DaniŽl





Peter Paul Rubens 1577 Ė 1640

DaniŽl in de leeuwenkuil


Grapje: waarom aten de leeuwen DaniŽl niet op?
Antwoord: hij was ťťn en al ruggengraat!

olieverf op doek (224 ◊ 330 cm) ó 1615
National Gallery of Art, Washington



  Gert Slings - BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN
INHOUDSOPGAVE DANIňL


0 KORTE INLEIDING BIJ DANIňL 1-6

1 MET GOD BEN JE VEILIG, OOK AAN NEBUKADNESSARS HOF---DaniŽl 1

2 GOD GEBRUIKT DANIňL ALS PROFEET AAN NEBUKADNESSARS HOF---DaniŽl 2

3 DE HERE OPENBAART ZIJN MACHT IN BABEL---DaniŽl 3

4 NEBUKADNESSAR EERT GOD ALS DE KONING DER KONINGEN---DaniŽl 4

5 GODS GERICHT OVER BABEL---DaniŽl 5

6 DE HERE WAAKT OVER HET GEBED TOT ZIJN NAAM---DaniŽl 6

7 HET EVANGELIE VAN DE ZOON DES MENSEN---DANIňL 7

8 DE AANSLAG OP DE TEMPELDIENST AFGESLAGEN---DaniŽl 8

9 DE HERE WERKT VERDER AAN DE SABBATSRUST VOOR ZIJN VOLK---DaniŽl 9

10 SAMEN MET MICHAňL TRIOMFEERT CHRISTUS OVER DE VORST DER PERZEN--- DaniŽl 10

11 HET EINDE VAN ANTIOCHUS EPIFANES--- DaniŽl 11








BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN


INLEIDING


Heel wat jaartjes ben ik medewerker geweest aan Rechte Sporen, een maandblad voor het verenigingswerk onder gereformeerde jongeren.
Hierin heb ik ondermeer bijbelstudies (in schetsvorm) geschreven. Ze gaan over verhalende, historische stof.

Ieder kan daar naar eigen inzicht gebruik van maken. Ze zijn niet alleen voor jongeren geschikt. Ik weet dat ook ouderen er met vreugde mee hebben gewerkt. Ze zijn bijvoorbeeld op vrouwenverenigingen gebruikt.

Mijn uitgangspunt is dat de mensheid (dus ook u en ik) opgenomen is in de grote geschiedenis van paradijs tot wederkomst met als centrum de Here Jezus Christus. Heel die geschiedenis wordt bepaald door Gods plan om door Christus verlossing of heil te brengen. Daarom wordt die geschiedenis ook wel heilsgeschiedenis genoemd. In elk bijbelgedeelte probeer ik na te gaan, welke betekenis dat heeft in Gods heilsgeschiedenis.

Ik heb het schrijven van deze bijbelstudies voor jongeren als een groot voorrecht beschouwd.
Wat is er mooier dan het Woord uit te leggen voor meer dan 10.000 jongelui, alleen al in Nederland.
Voor Canada, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland werden de bijbelstudies in het Engels vertaald. Ze verschenen in het blad My Live.

Ik ben benieuwd naar uw oordeel. Laat het me weten. Ik kan er dan mijn voordeel mee doen. Alvast hartelijk dank.



Gert Slings





GEBRUIKSAANWIJZING

De meest eenvoudige vorm is de volgende:

. U leest eerst het Schriftgedeelte in z'n geheel rustig door. Laat het goed op u inwerken.
Wellicht is er bij u een vraag opgekomen. Of hebt u al een mening gevormd of het gedeelte.

. Vervolgens leest u per pericoop de bijbelstudie door. Er zal veel instaan, wat u al wist. Maar misschien bevat ze ook informatie waarvan u nog niet op de hoogte was. Als u dat belangrijke informatie vindt, probeer dat dan op te slaan en vast te houden.

. Het is goed mogelijk dat u tot een heel andere uitleg komt. Dat is niet slecht, want dan hebt u al een mening gevormd. Dat kan niet iedereen zeggen. Binnen exegese van een gedeelte is soms ruimte voor een verschillende uitleg. Dat noemt men de vrijheid van de exegese.

. Uw bijbeltje moet u bij de hand houden om de stukjes nog eens te lezen. Maar ook om de verwijzijgen naar andere gedeelten op te zoeken. Vaak hebben die te maken met de grote lijnen in de Schrift.

. Ik wil u in overweging geven de bijbelstudie te beginnen met een kort gebed, waarin u vraagt om de leiding van de Heilige Geest. En te besluiten met een kort dankgebed, waarin u aan de Here vertelt, wat u zo mooi vindt in dit gedeelte of waar u het zo moeilijk mee hebt.





  0 KORTE INLEIDING BIJ DANIňL 1-8
  Het eerste, historische deel van het bijbelboek DaniŽl is heel boeiend. In de eerste plaats zien we hier weer de Here aan het werk. Hij staat centraal en niet de persoon van de profeet DaniŽl. Het is de Here die DaniŽl getrouw maakt. Hij woont meer dan 65 jaar als balling in een vreemd en vijandig land. Maar de Heilige Geest heeft hem overeind gehouden.

God triomfeert over de hoogmoed van Nebukadnessar en over de godslasterlijk optredende Belsassar.

Tegelijk gebruikt de Here Nebukadnessar als instrument om het volk IsraŽl flink door elkaar te schudden. Dat ze zich afkeerden van de Here, is de diepste verklaring voor de ballingschap en voor het optreden van Nebukadnessar.
  Zoals altijd is er op de achtergrond de aanwezigheid van satan: zijn aanval op de jeugd van IsraŽl en zijn aanslag op het hart van DaniŽls geloof: het gebed, om maar iets te noemen.
  Het is prachtig om erop te letten, hoe Gods majesteit is verheven boven de macht van de wereldleiders. De HERE wordt verheerlijkt door de ondergang van Babel. Want al is Babel een instrument geweest in Gods hand om zijn ongehoorzame volk te straffen, het is om zijn eigen goddeloosheid, wreedheid en onbekeerlijkheid toch ondergegaan. Het is daardoor een teken van alle wereldrijken die zich niet van God afhankelijk weten.
 
 
 
 
 
 
 
  1 MET GOD BEN JE VEILIG, OOK AAN NEBUKADNESSARS HOF DaniŽl 1
 
INLEIDING
Zit je op sport? Dan weet je dat je moet trainen.
Als kind van God moet je ook al jong geoefend worden: thuis, op catechisatie, op vereniging en op school. Want de duivel heeft grote interesse in jonge christenen.
 
GOD GEEFT ZIJN VOLK IN DE MACHT VAN BABEL (vs.1)
De eerste woorden van het boek DaniŽl moet je niet overslaan: in het derde jaar van Jojakim. Waarom is dat belangrijk? Je moet bedenken dat Nebukadnessar de machtigste man van de wereld is. Jojakim is maar een onbetekenend koninkje van een klein rijkje: Juda. Vreemd om dan Nebukadnessar te dateren naar Jojakim. Je zou het omgekeerde verwachten.
  Maar Jojakim is wel het zaad van David! En daar gaat het om! Uit David zal de Messias geboren worden. En daarnaar is de Here op weg.
  Die datering in vs.1 geeft je ineens een blik achter de schermen. Het gaat in dit hoofdstuk 1 niet om Nebukadnessar, maar om de Here die heenwerkt naar Betlehem.
  DaniŽl 1 voert ons terug naar ca.605 voor Christus. Een paar jaar eerder had de Egyptische Farao Necho een nieuwe koning aangesteld: Jojakim.
Maar in 605 wordt Farao Necho verslagen door de legers van Babel: de nieuwe wereldmacht. Na de Egyptenaren verslagen te hebben, slaat Nebukadnessar het beleg voor Jeruzalem en neemt het in.
 
NEBUKADNESSAR VERGRIJPT ZICH AAN DE TEMPELSCHATTEN (vs.2)
Maar dan bereikt Nebukadnessar het bericht dat zijn vader gestorven is.
Dat verandert alle plannen. Hij keert direct terug naar Babel en neemt een deel van het kostbare gerei van de tempel mee plus de bovenlaag van de bevolking: prinsen uit het koninklijk geslacht en edelen.
  Dat betekent voor IsraŽl een gevoelige slag. Het is in ťťn keer heel wat leiders kwijt. En daarbij komt dat Nebukadnessar kostbare voorwerpen van de tempel meenam.
Waarom voerde Nebukadnessar die schatten weg? Hij dacht dat hij tegelijk met het volk ook de God van dat volk overwonnen had. Daarom gaan die geheiligde voorwerpen uit de tempel naar het land Sinear. Daar worden de schatten aan de voeten van de goden van Babel gelegd om die te eren.
  Maar let goed op de juiste verhoudingen: de Here is niet machteloos. Het is de Here juist die Jojakim en het tempelgerei in Nebukadnessars macht geeft. Hij regeert hier alles. Hij doet hier wat nodig is voor de voortgang van zijn Rijk, voor de komst van Davids grote Zoon, Christus Jezus.
 
HET PLAN VAN NEBUKADNESSAR (vs.3-7)
Nebukadnessar heeft eens ergens geschreven: mijn paleis is ťťn en al vreugde en vrolijkheid. In die omgeving werden DaniŽl en zijn vrienden gebracht. Een droomwereld: ze ontvingen een dure opleiding en kregen te eten van het allerbeste, in een allerplezierigste omgeving. Uit vs.11 blijkt dat de jongens ook nog een kamerdienaar toegevoegd kregen die voor hen moest zorgen: wat wilde je nog meer als jonge man?!
  Maar juist zo wilde Nebukadnessar die IsraŽlieten verleiden. Want zijn eigenlijke bedoelingen worden duidelijk uit vs.6 en 7. Onder de IsraŽlitische knapen bevonden zich enige JudeeŽrs met prachtige namen die spraken van het heerlijke werk van God. Maar op last van de koning moeten die namen veranderd worden in namen ter ere van babylonische afgoden.
  Eťn ding is wel duidelijk bij deze naamsverandering: daarin komt de echte bedoeling van Nebukadnessar aan het licht: de jongelui moeten hun God vergeten. Ze mogen opgaan in de genoegens van het koninklijk hof: opdat ze maar losgeweekt worden van de HERE en zijn naam niet meer genoemd wordt. Dat is satans opzet. Hij wil niets liever dan dat Gods Naam wordt doodgezwegen.
 
HET VOORSTEL VAN DANIňL (vs.8-15)
We horen hoe God in de hemel lacht (zie Ps.2:4). Satan en Nebukadnessar: ze wilden de HERE compleet wegdringen. Maar Hij laat Zich niet wegdringen, maar toont zijn glorieuze aanwezigheid. Terwijl zijn Naam wordt weggedrukt, komt zijn wet tot heerschappij bij vier jonge knapen die ver van huis en haard zijn. Door de HERE simpel te gehoorzamen op wat een heel klein punt lijkt: op het punt van het dagelijks eten.
  Nebukadnessar mocht hen onderwijzen in de heidense wetenschap, hij mocht hun namen veranderen, maar hij mocht hen niet tot zonde verleiden. Let erop, dat deze vier jonge prinsen gehoorzaam de HERE blijven dienen. Wat was het gemakkelijk geweest te zeggen, dat niemand er wat van zag in dit verre, vreemde land. Maar de HERE maakte hen getrouw.
Was het zo erg die spijzen te gebruiken? Ja, want hier kwam vlees van onreine dieren aan te pas of vlees dat aan de afgoden was geofferd.
  De HERE zegent hun gehoorzaamheid. God bestuurde het zo, dat Aspenaz niet boos werd. Zijn enige bezwaar is, dat ze er straks minder goed uit zouden zien. Dan zou hij gestraft worden.
 
DANIňL, PROFEET VAN DE ALLERHOOGSTE (vs.16 en 17)
Drie jaar krijgen DaniŽl en zijn vrienden niet anders dan brood, groente en water, een sober menu. Maar ze eten die eenvoudige kost in gehoorzaamheid en geloof. Hun gehoorzaamheid wordt wonderlijk gezegend.
  Bovendien kreeg DaniŽl van God inzicht in allerlei dromen en gezichten. Dat zijn in de Bijbel middelen waardoor God zijn openbaringen geeft aan de profeten. Met andere woorden: DaniŽl wordt hier getekend als profeet.
  En dat is het schitterend slot van DaniŽl 1. Nebukadnessar wilde DaniŽl een Babylonische hoveling maken, die zijn God vergeten zou. Maar aan het eind van DaniŽl 1 blijkt DaniŽl door God bekwaamd te zijn tot profeet. God heeft zijn eigen plan met de Zijnen. En dat zet Hij door!
God plaatst hem aan het hof van de machtigste vorst van de wereld. Hij mocht drager van Gods Woord zijn in dat heidense wereldrijk. Hij mocht getuigen van Gods macht, van zijn koninkrijk en zijn overwinning.
  De HERE gaat door met zijn verlossingswerk op weg naar Betlehem. Jeruzalem lag plat. De tempeldienst lag stil. Maar de profetie was niet tot zwijgen gebracht. Gods Woord werd verkondigd: door Jeremia onder de achterblijvers in IsraŽl; door EzechiŽl onder de ballingen; door DaniŽl aan het hof van Nebukadnessar.
 
DE HERE GEEFT HEN EEN PLAATS AAN HET HOF (vs.18-20)
Dan eindigt dit hoofdstuk zoals het begon, met een datering: DaniŽl blijft daar tot het eerste jaar van Kores. In dat eerste jaar gaf Kores de IsraŽlieten toestemming terug te keren uit de ballingschap naar Kanašn. Het was het jaar waarin hij ook het door Babel buitgemaakte tempelgerei uit de schatkamers van Babel liet halen en het aan de Joden meegaf met het oog op de herbouw van de tempel.
  Zo zien we hier aan het eind van DaniŽl 1 de glimlach van God. Als Nebukadnessar het vaatwerk van Gods huis in de schatkamer van zijn afgod brengt, doet hij dat om God te kleineren. Maar hoe anders pakt het uit. Het wordt een veilige bewaarplaats voor al die kostbaarheden uit het huis van God. Wat was in al die woelige jaren in de wereldpolitiek een veiliger bewaarplaats? En in Ezra 1 bij de terugkeer uit ballingschap, blijkt het gerei piekfijn bewaard te zijn en zo weer gebruikt te kunnen worden voor de dienst in de herbouwde tempel.
  Schitterend om zo de HERE bezig te zien. Hij speelt met de wereldmachten. Zelfs als die oppermachtig lijken, zijn ze dienstknechten van Hem, die doen wat Hij wil. Hij openbaart zijn majesteit en glorie.
 
 
  2 GOD GEBRUIKT DANIňL ALS PROFEET AAN NEBUKADNESSARS HOF DaniŽl 2
 
INLEIDING
Misschien denk je wel eens: wat heeft de kerk nu voor macht in de wereld.
Die kerk betekent op zich ook niet veel.
Maar wel Christus die daar gepredikt wordt.
Hij is de steen die recht op dat grote beeld van Nebukadnessar afrolt.
Er gebeurt in een kerkdienst meer dan je denkt.
 
IN HET TWEEDE JAAR VAN NEBUKADNESSAR (vs.1)
Het hoofdstuk begint met een datering: het tweede jaar van Nebukadnessar. Maar Nebukadnessar was al 20 jaar heerser over Babel. Hoe zit dat dan? Je moet erom denken dat hij wordt gedateerd vanuit IsraŽl.
  Daarmee zien we meteen waar het werkelijk om gaat in DaniŽl 2 en Wie de ware machthebber is! DaniŽl 2 beschrijft ons Gods handelen, Zijn heenwerken naar de geboorte van Davids Zoon en Heer, onze Here Jezus Christus. Daaraan wordt Nebukadnessar dienstbaar gemaakt. De grootmachten der wereld moeten buigen voor de Heer van de kerk. DaniŽl 2 tekent ons een machtige Nebukadnessar, maar een nog veel machtiger God.
 
DE DROOM VAN NEBUKADNESSAR (vs.1-12)
Nebukadnessar heeft een droom gehad. De rest van de nacht doet hij geen oog meer dicht. Die droom van dat beeld dat verpulverd wordt door een steen die van een berg komt rollen, zou dat een boodschap van de goden zijn over de toekomst van zijn rijk? Dat ziet er dan wel heel onheilspellend uit.
  Je kunt de paniek van Nebukadnessar misschien begrijpen als je weet, dat vorsten vroeger sterk afgingen op dromen en horoscopen. Droomuitleggers en sterrenwichelaars behoorden dan ook tot Nebukadnessars politieke adviseurs.
  En om zeker te weten dat zijn raadslieden hem niet zullen bedotten, wil hij dat ze hem niet alleen de uitlegging, maar ook de droom zelf zullen vertellen. Hij wil zekerheid. En het vertellen van de droom is voor hem de proef op de som. Kunnen de wijzen dat, dan weet hij dat ze hem maar niet maar iets op de mouw spelden.
  Waardoor is deze paniek ontstaan? Door een droom. Een droom die van God komt. DaniŽl 2 vertelt ons wat over onze God! Het beschrijft Gods majesteit. Hij hoeft maar een enkele droom te sturen en de machtigste vorst ter wereld is helemaal van z'n stuk.
 
DANIňL EN ZIJN VRIENDEN ZOEKEN STEUN BIJ GOD (vs.13-18)
Als DaniŽl van het koninklijk bevel hoort, vraagt hij meteen toegang tot de koning. Je moet vs.16 goed lezen. DaniŽl vraagt niet: ik hoop u de uitleg te geven. Maar geef mij enige tijd, dan zal ik u tekst en uitleg geven. DaniŽl spreekt hier in het rotsvaste geloof dat zijn God hem niet beschaamd zal doen staan.
  Let eens op het verschil in optreden tussen de wijzen en DaniŽl: die wijzen staan te beven en te schutteren voor de koning. Ze worden uiteindelijk onbeschoft: welk verstandig mens vraagt zoiets nou, zeggen ze tegen de koning. Maar DaniŽl is resoluut: hij gelooft dat God hem droom + uitleg bekend zal maken.
  Als hij van de koning het gevraagde uitstel verkregen heeft, deelt hij z'n drie vrienden (die hier weer met hun Hebreeuwse doopnamen genoemd worden) alles mee. Hij besluit zijn verslag met het voorstel om samen barmhartigheid van de God van de hemel af te smeken in verband met de droom van de koning.
  Schitterend is dat: DaniŽl en zijn metgezellen weten zich afhankelijk van Gods openbaring. DaniŽl gelooft vast dat God hem de droom bekend zal maken. Maar dat doet hem niet met de armen over elkaar zitten. Nee, hij gaat bidden. Ja, en dan echt bidden. Hij gaat niet eisen: nee, ze gaan barmhartigheid van God afsmeken. God is nooit verplicht te doen wat zijn kinderen Hem vragen. Het is altijd zijn barmhartigheid als Hij geeft.
 
DE HERE OPENBAART DANIňL DE DROOM EN DE UITLEG (vs.19-35)
En ziedaar! God geeft! 'Toen werd de verborgenheid aan DaniŽl in een nachtgezicht geopenbaard' (vers 19). Aan DaniŽl, Gods profeet.
  Prachtig is wat DaniŽl daarna doet: God danken en prijzen. Na dat dankgebed gaat DaniŽl in gezelschap van Arjok naar de koning. Hij zoekt geen eer voor zichzelf. Nee, hij geeft God alle eer.
  Koning Nebukadnessar krijgt uit de mond van DaniŽl te horen wat er na dezen geschieden zal. Toch is het niet in de eerste plaats een toekomstvoorspelling. Een profeet moet de wil van God bekend maken. Hij onthult Gods plan met de wereld. Hij geeft ons een doorkijkje in de geschiedenis en vertelt wat de kerk op de lange duur verwachten mag bij geloof, maar ook bij ongehoorzaamheid.
  Behalve het imponerende beeld ziet Nebukadnessar ook een steen. Die steen raakt los van een berg zonder toedoen van mensenhanden, begint te rollen, wint aan snelheid en knalt tegen het beeld aan, tegen de kolos op lemen voeten.
  De uitwerking is enorm. Heel het beeld stort in en wordt vergruizeld. Van het hele beeld is zelfs geen spoor meer te vinden. Maar de steen wordt een grote berg die heel de aarde vulde.
 
DANIňL MAAKT DE UITLEG VAN HET BEELD BEKEND (vs.36-43)
1. Het gouden hoofd------het Babylonische rijk
2. De zilveren borst------het Medisch-Perzische rijk
3. De koperen buik------het Grieks-Macedonische rijk
4. De ijzeren benen------het Romeinse Rijk
5. De voeten van ijzer/leem-----alle wereldrijken na de val van Rome(467) tot de wederkomst.
  Deze lichaamsdelen, zo legt DaniŽl uit, stellen allemaal verschillende wereldrijken voor, die elk hun eigen karakter hebben. Dat blijkt uit die verschillende metalen.
  Maar let erop dat al die metalen samen ťťn beeld vormen. Waarin ligt die eenheid? In de geest die al deze rijken bezielt. Ze vormen samen ťťn beeld dat beheerst wordt door dat ťne gouden hoofd en de gedachten die daarin omgaan. Dat wil zeggen: de geest van Babel beheerst al die koninkrijken.
  De geest van Babel. Die kennen we al uit Gen. 11, dat de torenbouw beschrijft. Die toren was het symbool van een mensheid die zich tegenover God verzette. Babel, dat is van meet aan het rijk van de mens tegenover het koninkrijk van God. Je ziet dat ook telkens weer in de wereldgeschiedenis. Er komt steeds een andere wereldmacht, maar het duurt niet lang of je ziet weer hetzelfde antichristelijke verzet tegen de HERE en zijn Gezalfde, en dezelfde verheerlijking van de sterke man en de sterke staat.
 
DANIňL LEGT UIT WAT DE STEEN BETEKENT (vs.44-45)
Deze steen, aldus DaniŽl, stelt het Koninkrijk van God voor. Dit rijk is totaal anders dan die voorgaande rijken. De God van de hemel is het Zelf Die dit rijk opricht. En daarom zal dit ook een onvergankelijk, een eeuwig rijk zijn. Dat koninkrijk zal komen aan het eind der dagen.
  Dat het koninkrijk van God wordt vergeleken met een steen is kenmerkend voor de manier waarop de HERE werkt. Dat koninkrijk komt op een heel andere manier dan de koninkrijken van de wereld opkomen. Niet met macht en aanzien. Maar door een Koning die kwam om te lijden en te sterven. Gods koninkrijk komt niet met wapengekletter. Het komt in de weg van de prediking. De wereld vindt dat een heel dwaze weg.
 
NEBUKADNESSAR ERKENT GOD (vs.46-49)
Nebukadnessar wil aan DaniŽl eer bewijzen door offers, alsof DaniŽl god was. DaniŽl wil dat niet. Hij wijst naar de HERE. Dan gaat Nebukadnessar de Here prijzen.
  Het gaat om de HERE. En om het feit dat zelfs een heidens koning zijn grootheid erkennen moet. Dat is eigenlijk al een voorbode van de jongste dag, als alle bewoners van de aarde zullen moeten toegeven dat de HERE de grootste is en dat voor Hem iedere knie zich moet buigen.
  Als Nebukadnessar God geprezen heeft, maakt hij DaniŽl heerser over het hele gewest Babel en opperhoofd over alle wijzen van Babel.
  Wij mogen weten dat het achter Nebukadnessar uiteindelijk de HERE Zelf is, Die DaniŽl in het hart van Babel brengt. Daar is vanaf nu de plaats van Gods profeet. Zo rolt daar ook aan Babels hof de steen van het Koninkrijk van God.
 
 
 
  3 DE HERE OPENBAART ZIJN MACHT IN BABEL DaniŽl 3
 
INLEIDING
Drie mannen in de vuuroven.
Geweldig, wat een moed!
Misschien denk je: zou ik dat wel durven?
Weet wel: geloofsmoed heb je niet, die krijg je.
 
HET BEELD VAN NEBUKADNESSAR (vs.1-7)
Wanneer Nebukadnessar op het toppunt van zijn macht staat, laat hij in het dal Dura een kolossaal beeld oprichten. Dat gouden beeld van wel 30 meter hoogte was het teken van de geweldige macht van de koning. Dat het hier gaat om de machtsverheerlijking van Babel, zien we in de opsomming van al die groepen van hoogwaardigheidsbekleders. Uit heel Babel zijn ze geroepen. De onderworpen volken zijn niet vrijgesteld (vs.4).
  Al die hoge functionarissen staan voor het beeld opgesteld. Het is goed georganiseerd bij deze plechtigheid. Want ze mogen pas knielen na een bepaald teken. Dat is wanneer al de muziekinstrumenten het loflied voor Babel zullen inzetten.
  Alles is hier geweldig. Dat komt ook uit in de vreselijke bedreiging, die de koning bekend liet maken (vs.6). Let daarbij ook op het woord 'ogenblikkelijk'. Er is dus geen genade bij de koning.
  Nebukadnessar koos heel bewust tegen het evangelie van de steen uit DaniŽl 2. Hij richtte een beeld op. Dat wil zeggen: hij verwierp het evangelie van de Christus en koos voor de mensverheerlijking. En dan zie je hoe hij zijn handen ook uitstrekt naar het terrein van de religie. Hij wil niet in dienst van God staan. Hij wil juist zelf bepalen waarvoor en wanneer zijn onderdanen moeten knielen. Hij heerst over de godsdienst.
 
DE HOUDING VAN SADRACH, MESACH EN ABEDNEGO (vs.8-12)
Tegenover de verheerlijking van de grootheid en de macht van Babel staat het eenvoudige geloof van deze drie Joodse mannen, die tot een hoge post opgeklommen waren in Babel.
Ook van hen wordt geŽist, dat ze zullen knielen voor de geweldige macht van Babel, die hier als god vereerd wordt. Ze kennen de wet van de HERE. Die geldt ook voor hen hier in Babel.
  Daar houden ze zich ook aan, omdat ze de HERE liefhebben. Ze mogen voor geen beeld knielen en dat goddelijke eer bewijzen. Daar willen ze zich aan houden. Zo kiezen ze in hun geloof voor God. Ze vertrouwen op hun God, de God van IsraŽl, die machtiger is dan Nebukadnessar.
  De koning wordt dadelijk op de hoogte gebracht van hun ongehoorzaamheid aan zijn bevel. Je moet eens goed lezen, hoe dat wordt gezegd (vs.12).
  Zie je wat daarachter steekt? Jaloersheid om hun hoge ambt. Let op die naam JudeeŽrs. Daaruit spreekt de haat tegen de Joden die God bleven dienen en die hoge ambten bekleden mochten.
  Ze zeggen het ook: ze hebben uw goden niet geŽerd, die Babel zo groot hebben gemaakt. Daarbij hoort de koning, dat ze zich aan zijn bevel niet gestoord hebben.
 
HET ANTWOORD VAN DE DRIE VRIENDEN (vs.13-18)
Nebukadnessar denkt aan een mogelijke vergissing. Hij wil ze nog een kans geven. Meteen zien we weer die onbegrensde hoogmoed van zichzelf en zijn macht. Welke god zou jullie uit mijn hand kunnen redden? Deze hoon tegen de Here is verschrikkelijk. Hij kende immers de God van IsraŽl via DaniŽl!
  Tegenover die hoogmoedige taal staat dan dat prachtige antwoord, een geloofsantwoord. Ze hebben zich overgegeven in de hand van God. Ze zeggen, dat ze het niet nodig vinden er een antwoord op te geven (vs.16). Ze hebben welbewust zo gehandeld. Want ze vertrouwen op God. Die kan verlossen. Hij heeft er de macht toe.
  Maar zelfs, als Hij het voor hen beter vindt, dat ze niet verlost worden, dan zullen ze toch gehoorzaam blijven aan de eis van het verbond.
  Ze weifelen geen moment. Tegenover de grote wereldmacht Babel blijven ze trouw aan hun God. Die God was machtig hen door zijn genade te verlossen. Hij zou dat doen, als dat voor de openbaring en voor de eer van zijn Naam in Babel nodig zou zijn. Als de HERE in zijn wijsheid anders had beslist, dan zouden ze de vuurdood willen sterven.
  Horen we de HERE in de hemel lachen? Het beeld van Nebukadnessar wordt alleen maar onder dwang aanbeden. De HERE wordt vereerd zelfs als men er zijn leven voor over moet hebben! Voor wie dat ziet, is het geen vraag meer wie de ware God is!
  Dat beeld van Nebukadnessar, dat vereer je alleen maar als je daar je leven mee kunt redden. Als je er wat aan over houdt.
  Maar de HERE is een God die je dient, ook als je er alles voor prijs moet geven. Hij is geen God die zijn kinderen alleen maar via fooien en verwennerij aan Zich binden kan. Hij heeft ze aan Zich verbonden in Christus. En dat is een onbreekbare band.
 
DE DRIE VRIENDEN IN DE OVEN (vs.19-27)
Door de woorden van de drie vrienden van DaniŽl wordt Nebukadnessar woedend. Hij laat de oven zeven maal heter gestookt worden. De vlammen brullen en de hitte is ontzettend. De sterke mannen die het vonnis moeten uitvoeren, worden door de vlammen gegrepen en blijven verkoold liggen.
  Dan komt het wonder. Eerst is er al het wonder van Gods liefde voor deze drie Joden. Hij gaf ze zoveel genade, dat ze trouw mochten blijven. Vergeet niet dat het geen verdienste van hen was. Nooit mag een kind van God zich op de borst slaan, als hij trouw en gehoorzaam is in de strijd. God maakte ook de drie mannen getrouw.
  Maar het andere wonder gebeurt ook. Daar is bewarende engelenmacht om hen. God zendt zijn dienaar uit om hen te bewaren. Nebukadnessar moet erkennen dat er ťťn God is, machtiger dan hij. Dat er ťťn God is.
  Zie je hoe Nebukadnessar schrikt? Hoe levendig wordt het allemaal verteld. Hij heeft ook de engel zien lopen midden in de vlammen. Hij noemt hem een 'godenzoon'. Hij laat direct de vrienden roepen. Daar staan ze, ongedeerd, zonder brandlucht.
 
NEBUKADNESSAR ERKENT GODS MACHT IN BABEL (vs.28-30)
Lees goed de lofprijzing van Nebukadnessar. Hoe prijst hij God, die zijn engel stuurde om zijn dienstknechten te bevrijden! Zijn knechten die de koning ongehoorzaam waren, omdat ze de HERE gehoorzaam willen zijn boven alles.
  Daarin erkent Nebukadnessar de grootheid van God. Hij zegt: de allerhoogste God (vs.26). Hij komt niet tot de belijdenis van de enige, de ware God. We lezen ook niet dat hij het beeld weg deed. Wel vaardigt hij een proclamatie uit, dat ieder de God van IsraŽl moet vereren door geen oneerbiedig woord over Hem te spreken. Let weer op die vreselijke dreiging (vs.29).
  Weer eindigt een hoofdstuk met de vermelding, dat ze in hoge eer staan. Maar dat is hier het voornaamste niet. Het ging deze vrienden niet om de uitkomst. Ze wisten niet dat er een wonder kwam. Het ging hen om het gebod. Deze mannen lieten God niet los. En wie vasthoudt in het geloof, ontvangt de overwinning.
  Eerste hoofdlijn voor de bespreking: De oprichting van het gouden beeld in de vlakte van Dura, kunnen we Nebukadnessars reactie noemen op de droom die God hem gezonden had.
  Tweede hoofdlijn voor de bespreking: Hier vinden we nu precies de geest van Babel getekend.
Derde hoofdlijn voor de bespreking: Sadrach, Mesach en Abednego werden door de HERE op wonderlijke wijze gered. Zo treedt God lang niet altijd op. Er zijn veel van zijn kinderen wŤl in arena's en op brandstapels omgekomen!
 
 
 
 
  4 NEBUKADNESSAR EERT GOD ALS DE KONING DER KONINGEN DaniŽl 4
 
INLEIDING
Stel je eens voor: een koning op handen en voeten, die gras zit te eten.
De man die zich beroemde op het Babel dat hij gebouwd had, gedroeg zich als een beest.
 
NEBUKADNESSAR PRIJST DE KONING DER KONINGEN (vs.1-3)
We lezen in dit hoofdstuk een boodschap van koning Nebukadnessar. Zo'n boodschap noemt men ook wel een proclamatie. Nebukadnessar vertelt het vreselijke wat er met hem gebeurd is. Door deze boodschap wil Nebukadnessar aan zijn onderdanen bekend maken, hoe hij waanzinnig is geworden en hoe hij ervan verlost is.
  Nebukadnessar richt zich tot alle volken. We spreken niet voor niets van een wereldrijk. Bijna de hele wereld was in handen van Babel. Al zijn volken wenst hij vrede toe.
  Dan gaat hij God prijzen. Let erop, dat hij ook nu spreekt van de Allerhoogste God. Dus niet van de enige, de ware God. Nog steeds blijft hij zijn eigen goden trouw. We kunnen deze woorden van Nebukadnessar dan ook niet uitleggen als vrucht van geloof, van echte bekering.
 
DE ANGST VAN NEBUKADNESSAR NA ZIJN DROOM (vs.4-9)
Nebukadnessar vertelt verder, hoe een droom hem verontrustte. Hij staat dan op het toppunt van zijn macht. Eigenlijk is hij verblind door zijn geweldige macht. Hij is er steeds mee bezig. Denk maar aan het beeld uit hoofdstuk 3 en aan zijn dromen, die er ook vol van zijn. Alleen, nu is het een bijzondere droom: een openbaringsdroom.
  Die vreemde droom maakt hem angstig. Daarbij komt, dat al zijn beroepswaarzeggers het laten afweten. Ze kunnen de droom niet uitleggen.
  Daarom roept hij DaniŽl, die niet tot de vaste groep van de wijzen behoorde. Let goed op, wat er over hem staat (8). Hij noemt DaniŽl eerst bij zijn Joodse naam. Hij voegt daaraan toe: naar de naam van mijn god Beltesassar genoemd. Uit vs.9 blijkt, dat hij DaniŽl niet erkent als profeet van de levende God. Hij spreekt zelfs van vele goden, van wie de geest in DaniŽl zou wonen. Nebukadnessar blijft aan zijn heidense spraakgebruik vasthouden.
 
DE DROOM VAN NEBUKADNESSAR (vs.10-17)
Lees die droom zorgvuldig. Eerst beschrijft hij die prachtige boom in al zijn geweldigheid. Een hemelwachter, een engel dus, geeft bevel tot omhakken.
  Lees dan goed vs.15, want middenin wat hij meedeelt, zie je, dat hij het over een mens heeft en niet over een boom. Van die mens wordt gezegd (16), dat hij krankzinnig zal worden, een vreselijke vorm van waanzin. Die mens zal denken dat hij een dier is en zich ook zo gaan gedragen.
  Het stond voor hem vast dat het gebeuren zou, want (17) alle hemelboden hebben er hun goedkeuring aan gegeven. En alle levenden moeten weten, dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap van de mensen. Het is opmerkelijk, dat deze heiden dit in zijn proclamatie zegt. Zonder de diepte te kunnen peilen belijdt Nebukadnessar hier Gods soevereine macht, waarmee Hij de geschiedenis van vorsten en volken leidt.
 
DE VERKLARING VAN DE DROOM (vs.18-27)
Dan ziet DaniŽl de betekenis door de wijsheid van God die in hem is. Hij is er een ogenblik verbijsterd van. De koning merkt dat, maar hij dringt erop aan, dat DaniŽl de droom gaat uitleggen (19).
  Hij antwoordt, dat hij wel graag zou willen dat die droom in vervulling zou gaan voor Nebukadnessars vijanden. Hij gaat dan vertellen, dat die mooie boom de koning zelf is. Die verschrikkelijke dingen zullen hem overkomen! Hij zal een beest worden, verstoten door de mensen.
  Maar het zal tijdelijk zijn. Want er blijft een wortelstomp staan. Wanneer Nebukadnessar weer erkennen zal de grootheid van de Allerhoogste, zal er verandering komen. De Koning der koningen zal hem het koningschap terug geven.
  Dat is na zeven tijden. Hoe lang die duren, weten we niet. Het is mogelijk, dat het jaren zijn. Let erop, dat DaniŽl hier onverschrokken de machtigste heerser ter wereld een onheilsboodschap brengt. Hij staat hier als profeet van de levende God. Zijn leven weet hij in Gods hand.
  DaniŽl kent zijn God. Daarom voegt hij aan de uitlegging nog iets toe (27). Het is een raad. God is namelijk niet alleen een God die vernedert. Hij is ook een God die genadig is, voor wie zich tot Hem bekeert. Daarom raadt hij de koning aan om zijn zonden weg te doen, rechtvaardig te zijn en erbarming te hebben voor de ellendigen. Dan zal er misschien genade zijn.
 
HET OORDEEL OVER NEBUKADNESSAR (vs.28-33)
God gaf Nebukadnessar een jaar de tijd om zich te bekeren. DaniŽl had als Gods profeet hem het Woord verkondigd. Voor dat Woord moest de koning buigen. Hij moest aan God gehoorzamen. Maar hij bekeerde zich niet. De vrome woorden die hij had gesproken was hij alweer vergeten.
Hij gaat niet God alle eer geven. Integendeel, hij vindt zichzelf een fantastisch figuur. Het lijkt of hij zijn eigen grootheid aanbidt. Lees maar vs.30. Niemand is machtiger dan hij, de koning der koningen.
  Dan komt het antwoord van de Koning der koningen. Uit de hemel (31). Het koningschap wordt van hem afgenomen. Het oordeel zal over hem komen. De droom wordt werkelijkheid. Hij wordt als een dier. Innerlijk en uiterlijk (33). Toch is er in dit oordeel ook ontferming. Want het had tot doel Nebukadnessar terug te roepen.
 
NEBUKADNESSAR VERHEERLIJKT DE KONING DER KONINGEN (vs.34-37)
Na de door God bepaalde tijd (zeven jaar) komt Nebukadnessar weer tot zijn verstand. Merk op, dat hij zijn ogen naar de hemel hief. Daar kwam de straf vandaan. Daar moet ook de redding vandaan komen. Hij prijst God (34 en 35). Let op: de eeuwig Levende, de Allerhoogste.
  Dan schittert Gods grootheid. Alles wat DaniŽl voorspelde is vervuld. Nu komen koningschap, majesteit en luister weer terug (36). Zijn raadslieden zoeken hem weer op. Dat betekent, dat ze hem weer erkennen als koning.
  Hij eindigt met nog eens duidelijk te maken, waarom deze proclamatie begon met de lof van de Allerhoogste. Die doet recht. Die vernedert en verhoogt (37). Gods lof wordt vergroot. Al diende deze proclamatie ook om het geschokte vertrouwen weer terug te krijgen.
  Maar ondanks alles, is het machtig, dat de man die zich koning der koningen liet noemen, nu God verheerlijkt. Zo bleef er in de wereld enige kennis van God over, tot dat het evangelie van Christus tot alle volken mocht uitgaan en zijn Koningschap onder alle volken erkenning zou krijgen.
 
 
 
 
 
5 GODS GERICHT OVER BABEL DaniŽl 5
 
INLEIDING
Welke koning geeft er nou een groot feest, als z'n rijk op instorten staat?
Dat is toch onvoorstelbaar?
En toch gebeurt het hier.
 
GODS PLANNEN GAAN DOOR
Jeruzalem was ingenomen. De tempel was verwoest. Het tempelgerei was naar Babel gevoerd. Het volk zuchtte onder de ballingschap. Het zijn zware jaren geweest voor hen die het verbond hielden. Ze konden Jeruzalem niet vergeten. "Eer ik U vergete, o Jeruzalem, zo vergete mijn rechterhand zichzelf", zongen ze in Ps.137:5.
  Maar waar bleven Gods beloften? Was Hij hen vergeten? In de dagen van Nebukadnessar hadden ze nog over hem gehoord via boodschappen en proclamaties. God had Zich daarin getoond als de Almachtige, de levende God, die niet met Zich liet spotten. Hij had zijn grootheid laten zien. En het volk was daardoor getroost in die moeilijke tijd. Maar het duurde allemaal zolang. DaniŽl was op de achtergrond geraakt. Een vergeten man.
  In dit hoofdstuk zien we dat Gods plannen toch doorgaan. Hij gaat zijn vonnis over Babel vellen. Het gouden hoofd gaat verdwijnen. Het Medisch-Perzische rijk is aan het opkomen.
 
BELSAZAR LASTERT DE GOD VAN HET VERBOND (vs.1-4)
We lezen in vs.1 over Belsazar (niet Beltsazar, zoals DaniŽl heette). Eigenlijk was hij de koning niet. Hij was de zoon van de laatste koning Nabonidus. Deze vluchtte voor de oprukkende Perzen. Babel werd door hen veroverd en Nabonidus gevangen genomen. Zijn zoon Belsazar bleef doorvechten in een deel van de stad.
  Wanneer we dit in aanmerking nemen, zie je, hoe vreemd het is wat Belsazar doet. Wie gaat er nu een groot feest vieren met de vijand voor de poort! We zien ook wie er van de partij zijn.
  Dan gebeurt er iets vreselijks. Tijdens dit wilde feest geeft Belsazar opdracht het drinkgerei uit de tempel van Jeruzalem te halen. Dat waren de gouden en zilveren bekers en schenkkannen, waarmee de HERE werd vereerd. Belsazar echter eert de goden van Babel, terwijl de naam van God wordt ontheiligd. Hij lastert de God van het verbond.
 
HET SCHRIFT OP DE WAND (vs.5-9)
God Zelf geeft antwoord op deze lastering van zijn heilige Naam. Er verschijnt een mensenhand, die op de kalk van de muur schreef. Het was geen mens die daar schreef. Het was een hand bestuurd door God, schrijvend op de muur.
  Belsazar kent die God niet. Voor hem is het alleen maar griezelig en angstwekkend. Hij wil opspringen, maar hij is als verlamd in zijn heupen. Hij siddert van angst. Dit raadselachtige moet opgelost worden.
  Daarom roept hij de hele groep waarzeggers en bezweerders. Die zijn in de brucht, want daarbuiten is alles al in handen van de vijand. Ondanks de grote beloning kan niemand iets uitleggen. Daardoor wordt zijn angst nog groter.
 
DANIňL GEROEPEN (vs.10-17)
In de grote verwarring die ontstaat en zich uitbreidt, komt dan de koningin de zaal binnen. Nu waren al de echtgenoten van de rijksgroten al op het feest aanwezig. Waarschijnlijk is het daarom de koningin-moeder. Dat blijkt ook uit wat ze vertelt. Ze weet nog van DaniŽl. Lees maar vs.11 en 12.
  Dan wordt DaniŽl geroepen. Hij weet dat ook de HERE hem nu roept. Let op de stroom welkomstwoorden (13-16). Wat een goed antwoord geeft DaniŽl. Geen geschenken wil hij aannemen. Dat doen profeten niet. Zijn eer is het luisteren naar de boodschap van God ťn het doorgeven daarvan. De geschenken moet de koning maar aan andere geven. Toch zal hij de uitleg van de lettertekens bekend maken.
 
DANIňL LAAT BELSAZAR ZIJN SCHULD ZIEN (vs.18-24)
Let er goed op, dat DaniŽl zich niet laat voorschrijven, waarover hij zal spreken. De koning zit natuurlijk op de uitleg van de lettertekens te wachten. Maar DaniŽl heeft eerst een andere boodschap voor hem, voordat het vonnis wordt uitgesproken.
  DaniŽl begint met het geven van een korte geschiedenisles. Denk je de situatie even in. Babel op een burcht na ingenomen. Een wild feest plotsklaps verstoord door een hand die op een muur geheimzinnige tekens schrijft. Temidden van deze ontnuchterende lieden staat daar de profeet van de levende God.
  Hij begint met de geschiedenis van Nebukadnessar. Hoe die door God was aangesteld tot koning en heerser. Zie je, hoe DaniŽl ook in deze omstandigheden God de eer geeft die Hem toekomt! Verder wijst hij de koning erop, wat de machtige God deed, toen Nebukadnessar zich verhief en zichzelf de machtigste vond.
  Dan gaat hij Belsazar voorhouden, hoe hij zich tegen de HERE verheft. Zo erg, dat hij God heeft gelasterd en getergd. Die God is de levende. Hij is niet van stof gemaakt, zoals de goden van Babel. Hij heeft de adem van de koning in zijn hand. Dťze God heeft de koning niet verheerlijkt, maar op schandelijke wijze onteerd, terwijl hij beter kon weten.
  Tenslotte wijst DaniŽl erop, dat de mensenhand die op de muur schreef door God Zelf was gezonden. En dat God Zelf dat schrift had geschreven. DaniŽl neemt rustig de tijd om alles te zeggen, wat hij als profeet van God zeggen moest, voordat hij aan de wens van de koning gevolg geeft.
 
DE UITLEG EN HET OORDEEL (vs.25-30)
Dan leest DaniŽl die wonderlijke woorden. Daarna geeft hij hun betekenis: geteld, geteld, gewogen, aan stukken. God heeft de dagen van uw koningschap geteld. Hij heeft ze gewogen. Zijn oordeel is zo, dat Hij gezien heeft, dat uw daden niet voldeden aan zijn heilig recht. Gij zijt te licht bevonden. Nu breekt Babel stuk.
  Die boodschap is verschrikkelijk. Om stil van te worden. De vijand ligt immers al voor de poort. Toch zien we iets onvoorstelbaars (29). DaniŽl werd de derde heerser in het koninkrijk! Je zou bijna denken, dat Belsazar de verschrikkelijke profetie niet heeft geloofd. Zijn rijk heeft toch geen toekomst! Het vonnis komt diezelfde nacht. Gods gericht over Babel als antwoord op de schennis van zijn heiligheid!
 
JOHANNES BESCHRIJFT IN ZIJN BOEK OPENBARING DE ONDERGANG VAN BABYLON.
Babel of Babylon, dat is een naam die in heel de Bijbel gebruikt wordt voor vijandschap tegen God en zijn evangelie.
  In DaniŽl 5 wordt de ondergang van het wereldrijk Babel beschreven. In Openbaring 18 lezen we van de ondergang van het anti-goddelijke Babylon.
  De hemel laat ons de ware aard van Babylon zien. Het is de wereld die van God afvallig geworden is. En die zich tegenover Hem is gaan opstellen. Juist om die vijandschap tegen de God is het goed dat Babylon geoordeeld wordt.
  In hoofdstuk 19 staat de reactie van de hemel laat horen op de val en ondergang van Babylon. Na het drievoudige 'wee, wee' over Babylon in hoofdstuk 18 (vss. 10,16,19) hoort Johannes in hoofdstuk 19 vanuit de hemel een viervoudig 'Halleluja' (vss. 1,3,4,6). De lof van God overstijgt het gekrijs over de val van Babylon. Terwijl van Babylon niets anders overblijft dan een rokende puinhoop, klinkt GÚds lof tot in eeuwigheid.
 
 
 
 
 
6 DE HERE WAAKT OVER HET GEBED TOT ZIJN NAAM DaniŽl 6
 
INLEIDING
Heb je er wel eens van gegriezeld: alleen in zo'n donkere kuil tussen hongerige leeuwen?
Alleen?
Maar met Christus ben je nooit alleen.
 
SATANS AANVAL OP HET GEBED
Begin eens op te zoeken wat er staat in 1 Kon.8:44 en 48. Dat zijn twee verzen uit dat ontroerende gebed van Salomo bij de inwijding van de tempel. Je ziet dat Salomo al profetisch heeft gezien, hoe het volk in ballingschap zal worden gebracht. Dat gebeurt, omdat het Gods Woord niet ter harte neemt.
  Maar deze verzen zeggen ook, dat God Zich zal ontfermen, zodat er bekering komt daar in dat verre land. Salomo bidt daar ook om verhoring van hen die met een gelovig hart in die ballingschap zullen bidden met het gezicht naar Jeruzalem.
  Nu is dat zo in de dagen van DaniŽl. Jeruzalem is verwoest. De tempel is een puinhoop. Maar de vromen knielen in de richting van de stad, waar het altaar heeft gestaan. Ze bidden om verlossing, om herstel van de tempeldienst. Ze zien met groot verlangen uit naar de komst van de Verlosser.
  Dat gebed is dus heel belangrijk. Dat mag niet ophouden. Altijd zal er aanbidding moeten zijn van de Naam van God. Daar gaat het in dit hoofdstuk om. De satan doet een aanval op dat gebed. Gods naam moet vergeten worden. Zijn beloften moeten niet meer in de harten van de mensen leven. Daar is het de satan om te doen. Maar God overwint door DaniŽl trouw te maken in de beproeving.
 
DARIUS ORGANISEERT ZIJN RIJK (vs.1-4)
We weten heel weinig over deze koning Darius. Hij blijkt een goed organisator te zijn. Die verdeling in 120 gewesten maakt dat er in dat ontzaglijk uitgebreide rijk zoveel toezicht is, dat er van oproer en verzet bijna geen sprake kan zijn. Verder is er een beter toezicht op de opbrengst van de belastingen. Ter controle heeft hij nog drie rijksbestuurders aangesteld, die op de stadhouders toezicht moeten houden.
  Eťn van de drie is DaniŽl. Hij is nu een oude man. Wat heeft hij al een koningen zien gaan en komen! En nog staat hij met zijn wijsheid en inzicht in groot aanzien bij de vorst (vs.4).
Het geheim van DaniŽl staat in verband met het feit, dat hij als jongen al trouw bleef aan zijn God en Vader. Ook nu nog leeft hij met God. Zelfs in zijn grijze dagen is zijn kracht nog groot en draagt hij nog vruchten, zoals we zingen in psalm 92.
 
DE SATAN IN DE AANVAL (vs.5-12)
DaniŽl is ook gehoorzaam aan Gods bevel van het gebed. Driemaal per dag werd vroeger in de tempel het gebed opgezonden. Thuis deden de vromen dat ook. DaniŽl doet het hier in dat verre vreemde land. Het is duidelijk dat we van een aanval van de duivel mogen spreken. Hij wil dat het gebed verstomt. God mag geen eer ontvangen. Het gebed om de Verlosser moet verdwijnen.
  Natuurlijk kiest de satan zijn instrumenten goed. Hij maakt collega's jaloers. We kunnen dat wel begrijpen: een balling en dan nog wel een gehate Jood, is hen voorbijgestreefd. Als ze deze gehoorzame en trouwe minister ergens op kunnen betrappen, geeft satan hen in om DaniŽl te pakken in zijn trouw aan God.
  Jullie kennen het plan en het voorstel aan de koning. Die zal goddelijke eer worden gegeven. Er worden in zijn rijk zoveel goden vereerd, maar nu zullen die goden via hem worden aangeroepen. De wet waarin dat besluit wordt opgenomen, noemen we een wet van Meden en Perzen. We weten uit dit hoofdstuk wel wat daarmee bedoeld wordt.
 
DANIňL IN DE LEEUWENKUIL (vs.13-18)
De koning heeft het plan niet doorzien. Het voorstel, dat hij uitlegde als vergroting van zijn glorie, heeft een gemene bedoeling. Dat ziet hij als ze hem komen vertellen, dat er een rebel is: DaniŽl! Dat is juist zijn meest trouwe dienaar. Er is geen speld tussen de beschuldigingen te krijgen. Ze hebben immers een hele serie getuigen. DaniŽl heeft met zijn knieŽn gebogen gebeden voor het open venster: trouw en gehoorzaam aan Gods gebod.
  Darius vindt het heel erg. Hij probeert van alles om uitstel te krijgen. Een herinnering aan zijn eigen wet, bekrachtigd door zijn zegel, doet hem inzien, dat er niets meer te redden valt.
Dan geeft hij DaniŽl over aan de mannen die het op zijn dood hadden gemunt. Ze gooien hem in de leeuwenkuil. O ja, de koning geeft hem nog wel een wens mee (vs.17). Maar intussen wordt de kuil verzegeld. De zegelring moet eraan te pas komen om nog eens vast te stellen, dat deze wet onherroepelijk is.
 
GOD BEWAART DANIňL MET HET OOG OP DE GEBEDEN (vs.19-25).
Wat is het een wonder dat God de muil van de leeuwen toesluit. Deze dieren waren meestal uitgehongerd. Geen klauw wordt tegen DaniŽl opgeheven. Denk nu aan wat de Heidelbergse catechismus zo prachtig zegt: dat zonder Gods wil zich geen schepsel roeren of bewegen kan. Het was Gods almacht waaraan DaniŽl zich toevertrouwde en die hem nu bewaarde.
  We moeten oppassen dat we nu geen verkeerde conclusie gaan trekken. God bewaarde hem, opdat ieder het weten zou, dat het gebed tot de levende God voortgang moest hebben. Dat gebed mocht niet verstommen, integendeel, Gods naam moest op deze manier verheerlijkt worden. En de satan moest verliezen.
  De verkeerde conclusie zou kunnen zijn, dat God altijd zijn kinderen beveiligt tegen de tijdelijke dood. Dat is niet waar. Denk maar aan de martelaren. Zelfs hun lijden scheidde hen niet van de liefde van Christus. God verlost wel zijn kinderen van het eeuwige verderf.
 
DARIUS EERT DE LEVENDE GOD (vs.26-29)
We hebben al eerder in het boek DaniŽl gezien, dat het bij deze profeet erom ging goed te doen uitkomen, dat God de Levende is. Hier zien we het opnieuw. Het mooie is dat Darius op de heerschappij van die levende God een loflied gaat zingen.
  Dat doet Darius in de vorm van een proclamatie. Hij spreekt van Gods heerschappij die eeuwig is (vs.27). En dat heeft Christus tot troost en bemoediging zo nog eens gezegd: Ik ben met u tot aan de voltooiing van deze wereld.
 
 
 
 
 
HET EVANGELIE VAN DE ZOON DES MENSEN DANIňL 7


WERELD IN BEWEGING
Wat heeft onze tijd een beweging laten zien in de wereld! Twee wereldoorlogen werden uitgevochten. Bestaande regeringen werden omvergeworpen. Eeuwenoude landsgrenzen werden in vredesverdragen verlegd. Wie de kaart van het Europa van 1900 vergelijkt met de huidige, ziet de verschillen.

Wereldwijd waren we getuige van belangrijke processen. Het marxisme kwam op en ging ten onder. De islamitische wereld kwam tot zelfbewustzijn en werd een factor van betekenis.

En wat ons eigen vaderland betreft: De toegenomen welvaart en nu de crisis hebben de inrichting van onze samenleving nogal veranderd.


DE TIJD WAARIN HET HOOFDSTUK ZICH AFSPEELT (vs.1)
Het is het eerste jaar van Belsassar, de koning van Babel. De gouden periode van het Babylonische rijk onder koning Nebukadnessar is voorbij. Het wereldrijk is op zijn retour. Het gist al volop in de wereld. Machtsverschuivingen en nieuwe machtsverhoudingen dienen zich al aan. Het is een heel spannende tijd. Zeker ook voor het volk van God dat in Babel in ballingschap is. Wat zal de nieuwe tijd de ballingen brengen? Het is de inhoud van een gezicht dat DaniŽl krijgt.


EEN GROTE ZEE IN BEROERING (vs.2)
In DaniŽl 7:2 lezen we dat de profeet in een visioen een grote zee zag, die in beroering werd gebracht door de vier winden van de hemel. Met andere woorden: Stormen uit alle windstreken tegelijk. Dat moet een kolkende zee geweest zijn.

Met die kolkende zee wordt gedoeld op de volkerenzee. Gewoel en gebruis alom. Botsende culturen, tegengestelde belangen maken van de wereld een zee die vanuit alle vier windstreken wordt opgezweept.

Een kolkende zee: niets lijkt meer vast te staan. Is er nog iets dat hecht en onaantastbaar is? Iets waarvan je nooit bang hoeft te zijn dat het ondersteboven gaat?


WAT DANIňL ZIET (vs.3)
De profeet ziet een kolkende zee, opgezweept door stormen uit alle windstreken. Treffend beeld van een woelige volkerenwereld.

Terwijl de profeet toekijkt, komen er vier dieren op uit het water. Vier wonderlijke en ook angstaanjagende dieren. Uit het vervolg van het hoofdstuk zal blijken dat deze vier dieren vier koninkrijken voorstellen. Vier koninkrijken die na elkaar uit de aarde zullen opkomen.


HET EERSTE DIER: EEN LEEUW (vs.4)
Het eerste dier lijkt een leeuw met adelaarsvleugels. Het staat voor het Babylonische rijk van Nebukadnessar en zijn opvolgers. Zoals gezegd, bevindt het zich in de tijd van ons visioen al op zijn retour. DaniŽl ziet dat het de vleugels worden uitgerukt.


HET TWEEDE DIER: EEN BEER (vs.5)
Het tweede dier dat DaniŽl ziet opkomen is een vraatzuchtige beer. Terwijl het de resten van het vorige slachtoffer nog tussen de tanden heeft, richt het zich al weer op om opnieuw toe te slaan.

Dit dier staat voor het Medisch-Perzische rijk, met als bekendste koning: Kores. Hij is door God ertoe bestemd om volken neer te werpen, deuren te verbreken en grendels te verbrijzelen. Hij moet het Babylonische rijk neerwerpen en IsraŽl doen terugkeren naar Juda en Jeruzalem.

Meden en Perzen worden hier niet onderscheiden. Ook in Dan. 8 worden Meden en Perzen door ťťn dier aangeduid: een ram! Bovendien zijn er wel overeenkomsten tussen de kleine horen uit Dan. 7 en die uit Dan. 8, maar ook verschillen. Dat DaniŽl alleen naar het vierde dier vraagt (argument van R. Houwen) is niet verwonderlijk. Het tweede en derde dier krijgen hun beurt in Dan. 8!


HET DERDE DIER: EEN PANTER (vs.6)
Het derde dier is een panter. Dat is op zich al een snel dier, maar daar komen dan ook nog eens vier vleugels op zijn rug bij.

Dit dier staat voor het Grieks-Macedonische rijk van Alexander de Grote, die met een verbluffende snelheid het ene na het andere volk aan zich onderwierp. Van de panter wordt verteld dat hij vier koppen heeft: na de dood van Alexander is zijn rijk in vieren uiteengevallen. Hij is dus opgevolgd door vier verschillende koningen in vier verschillende rijken.


HET VIERDE DIER: ANGSTAANJAGEND (vs.7)
Het vierde dier is een dier apart. Het verschilt van alle vorige. Het wordt genoemd 'angstaanjagend, afschrikwekkend en geweldig sterk'. Het heeft grote ijzeren tanden waarmee het alles vermaalt. En wat er overblijft vermorzelt het met zijn poten. Dit dier is kennelijk iets bijzonders, want vers 19 vertelt dat DaniŽl juist naar dit dier uiterst nieuwsgierig is. Na afloop van het visioen wil hij de ware zin weten van dat vierde dier.

Het bijzondere van dit vierde dier zit met name in de tien horens die het heeft. Daarmee gebeurt iets wonderlijks. Tussen die tien horens komt ineens een elfde op. Een kleine. Maar wel een heel brutale: drie van de andere tien horens moeten er plaats voor maken, en die horen heeft mensenogen en een mond vol grootspraak. Heel vreemd dus, allemaal.

Dit vierde dier met zijn ijzeren tanden en alles vermorzelende poten staat voor het Romeinse rijk. Ook in Dan. 2 is daarvan gezegd dat het hard is als ijzer en alles vergruizelt. De tien horens staan voor de koningen die na het Romeinse rijk opkomen. Rijken die in Dan. 2 werden aangeduid met 'voeten deels van ijzer deels van leem'.


DE ELFDE HOREN (vs.8)
De kleine, elfde horen, is een verhaal apart. Het is een rijk, anders dan de andere. Kennelijk uitzonderlijk brutaal en slecht. Vers 21 zegt dat DaniŽl zag dat deze horen strijd voerde tegen de heiligen, het volk van God, en dat het Gods volk overwon.

Als DaniŽl vraagt wat deze uitzonderlijke horen voorstelt, krijgt hij ten antwoord dat die ziet op een koning die grote woorden zal spreken tegen de Allerhoogste en het volk van God te gronde zal richten. Hij zal erop uit zijn tijden en wet te veranderen. Hij zal zijn schrikbewind kunnen uitoefenen voor een tijd, tijden en een halve tijd.

Tijden en wet veranderen: daarin hoor je de anti-goddelijke opstelling van deze horen. Al onze tijden zijn in Gods hand. Hij heeft de beschikking over de tijden en gelegenheden aan Zich gehouden. De HERE is het die tijden en uren verandert (Dan. 2:21).

Maar deze kleine horen vergrijpt zich aan die tijden. En hij wil ook de wet verzetten, de wet van God. Deze kleine horen staat voor de mens van de wetteloosheid. Voor het rijk van de antichrist! In hem zullen uiteindelijk alle rijken die zich laten bezielen door de geest van Babylon, hun exponent vinden.

Opvallend is het dat in het boek Openbaring de naam Babylon nog altijd aanduiding is van de Gode vijandige wereldmacht. En dat daar de mens van de wetteloosheid en de antichrist ook worden voorgesteld door beesten. Het beest uit de zee en het beest uit de aarde.


EEN OUDE WIJZE (vs.9)
De profeet DaniŽl wijst ons op de troon van God. Hij is de Oude Wijze, die in vers 9 genoemd wordt. Die naam klinkt ons misschien wat vreemd in de oren als aanduiding van God. Omdat wij ouderdom nog wel eens vereenzelvigen met gebrekkigheid en met verval van krachten.

Maar in de Schrift staat grijsheid en ouderdom voor wijsheid en voor eerbiedwaardigheid. De HERE is de Oude Wijze (de Oude van dagen, vert.NBG '51). Oude van dagen betekent: Hij is er al van overlang. Van eeuwigheid. En Hij blijft dezelfde. Tot in eeuwigheid. Zijn troon staat vast en hecht, gegrond op heilig recht en op gerechtigheid. Hij is een geducht en te respecteren God!


DANIňL ZIET DEZELFDE RIJKEN ALS NEBUKADNESSAR
U hebt wel gemerkt dat DaniŽl in zijn visioen dezelfde koninkrijken ziet als koning Nebukadnessar in zijn droom over dat grote beeld met dat gouden hoofd, die zilveren borst, die koperen buik, die ijzeren benen en die voeten van leem en ijzer. Het is alleen heel treffend dat Nebukadnessar een schitterend beeld zag en DaniŽl vier dieren!

Zoals Nebukadnessar ze zag, zo doen de rijken in de wereld zich voor: als indrukwekkende grootmachten. Zoals DaniŽl ze zag, zo zijn ze naar hun diepste wezen: beestachtig! Ze stellen zich revolutionair op tegen de Allerhoogste.

De machthebbers van deze wereld doen vaak uiterst menselijk en vreedzaam. Ze beteugelen conflicten, beslechten rechtsgedingen en ijveren voor goede leef- en werkomstandigheden.

De Schrift weet heel positief te spreken over koning Kores. Gods volk wordt zelfs aangespoord om voor Babel, de stad van hun ballingschap, te bidden (Jer. 29:1-14). DaniŽl en zijn vrienden, en later Nehemia en Mordechai wordt niets verweten als ze in dienst treden bij het hof in Babel of Susan.

Paulus weet in de dagen van het Romeinse rijk zelfs te zeggen dat de overheid dienaresse van God is. Christenen moeten God vrezen en de keizer eren. De HERE weet alle overheden, machten en rijken te gebruiken voor de voortgang van zijn koninkrijk. En voor het beteugelen van de ongebondenheid der mensen.

Maar als de HERE die overheden niet Zelf aan de teugel zou houden, maar ze aan zichzelf zou overlaten, dan zou er heel wat aan naars uitkomen! Dat komt er bij tijd en wijle ook wel uit. Vaker zelfs dan Gods kinderen lief is. Ten volle komt het eruit in het rijk van de antichrist, in die kleine horen. Dan komt eruit wat er bij al die dieren ten diepste in gezeten heeft. En zoals we dat ook moeten onderkennen zovaak het zich openbaart.


WANNEER VERSCHIJNT DE KLEINE HOREN?
Sinds de hemelvaart van Christus leven wij in het laatste van de dagen. Dat is ook: in de dagen van die kleine horen. Want die kleine horen komt niet na die tien andere horens, maar ten tijde van hen. Hij neemt immers de plaats in van drie ervan?! We zien het beeld van Nebukadnessar voor ons: schitterende plannen en idealen over een verantwoordelijke en zorgzame samenleving, een maatschappij waarin de angst voor de criminaliteit uitgebannen kan worden. Een staat waarin aan iedereen recht gedaan wordt.

Tegelijk zie je het dierlijke dat DaniŽl zag. De wet wordt verzet. Niet God, maar wij, mensen, maken de dienst uit. De bescherming van Gods verordeningen wordt gesloopt. Omdat, zegt de Here Jezus, de wetteloosheid toeneemt, verkilt de liefde. Elk mens wordt voor de ander een wolf. Waar de mens van de wetteloosheid de dienst uitmaakt, verdierlijkt het leven en krijg je beestachtige toestanden.


DIEREN TEGENOVER EEN MENS (vs.13)
Tegenover de vier dieren die DaniŽl ziet, verschijnt iemand die eruit ziet als een mens. Hij komt met de wolken van de hemel. Daarin zit een dubbele tegenstelling: DIEREN tegenover een MENS. En terwijl die grote dieren, die vier, opkomen uit de AARDE, komt de mensenzoon met de wolken van de HEMEL.

De vier dieren baseren hun macht op hun eigen mogelijkheden: uit de aarde aards. Maar de mensenzoon ontvangt zijn macht vanuit de hemel: van God.


MENSENZOON (Matt.26:64)
Wij weten wie er bedoeld is met de mensenzoon die DaniŽl zag. Onze Here Jezus Christus. Hij heeft het zelf gezegd voor het Sanhedrin. Op een vraag van Kajafas heeft Hij de profetie van DaniŽl 7 op Zichzelf toegepast. De Here betuigt dan dat Hij de Christus is, de Zoon van God. En Hij voegt eraan toe:" Ik zeg tegen u allen hier: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en hem zien komen op de wolken van de hemel."

Jezus Christus is de Zoon des mensen. Hij is het zaad van de vrouw. Dat het opneemt tegenover het zaad van de oude slang, de draak, het beest uit de zee. Hij is de Mensenzoon, die staat tegenover de vier dieren die DaniŽl ziet.

Dat is de eerste tegenstelling in Dan. 7. Tegenover de vier dieren stelt zich de MENSENZOON. Tegenover de beestachtigheid van de wereldrijken, komt in het rijk van Christus de ware menselijkheid tot bloei. Bij Hem wordt het mens-zijn niet onderdrukt, maar juist hersteld. Zijn wetten knevelen een mens niet, maar zijn juist het klimaat waarin je als mens herademt. Door Zijn Woord wordt je niet in je vrijheid beknot, maar wordt je juist toegerust tot alle goed werk om echt en volkomen MENS te zijn, mens van God. Mens zoals God hem bedoeld heeft.

De dienst van Christus is niet onmenselijk, die sluit juist bij het menselijke aan en geeft er de ruimte aan. Gods regels voor het huwelijk maken dat je daarin niet als dieren samenleeft, maar als twee vrije en verantwoordelijke mensen. Zijn verordeningen maken het zakenleven niet onmogelijk of onwerkbaar, die leggen juist de bikkelharde concurrentie aan banden en geven ruimte tot ontplooiing van capaciteiten. Ware menselijkheid is alleen bij Christus, de Zoon des mensen. Buiten Hem heerst de beestachtigheid!


VOOR EEN RECHTBANK (vs.9-10a)
DaniŽl ziet de vier dieren en de mensenzoon van zijn visioen in een heel specifieke situatie: voor een rechtbank.

De profeet vertelt in vers 9, dat hij tronen opgesteld ziet worden. Niet in de hemel, maar hier op aarde. En bij die tronen gaat het niet om koninklijke zetels, maar om rechterstoelen.

President van de rechtbank is een Oude van dagen. Uit het verband is duidelijk wie hiermee bedoeld wordt: Jahwe Zelf. Zijn oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Hij is de God die van eeuwigheid tot eeuwigheid regeert. Zijn kleed is wit: kleur van de vlekkeloze heiligheid en reinheid van Zijn wezen en Zijn oordeel. Zijn haar is blank, zilvergrijs: de kleur van de eerbiedwaardigheid. Laaiend vuur is rondom Hem. Het gaat voor Hem uit en Hij troont erop. Deze Rechter is een verterend vuur. Oordelend en zuiverend. Alsof het al niet indrukwekkend genoeg is, wordt de HERE omstuwd door enorme engelenlegers: niet te tellen!


DE ZITTING NEEMT EEN AANVANG (vs.10b-12)
DaniŽl ziet de rechtbank plaatsnemen. De zitting begint. De stukken worden gelezen.

De eerste gedaagde is de kleine horen met zijn grootspraak tegen de allerhoogste God. Terwijl hij op aarde zijn schrikbewind uitoefent en het volk van God aan alle kanten kleineert en in de hoek trapt, wordt hij ineens door de Here gearresteerd en voor Gods rechterstoel gebracht.

Daar hoort hij de vreselijkste van alle straffen over zich uitspreken. Niet maar de kogel. Maar de straf van de eeuwige dood. Levenslange opsluiting onder Gods brandende toorn. Eeuwig doodgaan! Hij wordt gedood, vernietigd en geworpen in de poel die eeuwig brandt van vuur en zwavel. Hij die op aarde Gods volk geterroriseerd heeft, hij moet voor eeuwig zuchten onder de hitte van Gods toorn, het onuitblusbare vuur van Gods oordeel.

De andere dieren waren al verdreven door het vierde dier met die elfde horen. Ze waren door die horen al van de aarde weggevaagd. En hun leven was door hem afgesneden.

Ook over hŤn velt God Zijn oordeel. Je zou misschien na het oordeel over de kleine horen verwachten dat alle slachtoffers van dat dier-met-die-uitzonderlijke-horen weer in hun koninklijke waarde hersteld zouden worden.

Maar dat blijkt niet het geval. In hun ondergang door die kleine horen heeft God Zijn oordeel aan hen voltrokken. Hij stelde hun een beperkte tijd van leven. Hun ondergang wordt door de HERE in zijn oordeel op de jongste dag bevestigd. Ook zij vallen ten prooi aan de eeuwige dood: Gods verschrikkelijke en nooit uitgewoede straf.


DE MENSENZOON VOOR DE OUDE VAN DAGEN (vs.13-14)
Behalve de kleine horen, behalve de vier dieren, komt ook de Zoon des mensen voor de Oude van dagen.

Iemand als een mensenzoon. De Schrift kent twee woorden voor 'mens'. Het ene is Adam. Het tweede is Enos. Enos is de zwakke en broze mens. De mens in al zijn kwetsbaarheid. Dat woord wordt hier gebruikt. Christus komt voor de rechterstoel van zijn Vader als de LIJDENDE Knecht van de HERE. Als de Man van smarten die onze zonde droeg. Als de Middelaar die boog voor Vaders recht, die zich stelde onder Vaders toorn en die de weg van de vernedering ging.

Wat een verschil met de wereldrijken. Die komen het liefst met hun successen voor de dag. Ze tonen het liefst hun kracht. Maar Christus verschijnt voor de Vader als onze Borg, als de Gekruisigde, die zijn leven heeft uitgegoten in de dood. Die de Vader niet wijst op al zijn triomfen, maar op zijn offer.

Juist door Zich zo voor de rechterstoel van zijn Vader te stellen, heeft Hij voldaan aan Vaders recht en wordt Hij niet veroordeeld, maar publiek gerechtvaardigd. Hij is wettig Koning. Hij ontvangt heerschappij en eer en koninklijke macht. Alle volken, natiŽn en talen zullen Hem dienen.

Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Hij wordt door de Vader verhoogd boven alle overheid en macht en kracht en naam die genoemd wordt, niet alleen in deze, maar ook in de toekomende wereld. Hij is de Overste van de koningen der aarde.


IEMAND DIE ERUIT ZAG ALS EEN MENS (vs.13)
Van deze Oude Wijze vertelt DaniŽl, dat Hij aan iemand die eruit zag als een mens (mensenzoon, vert. NBG '51) die met de wolken van de hemel komt, een eeuwige heerschappij geeft, die niet zal vergaan en een koningschap dat nooit te gronde zal gaan.

Dat betekent: in deze wereld van wankele dingen en woedende stormen, weten we ook van het onvergankelijke, onverwelkelijke en onbevlekte koninkrijk van de Zoon des mensen.


DE WERKELIJKHEID VAN GODS RECHTERSTOEL
Dit evangelie bevat rijke troost. Het kan ons benauwen als we de krachten van revolutie en godloosheid zien werken. Als we zien hoe Gods inzettingen al meer het veld moeten ruimen. Kan dat allemaal maar ongestraft? Heeft God Zich teruggetrokken uit deze wereld? Er zijn er die spreken van een post-christelijke tijd. Een tijd waarin Christus het veld heeft moeten ruimen als gevolg van de doorgaande ontkerstening.

Daartegenover wijst DaniŽl 7 ons op de werkelijkheid van Gods rechterstoel op de jongste dag. De Here zal laten merken dat Hij het veld niet geruimd heeft. Maar dat Hij Koning is, ook nu. Geen van de daden die nu bedreven worden, zal onbeoordeeld blijven. Er komt een dag dat iedereen voor Gods rechterstoel zal moeten verschijnen. Dan zal iedereen rekenschap moeten geven van wat hij in dit leven gedaan heeft. Dictatoriale regimes en revolutionaire volkstribunalen, ze zijn gevreesd en gehaat. Maar wat kun je er weinig tegen beginnen. Maar eens zullen ook zij zich hebben te verantwoorden. Voor GODS rechterstoel.


HET VOLK VAN DE HEILIGEN (vs.27)
Op die dag zal de Zoon des mensen publiek gerechtvaardigd worden. Iedereen zal Hem zien en zal moeten erkennen dat Hij Here is. En God zal allen die bij Hem geschuild hebben, in Zijn eer doen delen. Vers 27: 'En het koningschap, de macht en de grootheid van de koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het VOLK van de heiligen van de Allerhoogste'.

Wat is dat 'volk van de heiligen van de Allerhoogste'? Wie zijn die 'heiligen'? Niet zij die met zichzelf durven komen omdat ze vroom genoeg zijn. Maar zij die zich telkens weer laten schoonwassen van hun zonden in het bloed van Christus. Zij die weten dat ze niet heilig zijn uit en in zichzelf, maar alleen in Christus. Die telkens weer zich beroepen op het werk van Christus en pleiten op de verzoenende kracht van Zijn bloed.

Zij die weten dat er aan henzelf heel veel ontbreekt, maar dat er aan Christus niets ontbreekt. En dat God hun die gerechtigheid en volkomenheid van Christus wil toerekenen. Zij mogen delen in de macht en heerschappij van de mensenzoon.

Beslissend is niet wie nu in de wereld de lakens uitdeelt. Beslissend is wie zijn gewaden wassen wil in het bloed van het Lam. Want het gaat in het leven en in de wereld niet om een wedstrijd wie de sterkste en de rijkste en de sportiefste is. Het gaat om de vrijspraak voor Gods rechterstoel. En die is niet te verkrijgen met prestaties of capaciteiten van onszelf. Die is er alleen door het geloof in Christus, onze wettige Koning.
 
 
 
 
 
DE AANSLAG OP DE TEMPELDIENST AFGESLAGEN DaniŽl 8


INLEIDING

De hoofdstukken 7 tot 14 vragen om een uitgebreidere bespreking dan de hoofdstukken 1 t/m 6. Soms volg ik de gang van het verhaal, een andere keer wijk ik daarvan af. Dan gaat het de grote lijn of over het Schriftverband. Door zo te werken hoop ik dat je deze moeilijke hoofdstukken gaat begrijpen. Uiteraard onder leiding van de Geest van Christus!


TIJD VAN DANIňL 8
DaniŽl, zelf ťťn van de ballingen, krijgt te zien dat het einde van de Babylonische ballingschap in zicht is. De ballingschap is begonnen rond het jaar 600 voor Christus. In Dan. 8 zitten we in het derde jaar van Belsassar. Wanneer dat precies is geweest, is niet helemaal duidelijk. Laten we het houden op omstreeks 550 voor Christus. De profeet krijgt nu een gezicht over het einde van Gods gramschap. Het ziet er met andere woorden naar uit dat Juda's ballingschap niet lang meer zal hoeven duren.

Dat moest een heerlijk vooruitzicht voor Juda zijn. Het einde van de gramschap was nabij. Spoedig zou het juk van Babel verbroken worden en een nieuwe tijd aanbreken. Een tijd waarvan de profeten Jesaja, Jeremia en EzechiŽl zulke schitte-rende dingen gezegd hadden. God zou een nieuw verbond sluiten met zijn volk. De messiaanse tijd zou aanbreken. De HERE zou zijn Geest uitgieten over heel zijn volk. En Gods naam zou over heel de wereld aangeroepen worden.

Maar de HERE laat nu aan DaniŽl zien dat God niet al zijn beloften meteen en in ťťn keer vervullen gaat. Er komt na de Babylonische ballingschap opnieuw een tijd waarin het voor IsraŽl zwaar zal worden. En dat is het wat DaniŽl zo intens aangrijpt!


HET EERSTE DIER: RAM (vs.3,4)
De profeet krijgt een ram met twee horens te zien. Het is een agressief dier. Het stoot naar het westen, het noorden en het zuiden. Het staat ook klaar om wereldmacht nummer 1: Babel, omver te stoten.

Deze ram is een beeld voor het koninkrijk van de Meden en de Perzen. Die hadden hun rijk in het uiterste Oosten van de toenmaals bekende wereld. Zeg: het huidige Iran. De ťne horen ziet op de Medische koningen. De andere, die het laatste opkwam maar het grootste werd, staat voor de Perzische koningen. Deze ram stoot inderdaad Babel plat. In het jaar 539 voor Christus neemt de Perzische koning Kores Babel in en neemt hij de wereldheerschappij over. De Perzen maken dan de dienst uit in de wereld.


HET TWEEDE DIER: GEITEBOK (vs.5-8)
Maar daarbij blijft het niet. DaniŽl ziet een tweede dier: een geitebok. Het beest vliegt over de wereld. Het dier heeft een opvallende horen tussen zijn ogen.

De geitebok staat voor het Griekse wereldrijk dat het Perzische is opgevolgd als wereldmacht nr. 1. Dat gebeurde rond 330 voor Christus onder de jonge Griekse koning Alexander de Grote. Hij is die opvallende horen. Na zijn snelle opmars in het Midden Oosten sterft hij heel jong en heel plotseling. Na zijn dood valt zijn wereldrijk in vier kleinere rijken uiteen. Dat zijn de vier horens die de profeet in de plaats ziet komen van die ene opvallende.


EEN NIEUWE HOREN (vs.9)
Uit ťťn van die vier horens komt een nieuwe voort. Eťn die klein begint, maar enorm uitgroeit. En het is een brutale! Hij valt Egypte in het Zuiden en Babel in het Oosten aan, maar ook, zegt vers 9, het Sieraad. Dat is het land Kanašn waar Gods volk woont. De sierlijke erve der volkeren, zoals het ergens anders in de Schrift heet.

Hij vestigt een waar schrikbewind in IsraŽl en ontziet zich zelfs niet om zich aan de heerlijkheid van de HERE te vergrijpen. Hij legt de tempeldienst voor Jahwe stil en stelt er een andere eredienst voor in de plaats. De dagelijkse avond- en morgenoffers worden vervangen door offers voor afgoden. Dit is wel het vreselijkste wat deze koning zal doen: de HERE het avond- en morgenoffer ontstelen. Daarnaar heet dit visioen ook in vers 26: het 'visioen van de avond en de morgen'.


DE KLEINE HOORN VAN ANTIOCHUS EPIFANES (vs.23-26)
Bij al die afbrekende horens is er ťťn die niet zo gauw gesloopt wordt. Die ene kleine van Antiochus Epifanes.

Hij regeerde van 175-164 en hij heeft Gods volk veel kwaad gedaan. De tijd van zijn terreurbewind in IsraŽl behoort tot de zwartste bladzijden van IsraŽls geschiedenis.

Hij was geen wettig erfgenaam van de troon. Hij heeft de macht door allerlei intriges en slimmigheden verkregen. Misschien wordt daar wel op gedoeld als gezegd wordt dat deze horen 'klein' begon.

Eenmaal op de troon ontpopt Antiochus Epifanes zich als een meedogenloze koning en bedreven in listen'. Meedogenloos: dat wordt in Deut. 28:50 gebruikt voor een volk dat geen grijsaard ontziet en geen knaap genade bewijst. Antiochus Epifanes is een koning die nergens rekening mee houdt. Zelfs wat breek- en kwetsbaar is en eigenlijk geen eerlijke partij voor hem, jaagt hij over de kling. Hij is bruut en hardvochtig.

Daarbij is hij 'bedreven in listen'. Door sluwheid en bedrog, door gemene trucs en door misleiding weet hij zijn macht snel uit te bouwen.

Zijn kracht zal sterk zijn, zegt vers 24, maar niet door eigen kracht. Hij dankt zijn sterke positie aan omstandigheden buiten zichzelf. Hij heeft zijn tijd mee. zijn tegenstanders zijn te argeloos. Ze trappen meteen in zijn listen. Door intriges weet hij zijn positie verder uit te bouwen. En God laat hem tot macht en aanzien komen.

Antiochus Epifanes is een koning die overal dood en verderf zaait. En het vreselijke is dat hem alles lukt. Hij krijgt wat hij begeert. Niets kan hem stoppen. Vers 24: wat hij onderneemt, zal hem gelukken. Vers 25: door zijn sluwheid zal hij het bedrog dat hij aanwendt, doen gelukken. Hij zal hoogmoedig zijn en velen onverhoeds in het verderf storten.

Deze vreselijke koning zal zijn haat niet alleen richten op allerlei volken in de wereld. Hij stort zich ook op het volk van God. Niet alleen machtigen zal hij verderven, maar ook het volk van de heiligen. Het volk dat van de andere volken in de wereld is afgezonderd en bij de Allerhoogste hoort. Het volk dat uitziet naar de komst van de Christus die met zijn offer al hun onheiligheid verzoenen zal. Het volk dat heel in het bijzonder Gods eigendom, zijn kostbaar sieraad, is.

Antiochus Epifanes zal zijn woede op dit volk koelen met verschillende middelen. Hij zal geweld en vervolging gebruiken. Hij zal vromen onder druk zetten. Ze bedreigen met folteringen en ze zo de HERE doen afzweren.

Maar hij zal ook sluwheid en bedrog gebruiken. Door verleiding en door indoctrinatie, door propaganda en door het heidense leven heel aantrekkelijk voor te stellen zal hij Gods volk proberen los te weken van de HERE. En het zal lukken ook, zegt vers 25. Door zijn sluwheid zal hij het bedrog, dat hij aanwendt, doen gelukken. Hij weet precies op welke gevoelens hij moet inspelen en op welke punten Gods volk kwetsbaar is.

Hij heeft velen, zegt vers 25, onverhoeds verdorven. Dat wil zeggen: Hij heeft ze te gronde gericht zonder dat ze het zelf door hadden. Ja, hij kreeg zijn kans juist doordat ze niet op hun hoede waren. Doordat ze de gevaren niet onderkenden en luchtigjes alle waarschuwingen als veel te zware en veel te sombere praat wegwuifden.

Wat hij gezien had, had betrekking gehad op een verre toekomst, zegt vers 26. Vers 17 heeft het over 'de tijd van het einde'. En vers 19 pakt dat op, als de engel GabriŽl daar tot de profeet zegt: Ik maak u bekend wat gebeuren zal ' als Gods toorn is uitgewoed'; want het gezicht dat u zag doelt op het 'tijdstip van het einde'.

Als wij in de Bijbel het woord 'einde' horen, zijn we gauw geneigd te denken aan het einde van de wereldgeschiedenis, aan de laatste dagen die uitlopen op de wederkomst van Christus. Maar daar gaat het hier in Dan. 8 niet om. Het gaat hier, zoals vers 19 het noemt, om het einde van 'de gramschap' (HSV). Die gramschap is de toorn van God over IsraŽls zonde, zijn oordeel over de afvalligheid van zijn volk. Het is de aanduiding van de ballingschap in Babel.

DaniŽl heeft dit alles moeten voorzeggen. En het is uitgekomen. Inderdaad zijn velen in de tijd van Antiochus Epifanes van de HERE afgevallen. Hetzij dat ze door de knieŽn gingen vanwege folteringen. Hetzij dat ze bezweken voor de verleidingen van de wereld.

En daarbij bleef het niet. Ook tegen de Vorst der vorsten is Antiochus Epifanes opgetreden. Dit hoofdstuk treedt daarover verder niet in details, maar dat hoeft ook niet meer na de verzen 11 en 12. Daar is beschreven hoe de goddeloze koning zich vergreep aan de Vorst der vorsten.

Wat DaniŽl 8 vertelt over deze horen die klein begint en zich dan zelfs tegen de hemel gaat keren, doet denken aan wat we in Dan. 7 hoorden over die kleine horen die de antichrist voorstelde. Je mag die gelijkenis gerust vasthouden. De twee horens zijn verschillende! Maar ze lijken wel op elkaar.


DE HOORNS BREKEN ALLE KAPOT
Zoals we zagen is Dan. 8 het hoofdstuk van de horens. Het hoofdstuk dat de wereldmachten in hun kracht schildert. Maar dat is niet het enige. Wat opvalt is, dat al die horens op een gegeven moment afbreken en vernietigd worden.

Als wij DaniŽl 8 lezen worden onze gedachten haast automatisch gevangen door de verschrikkingen die de ene kleine horen van Antiochus Epifanes aanricht. Maar laten we niet vergeten hoeveel hoornen er sneuvelen en hoeveel kronen er rollen in Dan. 8.

Wat kunnen wereldmachten er vervaarlijk uit zien. En het kan lijken alsof ze alleen maar steeds machtiger en vervaarlijker worden. Maar op een goede dag hebben ze toch hun tijd gehad. Al hun pretenties ten spijt. Denk voor wat de vorige eeuw betreft maar aan Hitler-Duitsland of aan de Sovjet-Unie. En recent aan het einde van de dictatuur van Mubarak van Egypte.


ANTIOCHUS EPIFANES VERBOOD DE TEMPELDIENST
Hij verbood de dienst van Jahwe in de tempel. Het dagelijks offer dat krachtens Num. 28 iedere avond en iedere morgen aan de HERE gebracht moest worden, werd aan God ontnomen. Tegenover de dienst van Jahwe werd een andere eredienst ingesteld in de tempel: die van de Griekse god Zeus. Er werd van deze afgod zelfs een beeld in de tempel geplaatst. Tegenover het dagelijks offer dat een eerbewijs aan de HERE was, werd een heidense eredienst ingesteld.

Tegelijk met de dienst van de HERE moest ook zijn wet het ontgelden. De waarheid werd ter aarde geworpen, zegt vers 12. Gods geboden werden met voeten getreden. Wie zijn leven door die geboden wilde laten regeren, was belachelijk ouderwets en conservatief. Die ging niet met zijn tijd mee. Die wist niet wat van zijn leven te maken. Die liet zich frustreren door achterhaalde opvattingen.

DaniŽl heeft dit allemaal in het visioen van de avond en morgen te zien gekregen. Is het een wonder dat hij er een paar dagen ziek van is geweest? Na de terugkeer uit ballingschap zal Gods werk nog weer op heftig verzet stuiten. Nog zal de heilstijd niet ten volle doorbreken. Er zal een anti-christelijk vorst opstaan die het volk van God tot het uiterste benauwen zal en de dienst van de HERE zal proberen neer te werpen en uit te roeien. Een nieuwe aanval van de oude slang, de satan, de draak die het er al vanaf de zondeval op gemunt heeft om te voorkomen dat de Christus in de wereld komen zal en die dat koste wat het kost zal proberen te voorkomen.


LAAT GOD DE ANTICHRIST MAAR Z'N GANG GAAN?
Wanneer we lezen van het verderf dat Antiochus Epifanes aanricht onder het volk van God, dan komt als vanzelf de vraag in je op: Laat de HERE dat allemaal maar toe? Kan die antichristelijke vorst maar doen wat hij wil? Heeft God zijn volk en zijn tempel dan vergeten? Gaat al dat gruwelijke onrecht en bedrog aan Hem voorbij? Of interesseert het Hem niet wat er met zijn volk en in zijn huis in Jeruzalem gebeurt?

Op die vragen is gelukkig een heel duidelijk antwoord geven. Onze weg is niet voor God verborgen. En ons recht gaat niet aan Hem voorbij. Het blijkt heel duidelijk in DaniŽl 8. Maar je moet er wel oog voor hebben. Gods Geest moet je ogen ervoor openen.

Het begint al in vers 9. Daar wordt IsraŽl het Sieraad genoemd. Het Sieraad van God. Hoe Antiochus Epifanes ook huis houdt onder hen, hoe ze gebeukt worden aan alle kanten, de HERE noemt hen zijn sieraad. Voor Hem springen ze eruit onder de volken. Niet om iets in of van henzelf. Maar vanwege zijn welbehagen. Vanwege de Christus aan wie zij zich vastklemmen. Vanwege zijn bloed tot verzoening van onze zonden. God is zijn volk niet vergeten. Het is nog altijd de lust van zijn hart, zijn sieraad!

De HERE is zijn volk niet vergeten. Hij vergeet ook zijn huis niet. Hoor Hem maar tellen in vers 14: de verdrukking door Antiochus Epifanes zal niet zo en zoveel dagen duren, maar 2300 avonden en morgens.

Vanwaar die telling in 'avonden en morgens'? Dat is vanwege het dagelijks offer dat in de tempel gebracht werd. Dat dagelijks offer dat door Antiochus Epifanes zou worden weggenomen, bestond uit een avond- en een morgenoffer (de avond gaat voorop omdat bij de IsraŽlieten, anders dan bij ons, de dag 's avonds bij zonsondergang begon).

Je begrijpt met die 2300 avonden en morgens telt God de offers die Hem onthouden worden! Je ziet hoe het Hem interesseert wat Antiochus Epifanes in de tempel doet! Hij houdt het heel nauwkeurig bij. En Hij mist ieder offer dat Hem onthouden wordt! Er ontgaat Hem niet ťťn!

Dat is ook voor vandaag heel belangrijk. Wij hebben een genadig God. Vol trouw en liefde. Niemand die daaraan twijfelen mag. Hij heeft immers zijn eniggeboren Zoon gegeven! En dan nog wel voor goddelozen! Mag Hij dan ook een jaloers God zijn?! Een God die dankbaarheid van ons wil en die van ons de eer wil ontvangen die Hem toekomt? Zou het Hem dan niet pijn doen als Hij onze dank moet missen? Als wij slordig zijn in ons leven met Hem en in ons kerkelijk leven? Zouden we niet ook met onze zonden op dat punt tot Christus moeten vluchten?

God vergeet zijn volk niet. En wat er in zijn huis gebeurt, ontgaat Hem niet. DaniŽl 8 leert het ons nog sterker zeggen. Je moet eens in vers 23 kijken. Wanneer komt Antiochus Epifanes op? 'Aan het einde van hun heerschappij, als de tijd van de overtreders voorbij is'.

Wie zijn die 'overtreders'? Dat zijn niet de heidense overtreders in omringende volken of in de vier rijken die uit het Griekse rijk van Alexander de Grote zijn voortgekomen. Nee, met hen worden de overtreders in IsraŽl bedoeld! De afvalligen onder het verbondsvolk. Zij die van de dienst van de HERE vervreemd zijn en hun hart op andere dingen zetten dan die van de HERE. Die liever met Gods wet uit de pas lopen dan dat ze met de wereld breken. Die de stijl van de wereld proberen te combineren met het geloof in Christus.

Als deze overtreders de maat hebben volgemaakt, laat de HERE Antiochus Epifanes opkomen. En laat Hij hem stoten naar het Sieraad. We kunnen niet anders dan daarin een oordeel van Godswege zien over die overtreders. En dat oordeel bestaat dan hierin dat ze door Antiochus Epifanes naar het verderf gejaagd worden en dat ze door zijn sluwheid bedrogen zullen worden. De HERE straft de afval van Hem met vervolging en druk, maar ook met verdergaande vervreemding van Hem.


NET ZO'N OORDEEL IN ROMEINEN 1
Een soortgelijk oordeel van God vinden we ook in Rom. 1. Paulus schrijft daar over de toorn van God die zich openbaart over een wereld die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houdt.

Omdat zij de Here verworpen hebben, schrijft de apostel, zal de Here hen prijsgeven aan en verwerpelijk denken. Hij zal ze verstrikken in de dwaalleer. En Hij zal ze straffen met allerlei vijandschap en onrechtvaardigheid van de kant van hun medemensen. God straft zonde met zonde. Ontkerstening met verdergaande ontkerstening. Wie onheilig is, maakt Hij nog onreiner. Zonde die niet beleden wordt en waarvoor geen vergeving wordt gevraagd, die gaat het leven hoe langer hoe meer beheersen. Ook in de kerk!

God brengt dat oordeel over die overtreders opdat ze tot inkeer komen en Gods eeuwig oordeel ontgaan! Hij wil dat ze zich bekeren en zo hun behoud bewerken.

Ja maar, als het optreden van Antiochus Epifanes een oordeel is over de overtreders onder IsraŽl, worden dan de goeden niet met de kwaden gestraft. Moeten die dan onder de gruwelen van Antiochus Epifanes lijden vanwege de afvalligheid en onverschilligheid van hun volksgenoten?

Nee, wie zijn zonden belijdt en bij Christus schuilt, die hoeft niet bang te zijn. Niet onder de gruwelen van de Oudtestamentische antichrist. Ook niet onder de gruwelen van de antichrist van de laatste dagen. De HERE kent de zijnen. Hij houdt hen staande. Hij gebruikt die gruwelen en verschrikkingen zelfs om zijn kinderen alleen maar des te sterker tegen Zich aan te kunnen drukken. Hij doet al dat kwaad meewerken ten goede!

En je hoeft niet bang te zijn dat het Hem uit de hand loopt. Of dat Hij al die antichristelijke macht nooit onder controle kan houden. Toen IsraŽl door Antiochus Epifanes verdrukt werd, kon het in Dan. 8 lezen hoe God die zware druk van die Syrische koning al vier eeuwen tevoren had aangekondigd. Het ging allemaal precies zo als de Here had voorzegd. Dat kon ook moeilijk anders. Want uiteindelijk moest Antiochus Epifanes meewerken aan zijn raad en aan zijn werk. In alle geweld en list van de antichrist blijft de HERE souverein! Hij laat het toe en Hij gebruikt het zoals Hij wil. Als oordeel over overtreders. Als loutering over allen die God liefhebben.


PLOTSELINGE ONDERGANG ANTIOCHUS EPIFANES (vs.25)
Die overmacht komt heel duidelijk aan het licht in de afloop van de gruwelen van Antiochus Epifanes. Dan toont de HERE Zich de Vorst der vorsten, de Almachtige!

Vers 25 beschrijft namelijk een plotselinge ommekeer. Zonder mensenhanden wordt Antiochus Epifanes vernietigd. Gods vinger richt hem te gronde. Totaal. Hij wordt 'gebroken', staat er. Een heel sterk woord. God rekent volledig met hem af.

De HERE is niet machteloos. De triomf is voor Hem. Hoe Antiochus Epifanes ook tekeer zal gaan, wat hij ook uit zal broeden, de Here zal hem overwinnen en volledig uitschakelen.

IsraŽl hoeft niet te twijfelen of te wanhopen. Dit gezicht van de avonden en de morgens, is waarheid. Absoluut betrouwbaar! De HERE komt aan zijn eer! Hij vergeet zijn volk niet! Hij doet zijn tegenstanders het onderspit delven. Zelfs geen antichrist kan de komst van zijn Zoon, de Christus, tegenhouden.


DANIňL MOET HET VISIOEN VERBERGEN (vs.26)
DaniŽl krijgt opdracht het visioen dat hij gezien en opgeschreven heeft, verborgen te houden, staat er in vers 26. Dat wil niet zeggen dat hij het niemand mag laten lezen en het zo goed verstoppen moet dat niemand het ooit zal vinden. Nee, DaniŽl moet het goed en veilig opbergen, zodat het bewaard blijft.

Als na een kleine 400 jaar Antiochus Epifanes zijn schrikbewind in IsraŽl gevestigd heeft, moet het er nog zijn, ter vertroosting van Gods heilige volk dat dan leeft. Het kon hen bemoedigen als ze lazen hoe God dit al eeuwen tevoren voorzegd had. Ze zouden kunnen zien dat alles liep precies zoals Hij bepaald had. Dat geen van zijn plannen werd doorkruist. Dat Hij de regie behield. En ze mochten zich vastklampen aan het door God geschonken perspectief. God zou de antichrist vernietigen en de weg naar de geboorte van zijn Zoon in Betlehem openhouden.

Het is gegaan zoals God het Zich had voorgenomen. Ook in de verschrikkelijke tijd van Antiochus Epifanes heeft God Zich een volk bewaard. Er bleven vromen die zich vastklemden aan het profetisch Woord.

Als de Here Jezus geboren wordt, horen we van een paar getrouwen die ondanks alles de verwachting van de Messias zijn blijven koesteren: Zacharias en Elisabet, Simeon en Anna, Jozef en Maria.

In hun dagen wordt de engel GabriŽl weer naar de aarde gezonden. Hier, in Dan. 8, heeft hij moeten profeteren van de antichristelijke vorst die allemaal hindernissen voor Christus' komst zou opwerpen. Maar in Lukas 1 boodschapt hij de komst van hem die alle hindernissen voor Christus' komst moet opruimen: Johannes de Doper.

En Hij boodschapt de komst van Hem Die eens de antichrist zal doden door de adem van zijn mond: onze Here Jezus Christus! De hoorn van heil en recht die God opricht in het huis van David, zijn knecht. Dat is een horen die nooit vernietigd wordt. Laat PerziŽ een ram zijn, en Griekenland een geitebok, Hij is de Leeuw uit Juda's stam. zijn troon staat vast, zijn koninkrijk houdt stand. Gelukkig is wie bij Hem schuilt. Gelukkig het volk dat Hem tot Koning heeft.

Om onderdaan van deze koning te zijn en te delen in zijn triomf hoef je niet aan bijzondere voorwaarden te voldoen. Er is maar ťťn voorwaarde: geloof in de Here Christus. Belijd de Here je zonden en zoek verzoening in het bloed van het Lam van God. Vertrouw op Hem en neem zijn Woord aan. Klem je eraan vast. Dan ben je meer dan overwinnaar door Hem die jou heeft liefgehad!

Ook de macht en de bedriegelijke propaganda die de kerk vandaag bedreigen zullen eens vernietigd worden. Zonder mensenhanden. Door de adem van Christus' mond. Als Hij terugkomt op de wolken van de hemel. En de volkomenheid van Gods rijk aanbreekt. Daar zal geen tempel meer zijn. Niet omdat die door een goddeloos vorst aan de HERE ontstolen is. Nee, daar zal geen tempel meer zijn, omdat de Here God Zelf, de Almachtige, haar tempel is, en het Lam. Dan is de tempeldienst vervuld.


DE TIJD VAN DE NIEUWTESTAMENTISCHE ANTICHRIST
Diezelfde draak is ook in onze dagen, na Christus' komst, nog altijd actief. Antiochus Epifanes bestaat al lang niet meer. Misschien had je nog nooit van hem gehoord. Wij leven nu in de dagen van de nieuwtestamentische antichrist. Laten we toch op onze hoede zijn. De tijd van de antichrist komt niet nog, in een voor ons nu nog verborgen toekomst.

De apostel Johannes schrijft in zijn eerste brief dat al in zijn dagen antichristen zijn uitgegaan. De laatste dagen moeten niet nog komen. Die zijn met Christus' hemel-vaart al aangebroken. Sinds die dag koelt de draak die Christus' komst en Christus' triomf op Golgota niet heeft kunnen verhinderen, zijn woede op hen die van Christus zijn.

Net als in de tijd van Antiochus Epifanes maakt hij gebruik van geweld en foltering, en van verleiding en bedrog. Hij probeert de kerk los te weken van de HERE. En haar op te doen gaan in de wereld die van God niet weten wil. In ťťn woord: verwereldlijking of secularisatie.


DIEPE INDRUK (vs.27)
Het gezicht van Dan. 8 heeft diepe indruk op de profeet gemaakt. Hij is er, zegt hij in vers 27, een paar dagen ziek van geweest. En ook de tijd daarna, toen niemand meer iets aan hem had kunnen merken, had hij er nog altijd zwaar mee omgelopen.


 
 
 
 
 
DE HERE WERKT VERDER AAN DE SABBATSVREDE VOOR ZIJN VOLK DaniŽl 9


INLEIDING
Ook hier geldt net als bij Dan.7 en 8 dat het een langere uitleg is dan bij het historische gedeelte (Dan.1-6). Al gauw zitten we midden in de uitleg van vs.24-27: de kern van dit hoofdstuk.


TIJD WAARIN DANIňL 9 SPEELT (vs.1-2)
Het is het eerste jaar van koning
Darius. Babel is pas gevallen. Het eens zo machtige Babylonische rijk heeft moeten capituleren voor de Perzen. Die zijn de nieuwe wereldmacht. Iedereen wacht met spanning af wat de politiek van de nieuwe machthebbers zal zijn. Wat zal er onder hen met Juda en IsraŽl gebeuren?

In zulke tijden vol omwentelingen en onzekerheid zijn Gods kinderen vaak des te sterker betrokken bij en op Gods Woord. Niet dat ze de Schrift willen gebruiken als een almanak met toekomstvoorspellingen. Maar ze hebben wel behoefte aan Gods plan niet uit het oog te verliezen. En ze willen zich door hun Here laten onderwijzen over de koers van alle dingen.

Ook DaniŽl verdiept zich in de boeken van de profeten. En hij stuit op Jeremia's aankondiging van IsraŽls terugkeer uit Babel. Hij leest dat de stad en de tempel die door Nebukadnessar verwoest waren, weer herbouwd zullen worden. Er wordt zelfs een termijn bij genoemd: nadat Babel 70 jaar de scepter gezwaaid zal hebben over de volken van de aarde. En die zeventig jaar zijn nu, in het eerste jaar van Darius, nagenoeg voorbij! DaniŽls hart gaat er sneller van kloppen. De tijd van Juda's herstel is aanstaande!


DANIňLS GEBED (vs.3-20)
Schitterend is het dan om te zien wat de profeet gaat doen. Hij gaat niet met zijn armen over elkaar zitten afwachten. Nee, hij vouwt zijn handen en buigt zijn knieŽn. En hij zendt het indrukwekkende gebed tot de HERE op. Wie de vastheid van Gods plan en toezeggingen kent, vindt bidden niet overbodig, die wordt daardoor juist aangespoord tot het gebed.

Laat me op vier dingen mogen wijzen die opvallen in DaniŽls gebed.

1. Het eerste is dat de profeet zich in zijn formuleringen meer dan eens nauw aansluit bij andere Schriftwoorden. Hij heeft door een intensief omgaan met de Schrift leren bidden. Hij kent zijn bijbel en laat zich zijn woorden aanreiken door de Heilige Geest Zelf.

2. Het tweede wat opvalt is de eerbiedige toon van DaniŽl. Hij verdoezelt de zonde van zijn volk niet, maar belijdt het recht van God. IsraŽl heeft het oordeel van de ballingschap verdiend. En -en dat is heel opvallend!- DaniŽl weet zich mede schuldig. Terwijl hij ťťn van de weinigen is, van wie geen enkele zonde staat opgete-kend in de Schrift en terwijl we hem leren kennen als een vroom en moedig man, distantieert hij zich niet van zijn zondige volksgenoten. Hij is niet zoals die kerkleden die heel afstandelijk over hun broeders en zusters spreken. Nee, hij belijdt ootmoedig ook zijn eigen aandeel in IsraŽls schuld en ongehoorzaamheid.

3. Een derde opmerkelijke karaktertrek is dat DaniŽl niet in de kennis van zijn ellende en die van het volk blijft steken. Hij belijdt Gods barmhartigheid. En Hij beroept zich op Gods trouw aan zijn verbond en zijn verlossende activiteit jegens IsraŽl. Geloven is niet alleen 'je ellende kennen', maar ook 'de HERE kennen als Verlosser'.

4. Het laatste waarop we de aandacht vestigen is de manier waarop DaniŽl zijn gebed bij de HERE aandringt. 'Niet omdat wij rechtvaardig zouden hebben gehandeld leggen wij onze smeekbeden aan u voor, maar omdat uw barmhartigheid groot is. 19 Heer, luister naar ons! Heer, vergeef ons! Heer, verhoor ons gebed! Wacht niet langer en grijp in, mijn God, ook omwille van uzelf, want uw naam is verbonden aan uw stad en aan uw volk.' (vs19,20) DaniŽl zegt met andere woorden: HERE, Uw eigen naam is ermee gemoeid als uw stad en uw huis een bouwval blijven! En een sterker beroep dan dat is niet te doen!


GODS ANTWOORD OP HET GEBED VAN DANIňL
En de HERE hoort! Terwijl DaniŽl nog aan het bidden is, komt het antwoord al. De engel GabriŽl wordt door de Here naar de aarde gezonden. Op de tijd dat indertijd in de tempel altijd het avondoffer was gebracht, krijgt DaniŽl te horen wat de HERE zal gaan doen.

En dat zal veel meer blijken te zijn dan waarom de profeet gebeden had! DaniŽl heeft gevraagd om herstel van Jeruzalem na zeventig jaar van Babylonische heerschappij. Maar de engel GabriŽl kondigt niet maar het herstel, maar zelfs de vervulling van Jeruzalem aan. DaniŽl vroeg om een einde aan de straf van de ballingschap. De HERE belooft veel meer: verzoening van de ongerechtigheid en eeuwige gerechtigheid! Het antwoord gaat dan ook de tijdsduur van de zeventig jaar van Jeremia verre te boven. 'Zeventig zeventallen' zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, zegt GabriŽl tot DaniŽl.


ZEVENTIG ZEVENTALLEN (vs.24-27)
Het slot van DaniŽl 9 behoort volgens veel bijbelverklaarders tot de moeilijkste gedeelten van het Oude Testament. De grote lijn mag duidelijk zijn, op allerlei details blijven alle uitleggers vragen houden.

Dat deze verzen voor ons zo moeilijk zijn te doorzien, ligt niet aan die verzen zelf. Het is een gevolg van de duisternis die sinds de zondeval over ons verstand gevallen is. Om het maar eens zo te zeggen: de HERE spreekt wel duidelijk, maar wij luisteren zo slecht! Ieder bijbelgedeelte dat om wat voor reden dan ook moeilijk is voor ons, maakt ons daarom klein en nederig. Het bepaalt ons bij de invloed van onze zondigheid.

Soms is het extra pijnlijk als een bijbelgedeelte moeilijk is. Als het een heel feestelijk gedeelte is, bijvoorbeeld. En dat is in dit hoofdstuk het geval. Er wordt in onze vertaling gesproken over 'zeventig weken', maar eigenlijk staat er in het Hebreeuws: zeventig zeventallen. Wat voor een periode die zeventallen precies aangeven is niet bekend. Geen weken. Ook geen periodes van zeven jaren. We kunnen niet meer zeggen dan dat DaniŽl de tijd waarover hij spreekt aanduidt in zeventallen. Zeventig zeventallen nog wel.


OP WEG NAAR VOLKOMEN SABBATSRUST
Wat opvalt in deze tijdsaanduiding is de centrale plaats van het getal zeven. Zeven was een bekend getal op IsraŽls kalender. Iedere zevende dag was het immers sabbat. Ieder zevende jaar was het sabbatsjaar. Ieder jaar dat volgde op het zeven maal zevende jaar (het vijftigste dus) was een jubeljaar. Je zou zeven dus het 'sab-batsgetal' kunnen noemen. De beheersende plaats die dit getal had in IsraŽls kalender en jaarindeling bepaalde IsraŽl telkens weer bij het doel waar God bij de schepping op aan werkte: de sabbat van God. Het getal zeven versterkte bij het volk de hunkering naar de sabbatsrust en vreugde waarin de HERE zijn volk wilde doen delen.

Zeventig is het product van zeven en tien. Tien is het getal van de volheid en volkomenheid. Als DaniŽl een boodschap krijgt over de toekomst en de HERE omschrijft die periode als 'zeventig zeventallen', dan wordt die periode daarmee dus gekarakteriseerd als de tijd waarin God op weg is naar en hard werkt aan de eeuwige sabbat voor zijn volk. Heel de komende periode mag staan in het teken van de definitieve en volkomen (tien!) sabbatsrust (zeven!).


DANIňL MAG IN BABEL EEN NIEUWE TIJD AANKONDIGEN
DaniŽl krijgt deze profetie van de engel GabriŽl te horen terwijl hij in Babel is. Juda is daarheen in ballingschap gevoerd. Het heeft Gods rust versmaad. Het heeft het land zijn sabbatsjaren onthouden. Vanwege dat versmaden van Gods sabbatten heeft God ze zijn rust onthouden en ze overgegeven aan de macht van Babel. In plaats van vreugde te ontvangen werd het volk er onder gedompeld in rusteloosheid en duisternis.

Maar nu mag DaniŽl een nieuwe tijd aankondigen. God laat het sabbatswerk dat Hij begonnen is, niet los. Daarop wijst die boodschap over de zeventig zeventallen. Er komt rust voor het volk van God. Sabbatsvrede. Verzoening van schuld. Eeuwige gerechtigheid.

Die zeventig zeventallen, zegt vers 24, zijn vastgesteld voor je volk en voor Jeruzalem, voordat aan de overtredingen een einde komt en de zonden zijn afgesloten, voordat het wangedrag is vergolden en eeuwige gerechtigheid is gebracht, voordat het profetisch visioen bezegeld is en het allerheiligste gewijd.

Dat zijn zes dingen. Je kunt ze onderverdelen in drie keer twee. Telkens ziet het eerste van de twee op een afsluiting van het verleden, en het tweede op iets dat daarna gelden zal. In die zes dingen in vers 24 vindt je eigenlijk een korte samenvatting van wat in de verzen 25-27 uitgewerkt zal worden.


EERSTE TWEETAL (vs.24a)
'Voordat aan de overtredingen een einde komt en de zonden zijn afgesloten.'
De overtreding zal voleindigd worden. Dat betekent: De tijd in Babel die het gevolg van en de straf over uw overtreding was, loopt ten einde. Die zal binnenkort beŽindigd worden. Voor Mij, zegt de HERE, is de zonde die tot de ballingschap leidde, dan verleden tijd. En wat de tijd daarna betreft: De zonde zal niet opnieuw zo opspelen dat een nieuwe ballingschap noodzakelijk wordt. Dat is het eerste tweetal. Dat gaat dus over de terugkeer van IsraŽl naar Jeruzalem en het herstel van de heilige stad.


TWEEDE TWEETAL (vs.24b)
'Voordat het wangedrag is vergolden en eeuwige gerechtigheid is gebracht.'
Dan volgt het tweede tweetal: De HERE zal de ongerechtigheid verzoenen en eeuwige gerechtigheid brengen (vert.'51). Dat is een aankondiging van Christus' werk op Golgota. De schuld zal verzoend worden. Afgerekend en voldaan. God zal er dan niet weer op terugkomen. En voor de tijd daarna: de vrucht van Christus' werk zal EEUWIGE gerechtigheid zijn. De band tussen God en het door Christus geheiligde volk zal niet meer kapot kunnen. Dat is het tweede tweetal. Dat ziet op Christus' werk en de vrucht ervan.


DERDE TWEETAL (vs.24c)
'Voordat het profetisch visioen bezegeld is en het allerheiligste gewijd.'
Het derde tweetal is: het profetisch visioen zal bezegeld zijn. Dat wil zeggen: God zal wat profeten in het verleden hebben gezien en verkondigd, doen uitkomen. En aan iedereen zal duidelijk worden dat de gezichten van Gods knechten, de profeten, betrouwbaar waren. Wat God in het verleden gesproken heeft, wordt vervuld. Ieder zal er getuige van kunnen zijn. En voor de tijd daarna: er zal iets allerheiligst gezalfd of gewijd worden. Dat ziet op het Woord van de verzoening dat God onder zijn Nieuwtestamentische gemeente zal doen verkondigen. Na de tijd van de tempel in Jeruzalem, komt de bediening van de Heilige Geest! Met andere woorden: dit derde tweetal gaat over Gods Woord. De betrouwbaarheid van het aloude profetische Woord en de kracht van het Woord van de verzoening, van het eeuwig evangelie waardoor God tot aan de jongste dag mensen zal redden.


UITWERKING EERSTE TWEETAL (vs.24a)
DaniŽl heeft gebeden om het herstel van Juda en Jeruzalem. En de HERE antwoordt dat Hij dat geven zal. Zeventig zeventallen zijn bepaald over je volk en over je heilige stad, zegt de HERE tot DaniŽl. JE volk. JE heilige stad. Dat moet je niet zo opvatten, alsof de HERE hier afstand zou nemen van dat volk en die heilige stad. Dat de HERE niet zegt 'MIJN volk' en 'MIJN stad' is om aan te geven hoezeer de boodschap van GabriŽl een antwoord is op DaniŽls gebed. Het volk en de heilige stad waarover jij, DaniŽl, gesproken hebt. En waarvoor jij tot Mij gebeden hebt.

'Je heilige stad'. Dat zegt de HERE terwijl de stad in puin ligt en de tempel een ruÔne is. Er is met andere woorden niets heiligs aan! Dat de HERE ondanks dat spreekt over de 'heilige stad', belooft veel goeds! Kennelijk is de HERE Jeruzalem niet vergeten en zal Hij Zich weer over haar ontfermen. En haar herstellen als de stad waar Hij zijn heil bereidt en schenkt. Het wordt weer heilige stad!

Zeventig zeventallen zijn bepaald over je volk en je heilige stad om de overtreding te voleindigen en de zonde af te sluiten. 'De overtreding voleindigen': dat betekent niet 'de maat van de overtreding volmaken', 'het toppunt van overtreding bereiken', maar het betekent: er zal een eind aan de overtreding gemaakt worden. Ik zal u uw overtreding niet langer toerekenen en de tijd van Mijn oordeel daarover ten einde brengen. En, zegt de HERE, Ik zal de zonde afsluiten, zodat ze zich niet weer zo sterk kan maken.

Het gebed van DaniŽl om vergeving wordt verhoord. De profeet mag het IsraŽl gaan toeroepen dat zijn lijdenstijd volbracht is, dat zijn ongerechtigheid geboet is, dat het uit de hand van de HERE dubbel en dwars ontvangen heeft voor al zijn zonden. De HERE zal weer omzien naar zijn volk en het terugbrengen in Juda, en Jeruzalem herstellen. Hij bouwt de stad door Hem verkoren, het volk in ballingschap verloren, brengt Hij er samen, heelt hun wonden, hoezeer hun harten zijn geschonden (Psalm 147:1).

Deze belofte wordt uitgewerkt in vers 25 als daar staat: Je moet weten en begrijpen: Vanaf het ogenblik waarop het woord is uitgegaan dat Jeruzalem hersteld en weer opgebouwd zal worden tot het tijdstip waarop een gezalfde vorst verschijnt, zijn zeven zeventallen.

Met 'het woord is uitgegaan dat Jeruzalem hersteld en weer opgebouwd zal worden' wordt gedoeld op de profetie van Jeremia over de herbouw van Jeruzalem na zeventig jaren. Met die 'gezalfde', die 'vorst' wordt gedoeld op de Perzische koning Kores. Die Kores wordt ook in Jesaja 45 door de HERE ook 'Mijn gezalfde' genoemd. Het is de koning die Babel heeft ingenomen en vervolgens IsraŽl heeft toegestaan terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen. De periode van Jeremia tot de terugkeer van IsraŽl onder koning Kores wordt weergegeven met 'zeven zeventallen'.

Daarna breekt een periode van 62 zeventallen aan. In die periode zal de heilige stad hersteld en herbouwd blijven met plein en gracht, dus in oude luister, maar in de druk der tijden. Dat laatste ziet op de heftige vijandschap die de teruggekeerde ballingen en hun nazaten zullen ondervinden van hun omgeving. De haat van de Samaritanen ten tijde van Nehemia, en het schrikbewind van een koning als Antiochus Epifanes rond 170 voor Christus.

Je merkt het: met het herstel van Jeruzalem zal nog niet de lang verwachte heilstijd aanbreken. Gods Woord idealiseert niet. Na de herbouw van de heilige stad zal een lange periode volgen vol verdrukking. Maar ondanks de druk van de tijden zal de stad hersteld en herbouwd blijven met plein en gracht! Want de overtreding is voleindigd en de zonde afgesloten.


GOD BELOOFDE HERBOUW VAN JERUZALEM
Zo beloofde God aan zijn profeet als antwoord op diens gebed, dat Hij Jeruzalem zou doen herbouwen. Niet omdat IsraŽl dat op enigerlei wijze verdiend zou hebben. Van die kant viel er alleen maar schuld te belijden. Ze hadden nog niet eens lege briefjes in te dienen, alleen maar besmeurde en onbruikbare. Te vies om aan te pakken.

Nee, als de HERE Jeruzalem laat herstellen en herbouwen, dan doet Hij dat omwille van zijn eigen naam. Hij heeft Zijn naam uitgeroepen over zijn stad en zijn volk. Hij heeft zijn naam verbonden aan het volk van het verbond en aan de dienst van de verzoening. Hij had bij zijn eigen heiligheid gezworen aan Abraham en David dat Hij met hen een EEUWIG verbond had. Dat betekende dat zijn naam gemoeid was met het lot van stad en volk. Het fiasco van zijn volk, van zijn stad en van zijn huis zou zijn naam besmeuren! De HERE zou niet doen wat Hij had toegezegd. Hij zou de volken van rondom gelegenheid geven de spot met Hem te drijven.


GOD WAAKT OVER ZIJN NAAM
Daarop heeft DaniŽl de HERE aangesproken. En de HERE heeft hem verhoord. Om zijns naams wil. Hij had gezworen dat al de geslachten van de aardbodem in het nageslacht van Abraham gezegend zou worden. Hij had beloofd dat de wet van Mozes vervuld zou worden en dat zijn huis zou worden afgelost door zijn Zoon zie meer dan de tempel zou zijn. Dat zou Hij dan ook nakomen. Omwille van zijn naam!

Kijk dat is DaniŽl 9. De HERE laat zijn sabbatswerk niet los. Hij blijft op weg naar de eeuwige sabbat. Met zijn volk. Om zijns naams wil. De HERE waakt over zijn naam. De naam die Hij ook over zijn gedoopte kinderen heeft uitgeroepen. Je wordt immers gedoopt in zijn naam. Toen heeft de HERE Zijn naam aan hen verbonden! Dat mag de vaste grondslag zijn van hun leven met de HERE. Toen Hij zijn verbond met hen sloot en hen zijn beloften gaf, toen heeft Hij Zich daarop vastgelegd en er zijn naam aan verbonden. Daar mag je als gedoopt kind van God op pleiten. En daarin mag je rust vinden. De voorsmaak en het begin van de eeuwige sabbatsrust.


UITWERKING TWEEDE TWEETAL (vs.24b)
DaniŽl krijgt nog meer te horen dan dat God Jeruzalem zal laten herstellen en herbouwen. Daar heeft hij om gevraagd. Maar hij wordt verhoord boven bede en wensen. GabriŽl kondigt hem aan dat zeventig zeventallen bepaald zijn over zijn volk en zijn heilige stad 'om de ongerechtigheid te verzoenen en om eeuwige gerechtigheid te brengen' (vert '51).

De ongerechtigheid verzoenen. De HERE wilde verder gaan met zijn volk en met zijn stad, omdat Hij daar zijn naam aan verbonden had. Maar dat kon niet zomaar. Want de HERE heeft zijn naam ook verbonden aan zijn geboden en aan het recht en de straf van zijn verbond. Die kan Hij ook niet zomaar laten vallen! Als Hij verder gaat met zijn volk en met zijn stad kan dat niet zonder dat de schuld verzoend is en aan Gods recht betaald is.


GEVAAR VAN VERBONDSAUTOMATISME
Dat wordt nog wel eens vergeten. Ook door kerkmensen. Door volwassenen en jongeren. Die weten vaak wel van Gods trouw aan zijn beloften, maar omdat ze vergeten dat God ook trouw is aan zijn eisen en bedreigingen, ontaardt dat dan gemakkelijk in een vorm van verbondsautomatisme. Ze leven onbezorgd en onbekommerd. Want de HERE heeft zijn naam toch aan hen verbonden in de doop en dan komt alles toch automatisch weer op zijn pootjes terecht?!

Maar ze vergeten dat God zijn persoonlijke handtekening niet alleen onder zijn beloften, maar ook onder al zijn geboden en strafdreigingen gezet heeft. Dat Hij ook daaraan zijn naam verbonden heeft. En dat er dus nooit van redding en van Vaderliefde bij God sprake kan zijn buiten Christus om, die voor onze schuld betaald en aan het recht van God voldaan heeft. Je kunt nooit sterke woorden spreken over liefde en vergeving van de HERE buiten Christus om. Zonder te schuilen bij Hem en te pleiten op zijn betaling. Je kunt alleen grote woorden spreken over Gods zorg en Vaderschap in het geloof! In levende verbondenheid met Christus! En de toevlucht zoekend bij zijn volbrachte werk op Golgota!

Dat is het tweede dat DaniŽl van GabriŽl te horen krijgt. God gaat verder met zijn volk en met zijn stad. Om zijns naams wil. Maar ook alleen in Christus. De HERE kondigt de verzoening van de ongerechtigheid aan. Er zal betaald worden aan Gods recht. Niet met het bloed van stieren of bokken in de tempel. Want dat is niet in staat de zonde weg te nemen. Dat kon alleen het Lam dat God Zelf geven zou: zijn eigen Zoon, Jezus Christus. Hij kon wat de Levietische priesters nooit gekund hebben. Die moesten telkens weer offeren voor de zonden. Maar Christus was met ťťn offer klaar! Toen had Hij eens en voorgoed verlossing bewerkt. Eeuwige gerechtigheid verdiend.

Dit wordt in de boodschap van GabriŽl verder uitgewerkt in vers 26. 'Na de 62 zeventallen zal een gezalfde worden vermoord, zonder dat iemand het voor hem opneemt.'

De gezalfde om wie het in vers 25 ging, was Kores, de koning van de Perzen. Maar de gezalfde om wie het in vers 26 gaat is de Messias: Jezus Christus. Hij zal worden omgebracht. Gekruisigd en gedood. Afgesneden uit het land der levenden. Terwijl Hij niets had, geen vrienden, geen helpers, geen kleren; zelfs God had Hem verlaten. DaniŽl ontvangt hier duidelijk en profetie van de komende Christus, van Zijn sterven en van de verzoenende kracht daarvan.


CHRISTUS VERLEENT HET VERBOND EEUWIGE RECHTSKRACHT
Vers 27 zegt nog meer over de Christus. Hij zal het verbond voor velen sterk maken. Om het avondmaalsformulier te citeren: Hij zal door zijn bloedstorting het nieuwe en eeuwige verbond van genade en verzoening voor eeuwig rechtskracht verlenen. Zijn bloed is het fundament van het nieuwe verbond en maakt dat onaantastbaar! Na zijn offer zijn alle andere offers overbodig.

Wij weten dat dit ook gebeurd is. Toen Christus de geest gaf op Golgota scheurde op datzelfde moment in de tempel het voorhangsel van boven naar beneden. De tempeldienst had zijn tijd gehad, nu het echte offer gebracht was. Het offer waarvan heel de tempeldienst gesproken had en waarnaar alle offers in het Oude Testament verwezen hadden. Christus had eens en voorgoed volkomen verlossing verworven. Eeuwige gerechtigheid gebracht.

DaniŽl heeft in hoofdstuk 8 een gezicht gehad waarin hij kon zien dat met de terugkeer uit Babel naar Juda en Jeruzalem voor het volk van God nog geen tijd van ongestoorde rust, van heil en vrede zou komen. De verschrikkingen van Antiochus Epifanes zouden losbreken over stad en volk. Ook in hoofdstuk 9 hoort DaniŽl verdrukking aankondigen. Jeruzalem zal hersteld en herbouwd blijven met plein en gracht, maar in de druk der tijden.

Maar de profeet mag toch ook meer vernemen. De HERE gaat de ongerechtigheid verzoenen en eeuwige gerechtigheid brengen. Heel de stroom van offers in de tempel had dat niet kunnen bewerken. Geen van de zonen van Levi was hiertoe in staat geweest. De HERE gaat het nu bewerken door zijn Gezalfde, de Messias, onze Here Jezus Christus.


WIJ LEVEN IN DE DOOR GABRIňL AANGEKONDIGDE TIJD
In die door de engel GabriŽl aangekondigde tijd mogen wij nu leven. Christus heeft eeuwige gerechtigheid gebracht. Zijn offer heeft eens en voorgoed verzoening gebracht. En het was genoeg voor de zonden van de hele wereld. Daarom kan Paulus het uitjubelen: Niets, helemaal niets kan ons scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Here (Rom. 8). Zijn offer is in alle omstandigheden, hoe een leven ook verzondigd is, genoeg om grond voor vrijspraak te zijn. Als wij onze zonden nu maar oprecht belijden en van harte pleiten op het werk van onze Heiland!

Christus heeft maar niet gerechtigheid tot een beperkte hoogte verworven en zijn werk is niet op een gegeven moment uitgeput, Hij heeft eeuwige gerechtigheid gebracht. Dat woord 'eeuwig' wordt in de mond genomen door de Enige die weet wat het inhoudt: de HERE Zelf! Hij heeft alles al voorzien. Hij weet wat er allemaal gebeuren zal en gebeuren kan in ons leven. En Hij heeft gezegd: het offer van Mijn Zoon brengt eeuwige gerechtigheid. Niets of niemand zal zijn werk tot onze vrijspraak teniet kunnen doen.

Gods sabbatswerk gaat door. Hij heeft zijn naam eraan verbonden. Hij heeft ook zijn Zoon ervoor gegeven. Tot een eeuwige gerechtigheid. Wij kunnen ons amper voorstellen wat dat inhoudt. Maar Hij Die hier het woord 'eeuwig' in de mond neemt, weet wat het inhoudt!


DERDE TWEETAL (vs.24c)
We zitten inmiddels in het laatste zevental. De laatste 'week'. Daarin zal een gezalfde vermoord worden, zagen we zopas. Het verbond zal sterk gemaakt worden en het slacht- en spijsoffer zal ophouden. Maar er zal meer gebeuren in die laatste 'week'.

Vers 26 vertelt dat het volk van een toekomstige vorst zal komen dat verderf zal brengen over de stad en het heiligdom. Het einde van stad en tempel zal zijn in een overstroming. En tot dat einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen waartoe vast besloten is.

In vers 27 gaat dat nog verder: Op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen (vert.51) en wel tot aan de voleinding toe. En waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.

Met dit volk dat op vleugels aan zal komen en met zijn legers IsraŽl zal overspoelen, wordt gedoeld op de Romeinen. Zij hebben inderdaad IsraŽl onder de voet gelopen en er hun gezag gevestigd. En stevig ook! Telkens als vrijheidsstrijders zich roerden tegen de Romeinse bezetter hebben ze de rebellie in bloed gesmoord. Telkens was er strijd. Maar telkens waren ook de Romeinen de overwinnaars.

Het liep uiteindelijk allemaal uit op de zgn. Joodse oorlog van 66-70 na Christus. In dat laatste jaar, 70 na Christus, hebben de Romeinen Jeruzalem verwoest en van de tempel geen steen op de andere gelaten. Dat was het einde van stad en tempel 'in een overstroming', zoals GabriŽl het noemt in vers 26. De Romeinen overstroomden de Joden gewoon!

Maar ook deze vernietiging van stad en tempel betekende niet het einde van Gods sabbatswerk. Want deze vernietiging kwam nadat Christus met zijn offer de tempeldienst vervuld had, en slacht- en spijsoffer had doen ophouden.

De verwoesting van stad en tempel door de Romeinen was dan ook geen streep door Gods rekening. Het was juist dat (vers 26 en 27) waartoe God besloten had, en waartoe vast besloten was. Het was, wat vers 24 noemt, de bezegeling van het profetisch visioen. De verwoesting van Jeruzalem door de Romeinse horden, overrompelde de HERE niet, dit was de verwoesting waartoe vast besloten was. In deze verwoesting bleek de waarheid van wat profeten hadden gezien, gehoord en verkondigd. Gods Woord komt uit!


ONDERGANG VAN JERUZALEM NIET ONDERGANG VAN GODS WERK
Daarom betekent deze verwoesting van stad en volk ook niet de ondergang of het fiasco van Gods sabbatswerk. Dat stagneert geen moment. Het gaat door. Want de tempel wordt verwoest, maar zegt vers 24, het allerheiligste wordt gewijd.

Het allerheiligste: die uitdrukking ziet niet op een persoon, maar op een zaak. En dan een zaak die in verband staat met de dienst in de tabernakel en de tempel: het brandofferaltaar, het reukaltaar, de toonbroden, het spijsoffer, het zondoffer, het schuldoffer, de hele tabernakel met toebehoren, heel de tempel met het omliggende terrein. Het allerheiligste, zo kunnen we concluderen, heeft te maken met de dienst van de verzoening.

Dat moeten we ook voor dit gedeelte vasthouden. Het allerheiligste is in vers 24 aanduiding voor de Nieuwtestamentische dienst van de verzoening. Of, zo kun je het ook zeggen: voor het Woord van de verzoening.

Dat allerheiligste wordt 'gewijd'. Door de Heilige Geest in dienst genomen. In dat Woord van de verzoening zullen de krachten van de Geest openbaar worden. Dat zal in het vervolg de bediening van de Geest zijn. Het instrument waarvan de Heilige Geest Zich bedient om het heil uit te delen en toe te eigenen aan al Gods kinderen.

Gods sabbatswerk gaat door. In het Oude Testament maakte Hij daarbij gebruik van de tempel- en de offerdienst. Na Christus, die de vervulling van de tempel gebracht heeft, en na de verwoesting van de tempel, zet God zijn sabbatswerk voort in de bediening van het Woord van de verzoening. In de zondagse preek. In het doordeweekse gebruiken en onderzoeken van het evangelie van onze Here Jezus Christus.


GODS WERK VERANKERD IN GODS WELBEHAGEN
Gods sabbatswerk gaat door. Het ligt diep verankerd in Gods welbehagen. Er is voor betaald in een ver verleden: door Christus op Golgota. Maar het komt heel dichtbij ons, we worden erin opgenomen, zo vaak we het evangelie lezen en horen verkondigen. Het lezen uit de bijbel, de zondagse kerkgang, daarin is de Heilige Geest actief. Daarin geeft Hij ons deel aan eeuwige gerechtigheid. Daarin neemt God ons mee naar de eeuwige sabbat. In de kerk is de HERE met je bezig. Hij werkt hier aan je eeuwig heil.

Daarom zijn Bijbellezen, Bijbelstudie en zondagse kerkgang meer dan goeie gewoontes of eerbiedwaardige tradities. Het allerheiligste is gewijd. De Heilige Geest werkt erin en ermee. Daarom kan de schrijver van de brief aan de HebreeŽn ons ook aansporen de kerkdiensten niet te verzuimen. En dat des te meer naarmate we de dag zien naderen.

En die dag nadert! We leven in de laatste week van DaniŽl 9. Zelfs in de tweede helft van die week. Slacht- en spijsoffer die op zouden houden halverwege de laatste week zijn immers al opgehouden. We leven in de laatste dagen. En daarom: "Zie er dus op toe, broeders en zusters, dat niemand van u door een kwaadwillig, ongelovig hart afvallig wordt van de levende God, maar wijs elkaar terecht, elke dag dat dit 'vandaag' nog geldt, opdat niemand van u halsstarrig wordt omdat hij door zonde verleid werd. 14 Want alleen als we tot het einde toe resoluut vasthouden aan ons aanvankelijk vertrouwen, blijven we deelgenoten van Christus (Hebr 3:12-14).


 
 
 
 
 
SAMEN MET MICHAňL TRIOMFEERT CHRISTUS OVER DE VORST DER PERZEN DaniŽl 10


INLEIDING
We leven in de tijd dat men God dood heeft verklaard. Maar niet alleen God, ook de duivel en de boze geesten zijn dood verklaard. Misschien is het wel beter om te zeggen: de duivel heeft zichzelf dood laten verklaren. Hij wil het liefst dat zijn dood overal rondgebazuind wordt, zodat men met zijn bestaan niet meer rekent en hij ongestoord zijn gang kan gaan. Hij ziet niets liever dan argeloze mensen die voor hem niet op hun hoede zijn.

De duivel is in die opzet behoorlijk geslaagd. Tot in de wereld van theologen en christenen toe wordt door velen nog wel rekening gehouden met onzichtbare, occulte en paranormale krachten, maar men gelooft niet meer in het bestaan van engelen en duivelen. Daarin mochten de oude IsraŽlieten en de eerste christenen geloven, wij 21ste eeuwers, zijn niet meer zo primitief.

Uit de Schrift weten we dat er strijd geleverd wordt in de wereld, een strijd op leven en dood: de satan loopt storm tegen het heilswerk en de kerk van God. En we weten dat in die strijd ook engelen en duivelen betrokken zijn. DaniŽl 10 geeft ons daarover duidelijk en waarschuwend onderwijs.


TIJD WAARIN DANIňL 10 SPEELT (vs.1)
Het is het derde jaar van Kores, de koning van de Perzen. Twee jaar eerder, in zijn eerste jaar, had Kores de IsraŽlieten toestemming gegeven om terug te keren naar Jeruzalem. Ook de verwoeste tempel mochten ze herbouwen. Maar het was allerminst een glorieuze terugkeer geworden. Zeker, men had goud en schatten meegekregen van de Perzische koning. Men was blij weer terug te mogen naar Juda. De liederen schalden tijdens de terugreis. Maar dat kon niet verbloemen dat het maar een betrekkelijk klein deel van de Joodse ballingen was dat terugkeerde naar de heilige stad. Het overgrote deel bleef in Babel.

In Jeruzalem gekomen, bleken er veel problemen overwonnen te moeten worden. Weliswaar kon men vrij snel aan het werk om een altaar voor de HERE te bouwen, maar toen dat af was, bleek dit altaar het niet te hŠlen bij dat uit de tempel van Salomo. Juda moest met een veel bescheidener heiligdom genoegen nemen dan de heerlijke tempel van Salomo geweest was. Voor hen die de vorige tempel nog gekend hadden was het om te huilen!

Daar kwam dan nog eens de vijandschap bij van de kant van de omringende volken. Die keken met argusogen toe op wat die teruggekeerde ballingen kwamen doen in het land waarin zij woonden. Ze begonnen de Joden in alles te dwarsbomen. Ze treiterden hen. Joegen hen de stuipen op het lijf. En maakten hen via een diplomatiek gezantschap zwart bij de Perzische koning. Elk middel was geoorloofd in de strijd tegen de teruggekeerde ballingen. En ze hadden succes: het duurde niet lang of het werk lag stil.


DANIňL ROUWT (vs.2,3)
DaniŽl zal van dit alles exact op de hoogte geweest zijn. Er was druk verkeer tussen Juda en Babylon. En DaniŽl had wel zoveel contacten dat hij ook daardoor geÔnformeerd zal zijn. De droevige situatie is ongetwijfeld de reden geweest tot de rouw die hij blijkens de verzen 2 en 3 heeft aangenomen.

Het is niet uitgesloten dat de aanleiding tot DaniŽls rouw te maken heeft met de datum. De in vers 4 genoemde datum (de 24ste van de eerste maand) staat aan het eind van drie weken rouw. Die periode van rouw is dus begonnen op de derde dag van de eerste maand. Dat is een week voor de tiende en dat was de dag dat IsraŽl ieder jaar begon met de voorbereidingen voor de viering van Pesach dat in het midden van deze maand gevierd werd. Pesach: het feest waarop de uittocht uit Egypte werd herdacht. De luisterrijke exodus. Een farao die zo mak was als een lammetje. Een volk dat blij en opgetogen en beladen met goud en zilver op weg ging naar het beloofde land. Een machtig God die volken voor hen uit verdreef en zee en rivier drooglegde voor zijn volk.

Als DaniŽl zich op dit feest voorbereidt en hij de situatie van de kerk in zijn dagen ermee vergelijkt, zoekt zijn verdriet zich een uitweg in bidden en vasten. Heel zijn hart zet hij erop om inzicht te verkrijgen omtrent Gods raad, zijn plan met zijn volk. 'Smakelijk voedsel, zegt hij in vers 3, at ik niet, vlees en wijn kwamen niet in mijn mond, en ik wreef mij niet in met olie tot er drie weken verstreken waren.'


DE ENGEL DES HEREN VERSCHIJNT AAN DANIňL (vs.4vv)
Na die drie weken komt Gods antwoord. Er verschijnt aan DaniŽl een hemelse gestalte. Er zijn er die aan een gewone engel denken, maar daarvoor is de beschrijving van zijn uiterlijk toch te uitgebreid en te heerlijk, en zijn verschijning te imponerend. De profeet heeft vaker engelenverschijningen gehad, maar dit gaat daar ver boven uit.

We kunnen bij de man die DaniŽl aan de oever van de Tigris opzoekt, denken aan de Engel van de HERE. Wat we in de Schrift over deze Engel lezen, maakt duidelijk dat we in Hem te maken hebben niet maar met een gewone engel, maar met de nog niet geboren Christus. De Zoon van God voor zijn vleeswording. De Engel van de HERE, dat was de gestalte waarin de Here Christus optrad, voordat Hij als mens in Betlehem geboren werd. Dat het inderdaad om de Christus gaat, kan blijken uit een vergelijking met Openbaring 1. Daar lezen we dat de verhoogde Heiland na zijn hemelvaart nog een keer aan de apostel Johannes verschijnt, terwijl die in ballingschap op het eilandje Patmos zit. Als we Openbaring 1 lezen, valt het op hoezeer de beschrijving van de Man in het linnen in DaniŽl 10 parallel loopt aan die van de Zoon des mensen in Openbaring 1.

DE INDRUK VAN DE VERSCHIJNING VAN CHRISTUS OP DANIňL (vs.8,9) Dat de Christus Zelf aan de profeet verschijnt, moet wel een van de hoogtepunten geweest zijn in het leven van DaniŽl. Het maakt dan ook een overweldigende indruk op hem. Het is teveel voor hem. Bewusteloos slaat hij tegen de grond. Met zijn aangezicht ter aarde, zegt vers 9: in de houding van eerbiedige aanbidding dus!

In vers 15 lezen we nog eens dat de profeet met stomheid geslagen wordt door de hemelse verschijning. Maar beide keren raakt, net als in Openbaring 1 trouwens bij Johannes gebeurt, de Man in het linnen DaniŽl aan en stelt hem gerust: Wees niet bang, geliefde man, vrede zij met je, wees sterk, wees sterk! De imponerende Zoon van God is tegelijk teer en zachtmoedig! Hij die uit de hemel van de heerlijkheid komt en de glans ervan nog aan zijn gestalte meedraagt, komt naast DaniŽl staan en spreekt hem bemoedigend toe.

Toen zei hij: 'Wees niet bang, DaniŽl, want vanaf de eerste dag dat je inzicht probeerde te verkrijgen door in deemoed te buigen voor je God, is je gebed verhoord, en daarom ben ik gekomen. Maar de vorst van het koninkrijk der Perzen heeft mij een en twintig dagen tegengehouden. Vandaar dat ik er nu pas, na drie weken, ben'.


CHRISTUS TEGENGEHOUDEN DOOR DE VORST DER PERZEN (vs.13)
De vorst van het koninkrijk der Perzen. Wie is dat? Is dat Kores, de koning van de Perzen? Dat is niet aannemelijk. De koning van de Perzen heet in de profetieŽn van DaniŽl altijd 'koning' en nooit 'vorst'. Bovendien is de vorst der Perzen in DaniŽl 10 een min of meer gelijkwaardige tegenstander van de aartsengel MichaŽl. In de derde plaats wordt het woord vorst ook gebruikt voor de aartsengel MichaŽl en de engelen die bij hem horen.

Alles wijst erop dat we in de vorst van de Perzen een engel moeten zien. En wel een kwade engel. Een demon die de Perzen beÔnvloedt en stuurt, en die het Perzische hof ophitst tegen het volk van God. Als de Samaritanen er bij het Perzische hof op aandringen de herbouw van de tempel en van Jeruzalem te verbieden, dan zorgt hij ervoor dat die gemene plannen ingang vinden bij de Perzen. Hij is de pion van satan aan het Perzische hof. Handlanger van de oude slang die erop uit is Gods werk stil te leggen en zo de komst van Christus in de wereld te verhinderen.


DANIňL 10 GEEFT EEN BLIK ACHTER DE SCHERMEN
Hier in DaniŽl 10 krijgen we een blik achter de schermen. De Christus die aan DaniŽl verschijnt, licht met zijn spreken over de vorst van het koninkrijk der Perzen een tipje van de sluier op. Gods volk heeft de strijd maar niet tegen vlees en bloed, maar tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Het gaat maar niet tegen mensen, maar tegen bovenaardse machten, tegen demonen, duivelen (Efeze 6).

En we moeten ons van de macht van die satanstrawanten geen verkeerde voorstelling maken. De vorst van de Perzen hield het 21 dagen vol tegen de Christus. Pas toen MichaŽl te hulp snelde, werd het pleit beslecht.

Men heeft er wel vreemd tegen aan gekeken dat Christus pas na 21 dagen en dan ook nog met hulp van MichaŽl deze vorst der Perzen kon overwinnen. Er zijn uitleggers die om die reden van oordeel zijn dat de Man in het linnen die aan DaniŽl verschijnt, de Christus niet geweest kan zijn. Christus zou die vorst der Perzen immers met ťťn vingerknip de plaat laten poetsen!


MACHT VAN DE DUIVEL V””R GOLGOTA
Maar dan wordt vergeten dat we hier nog voor Golgota zijn! Daar, op Golgota, is satan de kop vermorzeld. Daar heeft Christus hem onttroond en te kijk gezet. Door het bloed van het kruis. Maar in de oude bedeling is satans macht om zo te zeggen, nog ongebroken. Hij heeft in deze tijd nog vrije toegang tot de hemel.

Dat weten we uit de geschiedenis van Job. We weten het ook uit het visioen van de profeet Zacharia over de hogepriester Jozua. Die Jozua was IsraŽls hogepriester bij de terugkeer uit Babel. Zacharia ziet hem voor God staan met besmeurde klederen. Een hogepriester onwaardig. Sterker: ze maken hem als hogepriester onrein en onbekwaam tot de uitoefening van zijn taak. Satan staat voor de hemelse rechtbank naast deze Jozua om hem bij God aan te klagen (Zacharia 3).

In de tijd van DaniŽl is de duivel nog ongebroken in kracht. In Openbaring 12 wordt de duivel aangeduid met een gekroonde draak. Hij is de overste van deze wereld. Pas na Golgota en na Christus' hemelvaart is de Here Jezus de Vorst der ere, in de troon naast zijn Vader. Pas door het bloed van het Lam wordt de satan machteloos. Zo staat het ook in Openbaring 12: satan is alleen te overwinnen door het bloed van het Lam en door vast te houden aan het getuigenis van Christus.

Buiten het bloed van het Lam en buiten het geloof in Christus, is satan onoverwinnelijk voor ons, mensen. Voor Golgota was hij zelfs in staat de Engel van de HERE drie weken op te houden. Pas met hulp van MichaŽl kon zijn verzet gebroken worden.

We moeten niet te snel zeggen: Christus kon de satan toch wel gemakkelijk op de vlucht jagen! Want DaniŽl 10 wil ons juist laten zien wat voor geduchte tegenstander de satan is met zijn demonenlegers. Niemand moet hem onderschatten. Je redt het niet tegen hem buiten het bloed van het Lam om. Alleen in Christus is hij te overwinnen.


SATAN ALLEEN IN CHRISTUS TE OVERWINNEN
Zo onthult DaniŽl 10 ons iets over de activiteit van de satan. Hij stuurt zijn trawanten naar het hof van de Perzische koning om daar Gods volk tegen te staan. En vers 20 spreekt van de vorst van Griekenland: de boze geest, die aan het Griekse hof actief is. Ook daarheen zendt satan dus zijn gewillige geesten. Aan het ene hof stimuleren ze tot geweld. In het andere paleis sporen ze aan tot verleiding. Elk middel is geoorloofd om de zaak van de HERE afbreuk te doen en om zijn volk schade toe te brengen.

De apostel Paulus waarschuwt ons in zijn brief aan de gemeente in Efeze (Ef.6) dat we maar niet te strijden hebben tegen vlees en bloed, maar tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Van tijd tot tijd merk je dat ook. Als iemand die voorheen met je naar de kerk ging en de Here diende, ineens volstrekt onbereikbaar is. Of als je machteloos moet toezien hoe mensen naar het kwaad gezogen worden. Als je merkt tot welke dingen mensen in staat zijn die zich vijandig tegen de Here en zijn evangelie opstellen. Dan gaat het niet meer om mensenwerk, maar om duivelskrachten. Denk aan Duitsland uit de Tweede Wereldoorlog, dat 6 miljoen joden vermoordde.


DE DUIVEL NA GOLGOTA
Wij leven na Golgota. Dat is onze rijkdom. Want tegen het bloed van het Lam en tegen het getuigenis van Christus kan de satan niet op. De wapenrusting die God ons aanreikt, is voor satan ondoordringbaar. En het zwaard van de Geest, het Woord van God, overwint hem. Maar dan moeten we bij Christus ook wel onze toevlucht zoeken! En ons bekleden met Zijn Geest.

Wij leven na Christus' hemelvaart. Dat betekent dat satan de genadeslag gekregen heeft en niet meer in de hemel mag komen. Hij is op de aarde geworpen. Maar dat betekent nog niet dat hij uitgeschakeld en onschadelijk is. Hij weet dat hij nog maar weinig tijd heeft. En dus stort hij zich met alle energie en alle intelligentie waarover hij beschikt op de kerk van Christus. Met geweld, met verleiding en met dwaalleer.

En wie dan niet vlucht tot Christus, wie niet telkens zijn sterkte weer zoekt bij God en wie telkens weer probeert onder het Woord van God uit te komen, die is een gemakkelijke prooi voor hem. We zullen de HERE telkens weer moeten bidden om kracht. Om onderscheidingsvermogen. Om standvastigheid. Om durf en lef. En we zullen ons telkens weer moeten houden aan het Woord van God.

CHRISTUS KRIJGT HULP VAN DE VORST VAN ISRAňL (vs.13v)
DaniŽl heeft gevast en gebeden vanwege de trieste situatie waarin het volk van God verkeerde. Veel van de ballingen waren niet teruggekeerd naar Juda. Zij die wel naar Jeruzalem waren teruggekeerd en aan de herbouw van de tempel begonnen waren, werden dwars gezeten door de Samaritanen, die hen treiterden en zwart maakten bij de Perzische koning. En ze waren in hun opzet geslaagd: de tempelbouw lag stil.

DaniŽl blijkt zich niet voor niets zorgen gemaakt te hebben. Er zaten inderdaad duistere machten achter de opstelling van de Perzen. De vorst der Perzen was actief: een door satan gezonden boze geest.

Maar de profeet krijgt meer te horen. Want nadat de Man in het linnen hem verteld heeft dat de vorst der Perzen 21 dagen tegen Hem heeft standgehouden, voegt Hij eraan toe: maar zie, MichaŽl, een van de voornaamste vorsten, kwam mij te hulp, zodat ik daar bij de koning der Perzen, de overhand behield.


WIE IS MICHAňL DIE CHRISTUS TE HULP KOMT?
MichaŽl. Zijn naam betekent: wie is als God? En heel zijn optreden legt getuigenis af van die weergaloze heerlijkheid van God. Denk bijvoorbeeld aan de eerbiedige houding die MichaŽl aanneemt tegenover de HERE als hij met de duivel in strijd gewikkeld is over het lichaam van Mozes. De brief van Judas vertelt dat hij dan zelf geen smadelijk oordeel over de satan uitspreekt, maar zegt: De HERE bestraffe u, satan! MichaŽl kent zijn grenzen en eerbiedigt Gods souvereiniteit. Hij doet niet wat hem niet toekomt. Hij kent zijn plaats en erkent God als Rechter. Deze MichaŽl is in de Schrift de overste van de goede engelen. Omdat hij zo gehoorzaam is, is hij ook zo sterk.

Deze MichaŽl is de Man in het linnen te hulp gekomen. En dat niet alleen. In 12:1 wordt zelfs nog meer direct van hem gezegd dat hij de zonen van DaniŽls volk terzijde staat. DaniŽl heeft gezien hoe zich aan de kant van de tegenpartij de vorst der Perzen aansloot. Er was geen enkele reden voor het volk van God om het gevaar te onderschatten. De strijd van Gods volk ging maar niet tegen vlees en bloed.

Tegelijk heeft de profeet mogen zien hoe zich aan de kant van de Christus MichaŽl opstelde, een van de voornaamste vorsten. Misschien wel de allervoornaamste. Dat is het evangelie van DaniŽl 10: hetzelfde hoofdstuk dat ons wijst op de activiteit achter de schermen van de satan, onthult ons ook hoe Gods engelen werken aan de voortgang van Gods werk. Zij zijn dienende geesten die zich beschikbaar hebben gesteld voor de dienst aan Gods heiligen.


CHRISTUS BETAALDE VOOR DE HULP VAN ENGELEN
Voor die engelenhulp heeft Christus tijdens Zijn leven op aarde betaald. Hij heeft van alle engelhulp bewust afgezien om die voor ons te betalen en te verwerven. Toen Hij geboren was, streden de engelen niet voor Hem, ze zongen alleen maar. Toen Hij in de woestijn verzocht werd door de duivel, hielden de engelen zich op een afstand. Zij kwamen Hem pas dienen in de woestijn nadat Hij in de verzoekingen had standgehouden. In Getsemanť kwam een engel bij Christus. Niet om Hem de lijdenslast van de schouders te nemen, maar juist om Hem aan te sporen de lijdensbeker tot de laatste druppel leeg te drinken. Lukas laat dat in zijn evangelie heel duidelijk uitkomen: En Hem verscheen in de hof van Getsemanť een engel om Hem kracht te geven (Luc.22:43). Maar Hij werd dodelijk beangst en bad des te vuriger. De kracht die de engel Hem kwam schenken was alleen maar om Hem des te sterker de lijdensnacht in te doen gaan.

Bij zijn arrestatie heeft Christus de engelenhulp zelfs uitdrukkelijk afgewezen. Christus zou zijn Vader om legioenen engelen hebben kunnen vragen, en Hij zou ze zo gekregen hebben! Maar Christus wil ze niet. Hij gaat de nacht van zijn lijden en sterven alleen in, om zo de engelwacht voor zijn volk te verwerven.

Na zijn lijden en sterven is Hij boven alle engelen verheven en zijn de engelenlegers Hem ter beschikking gesteld. Dat blijkt al bij zijn hemelvaart. MichaŽl en zijn legers binden dan de strijd aan tegen de satan en verdrijven hem voorgoed uit de hemel.

Gods volk mag zich in zijn strijd gesteund weten door hemelse engelenlegers. Zij allen zijn dienende geesten die worden uitgezonden ten dienste van hen die het heil zullen beŽrven. Zij strijden mee aan de zijde van de kerk, en de kerk mag weten dat zij die bij haar zijn, talrijker zijn dan die van de tegenpartij.

Deze engelen staan in voortdurend contact met hun hemelse Zender. De gelovigen en de kinderen van de gelovigen die door hen beschermd worden, mogen weten dat hun engelen dagelijks verslag uitbrengen aan hun hemelse Vader. En Hij instrueert zijn engelen om de Zijnen overal doorheen te dragen.

Dat is het evangelie van DaniŽl 10. De Man in het linnen wordt bijgestaan door MichaŽl. Dat is voorsmaak en voorspel van de tijd na Golgota, als aan Christus alle goede engelenlegers ter beschikking zullen staan.

In die tijd mogen wij nu leven. Wij mogen ons door Gods engelen op handen gedragen weten. Ze dragen je dwars door de gevaren en dwars door de moeiten heen. Zelfs als je sterft, dragen ze je. Dan dragen ze je in Abrahams schoot. Dan ontvang je een plaats temidden van de gemeente der uitverkorenen. Des HEREN Engel schaart Zich als een grote legermacht rondom Hem die Gods wil betracht: zo is hij welbewaard! (Ps.34)


CHRISTUS TRIOMFEEERT ALS DE VORST DER ENGELEN
In hoofdstuk 9 hoorden we dat DaniŽl nog tijdens zijn gebed werd onderbroken door de engel GabriŽl. Gods antwoord kwam terwijl de profeet nog aan het bidden was. Zo gaat het niet altijd. Dat blijkt al meteen in DaniŽl 10.

In dit hoofdstuk moet de profeet drie weken op antwoord wachten. Drie weken van intensief en aanhoudend gebed. Drie weken lang zet DaniŽl zijn hart erop om inzicht te krijgen. Drie weken lang verootmoedigt hij zich diep voor God, laat hij alle luxe staan en gunt hij zich zelfs de tijd niet om zijn huid te verzorgen. Al die drie weken lijkt de hemel van koper. Er gebeurt niets. De profeet hoort niets. Hij bidt, maar er komt geen antwoord. Zou de HERE wel horen? Of zou de HERE hem maar laten roepen?

Op de vierentwintigste van de eerste maand, verschijnt dan de Man in het linnen. Hij begint met een geruststelling. Hij heeft een boodschap voor de profeet. En dan zegt de Engel van de HERE in vers 12: 'Vrees niet, DaniŽl, want van de eerste dag af dat ge uw hart erop gezet hadt om inzicht te verkrijgen en om u voor uw God te verootmoedigen, zijn uw woorden gehoord, en ik ben gekomen op uw woorden. Maar ... de vorst van het koninkrijk der Perzen stond een en twintig dagen tegenover mij. Totdat MichaŽl mij te hulp kwam en ik bij de koningen van de Perzen de overhand behield. En ik ben gekomen om u te verstaan te geven wat uw volk in het laatst der dagen overkomen zal, want wederom krijgt u een gezicht aangaande de toekomst' (vert. '51).

DaniŽls gebed is van de eerste dag af gehoord. God is ook meteen begonnen actie te ondernemen. Maar zijn actie vergde tijd: De vorst der Perzen moest bedwongen worden. Terwijl DaniŽl bad en bad en bad, en het idee had: 'er verandert niets, word ik wel gehoord?' was de HERE volop bezig om aan zijn gebed gevolg te geven. De Man in het linnen was onderweg!

Het kan wel eens lijken alsof de HERE maar niet hoort en niets onderneemt op ons gebed. Terwijl Hij intussen al begonnen is er gehoor aan te geven. Hoe lang heeft IsraŽl in Egypte geroepen! En het juk van Farao werd niet verlicht. Maar intussen was Mozes geboren en werd hij opgevoed aan het Egyptische hof en werd hij later gastvrij door Jetro opgenomen in diens volk. IsraŽl merkte nog niets terwijl het maar riep en riep en riep, maar intussen was God al bezig de verlosser van IsraŽl klaar te maken voor zijn werk!

Na drie weken komt de Man in het linnen dan eindelijk bij DaniŽl. Maar dan heeft Hij ook een voortreffelijke boodschap. Hij heeft zwaar moeten vechten, maar Hij heeft de overhand behouden bij de koningen der Perzen. Dat wil zeggen: satan heeft geprobeerd de Perzische koningen op te hitsen tegen Gods volk, maar de Christus heeft Hem overwonnen. Koning Kores en zijn opvolgers zullen IsraŽl welgezind blijven en het werk aan stad en tempel van Jeruzalem zal voortgang vinden! Christus triomfeert!

Zo is het ook gegaan. In het jaar 515 voor Christus, ruim twintig jaar na de terugkeer uit Babel is de tempel herbouwd. En in de dagen van Nehemia, zo rond 445 voor Christus, is de stad zelf met haar muren en poorten herbouwd.


ER WACHT ISRAňL NOG VEEL VERDRUKKING
Maar Christus, de Man in het linnen, heeft nog meer te zeggen. Hij komt DaniŽl vertellen wat er na de tijd van de Perzen zal gebeuren. Je kunt dat allemaal heel gedetailleerd voorzegd vinden in hoofdstuk 11. De vorst van Griekenland zal komen. Uit dat Griekse rijk zullen vier andere rijken ontstaan. En van twee daarvan zal IsraŽl enorm veel last ondervinden. Ook hoofdstuk 11 loopt uiteindelijk uit op een profetie van die antichristelijke koning Antiochus Epifanes, over wie het in DaniŽl 8 ging.

Er staat IsraŽl dus nog heel wat verdrukking te wachten. Maar de profeet mag ook het einde van die vreselijke wreedaard beluisteren: hij komt aan zijn einde, zonder dat iemand hem helpt (11:45).

Satan heeft niet kunnen voorkomen dat de Man in het linnen, de Christus voor Zijn vleeswording, tot DaniŽl kwam. Hoezeer de vorst der Perzen zich tegen Hem verzette, Christus is door zijn linies heen gebroken. Daarna heeft de oude slang opnieuw zijn staart geroerd. De antichristelijke koning Antiochus Epifanes heeft IsraŽl op vreselijke en godslasterlijke wijze verdrukt. Maar ook dat heeft niet kunnen voorkomen dat de Zoon van God in de volheid van de tijd naar de wereld gekomen en mens geworden is. Hij heeft zijn werk gedaan en op Golgota satan de genadeslag toegebracht. In zijn bloed is er vergeving voor allen die met hun zondeschuld tot Hem vluchten.

Na Zijn volbrachte werk is Christus naar de hemel opgevaren. Daar is Hij door zijn Vader bekleed met alle macht in hemel en op aarde. Alles is aan Hem onderworpen. Ook de engelen.

Vanuit de hemel is de Zoon des mensen nog een keer verschenen hier op aarde. Aan de apostel en profeet Johannes op het eiland Patmos. We lezen erover in Openbaring 1. Hij is aan hem verschenen om hem te onthullen hetgeen weldra geschieden zou.

Het wachten is nu op zijn wederkomst op de wolken van de hemel. Opnieuw zal zijn volk het zwaar te verduren krijgen. De draak stort zich met al zijn grimmigheid op degenen die van Christus zijn. De mens van de wetteloosheid maakt zich sterk en de antichrist verheft zich.

Maar in dat alles mogen wij nu al meer dan overwinnaars zijn door Hem Die ons heeft liefgehad. Christus. De Man in het linnen. Geen satan houdt Hem tegen. Hij commandeert zijn engelenlegers en dirigeert ze naar de plaatsen waar het nodig is. Zijn koninkrijk komt vast en zeker: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.





In het Reformatorisch Dagblad van 8 september 2014 stond het bovenstaande artikel, dat ik u niet wil onthouden.










HET EINDE VAN ANTIOCHUS EPIFANES DANIňL 11


Het vorige hoofdstuk, Dan. 11, liep uit op een profetie over de opkomst en glorie van Antiochus Epifanes, en over zijn plotseling en roemloos einde. Hij komt aan zijn einde, zie 11:45, zonder dat iemand hem helpt.

Maar met zijn dood zal er geen einde komen aan de ellende. Er zal zelfs een periode aanbreken waarin de gruwelen van Antiochus Epifanes nog zullen worden overtroffen.

In 12:1 wordt een tijd aangekondigd van grote benauwdheid, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan tot en met de tijd van Antiochus Epifanes toe: de laatste dagen waarin vele antichristen zullen uitgaan en de mens van de wetteloosheid zich zal laten gelden.

Die laatste dagen zullen uiteindelijk gevolgd worden door de jongste dag waarop alle mensen zullen opstaan: de een tot eeuwig leven, de ander tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.

Excurs:

Over DaniŽl 11 schrijft drs. J.G. van der Land: "De gebeurtenissen die genoemd worden in DaniŽl 11:40-45 hebben geen betrekking op Antiochus IV. Dit gedeelte gaat over een koning die zal omkomen in Palestina. Antiochus IV stierf in Tabae, in PerziŽ. Vanaf DaniŽl 11:40 gaat de profetie over de antichrist. Antiochus IV was het type van de antichrist." (p. 6). De "hem" in vers 40 is echter dezelfde als de "hij" uit vers 39, namelijk Antiochus IV. De term "eindtijd" mag ons niet laten verleiden aan een eschatologische figuur te denken. In het boek DaniŽl "is het geen specifiek eschatologische term; hier wordt klaarblijkelijk bedoeld de tijd waarop het met de van vs. 21 af getekende koning ten einde loopt" (Aalders, a.w., p. 298).

Verder moeten we bedenken dat in vers 45 niet staat: "daar komt hij aan zijn einde", maar: "dan komt hij aan zijn einde". Dat de koning in Palestina aan zijn einde komt staat er dus niet. Wel wordt er een verband gelegd tussen zijn verblijf in Palestina en zijn dood: "Dat van dat verblijf in het Joodse land zo vlak vůůr de voorzegging van zijn dood wordt geprofeteerd, is zeer begrijpelijk; het is de bedoeling te laten uitkomen hoe de wreedaardige tiran, door wie de Joden zoveel te lijden zullen hebben, voor het laatst zijn voet op Palestijnse bodem zet; hij is dan op zijn laatste tocht, die met zijn dood zal eindigen." (Aalders, a.w., p. 304). Er is dan ook geen reden DaniŽl 11:40-45 niet op Antiochus IV te betrekken.
( Bijbel, Geschiedenis en Archeologie van september 1997)

De kern van de profetie van DaniŽl 11 wordt gevormd door de strijd tussen de koning van het zuiden en de koning van het noorden. Het volk van God woont in Sieraadland. Het blijkt totaal klem te zitten tussen beide grootmachten die vechten om de heerschappij in het Midden-Oosten. Twee vorstenhuizen: de Seleuciden in SyriŽ/AntiochiŽ en de PtolemaeŽn in Egypte/AlexandriŽ.

Ze zijn bewonderaars van de Griekse godsdienst en cultuur. Ze bevorderen dan ook in de gebieden waarover ze macht hebben gekregen op geforceerde wijze de Griekse of hellenistische cultuur.

Het volk van God in het beloofde land krijgt in de profetie een bemoediging om zich voor te bereiden op de geestelijke confrontatie met het heidendom van die tijd.

De profetie van DaniŽl 11 geeft een politieke blauwdruk van de nabije toekomst. Het volk weet dus wat het te wachten staat. Er komt een einde aan de onderdrukking. God kent de toekomst, Hij is trouw aan zijn beloften en Hij beheerst de geschiedenis. Zijn zorg staat er garant voor dat uiteindelijk de vrede zal komen en dat zijn Zoon alle macht krijgt in de hemel en op de aarde.

Wordt vervolgd)