GERT SLINGS<B>EZRA-NEHEMIA-HAGGAI</B>  


 





EZRA - NEHEMIA - HAGGAI


wordt nog aan gewerkt





De profeet HaggaÔ

James Tissot 1836 Ė 1902

aquarel ó ca. 1888



  Gert Slings - <B>BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN</B>




BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN


INLEIDING


Heel wat jaartjes ben ik medewerker geweest aan Rechte Sporen, een maandblad voor het verenigingswerk onder gereformeerde jongeren.
Hierin heb ik ondermeer bijbelstudies (in schetsvorm) geschreven. Ze gaan over verhalende, historische stof.

Ieder kan daar naar eigen inzicht gebruik van maken. Ze zijn niet alleen voor jongeren geschikt. Ik weet dat ook ouderen er met vreugde mee hebben gewerkt. Ze zijn bijvoorbeeld op vrouwenverenigingen gebruikt.

Mijn uitgangspunt is dat de mensheid (dus ook u en ik) opgenomen is in de grote geschiedenis van paradijs tot wederkomst met als centrum de Here Jezus Christus. Heel die geschiedenis wordt bepaald door Gods plan om door Christus verlossing of heil te brengen. Daarom wordt die geschiedenis ook wel heilsgeschiedenis genoemd. In elk bijbelgedeelte probeer ik na te gaan, welke betekenis dat heeft in Gods heilsgeschiedenis.

Ik heb het schrijven van deze bijbelstudies voor jongeren als een groot voorrecht beschouwd.
Wat is er mooier dan het Woord uit te leggen voor meer dan 10.000 jongelui, alleen al in Nederland.
Voor Canada, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland werden de bijbelstudies in het Engels vertaald. Ze verschenen in het blad My Live.

Ik ben benieuwd naar uw oordeel. Laat het me weten. Ik kan er dan mijn voordeel mee doen. Alvast hartelijk dank.



Gert Slings





GEBRUIKSAANWIJZING

De meest eenvoudige vorm is de volgende:

. U leest eerst het Schriftgedeelte in z'n geheel rustig door. Laat het goed op u inwerken.
Wellicht is er bij u een vraag opgekomen. Of hebt u al een mening gevormd of het gedeelte.

. Vervolgens leest u per pericoop de bijbelstudie door. Er zal veel instaan, wat u al wist. Maar misschien bevat ze ook informatie waarvan u nog niet op de hoogte was. Als u dat belangrijke informatie vindt, probeer dat dan op te slaan en vast te houden.

. Het is goed mogelijk dat u tot een heel andere uitleg komt. Dat is niet slecht, want dan hebt u al een mening gevormd. Dat kan niet iedereen zeggen. Binnen exegese van een gedeelte is soms ruimte voor een verschillende uitleg. Dat noemt men de vrijheid van de exegese.

. Uw bijbeltje moet u bij de hand houden om de stukjes nog eens te lezen. Maar ook om de verwijzijgen naar andere gedeelten op te zoeken. Vaak hebben die te maken met de grote lijnen in de Schrift.

. Ik wil u in overweging geven de bijbelstudie te beginnen met een kort gebed, waarin u vraagt om de leiding van de Heilige Geest. En te besluiten met een kort dankgebed, waarin u aan de Here vertelt, wat u zo mooi vindt in dit gedeelte of waar u het zo moeilijk mee hebt.







EZRA-NEHEMIA-HAGGAI (in ontwerp)


De HERE gebruikt Kores voor de voortgang van zijn dienst Ezra 1 en 2


Inleiding

Heb je wel eens een partijtje schaak gespeeld? Jij bepaalt dan, waar je je stukken neerzet. Alles gaat uiteindelijk om de koning. De andere stukken staan in zijn dienst.

Geloof je dat alle groten der aarde speelstukken zijn in de hand van God? De presidenten van de Verenigde Staten en Rusland, de leiders van de supermachten: instrumenten in Gods hand. Houd je daar wel voldoende rekening mee, als je de krant leest?

Geloof je ook, dat alles in jouw leven door God wordt geleid? En dat zijn onwankelbare beloften ook voor jou gelden, al schudt jouw leven op zijn grondvesten?


Wie is de schrijver van het boek Ezra?

Uit het feit dat over Ezra nogal eens in de 3de persoon gesproken wordt valt af te leiden, dat het boek niet door Ezra zelf is geschreven. Hij is wel de hoofdpersoon van het boek, zeker van het 2de deel, maar hij is niet de auteur ervan. Vrij algemeen gaat men ervan uit dat de schrijver van het boek Ezra dezelfde is als van Nehemia. Die twee boeken zouden ook aanvankelijk een tweedelig werk gevormd hebben. Ondertussen wordt vanaf 7:27 over Ezra ook in de eerste persoon gesproken. Er wordt geciteerd uit het dagboek of de memoires van Ezra. De auteur heeft dus de eigen geschriften van Ezra geraadpleegd en geciteerd. Bij het lezen van het boek Ezra stuit men op meer bronnen waaruit de schrijver geput heeft. De hoofdstukken 4-6 bevatten een aantal documenten uit de koninklijke archieven. We worden met historische feiten geconfronteerd, die met notariŽle precisie zijn geboekstaafd. Het was in de officiŽle rijksarchieven terug te vinden.


Een klein stukje voorgeschiedenis

In 722 voor Chr. is het tienstammenrijk door de AssyriŽrs in ballingschap gevoerd. Rond 600 voor Chr. is de beurt aan Juda. In drie etappes wordt Juda weggevoerd. De laatste etappe is 586, wanneer Jeruzalem wordt ingenomen en de tempel verwoest.

Hoe de profeet Jeremia het volk ook gewaarschuwd heeft voor het oordeel van God, men heeft niet willen luisteren. Lees als voorbeeld eens Jeremia 13:15-27.

En in 586 is het dan definitief afgelopen. De HERE voltrekt de wraak van het verbond, waarover Hij al door Mozes zoveel eeuwen tevoren had gesproken (Zie bijv. Deut.28:58-64). Juda werd uit het beloofde land verdreven en moest in den vreemde leven als door God verstoten. De kerk was van de aarde weggevaagd en verstrooid onder alle volken.

Het was een strijd op leven en dood voor al die verstrooide kinderen van God. Zie vs.4: ieder die overgebleven is. Dat was de keiharde realiteit toen Kores aan het bewind kwam in Babel. De kerk was als tot niets gekomen. En de wereld had ingrijpende omwentelingen te verstouwen gekregen.


Wie is koning Kores?

Kores is de Hebreeuwse weergave van Cyrus. Hij was in 559 voor Chr. koning geworden van een rijkje aan de Tigris. Babel was toen wereldmacht nummer 1. In een paar jaar had Babel een eind gemaakt aan de Assyrische opperheerschappij in de wereld en werd aan Egypte een vernietigende nederlaag toegebracht.

Babel had de wereldheerschappij op dat moment stevig in handen. In 586 nam Babel Jeruzalem in. De tempel was verwoest.

Voor koning Cyrus was in die tijd tot nu toe maar een kleine rol weggelegd. Opeens komt er in dat kleine rijkje beweging. In 550 voor Chr. weet Kores de koning van MediŽ te verslaan, aan wie hij ondergeschikt was. Daarmee breidt hij zijn gebied enorm uit. Hij laat zich nu koning van PerziŽ noemen. Na nog verscheidene andere koningen overwonnen te hebben, maakt hij in 546 een eind aan het rijk van de schatrijke koning van LibiŽ, Croesus.

Kores gaat ook de strijd aan met Babel. In 539 komt het tot een gewapend treffen aan de Tigris. Kores komt als overwinnaar uit de strijd. Belsazar moet Babel overgeven en wordt gedood. Cyrus doet zijn intrede in Babel en wordt als koning van Babel gehuldigd. In 20 jaar tijd heeft Kores het hele oosten aan zich onderworpen. De HERE maakt hem voorspoedig op al zijn tochten.

De HERE gaat Kores gebruiken als zijn instrument (vs.1)

Ezra 1:1 gaat dus over 538 voor Chr., wanneer Kores koning van Babel is geworden. Maar hij was toen al 10 jaar koning van PerziŽ. Hoe kan dat? Hier wordt gerekend vanuit het standpunt van IsraŽl. Tot 538 had het gezucht onder het juk van Babel. Nu had Cyrus de macht overgenomen. Vandaar het eerste jaar.

Welke les kunnen we hieruit trekken? De schijnwerpers worden gericht op het wereldcentrum van die dagen: Babel, Kores. Maar heel die wereldgeschiedenis blijkt te staan in het raam van de kerkgeschiedenis. Want er wordt gerekend naar de klok van IsraŽl. Naar de klok van Gods volk.

De HERE had door Jeremia beloofd dat het Babylonische rijk na 70 jaren wereldheerschappij ten onder zou gaan. "Dan zal ik naar u, IsraŽl, omzien en u naar het beloofde land terugbrengen en u een hoopvolle toekomst geven" (zie Jeremia 29:10-14).

Die belofte gaat de HERE nu vervullen. Hij port Kores op om aan IsraŽl toestemming te verlenen terug te keren naar Juda en Jeruzalem. Machtig is dat. Ondanks alle veranderingen op wereldniveau, ondanks het bijna geheel weggevaagd zijn van de kerk, bleef Gods belofte van kracht. Alles in die dagen bleek wankel, alles werd ondersteboven gekeerd, maar Gods belofte aan Jeremia bleef onwankelbaar.


Was Kores een gelovige? (vs.2 en 3)

Geloofde Kores in God? Hier spreekt geen gelovige, maar een politicus. Wat hij hier over de HERE zegt, heeft hij ook gezegd over de Babylonische god Bel. Hij heeft heel wat volken naar hun landen laten terugkeren en heel wat tempels voor hun goden laten herbouwen. Niet alleen Kores, maar ook zijn opvolgers hebben die politiek gevolgd.

Assur en Babel hadden hun rijken in stand gehouden door slachtpartijen en wegvoeringen, de Perzen kozen voor een andere tactiek. Zij probeerden hun onderdanen voor zich te winnen door hen weer in hun eigen land te laten wonen en naar hun eigen gebruiken te laten leven. En de goden van die onderworpen volken trachtte men gunstig te stemmen door aan de dienst van die goden allerlei mogelijkheden te geven. Dus het ging hen erom hun onderdanen te vriend te houden.

Tegen die achtergrond moet de oproep of het edict van Kores gelezen worden. Dat is dus geen geloofsbelijdenis, maar een politieke handigheid.


Waarom staat het edict van Kores in de Bijbel?

Dit edict is in de bijbel opgenomen om te laten zien hoe machtig onze God is. Dat Hij zelfs een Cyrus die van Hem in feite helemaal niets weten wil, toch gebruikt om zijn belofte te vervullen. Want dat is het wat hier gebeurt. Hier blijkt de wereldgeschiedenis gebruikt te worden in dienst van de kerkgeschiedenis. De datering in vs.1 wees al in die richting. De machtigste man ter wereld werd gedateerd naar IsraŽls klok.

Maar nu gaat het helemaal duidelijk worden. Want waarom hadden er van die kolossale omwentelingen plaats gevonden in de internationale machtsverhoudingen? Het was allemaal omdat de HERE een man op de wereldtroon wilde hebben die zijn volk weer terug zou doen keren naar Jeruzalem. En die de tempel in Jeruzalem weer zou laten herbouwen. Dat was de verklaring voor al die ingrijpende ontwikkelingen van die afgelopen jaren op het toneel van de wereldpolitiek.

Hij wilde zijn belofte aan Jeremia gaan vervullen. Hij was het die aan Kores alle koninkrijken der aarde gaf. En Hij deed dat alles opdat Kores zijn volk zal laten gaan en opdat zijn huis in Jeruzalem herbouwd zou worden.

Het is zoals God in Jes.45:1-8 van Kores zegt:
"Ter wille van mijn knecht Jakob en van IsraŽl, mijn uitverkorene, riep ik u bij uw naam en gaf ik u een erenaam, hoewel gij Mij niet kendet. Ik gordde u, hoewel gij Mij niet kendet, opdat men het wete waar de zon opgaat en waar zij ondergaat, dat er buiten Mij niemand is. Ik ben de HERE en er is geen ander, die het licht formeer en de duisternis schep, die het heil bewerk en het onheil schep; Ik, de HERE, doe dit alles."
Machtige regels, hŤ!

Kores zegt in zijn edict dat de HERE hem heeft opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem. De HERE heeft hem daartoe aangezet. De machtigste vorst der aarde blijkt een goed instrument in Gods hand. Hij werd door de HERE gebruikt met het oog op de voortgang van Gods dienst. Dat is het heerlijk evangelie van dit gedeelte.


De HERE eist zijn schatten voor Zich op (vs.4)

De terugkerende Joden moesten door hun stadgenoten geholpen worden, volgens de bepaling van Kores, met zilver, goud, have, vee en kostbaarheden. Niet alleen volksgenoten, maar plaatsgenoten. Ook niet_Joden dus. Die allen moeten helpen bij de herbouw van Gods huis. De HERE eist ook van die heidenen schatten op voor de herbouw van zijn huis.

Zoals IsraŽl indertijd uit het diensthuis van Egypte was vertrokken, beladen met geschenken van de Egyptenaren, zo ging het nu weer. Indertijd was dat gebeurd op bevel van een tegenstribbelende Farao, hier gebeurt het op bevel van een gewillige Perzische koning. Maar het volk gaat, beladen met schatten voor het huis van de HERE in Jeruzalem.

In die terugkeer van de Joodse ballingen uit Babel blinkt Gods majesteit en heerlijkheid. Hier blijkt waar te zijn, wat de HERE bij monde van de profeet Haggai zegt:"Van Mij is het zilver en van Mij is het goud".(2:9) En Ik eis soeverein op wat Ik nodig heb voor de voortgang van mijn werk en mijn dienst.

De HERE eist al die schatten uit Babel op voor Zichzelf. Het zijn ten diepste niet de Joden die met die geschenken vereerd worden, het is de HERE die ermee gediend wordt.


De HERE zorgt voor enthousiasme onder de ballingen (vs.5-11)

Natuurlijk kan zo'n tocht niet in een handomdraai plaats vinden. Langdurige voorbereidingen zijn nodig geweest. En _ let daarop_ de HERE wekt in de geest van de mensen enthousiasme om mee te gaan. Hij opent het hart van velen om met verlangen te denken aan het land der vaderen. Zij zijn ermee bezig in het geloof.

Kores geeft de schatten mee, die eenmaal uit de tempel zijn geroofd. Al die gewijde vaten geeft hij in handen van de leider van deze uittocht, Sesbazzar. Dat moet wel de Babylonische naam zijn van Zerubbabel, een prins uit het huis van David, een kleinzoon van Jojachin.


Wie gaan er mee terug naar Jeruzalem? (Ezra 2)

In hoofdstuk 2 lezen we wie er allemaal meegaan. Het zijn in hoofdzaak mensen uit de stammen Juda en Benjamin. In hoofdzaak, want de mensen die in 2:2 genoemd worden zijn uit andere stammen. En als ze later gaan offeren, worden er offers gebracht voor al de twaalf stammen. Zie 6:17.

De leiders vertegenwoordigden dus het hele volk, de ganse kerk van die dagen. Het waren 42.360 mensen. Nu behoeven jullie dat 2de hoofdstuk niet uit te pluizen. Maar het is wel goed te weten dat er niet veel edelen bij waren. Je zou kunnen zeggen dat het eenvoudige mensen waren.

Dan valt ons nog een ding op, nl. dat er zo weinig Levieten mee teruggaan. Van de priesters zijn er veel meer. De Levieten hadden een goed bestaan in Babel. Ze waren liever geen dorpelwachters in het huis van hun God. Maar waar het hun goed ging, daar was hun vaderland.

Het is dus maar een deel van de ballingen, dat terugkeert. Maar in deze groep gehoorzame en gelovige mensen is het hele volk begrepen. Zo gaat God een nieuwe begin maken. En dat doet Hij door deze emigratie. Zo baant Hij de weg naar Christus. Dat is ook de weg naar ons heil, onze verlossing.


Aantekeningen bij Ezra 1 en 2

God is trouw aan zijn beloften. Zijn beloften zijn onwankelbaar en betrouwbaar. De HERE heeft zijn Zoon in deze wereld gezonden als vervulling van zijn beloften in het paradijs gedaan. En heel de geschiedenis van de oude bedeling, die geschiedenis van zonde en afval, van oorlogen en catastrofes, dat alles heeft die beloften nooit ongedaan kunnen maken. Christus is gekomen als vervulling van de beloften aan de vaderen gedaan. En Christus heeft door zijn bloed de grondslag gelegd voor de volkomen vervulling van al Gods beloften in het nieuwe Jeruzalem. In Christus zijn al Gods beloften ook nu vast en zeker. Christus zal met zijn kerk zijn al de dagen tot aan de voleinding der wereld. En Hij zal haar brengen in het nieuwe Jeruzalem als de gemeente der uitverkorenen.

Hoe heeft de HERE dat bewezen in de geschiedenis van zijn kerk! Telkens als de kerk zuchtte onder het juk van goddeloze leringen en daaronder dreigde te verstikken dan bracht de HERE uitkomst naar zijn belofte. Hij voerde in de 16de eeuw zijn kerk onder het roomse juk vandaan. Hij verloste hen uit de Babylonische ballingschap van de kerk in de 16de eeuw, zoals Luther het noemde. En God hergaf zijn volk de vrijheid ook in de negentiende eeuw in Afscheiding en Doleantie toen het modernisme de kerken tiranniseerde en er geen ruimte meer bleek voor het daadwerkelijk leven naar Gods Woord.

En in de twintigste eeuw gaf de HERE de Vrijmaking, waarin Hij het juk van een bovenschriftuurlijke binding aan synodebesluiten verbrak. En in de Vrijmaking heeft de HERE zelfs laten zien hoe Hij zijn kerk in vrijheid voert, ook al staat de wereld in brand. De HERE komt zijn beloften na, hoe het er ook voor staat. Zo zal de HERE blijven zorgen ook in de toekomst. De schepter der goddeloosheid zal niet blijven rusten op het erfdeel der heiligen (Ps.125).

De HERE regisseert het wereldgebeuren zo, dat het zijn werk en zijn dienst ten goede komt. Hij maakt de wereldgeschiedenis dienstbaar aan de kerkgeschiedenis. Hij effent voor Cyrus de weg naar de wereldtroon, opdat die de tempel van God weer laat herstellen en opdat Gods volk hem weer zou dienen ter plaatse waar Hij gediend wil wezen. En dit is niet de enige keer dat de wereldgeschiedenis dienstbaar werd gemaakt aan de kerkgeschiedenis. Zo is het voortdurend geweest. Heel de geschiedenis door.

Zo wordt ruim 500 jaar na Kores aan het begin van onze jaartelling de Romeinse keizer Augustus gebruikt om de Christus in Betlehem geboren te doen worden. En in de zestiendede eeuw van de grote hervorming zijn het de uit het oosten oprukkende Turken die de Duitse keizer Karel V zoveel werk en overlast bezorgen, dat die roomse keizer niet ook nog eens in eigen land Luther kan bestrijden. Zo kan dank zij het politieke gevaar van de oprukkende Turken de hervorming in Duitsland zich tamelijk ongestoord uitbreiden.

Het Lam dat in de troon staat, regeert heel de wereldgeschiedenis. En Hij gebruikt zelfs Turken zijn volk ten goede. Hij bewijst Zich, in zijn regering van alle dingen, het Hoofd van zijn christelijke kerk. We kunnen het nog iets scherper zeggen. Vaak zegt men: de kerk staat centraal in de wereldgeschiedenis. Alles draait om de kerk. Heel de wereldpolitiek wordt door de HERE gebruikt ten behoeve van zijn volk. Als het zo gezegd wordt is het niet onjuist. Zo zegt Jesaja 45 het. Ter wille van mijn knecht Jakob en ter wille van IsraŽl mijn uitverkorene.

Maar Ezra 1 leert het ons nog net iets scherper. Want we moeten de kerk niet verabsoluteren. De wereldgeschiedenis draait niet om IsraŽl op zich. Om de kerk op zich. De wereld draait om de HERE en om zijn dienst. De HERE zoekt in heel de wereldgeschiedenis de voortgang van zijn werk en van zijn dienst. En natuurlijk houdt dat in, dat de kerk van de HERE ook centraal staat. Maar dan nooit als een zelfstandige grootheid die heerlijkheid in zichzelf zou hebben. Maar de kerk staat altijd centraal in haar verbondenheid met de HERE. Juist als kerk van de HERE. Om Hem gaat het bovenal.

De HERE, de God van de hemel, zegt Kores, heeft mij opgedragen HEM een huis te bouwen in Jeruzalem. (vs.2) En alle IsraŽlieten uit het twee- of uit het tienstammenrijk mogen optrekken naar Jeruzalem en daar bouwen het huis van de HERE, de God van IsraŽl, die in Jeruzalem woont.(vs.3) Let op de nadruk die op God valt. Het edict van Kores geeft maar niet de ballingen verlof om terug te keren. Het geeft opdracht om de tempel in Jeruzalem te herbouwen voor God. Het gaat in dit hoofdstuk niet om vrijheid voor IsraŽl, maar om de voortgang van de dienst van God. Op weg naar de komst van Christus.




Gods volk viert de hervatting van de tempelbouw Ezra 3


Inleiding

In Haggai 1 wordt het volk aangespoord de tempel te herbouwen. Ze wonen zelf in mooie huizen, terwijl de tempel verwoest ligt. Hebben de kerkmensen vandaag genoeg voor de kerk over?


IsraŽl herbouwt het brandofferaltaar (vs.1 en 2)

IsraŽl is teruggekeerd uit Babel. Vooral veel families uit Juda en Benjamin. Ze maakten gebruik van de mogelijkheid, die Kores bood om terug te keren naar Jeruzalem om de tempel te herbouwen. Bij hen voegen zich ook families uit de priesters en de Levieten.
Het aantal uit het tienstammenrijk is heel beperkt gebleven. Wat uiteindelijk terugkeerde was een rest, zoals Jesaja al profeteerde. Maar die rest, dat overblijfsel wordt in Ezra en Nehemia steeds genoemd: geheel IsraŽl, heel het volk.

Al gauw na aankomst breekt de zevende maand aan, een belangrijke maand voor IsraŽl. Een feestmaand. De maand begon op de eerste dag met een Nieuwemaansfeest, op de 10de was het Grote Verzoendag, terwijl van de 15de tot de 22ste het Loofhuttenfeest werd gevierd. Dat laatste was het feest van het volk van God.

Als deze zevende maand aanbreekt, verzamelt het volk zich als ťťn man in Jeruzalem. Maar daar is helemaal niets! Geen tempel, zelfs geen altaar! Ze besluiten een brandofferaltaar op te richten. Hoe zal er toekomst voor hen zijn, als er geen verzoening over hun zonden gedaan wordt? Het komt op precies dezelfde plaats als het altaar in de tempel van Salomo.

Terugkeer naar Gods Woord (vs.2,4,8,9)

Waarop moet je nu goed letten? Allereerst dat de ballingen zich zo heel nauwkeurig houden aan Gods voorschriften, zoals die in dit geval door David, IsraŽls grote koning, zijn uitgevaardigd. Die nauwgezetheid met betrekking tot Gods verordeningen valt in heel Ezra 3 te constateren. Zie vs.2,4,8 en 9.

De teruggekeerde ballingen blijken ook teruggekeerd te zijn tot Gods Woord en tot het nauwgezet onderhouden daarvan. Hun vaderen waren in ballingschap gevoerd, omdat ze Gods wet hadden verworpen, en omdat ze niet hadden willen luisteren naar de profeten die God hun had gezonden. Maar deze verloste ballingen tonen hun dankbaarheid jegens God in een nauwgezet leven naar zijn Woord.


De offerdienst hersteld (vs.3-5)

De teruggekeerden worden bepaald niet met open armen ontvangen. De mensen die na de wegvoering van het tienstammenrijk en van Juda in Kanašn zijn blijven wonen en de mensen die daar waren komen wonen, bv de Samaritanen, behandelen hen vijandig. Die zien in die teruggekeerde ballingen indringers die hun steden en akkers in bezit kwamen nemen. Er was vrees voor de bewoners die openlijk vijandig stonden tegenover de ballingen.

Maar de teruggekeerde JudeŽrs benadrukten daartegenover dat zij de oorspronkelijke bewoners van het land waren. En om dat te onderstrepen richtten ze het altaar op precies op de plaats van het oude altaar. Tegenover de Samaritanen gaven zij te kennen het ware IsraŽl te zijn, dat de oude lijn doortrok en dat dus de oudste rechten had.

Het is ook opvallend, hoe de teruggekeerde ballingen aansluiten bij de kerkgeschiedenis van voor de ballingschap. Ze keren niet alleen terug tot het Woord van God, maar ze sluiten zich ook aan bij het spoor dat dit Woord door de geschiedenis trekt. Dat blijkt, als ze het brandofferaltaar herbouwen op exact dezelfde plaats als het oude.

De teruggekeerden zoeken bescherming bij de HERE. Door het bloed dat wijst naar Christus. Voor de ogen van de vijandige volken vieren ze het Loofhuttenfeest. Voor het aangezicht van de HERE, onbekommerd. Want God zag dat bloed. En dan was het goed. Dan konden ze hun feesten vieren.


Voorbereidingen voor de tempelbouw (vs.6-9)

De teruggekeerde rest laat het niet bij het brandofferaltaar. Al spoedig worden maatregelen genomen om de hele tempel te herbouwen. Er worden steenhouwers en timmerlieden aangeworven voor geld. Uit Tyrus en Sidon wordt hout betrokken. Steen was namelijk volop te vinden in de omgeving van Jeruzalem, maar voor hout was men aangewezen op de ceders van de Libanon.

Ruim een half jaar na de ingebruikneming van het brandofferaltaar is het zover, dat het werk onder leiding van Zerubbabel (uit het huis van David) en Jozua (de hogepriester) kan beginnen. De Levieten wordt opgedragen toezicht te houden op de bouw. Er mag niet gewerkt en gebouwd worden in strijd met de voorschriften van Gods wet, waar de Levieten grote kennis hadden.

Ook nu valt op, hoe het volk aansluiting zoekt bij de geschiedenis. Zoals David een altaar bouwde op de dorsvloer van Arauna, jaren voordat Salomo daar de tempel zou bouwen, zo bouwden de teruggekeerde ballingen eerst een brandofferaltaar alvorens de tempel te gaan herbouwen.

Zoals in de dagen van Salomo het hout van de Libanon kwam, zo ging het ook hier. Ook de vergoedingen zijn hetzelfde. Zoals Salomo indertijd, begonnen ook de teruggekeerde ballingen hun werk aan de tempel in de tweede maand van het jaar.

Het toezicht van de Levieten was ook al niet nieuw. Ook koning Josia had bij herstelwerkzaamheden aan Gods huis een dergelijke opdracht gegeven aan de Levieten (2 Kron.34). Zo blijkt het volk zich aan te sluiten bij de geschiedenis. Ook bij de inwijding van de tempel van Salomo ging het vrijwel net zo toe als hier. Zie 2 Kron.5.


Het feest bij het leggen van het fundament (vs.10 en 11)

Dan breekt het grote moment aan. De herbouw van de tempel wordt daadwerkelijk ter hand genomen. Het fundament wordt gelegd. Het wordt een groot feest. De priesters stellen zich op, gekleed in ambtsgewaad en met trompetten. Door die trompetten trok het volk de aandacht van de HERE, wendde het zich tot de HERE en riep het Hem aan om tot hen neer te dalen en om onder hen te verkeren met de volheid van zijn heil. Zie Numeri 10.

Ook de levitische zangers stelden zich op om de HERE te loven naar de instructie van David, de koning van IsraŽl. Zie 1 Kron.16. Ze stelden zich op in twee groepen die beurtzangen zongen van lof en prijs aan de HERE. Ze prezen Hem, omdat Hij goed is en zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid.

De stem van de vreugde is de stem van de dankbaarheid aan God. IsraŽl belijdt dat het niet zichzelf door de donkere nacht van de ballingschap heeft heengeslagen. Maar dat het de HERE is die hen daar doorheen heeft gedragen.

Dat zij nu op de tempelberg staan en het fundament leggen voor de tempel, dat komt niet door hun volharding, hun doorzettingsvermogen, maar dat komt door de goedheid en goedertierenheid van de HERE. Hem loven ze. Hem zingen ze hun beurtzangen van lof en prijs.

De teruggekeerde ballingen hebben zich maar niet overgegeven aan een uitgelaten vreugde, maar ze hebben gekozen voor een heel speciale vorm. Ze hebben feestgevierd in kerkelijke stijl zoals de kerk voor de ballingschap.

En dat is de stijl van een door God verlost volk. Het keert weer tot de gehoorzaamheid aan Gods Woord. Men neemt de verordeningen van Mozes en David nauwgezet in acht. En men haalt zijn neus niet op voor de geschiedenis van de kerk. Maar men sluit aan bij IsraŽls gouden eeuw van Salomo. Men geeft aan zijn festiviteiten een kerkelijke vorm.


De HERE is goed en goedertieren (vs.11)

De HERE is goed. Daar wordt hetzelfde woord gebruikt als in Gen.1. Het was goed wat Hij geschapen had. De schepping kon aan haar bestemming voldoen. Ook de mens was goed: berekend voor zijn taak. Meer nog dan de schepping, want de Schepper is altijd anders en meer nog dan de schepping, is God Zelf goed. Hij is machtig om te doen wat Hem behaagt. Hij vervult al zijn welbehagen. Zo heeft Hij Zich doen kennen aan de teruggekeerde ballingen. Zo belijden ze Hem dan ook. Hij is goed, want Hij zal voor zijn volk zorgen.

Ze prijzen Hem om zijn goedertierenheid. Dat woord ziet op Gods verbondstrouw. De teruggekeerde ballingen belijden de HERE als de God van het verbond die eeuwig trouw is aan zijn beloften en die dat getoond heeft in hun terugkeer uit de ballingschap. Het zijn de goedheid en goedertierenheid van God die IsraŽl door de ballingschap geholpen hebben. Daardoor leeft IsraŽl nu in vrijheid.

De teruggekeerde ballingen loven God niet alleen om wat Hij geschonken heeft, maar ook om wat Hij schenken gaat. De HERE IS goed. En Hij zal goedertieren zijn tot in eeuwigheid. Dat ziet vooruit. Het fundament van het huis des HEREN is gelegd. (vs.11)

Dat gebeuren bergt een rijke belofte in zich voor de toekomst. Het gaat toch om het fundament van Gods huis. Dat wil zeggen: hier wil de HERE komen wonen temidden van zijn volk. En dat is de rijkdom die IsraŽl in gejuich doet uitbarsten. De HERE zal in dit huis komen wonen onder zijn volk. En daarom zijn ze blij. Omdat ze dat weten, organiseren ze nu, bij het leggen van het fundament al, een feest, dat Salomo pas organiseerde bij de inwijding van de tempel, toen de heerlijkheid van de HERE de tempel vervulde.


Het gejuich van het volk overstemt het geween der ouderen (vs.12,13)

De teruggekeerde ballingen wisten heel best dat het leggen van de tempelfundamenten op die trieste tempelberg maar een heel simpel gebeuren is, een begin nog maar. Maar zij zien in het geloof. Zij weten dat wat vandaag gebeurt, een bouwen is aan het huis van God, waar Hij wil komen wonen onder zijn volk.

En dat doet hen uitbreken in gejuich. Dat God Zich een huis laat bouwen onder hen. Die vreugde is geen overdreven vreugde. Voor de hen omringende wereld lijkt dat wel zo. Die ziet nu eenmaal niet meer dan wat voor ogen is. Maar de vreugde van IsraŽl op de tempelberg is de vreugde van het geloof. Men weet Zich ingeschakeld bij de bouw van het huis van de levende God.

De vreugde van de teruggekeerde ballingen overstemt de klacht van de ouderen. De leden van de oudere generatie hebben indertijd nog de tempel van Salomo gekend. Zo'n 50 jaar geleden had die tempel nog gestaan, waar nu het fundament voor een nieuwe werd gelegd. Als ze zich realiseren hoe armetierig de nieuwe tempel zal zijn, vergeleken bij de heerlijkheid van de tempel van Salomo, dan wenen ze luid. Maar hun geween en geklaag gaat onder in het gejuich van het volk (vs.13). Wie niet pal naast die ouden stond, die hoorde hen niet eens.


God is op weg naar het nieuwe verbond

Waarom is dit voor de kerk van alle eeuwen bewaard gebleven, zo kun je je afvragen? Om ons een indruk te geven van de stemming van het volk en om te laten zien hoe de grondlegging van de tempel heel verschillend beleefd werd? Of gaat het erom te laten zien, dat ook vroeger de ouderen vooral terugkeken naar die goeie oude tijd, terwijl de jeugd zich richt op de toekomst?

Dat bedoelen vs.12 en 13 niet. Want zo heel verschillend beleefden oud en jong het ook niet. Het geween van de ouderen was niet zonder vreugde. Vs.11 zei toch, dat heel het volk juichte. De vreugde bij de ouderen was gemengd. Maar de boodschap van de Schrift gaat nooit op in het beschrijven van karakters. De Bijbel beschrijft de geschiedenis van Gods heil en de voortgang van zijn werk.

Vs.12 en 13 bevatten iets heel belangrijks. Immers in het klagen van de oudere generatie wordt duidelijk dat de HERE nu een huis voor Zich laat bouwen met veel minder uiterlijke pracht dan onder Salomo. Maar door die constatering moet het volk zich de vreugde niet laten vergallen of ontnemen, maar mag het die vreugde alleen maar verdiept weten.

Want hieruit mag het volk opmaken, dat de HERE op weg is naar Hem die meer is dan de tempel, naar Jezus Christus die heel de tempeldienst vervullen zal. Hier blijkt de HERE al op weg naar de dagen van het nieuwe verbond, de dagen waarop de tempel van Jeruzalem zijn dagen gehad zal hebben. Namelijk waarin de HERE Zich een levend huis zal bouwen: de gemeente van Christus, waartoe ook jij mag behoren. Daarheen is de HERE op weg!


Op weg naar het Nieuwe Jeruzalem

Die geringe uiterlijke pracht is geen stap achteruit, maar een geweldige stap vooruit. Haggai zegt over 20 jaar: de werkelijke heerlijkheid van dit huis is groter dan die van de tempel van Salomo. Want de HERE is op weg om deze tempel te gaan vervangen door iets wat nog veel heerlijkers is: Jezus Christus die meer is dan de tempel.

Hij is op weg naar de tempel van de nieuwe bedeling: de gemeente van Christus. En in die tempel mogen wij wonen en leven in de nabijheid van de levende God. Hij is nabij. Hij woont onder zijn volk. Maar zelfs deze tempel is het einde nog niet.

Het wordt nog heerlijker. Want van het Nieuwe Jeruzalem lezen we in Openb.21: een tempel zag ik in haar niet. Want de HERE God, de almachtige is haar tempel en het Lam.


Aantekeningen bij Ezra 3

Was dat feestgedruis niet wat overdreven? Een paar duizend teruggekeerde ballingen hebben zich gevestigd in een streek die hen allesbehalve met open armen ontving. Door hun buren werden ze met scheve ogen aangekeken en tegengewerkt. Vs.3 maakt duidelijk dat de ballingen zo vijandig ontvangen waren,dat ze er bang van geworden zijn. Nu hebben die bange mensen zich verzameld op de oude tempelberg. Die biedt ook al zo'n troosteloze aanblik. Van de schitterende tempel van Salomo is helemaal niets meer over dan puin. Op die kale berg hebben de teruggekeerde ballingen zich verzameld voor de grondlegging van een nieuwe tempel. Een sober gebeuren in een trieste omgeving.

Maar ineens breekt daar een oorverdovend gejuich los. Trompetten schetteren, cymbalen klinken en een lofpsalm wordt aangeheven. Er groeit een ware feeststemming. Maar is dan niet wat overdreven voor een simpel gebeuren als het heien van de eerste paal? Zo imposant was het toch allemaal niet, die nieuwe tempel. Waren die wenende ouderen die dit nieuwe begin vergeleken met de schitterende pracht van Salomo's tempel niet veel reŽler dan die juichende massa? Of probeerden die bange ballingen zich over hun angst heen te schreeuwen en was men helemaal niet blij? Vanwaar die uitbundigheid? Gods teruggekeerde volk viert de hervatting van de tempelbouw met grote vreugde. Die vreugde vertoont de stijl van de kerk, vertolkt de dank aan de HERE en overstemt de klacht der ouden.

De instructie van David dateert vanaf het moment dat de ark van Gods verbond haar plaats had ontvangen in Jeruzalem. Volgens 1 Kron.16 stelt David dan een instructie vast waarin priesters worden aangesteld om op trompetten te blazen en waarin Levieten werden aangesteld om cymbalen en andere muziekinstrumenten te bespelen. Van die dag af zijn er ook zangers die de opdracht hebben om aan te heffen: loof de HERE, want Hij is goed. Want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Het is deze instructie van David die door de ballingen in praktijk gebracht wordt, uiteraard voorzover het hun mogelijk is.

In dat perspectief hebben wij ook ons kerkewerk te zien. Is de gemeente van Christus, naar het woord van de apostel Paulus in 1 Tim.3, niet het huis van de levende God? Dat maakt van al ons kerkewerk geweldig verantwoordelijk werk. Het gebeurt voor het aangezicht van de levende God. Hier woont Hij. Ons leven, persoonlijk en kerkelijk, speelt zich af voor de ogen van Hem, die de Heilige is. En die Zich niet bedriegen laat. En tegelijk wordt al ons werk in de kerk daarmee ook heel zinrijk en vreugdevol.

Het mag bij de wereld niet in tel zijn of meewarig bekeken worden als een restant uit de oude doos. Maar het is werken aan het huis van de levende God. Een kerk die niet meer uit dat perspectief leeft, is een kerk die ook geen vreugde meer kan vinden in het kerk_zijn. Maar de kerk die zich huis van God weet en daar ernst mee maakt, die kan haar weg in deze wereld gaan in grote blijdschap. Want ze ziet Hem voor Wie ze leeft en voor Wie ze bouwt.


De profeet Nehemia