat toch wel als een eeuwig huis, stamhouder

slaapt en morgen weer vroeg op. Had je gedacht.
Keel vóór vannacht het kistkalf uit je net ontsmette stal,
kwast met een handvol vlas zijn bloed op dit gezekerde kozijn:
er is een tiende plaag. Slaap liever aangekleed. Sluit af,
vergeet de bovendorpel niet; wie nu niet weg is
wordt vannacht nog door de vuilbek voor 't laatst gezien.

Henk Knol

Uit: Brandaan van de christelijke poëzie
Uitgeverij Brandaan 2008

Bij Exodus 7-11

Kort commentaar:

Het gedicht wil vooral een eigentijdse onheilsdreiging weergeven
tegen het decor van de in het OT beschreven plagen.
De dichter gebruikt de plagen voor de sfeertekening.

We kijken in dit vers door de ogen van een Jood in Egypte
in de tijd dat de HEERE de tien plagen over het land bracht.
Via radio en klimaat maakt de dichter de situatie actueel.
De Joodse boer denkt dat hij na de negende plaag rustig kan slapen.
Maar dat had hij gedacht. Er komt nog een tiende plaag.
Een allesbeslissende.
Alleen achter de bloed van het geslachte lam is hij veilig en geborgen.










-----------------------------


IEMAND DIE JEZUS HEET

Dit kan geen alchemist of apotheker: zonder
vijzel, kruid of zalf je ogen openstrijken.
Met losse handen! Een profeet? De patiënt
kan zien - dat weet hij zeker. Hij knippert wat,

krijgt helder zicht vanaf de dag dat 'iemand'
modder maakte. 'Iemand die Jezus heet.'
Voor mij in de trein zit nu een blinde man.
Naast hem een labrador. Niet aaien a.u.b.

Een leven leren, los te laten. Te vertrouwen: later!
Zand blijft liggen als je hand ontspant, maar
maak je vuisten, loopt het weg als water.
Aan dit verdriet heeft God het land en aan dat

valse schuldverdelen. Hij is geneesheer, doet
in slijm en slijk: lijfarts in moddertijd. En als het
erom spant? Dan schrijft hij in het zand. Hier is
alvast één bedelaar de koning te rijk.

Hilbrand Rozema

Uit: Schriftgedichten
Royal Jongbloed, Heerenveen, 2013

Bij Johannes 9

Kort commentaar:

Heel Johannes 9 gaat over de genezing van de blinde door Jezus.
U moet het hoofdstuk eigenlijk nog eens lezen.
Het conflict met de Farizeeërs bereikt hier een kookpunt.
Als hij die blind was zijn geloof in Jezus belijdt
en zich voor Hem neerbuigt, zegt Jezus:
"Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen.
Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien
zullen blind worden."
Dat laatste slaat hier op de Farizeeën.

Een leven leren, los te laten. Te vertrouwen: later!
Zand blijft liggen als je hand ontspant, maar
maak je vuisten, loopt het weg als water.
Prachtig beeld en levensles.










-----------------------------