EXODUS
 



MOZES VERBRIJZELT DE TAFELEN DER WET


Rembrandt Harmensz. van Rijn 1606 Ė 1669

Het schilderij is van 1659

Te bezichtigen in Gemšldegalerie der Staatlichen Museen, Berlijn




 
Gert Slings - <B>BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN</B>




BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN


INLEIDING


Heel wat jaartjes ben ik medewerker geweest aan Rechte Sporen, een maandblad voor het verenigingswerk onder gereformeerde jongeren.
Hierin heb ik ondermeer bijbelstudies (in schetsvorm) geschreven. Ze gaan over verhalende, historische stof.

Ieder kan daar naar eigen inzicht gebruik van maken. Ze zijn niet alleen voor jongeren geschikt. Ik weet dat ook ouderen er met vreugde mee hebben gewerkt. Ze zijn bijvoorbeeld op vrouwenverenigingen gebruikt.

Mijn uitgangspunt is dat de mensheid (dus ook u en ik) opgenomen is in de grote geschiedenis van paradijs tot wederkomst met als centrum de Here Jezus Christus. Heel die geschiedenis wordt bepaald door Gods plan om door Christus verlossing of heil te brengen. Daarom wordt die geschiedenis ook wel heilsgeschiedenis genoemd. In elk bijbelgedeelte probeer ik na te gaan, welke betekenis dat heeft in Gods heilsgeschiedenis.

Ik heb het schrijven van deze bijbelstudies voor jongeren als een groot voorrecht beschouwd.
Wat is er mooier dan het Woord uit te leggen voor meer dan 10.000 jongelui, alleen al in Nederland.
Voor Canada, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland werden de bijbelstudies in het Engels vertaald. Ze verschenen in het blad My Live.

Ik ben benieuwd naar uw oordeel. Laat het me weten. Ik kan er dan mijn voordeel mee doen. Alvast hartelijk dank.



Gert Slings





GEBRUIKSAANWIJZING

De meest eenvoudige vorm is de volgende:

. U leest eerst het Schriftgedeelte in z'n geheel rustig door. Laat het goed op u inwerken.
Wellicht is er bij u een vraag opgekomen. Of hebt u al een mening gevormd of het gedeelte.

. Vervolgens leest u per pericoop de bijbelstudie door. Er zal veel instaan, wat u al wist. Maar misschien bevat ze ook informatie waarvan u nog niet op de hoogte was. Als u dat belangrijke informatie vindt, probeer dat dan op te slaan en vast te houden.

. Het is goed mogelijk dat u tot een heel andere uitleg komt. Dat is niet slecht, want dan hebt u al een mening gevormd. Dat kan niet iedereen zeggen. Binnen de exegese van een gedeelte is soms ruimte voor een verschillende uitleg. Dat noemt men de vrijheid van de exegese.

. Uw bijbeltje moet u bij de hand houden om de stukjes nog eens te lezen. Maar ook om de verwijzijgen naar andere gedeelten op te zoeken. Vaak hebben die te maken met de grote lijnen in de Schrift.

. Ik wil u in overweging geven de bijbelstudie te beginnen met een kort gebed, waarin u vraagt om de leiding van de Heilige Geest. En te besluiten met een kort dankgebed, waarin u aan de Here vertelt, wat u zo mooi vindt in dit gedeelte of waar u het zo moeilijk mee hebt.





 
INHOUDSOPGAVE EXODUS



0 KORTE INLEIDING BIJ HET BOEK EXODUS

1 DE HERE BEWAART ZIJN ONDERDRUKTE VOLK---Exodus.1:1-2:10

2 DE HERE BEWAART MOZES ALS TOEKOMSTIGE VERLOSSER---Exodus 2:11-25

3 DE HERE ROEPT MOZES ALS VERLOSSER---Exodus 3

4 DE HERE BRENGT MOZES BIJ ZIJN VOLK---Exodus 4

5 DE HERE VRAAGT FARAO ZIJN ZOON TE LATEN GAAN---Exodus 5:1-6:8

6 DE HERE GAAT ZIJN HAND OP EGYPTE LEGGEN---Exodus 6:9-29 en Ex. 7

7 ĎDE EGYPTENAREN ZULLEN WETEN, DAT IK DE HERE BENí---Exodus 8

8 DE HERE LAAT FARAO BESTAAN OM ZIJN KRACHT TE TONEN---Exodus 9

9 GOD WIL ZIJN GROTE DADEN VERKONDIGD ZIEN---Exodus 10 en 11

10 DE HERE STELT HET PESACH IN---Exodus 12:1-28

11 DE HERE LEIDT ZIJN VOLK UIT EGYPTE---Exodus 12:29-42 en 13:17-22

12 DE EREDIENST MOET VOOR DE HERE HEILIG BLIJVEN---Exodus 12:43-13:16

13 DE HERE LEIDT ZIJN VOLK UIT MET VERHEVEN HAND---Exodus 14

13a MOZES LEERT HET VOLK ZINGEN VAN ZIJN KONING
     LIED VAN MOZES EN LIED VAN MOZES EN HET LAM
--- Exodus 15:1-21

14 ALS EEN VADER ZORGT GOD VOOR ZIJN VOLK---Exodus 15:22-16:36

15 DE HERE BEWAART EN LEIDT ZIJN VOLK---Exodus 17 en 18

16 DE HERE VERSCHIJNT ALS DE GOD VAN HET VERBOND---Exodus 19

17 DE HERE KONDIGT DE WET VAN HET VERBOND AF---Exodus 20

18 DE KONING SLUIT HET VERBOND MET ZIJN VOLK---Exodus 24

19 DE HERE WIL TEMIDDEN VAN ZIJN VOLK WONEN---Exodus 25

20 DE HERE TOONT MOZES DE TABERNAKEL---Exodus 26

21 DE HERE RICHT DE RUIMTE ROND DE TABERNAKEL IN---Exodus 27

22 DE HERE GEEFT VOORSCHRIFTEN OVER DE PRIESTERKLEDING---Exodus 28

23 ĎIK ZAL TE MIDDEN VAN DE ISRAňLIETEN WONENí---Exodus 29

24 DE HERE GEEFT VERDERE OPDRACHTEN VOOR DE TABERNAKEL---Exodus 30

25 DE HERE WIL TEMIDDEN VAN ZIJN VOLK WONEN---Exodus 31

26 HET VOLK VERBREEKT HET VERBOND MET DE HERE---Exodus 32

27 DE HERE WIL TOCH MET HET VOLK MEE GAAN---Exodus 33

28 DE HERE SLUIT OPNIEUW EEN VERBOND---Exodus 34

29 DE HERE MAAKT MENSEN BEREID EN BEKWAAM VOOR DE BOUW---Exodus 35

30 DE START VAN DE BOUW VAN DE TABERNAKEL---Exodus 36

31 BESALEňL MAAKT DE VOORWERPEN VOOR DE TABERNAKEL---Exodus 37

32 DE VOORHOF VAN DE TABERNAKEL INGERICHT---Exodus 38

33 DE PRIESTERKLEDING EN DE VOLTOOIING VAN GODS HEILIGDOM---Exodus 39

34 DE HERE BETREKT ZIJN AARDS PALEIS---Exodus 40

35 CHRISTUS VERGELEKEN MET DE AARDSE HOGEPRIESTER---HebreeŽn 9



0 KORTE INLEIDING BIJ HET BOEK EXODUS




De Hogepriester mocht ťťn keer per jaar voor Gods troon naderen

Dat was in het oude verbond op Grote Verzoendag

Door onze Hogepriester Jezus Christus mogen wij elk moment van de dag voor Gods troon komen

Een onvoorstelbare sprong voorwaarts

Zo rijk zijn we als Gods kinderen nu (Hebr.10:19-23)
 

 
Exodus heeft opnieuw op mij een diepe indruk gemaakt, met name door de aansprekende vertaling van de NBV. We zien een (zondige) familie uitgroeien tot een volk: het volk van God. God leidt dit volk uit het slavenhuis Egypte door de Rode Zee onder leiding van Mozes.
  Hij sluit in woestijn een verbond met dit kleine, lastige, ondankbare volkje. Omdat Hij het liefhad. Onbegrijpelijk wonder van genade.
  En het houdt niet op: deze almachtige en heilige God wil bij dat volkje komen wonen. Hij geeft Mozes nauwkeurig instructie hoe zijn heiligdom eruit moet zien.
  Aan het slot van het boek wordt het heiligdom gebouwd. We besteden er uitvoerig aandacht aan. Het is veel rijker dan op het eerste gezicht gedacht wordt. Alles wijst naar onze grote Hogepriester, onze Here Jezus Christus. Daar is een apart hoofdstuk (HebreeŽn 9) aan gewijd.
 
 
 
1 DE HERE BEWAART ZIJN ONDERDRUKTE VOLK Exodus 1:1-2:10
 
INLEIDING
De mens wikt, God beschikt.
De mens Farao dacht dat hij zijn gang kon gaan met zijn anti-joods beleid. Maar God beschikte anders. Hij ging zijn heel eigen weg. Hij gebruikte de dochter van de Farao om Hem daarbij te helpen.
En op Gods tijd zouden de HebreeŽrs verlost worden door een leider die in het paleis van de Farao was opgegroeid! In het hol van de leeuw!
 
VAN FAMILIE TOT VOLK (1:1-7)
Ook het boek Exodus laat ons de trouw van de HERE zien. Hij gaat zijn beloften vervullen, die Hij aan Abraham, Isaak en Jakob gedaan heeft. En het gaat in al die beloften om de komst van Christus. De satan probeert die komst te verhinderen. Al zijn aanvalskracht richt hij op dat heilige volk. Dat moet vernietigd worden. Dan kan de Christus niet geboren worden. Maar de HERE laat Zich door de satan niet van zijn verlossingsplan afbrengen. God is getrouw. Toen en nu.
  Waarom begint Mozes met de herhaling van de namen uit Genesis 46? In Genesis werden ze genoemd als de zonen van Jakob. Hier zijn ze het hoofd van hun geslacht. Samen vormen ze de grondslag van het volk van God. Het gaat van heilige familie naar heilig volk. Langs die weg wil de HERE de verlosser doen komen.
  Met het oog daarop zegent de HERE zijn volk in de geboorte van veel baby's. Het wordt in vs.7 wel op vijf verschillende manieren gezegd. Dat wijst op een wonder. Het is het wonder van de vruchtbaarheid. Ook hier weer moet alle aandacht gaan naar de HERE. Lees maar Ps.105:24.
 
AANSLAG VAN SATAN DOOR VERDRUKKING (Ex.1:8-14)
Amper is de familie uitgegroeid tot een volk, of de satan begint zijn aanval. Het slangenzaad staat op tegen het vrouwenzaad. Het gaat satan niet om dat volk. Dat kan hem op zichzelf niet zo veel schelen. Het gaat hem om de Christus. Zijn komen in de wereld probeert hij te verijdelen.
  Ook satan gebruikt instrumenten: hier maakt hij gebruik van de nieuwe koning, die Jozef niet gekend heeft. Uit vs.10 blijkt, dat de satan twee bedoelingen heeft. Hij wilde snelle groei van het volk tot staan brengen. En hij wil het volk van God in Egypte houden.
  Dit plan van satan staat lijnrecht tegenover Gods plan met zijn volk. De HERE beloofde Abraham een volk talrijk als het zand van de zee. Ook beloofde Hij het land Kanašn. Zie je hoe duidelijk de aanval van de duivel in elkaar zit? Het middel van de satan was onderdrukking door dwangarbeid. Maar het tegenovergestelde gebeurde. Zie vs.12. God overwint. De kerk blijft groeien tegen de verdrukking in. De satan verscherpt dan zijn maatregelen. Zie vs.13 en 14. De dwangarbeid gaat gepaard met mishandeling.
  Houd goed in de gaten, dat Egypte zich vergrijpt aan God Zelf! Lees maar Zach.2:8. Wie zijn volk aanraakt, raakt Gods oogappel aan! Er gaat niets buiten de HERE om. Hij weet precies wat er in Egypte wordt geleden. In Ps.105:25 staat zelfs, dat de HERE hun harten veranderde. (We noemen dat ook wel: actieve toelating.)
 
AANSLAG VAN SATAN DOOR GEHEIME MOORD (Ex.1:15-22)
Toen de Farao zag, dat de tirannie geen succes had, maakte hij plannen voor stiekeme moord. Hij schakelt daarvoor vroedvrouwen in. Als er een jongetje wordt geboren, moeten ze zo hardhandig optreden, dat het kindje sterft (vs.16).
  In de volgende verzen zien we, dat ook nu de HERE de satan overwint. De vroedvrouwen zijn God meer gehoorzaam dan de mensen. Ze vrezen de HERE meer dan de Farao. Lees maar wat ze zeggen, als Farao merkt, dat ze hem ongehoorzaam zijn. En God rekent hen dat tot gerechtigheid. Het is bijzonder, dat de namen van deze Egyptische vrouwen worden genoemd. Bovendien wordt nog vermeld, dat God hen zegende met een gezin.
  Nu de geheime moord door de HERE is verhinderd, gaat de Farao over op publieke moord. Het hele Egyptische volk krijgt de opdracht alle jongetjes op te sporen en in de Nijl te gooien.
Zo zie je, dat de satan alles op alles zet om het jonge volk uit te roeien. Geen middel wordt onbeproefd gelaten. Het zaad van de kerk moet sterven, want het grote Zaad mag niet geboren worden. Daar is het satan om te doen.
 
DE HERE DOET DE TOEKOMSTIGE REDDER GEBOREN WORDEN (Ex.2:1-10)
Een bekende geschiedenis is de geboorte van Mozes. We moeten ook in dit gedeelte de HERE bezig zien. Dwars door alle aanslagen van de satan heen, gaat Hij door met zijn plannen. Het is de HERE die Amram en Jochebed getrouw maakt in het stichten van een gezin. En in het krijgen van kinderen in zo'n verschrikkelijke situatie.
  Lees in verband met de geboorte van Mozes Hand.7:17-22 en Hebr.11:23. In het laatste staat, dat de ouders van Mozes gehandeld hebben uit geloof. Ze hebben zich niet laten leiden door de omstandigheden, maar door hun vertrouwen op de HERE, de God van het Verbond.

 

De ontdekking van Mozes

Door de Britse schlder Sir Lawrence Alma-Tadema, 1836-1912


De HERE zorgt ook voor de geboorte van Mozes. God gaat een verlosser geven, een redder. Alle nadruk moet daarbij vallen op de HERE. Hij houdt de weg open naar Christus, de grote Verlosser.







 
 
 
  2 DE HERE BEWAART MOZES ALS TOEKOMSTIGE VERLOSSER Exodus 2:11-25
 
INLEIDING
Mozes' handen jeukten, toen hij zag dat zijn volksgenoten heel erg mishandeld werden. Maar het liep niet goed af, toen hij een Egyptenaar tegen de grond sloeg. Hij werd door zijn volksgenoten niet op de schouders genomen, maar als een bemoeial uitgescholden.
Mozes moest leren niet op eigen houtje te gaan verlossen, maar rustig af te wachten tot God hem riep.
 
DE HERE DOET MOZES VOOR ZIJN VOLK KIEZEN (vs.11,12 en Hebr.11:24-27)
Mozes hoefde aan het hof van de Farao niet bang te zijn voor zijn leven. Het gevaar was wel levensgroot, dat hij voor de kerk verloren zou gaan. Hij werd opgevoed aan een heidens hof als Egyptische prins. Verder werd hij onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren. En daar moet je niet te gering over denken. Voor die tijd was Egypte een heel ontwikkeld land. Zijn opvoeding en zijn studie aan het goddeloze hof hadden een einde kunnen maken aan zijn geloof in de HERE.
  Maar wat zien we? Mozes weigert een zoon van Farao's dochter genoemd te worden. Door het geloof kiest hij voor het volk van God en niet voor het zondige leven aan het hof. In Hebr.11:24-27 wordt er nog meer over deze bekende geschiedenis geschreven. Het lijden om Christus' wil (= de smaad van Christus) heeft hij van groter waarde geacht dan de schatten van Egypte. Want hij zag op de vergelding. Dat is loon, niet uit verdienste maar uit genade.
  Uit het nieuwe testament weten we dus, dat Mozes heel bewust gekozen heeft voor het volk van God. Het was een geloofskeus. Het is de HERE, die daarvoor alle eer moet ontvangen. Hij schonk Mozes dat geloof, want Hij wilde hem gebruiken als toekomstig verlosser van zijn verdrukte volk.
 
MOZES VOORLOPIG ALS VERLOSSER AFGEWEZEN (vs.13-15 en Hand.7:22-29)
De HERE geeft Mozes de behoefte om gemeenschap met zijn volk te zoeken, ook al wordt het nog zo verdrukt. Lees nu Hand.7:22-29. Er staat: het kwam in zijn hart op. Hij gaat er niet alleen heen om eens te zien, hoe het er toegaat. Nee, hij gaat er allereerst heen als beschermer, als verlosser.
  Lees goed, wat de Heilige Geest Stefanus daarover doet zeggen. ĎHij meende dat zijn broeders zouden inzien, dat God hun door zijn hand verlossing wilde geven.í
  Mozes beschermt hen en wreekt het onrecht, maar zijn broeders hebben het niet begrepen. Ze verloochenen hem als verlosser. Er wordt zelfs tegen hem gezegd:íWie heeft u tot overste en rechter over ons aangesteld?í Dat betekent eigenlijk:íWaar bemoei je je mee?í Dat houdt dus in, dat ze hem als verlosser verwerpen.
  Er zijn nog enkele dingen, waarop je moet letten bij dit gedeelte. Er staat dat hij naar zijn broeders ging. Dat heeft hij goed beseft: die slaven zijn mijn broeders. Verder zegt de Bijbel ons niets over het feit, of het nu goed of slecht was, dat hij die Egyptenaar doodsloeg. De volle aandacht valt op het willen verlossen van zijn broeders.
  Vs.15 vertelt, dat de Farao er toch van hoort. Wel ligt die gedode man onder het zand, maar er moet bij de IsraŽlieten over gesproken zijn. Je ziet dat de Farao erop uit is Mozes te doden. Bedenk daarbij vooral dat de satan daar achter zit. Het is een actie tegen God en tegen het komen van de Christus. De verlossing van dat volk mag niet doorgaan.
  Satans poging mislukt. Mozes vlucht. Let ook nu op de titel boven de schets. God zorgt voor zijn volk. De verlosser wordt wel verworpen, maar het is voorlopig. De HERE bewaart hem tot zijn tijd gekomen is.
 
DE HERE ZORGT VOOR MOZES IN MIDJAN (vs.16-22)
God was met hem, daar in Midjan. Het was een landstreek ten zuiden van Kanašn, die zich uitstrekte tot op het schiereiland van SinaÔ, waar rondzwervende herdersstammen wonen.
Daar verlost hij de zeven dochters van de priester van Midjan. Die meisjes worden elke dag achteruit gezet door brutale herders (zie vs.18). Weer zie je hier Mozes' drang om te verlossen.
  Let erop, dat ook hier de HERE voor hem zorgt: een huis, voedsel en een taak. Die zorgende hand van God zien we ook als hij een vrouw krijgt en een zoon: Gersom. Je moet over die naam maar niet heen lezen. De betekenis staat erbij. Die vertelt ons, dat Mozes zijn roeping om verlosser van Gods volk te zijn, nog niet is vergeten. Daaruit spreekt zijn geloof. Dat is heel belangrijk in zo'n vreemd land. Hoe goed het hem ook gaat, hij blijft in Midjan een vreemdeling. Ook hieruit blijkt de zorg van de HERE. Mozes blijft beschikbaar als verlosser.
 
DE HERE GEEFT GEBED AAN ZIJN VOLK (vs.23-25)
Ondertussen duurde in Egypte de verdrukking voort. Het leek of er geen eind kwam aan die verschrikkelijke tijd. Maar eerst moest er iets belangrijks gebeuren: het volk moet beginnen te bidden! Ook dat is werk van God!
  Ze gaan roepen, schreeuwen. God weet heel goed dat zijn volk in nood is. Hij weet ook van die vreselijke aanval van de satan, waaronder zijn kinderen te lijden hebben. Nu geeft Hij ze het machtigste wapen: het gebed. De HERE wil graag verlossen, maar Hij moet erom gebeden worden.
  Dan lezen we, dat Hij hoort en gedenkt. Zie je dat? Het is zijn verbond, waaraan Hij gedenkt. Het kan wel erg lang duren, voordat Hij komt helpen. Maar Hij vergeet dat verbond nooit. ĎZo zag Hij ze aaní, staat er. Zo betekent als verbondskinderen. Daarom, om zijn eigen verbond, zijn eigen beloften, hoorde Hij en gedacht en zag en had Hij bemoeienis met hen.
  Hoe die bemoeienis eruit ziet, lezen we in het vervolg. We weten: de verlosser wacht in het buitenland, waar Hij door God wordt bewaard en verzorgd tot Gods tijd gekomen is.
Zulk een God hebben wij nog. Ook vandaag gedenkt de HERE zijn verbond. Hij luistert naar het gebed, dat de Heilige Geest is ons verwekt. Ja, toen al dacht Hij aan ons en onze verlossing. Want ook toen ging het om de weg naar de grote Verlosser, onze Here Jezus Christus.
 
 
 
 
 
3. DE HERE ROEPT MOZES ALS VERLOSSER Exodus 3
 
INLEIDING
Door heel de geschiedenis van het oude verbond heen is Christus Zelf in hoogst eigen persoon, bezig Zich een weg te banen naar Betlehem. Alle aanslagen van satan om IsraŽl tot afval van God te brengen, waren juist zo sterk omdat IsraŽl zwanger ging van de Christus.
  Door heel het oude verbond heen is Christus op weg naar Betlehem, naar Golgota en naar zijn hemelse residentie aan de rechterhand van zijn Vader.
 
DE HERE LEIDT MOZES NAAR DE HOREB (vs.1)
De HERE gaat Zich met de verlossing van het volk bezig houden. Hij gaat Mozes roepen. Die had zelf al eens geprobeerd verlosser te zijn. Toen was Gods tijd nog niet gekomen.
  Mozes was herder. Daarover spreekt vs.1. Hij zwierf in de woestijn van oase naar oase. Het is opvallend, dat de roeping van Mozes daarmee begint. Want hij wordt straks de herder van Gods kudde, van het volk van het verbond! Zie Jesaja 63:11.
  Als we vs.1 goed lezen, valt ons nog iets op. Er staat, dat hij de kudde naar de overkant van de woestijn had gebracht. Waarom? Dat heeft Mozes op dat moment niet beseft. Maar het was de HERE die hem leidde. Die bestuurt toch alle dingen! Ook jouw leven! Daar aan de overkant van de woestijn lag de Horeb of SinaÔ, de berg Gods. Daar gaat God aan Mozes verschijnen. Evenals Hij daar later aan zijn volk verschijnt.
 
DE ENGEL VAN DE HEER VERSCHIJNT AAN MOZES (vs.2-4)
Die vlam in de doornstruik is een verschijning van God. Het staat er nog anders: de Engel van de Heer. Deze uitdrukking wordt in het oude testament gebruikt voor Christus, voordat Hij als kind op aarde kwam.
  Let er goed op, wat hier gebeurt. Christus gaat straks met het volk mee op weg naar Kanašn. Lees maar 1 Kor.10:4. Hij roept hier Mozes om als leider op te treden. Dus Christus neemt Mozes in dienst. Zie je, hoe rijk Gods Woord is.
  Het wonder dat Mozes ziet, is meteen een teken. God heeft er wat mee te zeggen. Als Mozes dan wil gaan zien, waarom de doornstruik niet verteert, roept God hem. Let erop, dat nu niet de Engel van de Heer genoemd wordt. Dat is niet zo vreemd, als je bedenkt, dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest ťťn zijn. Het is de enige, DrieŽnige God.
  Je ziet, wat God zegt. Mozes moet er goed van doordrongen zijn, dat hij maar een onheilige is en God de Heilige. Hij moet weten, dat er afstand moet blijven. Hij mag de HERE niet zien.
 
DE HERE MAAKT ZICH AAN MOZES BEKEND (vs.5,6)
Mozes heeft meteen begrepen, dat het de HERE was, hoewel hij nog niet aan een teken gewend was. Hij zegt: Hier ben ik. Hij moet dan zijn schoenen uittrekken.
  Dan gaat God Zich aan Mozes bekend maken. Hij noemt Zich de God van Mozes' vader. Dus de God van Amram. Daarmee wil de HERE Mozes duidelijk doen voelen, dat hij een IsraŽliet is en tot het volk van Gods verbond behoort. Bedenk wel, dat Mozes helemaal een Egyptische opvoeding had gehad.
  Daarna herhaalt Hij die prachtige aanduiding: de God van Abraham, Isaak en Jakob. Dat is de aanduiding van de getrouwe God van het verbond; het verbond dat God met deze voorvaderen sloot.
  Als Mozes in de gaten heeft met God te doen te hebben, verbergt hij zijn gezicht. Dat was niet alleen een teken van vrees, maar ook van eerbied. We lezen in Jesaja 6:2, dat ook de engelen hun gezicht bedekken, omdat ze de onbeschrijflijke glorie van God niet kunnen verdragen. Daarom is het helemaal niet vreemd, dat Mozes het niet kan.
 
DE HERE MAAKT ZIJN BOODSCHAP AAN MOZES BEKEND (vs.7-10)
Deze verzen bevatten de rijke boodschap van het verbond. Nu het volk tot God heeft geroepen in grote nood en ze hun harten tot Hem hebben gekeerd, nu mogen ze ondervinden, dat God naar hen wil horen.
  Zie maar: Hij heeft gezien en gehoord. Denk hier weer aan Zach.2:8. Hun smart is zijn smart geworden. Dan staat er dat Hij is neergedaald. Als dat van de HERE gezegd wordt, dan gaat Hij wat doen. Hij gaat zijn volk redden. Hij gaat laten zien, dat Hij regeert, en dat zijn beloften en plannen vervuld zullen worden.
  Let er goed op, welke twee dingen de HERE gaat doen (vs.8). Als we dit alles rustig lezen, valt nog iets op: Hij noemt hier voor de eerste keer: mijn volk. Dat zullen ze later ondervinden: ze zijn het eigendom van de HERE. Hij heeft recht op hun geloof en gehoorzaamheid.
  Verder zie je, dat Mozes hoort, dat hij de herder zal zijn, die het volk zal uitleiden. Hij hoeft niet bang te zijn, want de HERE heeft hem een goede afloop beloofd.
 
GODS ANTWOORD OP MOZES' EERSTE VRAAG (vs.11 en 12)
Wat is de reactie van Mozes op de opdracht van de HERE? Hij zegt: Wie ben ik? Dat wil zeggen: hoe zou ik zo'n moeilijke taak kunnen volbrengen?
  Die vraag is te begrijpen. Je ziet, dat Mozes wel wat veranderd is in die veertig jaar.
Let nu op dat machtige antwoord van de HERE: Ik ben immers met u. Ik ga met u mee en Ik geef ook een teken. Hier op deze plaats, op de Horeb, zult u Mij dienen.
  Daarmee ontvangt hij zekerheid, dat het echt zal gebeuren. Hij weet ook, dat het bij deze berg Gods heel belangrijk gaat worden. Hier zal het volk God dienen.
  Let erop, dat de HERE Zelf IsraŽl gaat verlossen. Mozes mag Hem erbij helpen. Maar Jahweh zegt: Ik zal het doen. De HERE zal dus de Opperherder zijn en Mozes onderherder. Daarom moeten we steeds letten op wat de HERE doet en zegt. Mozes mag niet centraal staan in onze bespreking, maar de HERE, de God van het verbond.
 
GODS ANTWOORD OP MOZES' TWEEDE VRAAG (vs.13-14)
Dan komt Mozes met zijn tweede vraag: Wat moet hij zeggen, als het volk vraagt, wie hem gestuurd heeft? Hij is nog niet vergeten, dat tegen hem gezegd was: wie heeft u tot overste en rechter over ons aangesteld?
  Dan geeft de HERE in zijn goedheid zijn naam te kennen: IK BEN, DIE IK BEN. Dat moet hij dus zeggen. IK BEN heeft me hierheen gestuurd.
  Als God deze naam noemt, dan geeft Hij daarin een nieuwe openbaring van hoe Hij is. Want wat betekent die naam? De Trouwe, de Onveranderlijke. God is niet onderworpen aan veranderingen, aan stemmingen, zoals mensen. Wat hij gezegd heeft, staat vast. Hij vervult zijn beloften. Wat een troostvolle, rijke naam!
 
DE HERE GEEFT MOZES VERDERE INSTRUCTIE (vs.15-22)
Die geweldige, die Jahweh, heeft nu een klein verzoek aan Farao. Het gaat wel om een grote zaak. Want Farao doet alsof hij recht heeft op het volk IsraŽl. Hij beschikt over hun leven en dood (denk maar aan de jongetjes). Maar het is het volk van de HERE.
  En toch vraagt de HERE niet het onderste uit de kan. Hij verzoekt een tocht van drie dagen te laten maken, de woestijn in, om Hem daar te offeren. God vraagt dus eerst het mindere om de Farao op de proef te stellen.
  Maar eerst moet Mozes naar de oudsten gaan. God zoekt eerst zijn volk. Hij voorzegt, dat ze zullen horen. Ze zullen dus aanvaarden, dat God naar hen omziet. Daarna zal Mozes met de oudsten naar de Farao gaan.
  Als we de laatste verzen lezen, merken we op, dat Mozes hier al te horen krijgt, wat er in de komende weken gebeuren gaat. Farao zal het verzoek niet inwilligen. Dan zullen de wondertekenen komen, waarmee God Egypte zal slaan.
  Door al die tekenen brengt God de Egyptenaren zover, dat ze straks het volk laten gaan. Zelfs zo, dat de vrouwen bij het wegtrekken zilveren en gouden voorwerpen mogen vragen aan de buurvrouwen. Ze zullen als het ware Egypte beroven.
 
 
 
 
 
4 DE HERE BRENGT MOZES BIJ ZIJN VOLK Exodus 4
 
INLEIDING
In dit hoofdstuk gaat het onder andere over de besnijdenis van EliŽzer. Dat bepaalt jou bij het wonder van je doop. Jij hebt niet voor de HERE gekozen. De HERE heeft voor jou gekozen.
  Dat is misschien wel nergens duidelijker uitgekomen dan bij je doop. Jij bent niet op eigen initiatief en in eigen kracht naar Hem toegekomen. Jij bent bij de doopvont gebracht. Omdat je ouders dat zo graag wilden? Welnee, omdat God jou bij de doopvont wilde zien en zijn verbond met jou wilde bezegelen.
 
DE HERE GEEFT MOZES MACHT OM WONDEREN TE DOEN (4:1-9)
Sinds Jakob was de HERE aan geen enkele IsraŽliet verschenen. Daarom is Mozes bang dat niemand hem zal geloven. Hij heeft zelf niet getwijfeld aan Gods beloften. De HERE gaat nu heel serieus in op het probleem van Mozes.
  God geeft hem dan de macht en de bevoegdheid om wonderen te doen voor het volk. Je kent die wonderen wel. Maar wat je ook in de gaten moet houden, is, dat de HERE hem opdraagt ze voor Farao te doen. Zie maar vs.21.
  Die wonderen laten zien hoe machtig de HERE wel is. Alles moet hem gehoorzamen. Daarbij moeten we niet vergeten, dat de HERE alles wil doen om Mozes populair te maken bij het volk.
 
DE HERE WIJST MOZES TERECHT (4:10-17)
Je moet wel bijna onder de indruk komen van Gods geduld met Mozes. Let erop hoe herderlijk de HERE Mozes bemoedigt. Hij zegt: Ik heb je toch je spraakvermogen gegeven? Ik stuur je toch? Ik koos je toch uit? Ga maar, want Ik zal je mond zijn.
  Bij Mozes' vraag toch een ander te sturen, wordt de HERE boos. Hier wil Mozes zich eigenlijk aan Gods roeping onttrekken. Hij ontving de opdracht van de machtige God, die de doornstruik doet branden zonder dat deze verteert. Die uit een dode stok een levende slang maakt. Die een gezonde hand ziek maakt en andersom. Dat heeft Mozes allemaal net meegemaakt. Toch zegt hij: stuur maar een ander.
  Maar de HERE heeft een oplossing, want Hij belooft Ašron te sturen. Die zal zijn mond zijn. God zal zijn Woord aan Mozes bekend maken. Deze zal het doorgeven aan Ašron. Die zal tot het volk en tot Farao spreken. Mozes zal ook de staf dragen, waarmee hij wonderen moet doen. In vs.20 heet die staf zelfs de staf van God.
 
DE HERE NOEMT ISRAňL: MIJN EERSTGEBOREN ZOON (4:18-23)
Na de bemoediging en de terechtwijzing van de HERE brengt Mozes gehoorzaam de kudde naar huis. Hij vraagt toestemming zijn familie te gaan zien. Hij zwijgt dus over de precieze boodschap van God. De HERE bemoedigt hem nog op een andere manier. Zie je hoe?
  Let goed op, dat de HERE met hem is meegegaan naar Midjan. Die God van de vuurgloed is ook hier. En tijdens de terugkeer zijn er weer de woorden van de HERE (vs.21-23). Als Mozes nu nog vrees zou hebben gehad, dan neemt de HERE die helemaal weg.
  Eerst komt de opdracht om wonderen te doen, ook voor Farao. Dan komt dat heerlijke, dat de HERE hier IsraŽl noemt zijn eerstgeborene, zijn zoon. Dat is een kostelijke openbaring van Gods liefde. Dus niet alleen heeft de HERE recht op zijn volk. Hij wil het als zijn zoon ook zijn liefde geven.
  Als Mozes straks in Egypte komt, weet hij, wat hem te wachten staat. De Farao zal weigeren. Het zal zelfs zover komen, dat God de eerstgeborenen in Egypte zal doden. God voorzegt hier de straf die Hij brengen zal. Eťn ding moeten we niet over het hoofd zien: God zal zijn hart verharden. De Farao zal er steeds meer van overtuigd worden dat hij het volk niet moet laten gaan. Als Mozes zijn tekenen zal doen, zal dat dus een averechtse uitwerking hebben. Farao zal er niet kleiner door worden, wel harder.
 
DE HERE HANDHAAFT DE EIS VAN HET VERBOND (vs.24-26)
God zoekt Mozes op om hem te doden. Hoe Hij dat doet, lezen we niet. De HERE wil hem doden omdat hij zijn jongste zoon niet besneden heeft. Het was een grote genade van God, dat Mozes mag ontdekken, waarom hij gedood moet worden. Er is bekering mogelijk. Gelukkig.
  Sippora neemt een stenen mes en doet dan, wat al op de achtste dag had moeten gebeuren: ze besnijdt EliŽzer. Met het kleine stukje bloedende huid raakt ze Mozes' voeten aan. Ze spreekt dan de merkwaardige woorden: jij bent mijn bloedbruidegom. Ze krijgt hem als het ware uit de dood als bruidegom terug.
  Je kunt je afvragen, waarom God Mozes wilde doden. Het antwoord luidt: God gaat zijn verbond weer bevestigen aan zijn volk. Zijn kinderen zullen dat verbond moeten houden en God daarin eren.
  Maar Mozes, de toekomstige leider van het volk, heeft het teken van het verbond niet aan zijn jongste zoon gegeven. Dat duldt God niet. Zo ernstig neemt de HERE dit, dat Hij Mozes wil doden. God handhaaft de eis van het verbond in de eerste plaats voor zijn knecht Mozes.
 
DE HERE ZENDT AńRON ALS PROFEET TOT ZIJN VOLK (vs.27-31)
Mozes gaat op reis. Een heerlijke boodschap voor het volk draagt hij mee. Maar ook donkere dreigingen voor de Farao. Dan roept God Ašron. Let erop hoe dat gaat. Geen tegenwerpingen. Hij is meteen bereid. Let ook op de plaats, waar ze elkaar tegenkomen. Daar waar Jahweh zich geopenbaard had.
  Dat Ašron Mozes kust, staat er niet voor niets. Nee, daaruit spreekt zijn wil om met Mozes mee te gaan. Hij wil hem bijstaan in de dienst, waartoe ze geroepen zijn. Van die dienst vertelt Mozes. Let goed op, dat God Mozes tot hoofd over hem heeft aangesteld. Ašron is zijn profeet.
  Zo gaan ze tot het volk. Ze spreken en doen tekenen. Wat geweldig, want nu is er een vergadering van oudsten, die mogen horen wat de HERE heeft te zeggen. Die woorden worden bevestigd door tekenen.
  En ze geloven. Jahweh heeft naar hen omgezien in hun ellende. Hij heeft voor het eerst in hun bestaan als volk een profeet gezonden. Ze knielen, ze buigen voor Hem neer.
 
 
 
 
  5 DE HERE VRAAGT FARAO ZIJN ZOON TE LATEN GAAN Ex.5:1-6:8
 
GODS BOODSCHAP AAN FARAO (5:1-2)
Hier begint de beschrijving van de openbaring van Gods macht aan Egypte. De HERE was natuurlijk bij machte de Farao door ťťn woord te laten bukken. Maar eerst wil Hij duidelijk laten zien, wie Hij is. Tegelijk is het een geduldoefening voor Mozes en het volk. Ook wil Hij Zijn kinderen laten zien, dat het woeden van de satan en goddelozen niets oplevert in de strijd met God.
  Mozes en Ašron staan daar plotseling voor Farao. We lezen niet dat ze de oudsten mee brachten. Maar de HERE had dat duidelijk gezegd. Bovendien is het op te maken uit vs. 4.
  Wat we in deze verzen lezen is de worsteling van Farao tegenover de HERE. Die is toch de Eigenaar van het volk. Zie maar: laat Mijn volk trekken. Farao verzet zich. Lees maar hoe brutaal hij antwoordt. Hij begrijpt niet, dat hij maar een onderkoning is. De HERE is de machtige Eigenaar; is de Koning. Farao kent de HERE niet. Bovendien heef hij geen greintje eerbied voor een God-van-slaven. Daarom zegt hij: ĎIk zal ze niet loslaten.í
  Heb er ook erg in, dat God hem vraagt, het volk drie dagen vrij te laten. Het gaat maar om het vieren van een offerfeest. Maar daarachter zit de grote vraag, of Farao dat recht van de HERE erkent.
 
FARAO WEIGERT VOOR DE TWEEDE KEER (5:3-5)
Mozes en Ašron herhalen hun vraag. Ze kondigen aan, dat de HERE Zijn volk zwaar zal straffen, als ze Hem niet offeren. Dat moet voor Farao een waarschuwing zijn, dat de straf voor hem nog veel zwaarder zou zijn. Maar Farao weigert en verwijt hen, dat ze het volk aftrekken van hun werk.
  Let er dus op, dat Farao de boodschap tweemaal heeft gehoord. Hij kan nooit ontkennen die niet begrepen te hebben. Dan ineens die scherpe uitval: ĎVooruit, aan het werk.í
  In vs. 5 zegt Farao, dat het volk des al zo talrijk is en dat Mozes ze wil doen ophouden, hun slavenarbeid te verrichten.
 
FARAO VERZWAART DE DRUK (5:6-19)
Het onderhoud van Mozes en Ašron met Farao heeft niets opgeleverd. Dat wisten ze. Hadden ze gedacht, dat nu Gods straf zou komen, dan vergissen ze zich. Want wat er komt, is een ontzaglijke verzwaring van de slavenarbeid. Geen vrije dagen om feest te vieren, maar een helse ellende.
  Door heel Egypte lopen ze stro te verzamelen. En bij de ovens is het ook een doffe ellende. Daar worden de hoeveelheden stenen opgeschreven. En die zijn altijd kleiner dan was opgedragen. Dus knallen daar de zwepen. Daar worden ze afgebeuld en gemarteld. Ze moeten die leugentaal (vs. 9) maar gauw vergeten, anders zullen ze die er wel even uitranselen.
  Hoe erg het beulen is, lees je in vs. 12-14. Zo erg is het, dat de Joodse opzichters het wagen om naar Farao te gaan. Ze zullen hun klacht wel heel voorzichtig onder woorden hebben gebracht. Maar het is wel duidelijk, dat ze de Egyptenaren de schuld geven en nu om vermindering van werk vraag (vs. 15, 16).
  Maar het is vergeefs. Geen feest, geen offers, maar een onmenselijk zware straf. Bedenk hoe hier het slangenzaad het zaad van de vrouw probeert te vernielen. De satan neemt door Farao wraak om wat God gezegd had in Gen. 3:15.
 
MOZES EN AńRON KRIJGEN DE SCHULD (5:20-21)
Het beroep van de opzichters op de Farao blijkt tevergeefs. Bij het verlaten van het paleis ontmoeten ze Mozes en Ašron. Dan ervaart Mozes dat de taak van herder vaak ondankbaar is. Ze geven Mozes de schuld, dat ze het nu zo zwaar hebben. Mozes heeft Farao een zwaar in handen gegeven met zijn verzoek. Erger kan het niet.
  Let erop, dat de HERE Zijn naam aan hen bekend heeft gemaakt. Zijn heerlijke naam. Hij heeft hun schitterende beloften gegeven: vrij zouden ze worden. Maar we zien niets van een gelovig wachten op het heil. We zien niets van een lijden om de naam van God, van wie ze het eigendom zijn.
  Maar het tegendeel gebeurt. Ze slingeren Mozes verwijten naar het hoofd. Maar daarmee verwijten ze het de HERE Zelf. Wie aan de dienaar komt, komt aan de heer. Wat hebben ze dat later nog vaak durven doen.
 
 
 
HET ANTWOORD VAN DE HERE (5: 22-6: 4)
Mozes gaat met deze klacht terug naar de HERE. Zie je, dat hij hier als bemiddelaar optreedt! Maar als een teleurgestelde bemiddelaar. Farao stuurde hem weg en het volk overlaadt hem met verwijten. Je kunt die klacht goed proeven, als je vs. 22 en 23 leest. U zou het volk verlossen en wat krijgen ze nu?
  Bij het antwoord van de HERE valt allereerst op, dat Hij niet boos is. Niet op Mozes, maar ook niet op het volk. God zegt, dat Mozes nu eens zal gaan zien, door wat voor geweldige hand Hij zijn volk zal gaan verlossen. Zo geweldig zal dat zijn, dat Farao straks het volk Egypte zal uitdrijven.
  En dan gaat de HERE verder om Zich nog weer eens bekend te maken (6: 17). Hij zegt, dat de vaderen niet geweten hebben, wat zijn volk nu wel mag weten. Hij is niet alleen de Almachtige, maar Hij is ook Jahweh.
  Dat is ook een herinnering voor Mozes zelf aan die openbaring op Horeb. En Mozes moet dit nu maar weer aan Gods volk gaan vertellen. Hij heeft hun gekerm gehoord en denkt nu aan zijn verbond met hen.
 
DE OPDRACHT AAN MOZES (6: 5-8)
Verder wordt verteld, hoe Mozes al die heerlijke beloften moet gaan prediken. Als je die verzen goed bekijkt, zie je dat het allerbelangrijkste wel dit is: Mozes moet gaan zeggen, dat de HERE ze zal aannemen tot zijn volk en dat Hij ze tot een God zal zijn.
  Wat is dat vertroostend. Want het volk kreunt en verwijt de oorzaak van alle ellende aan de HERE. En Mozes wanhoopt toch eigenlijk ook een beetje. Zie maar vs. 22b. Maar de HERE laat Zich daardoor niet afleiden. Hij heeft gesproken. Hij zal het doen. Hij is de Trouwe. Hij is Jahweh.
  Maar het volk slaat die troost in de wind. Als ze horen van de aanstaande uittocht, van het rijke land waar Hij ze heen zal brengen, dan is er geen geloof. Zo murw zijn ze al gemaakt door de slavernij. Maar de HERE gaat door. Zijn Woord wordt vervuld.
 
 
 
 
6 DE HERE GAAT ZIJN HAND OP EGYPTE LEGGEN Exodus 6: 9-29 en Ex. 7
 
DE HERE GEEFT MOZES OPNIEUW EEN OPDRACHT (Ex. 6: 9-12)
Het eerste contact tussen Mozes en de IsraŽlieten was teleurstellend verlopen. Zie maar vs. 8. Mozes is er totaal door ontmoedigd. Dan komt de HERE tot hem. Hij maakt opnieuw zijn opdracht bekend. Het moet voor Mozes duidelijk zijn, dat niets de HERE van zijn Raadsplan kan afbrengen. Daarin komt zijn genade naar voren.
  Let goed op de reactie van Mozes. Hij vindt zichzelf helemaal niet geschikt voor die zware taak. Dat is geen onwil van Mozes, maar een gevoel van onmacht. Hij zegt: ĎIsraŽl luistert toch niet naar mij, omdat ik slecht uit mijn woorden kan komení. Daarom wordt Ašron aan hem toegevoegd.
  De instelling van Mozes is erg belangrijk. Hij is er de man niet naar, die zich in de handen wrijft van vreugde, omdat er roem en eer mee te behalen is. Integendeel. Hij mag het werk van de HERE uitvoeren met een bevend hart. De HERE zal daarvoor alleen de eer en de lof ontvangen. Mozes is een man van vlees en bloed, het als wij dat zijn. Hij kan door zijn instelling nu pas echt optreden als een instrument in de hand van de HERE.
 
ĎDIT ZIJN MOZES EN AńRONí (Ex. 6: 13-26)
Mozes onderbreekt dan even zijn verhaal om duidelijk te maken, dat de twee afgevaardigden van de HERE wortelen in het volk van IsraŽl. De HERE laat Zich niet door vreemden vertegenwoordigen.
  Ook heel belangrijk is, dat Ašron zelfs tot in zijn nageslacht van grote betekenis is voor de kerk. Als je goed leest, zie je dat het uitloopt op Ašron en zijn geslacht. Dat is het priestergeslacht. Wanneer later in IsraŽl gelezen werd uit het boek Exodus, dan konden de gelovigen moed putten uit deze verzen. Daar stonden twee namen: Mozes en Ašron. Wat waren dat twee zwakke mensen! Ze waren zonder enige moed. En ze stonden tegenover een volk, dat als uiterst lastig bekend staat. Wat was er groter wonder, dat een dergelijk volk gehoorzaam zou zijn aan twee van die onzekere mannen.
  Maar het was de HERE, die zijn volk als schapen onder deze twee herders zou uitleiden. Wat geen aardse koning ooit had kunnen bereiken, heeft God gedaan door twee weerloze mannen, die geen enkele ervaring hadden in het leiden van een heel volk. Alle eer komt alleen de HERE toe. Hij is de Koning die onoverwinnelijk is.
 
ĎIK ZAL DE EGYPTENAREN MIJN MACHT LATEN VOELENí (Ex. 6: 27-7:7)
Na de geslachtslijst neemt Mozes de draad van het verhaal weer op. Hij wijst opnieuw op zijn onmacht. Maar de HERE antwoordt, dat hij als God tegenover Farao zal staan. Hij is Gods gezant en Ašron is zijn profeet. Mozes zal optreden in de naam van de levende God. En Ašron zal zijn mond zijn. Zie 4: 14-16.
  Dan volgen belangrijke woorden in vs. 3: de HERE zal ervoor zorgen dat Farao hardnekkig weigert. Maar tegelijk zou Hij de tekenen en wonderen talrijk maken. Ze zullen niet voldoende zijn om het hart van Farao te breken.
  De HERE zegt dan: ĎIk zal de Egyptenaren mijn macht laten voelení. Die macht van de HERE betekent voor zijn kinderen zegen en genade, hulp en bemoediging. Maar voor de ongelovigen is die macht oordeel, straf. Want de Egyptenaren en de Farao moeten weten, dat ĎIk de HERE bení, vs. 5.
  Na deze woorden van de HERE is de vrees en twijfel bij Mozes verdwenen. Lees maar vs. 6. Ze deden het precies zoals de HERE hun had opgedragen. Zo mochten ze instrumenten zijn in de hand van God bij de verlossing van zijn volk uit Egypte.
 
MOZES EN AńRON BIJ FARAO (Ex. 7: 8-13)
Als we goed lezen, zien we dat Farao vragen zal: vertoon een wonderteken. Dus een teken van Gods almacht. Hij wil wel eens zien of die God van zijn slavenvolk wel zo machtig is. Hij krijgt zijn teken!
  Let er goed op, dat Mozes en Ašron ook zelf een teken ontvangen. Als Farao zijn magiŽrs heeft laten komen en gevraagd heeft uit hun staven slangen te voorschijn te roepen, zien ze voor hun verbaasde ogen, dat die dieren verslonden worden door het dier, dat zo net nog een staf in Mozes' hand was. De HERE laat zijn knechten ťn zijn vijanden zien, hoe groot zijn macht is. Alleen Farao verhardt zich. Hij wil niet inzien, dat de HERE groter was dan de goden van Egypte.
  Let er goed op, dat er ook nog staat: zoals de HERE gezegd had. Daarmee wordt gedoeld op de bedoeling van God die dit alles had bepaald. Dat neemt niet weg, dat Farao ten volle verantwoordelijk was voor zijn hardnekkigheid. Het vervolg van de geschiedenis laat duidelijk zien, dat de hardnekkigheid toeneemt. God straft de zonde van hardnekkigheid met totale hardnekkigheid!
 
FARAO BLIJFT HARDNEKKIG OOK NA DE EERSTE PLAAG (Ex. 7: 14-25) .
De plagen die over Egypte komen zijn straf of oordeel. Het gaat uiteindelijk om de vraag, wie recht heeft op IsraŽl. Heeft de HERE dat of Farao? Juist omdat Farao er niet over piekert, dat recht te erkennen, gaat God hem en zijn volk straffen. En God zal blijven straffen tot hij eindelijk het recht van God erkent.
  Mozes en Ašron moeten vroeg in de morgen tot Farao gaan. Als elk godsdienstig Egyptenaar ging deze elke dag bij het opgaan van de zon naar de heilige rivier om die opgang met wassingen en gebeden te vereren. Nadrukkelijk beveelt de HERE Mozes de staf mee te nemen. Die was voor Farao het zichtbare teken van de kracht van de God van IsraŽl. Ook voor Mozes was het bemoedigend telkens herinnerd te worden aan Gods trouw en macht.
  De magiŽrs van Farao kunnen dit wonder ook verrichten. Zij stonden in dienst van de duivel. Zoek in dit verband maar eens op Efeze 6: 12. Overal waar de macht van God openbaar wordt, proberen de duivelse geesten die macht te breken. Je kunt zeggen, dat de magiŽrs instrumenten zijn in de hand van de duivelse geesten. De duivel heeft grote macht. Maar die macht van de vorst der duisternis is begrensd, zelfs door de macht van het geloof. Lees maar 1 Petr. 5: 8 en 9.
  De HERE laat hier zien, dat hij heerst over al het geschapene. Alles is aan Hem onderworpen, ook deze rivier. Maar Farao verhardde zich. Zie je, dat er weer staat: zoals de HERE gezegd had! Niets in dit Egypte van de Farao gaat buiten de Koning der koningen om. Integendeel: God was bezig zijn macht aan Egypte te tonen.
 
 
 
 
7 ĎDE EGYPTENAREN ZULLEN WETEN, DAT IK DE HERE BENí Exodus 8
 
DE HERE EIST OPNIEUW ZIJN RECHT OP (vs. 1-7)
De strijd tussen de HERE en Farao is nog lang niet afgelopen. De H ERE had natuurlijk met ťťn woord de Farao kunnen vernietigen. Maar Hij wil aan Farao en het volk van Egypte laten zien, dat Hij de Almachtige is. Weet je nog, hoe brutaal Farao vroeg in Ex. 5: 2 ĎWie is de Heer, die ik zou moeten gehoorzamen?í. Het volk van de HERE leert nu ook, wie de HERE is.
  Zeven dagen is het geleden, dat de verschrikkelijke straf van het bloed voorbij was (7: 25). Het volk is nog niet bekomen van de eerste plaag of de tweede wordt aangekondigd. Heel Egypte zal weten wie de Almachtige is. De straf zal komen, als Farao weer weigert. God geeft hem dus tijd en gelegenheid zich te bekeren. Maar dan moet hij de HERE erkennen als Eigenaar van zijn volk. De HERE is de enige die recht heeft op het volk IsraŽl.
  Farao weigerde opnieuw dat recht te erkennen. Hij verhardde zich. Hij zondigde niet alleen verschrikkelijk tegen de HERE en zijn volk, maar over zijn eigen volk en land haalde hij ramp na ramp. De plaag van de kikkers moet vreselijk zijn geweest. Dat hij hardnekkig weigerde, komt door zijn magiŽrs of tovenaars. Door de macht van de duivel.
 
DE HERE TOONT FARAO ZIJN MACHT (vs. 8-15)
Hoe afschuwelijk de plaag moet zijn geweest, blijkt wel uit het verzoek van Farao om ervan verlost te worden. Hier erkent hij dus de macht van God. Bij de eerste plaag had hij Mozes en Ašron de rug toegekeerd (7: 23). Nu vraagt hij de voorbede van Mozes en Ašron. Hij belooft zelfs, dat ze hun offers mogen brengen. De oorzaak van zijn houding is de onmacht van zijn magiŽrs om de plaag te doen ophouden. Dat Farao geen spat was veranderd, blijkt wel uit het vervolg.
  Let goed op vs. 9 en 10. De Farao moet ervan overtuigd worden, dat het geen natuurkrachten zijn, waardoor de kikkers verdwijnen. Nee, hij moet heel goed weten, dat het de macht is van de levende God. Farao mag zelf het moment bepalen. ĎOpdat u weet, dat er niemand is gelijk de HERE, onze God.í
  Wat doet Farao? Buigt hij voor de God van IsraŽl? Helemaal niet. Als de plaag voorbij is, is er weer de hardnekkigheid. Let opnieuw op die belangrijke woorden als een refrein: zoals de HERE gezegd had. Het gaat eigenlijk helemaal niet om welk mens dan ook. Het gaat enkel en alleen om de HERE, die alles in zijn macht heeft en voor wie elk schepsel zich moet buigen.
 
DE MAGIňRS ERKENNEN GODS MACHT (vs. 16-19)
Bij de derde plaag komt er geen waarschuwing aan te pas. De staf als teken van Gods macht wordt uitgestoken door Ašron en het hele land is vol muggen. Alle schepselen staan in dienst van God, zo vaak Hij ze gebruiken wil. Ook deze op zichzelf nietige insecten. God roept ze en daar zijn ze. Ze komen niet uit het water, maar uit de aarde.
  Nu blijkt, dat de magiŽrs het niet kunnen nadoen. Ze stellen wel pogingen in het werk, maar het lukt hun niet. Satans macht schiet hier helemaal tekort. Ze zeggen zelfs tegen Farao: hier moet een god de hand in hebben. Hiermee erkennen ze, dat de macht van God deze plaag heeft doen komen.
  De houding van Farao is onveranderd. Hij weigert hardnekkig en luistert niet naar zijn magiŽrs. Zie je het refrein: zoals de HERE gezegd had.
 
DE HERE ZENDT STEEKVLIEGEN (vs. 20-24)
Mozes en Ašron moeten weer vroeg in de morgen Farao gaan opzoeken. Zie je, dat de boodschap opnieuw luidt: laat mijn volk gaan, om Mij te dienen. Farao moet dat telkens weer horen, net zolang tot hij eindelijk erkent, dat alleen de H ERE recht heeft op het volk IsraŽl.
  Belangrijk zijn vs. 22 en 23. Farao zou en moest weten, dat hij zich verzette tegen de HERE, de levende God. Met woord en daad moest dat hem worden ingeprent. In het land Gosen zullen geen steekvliegen voorkomen: Ďzo zult u beseffen, dat Ik, de HERE, in het land bení. En Hij is in het land om zijn volk te verlossen of te bevrijden. God Zelf zal zijn eigen volk beschermen. Op deze manier zal de straf voor de Egyptenaren nog zwaarder zijn.
  Misschien vragen jullie, waarom deed de HERE dat dan niet bij de vorige plagen. Het antwoord kan zijn, dat het de vrijmacht van de HERE is om zijn volk mee te laten lijden. Dat is zijn wijs beleid. Bovendien: ook Gods volk heeft door de zonde het oordeel verdiend. Hier is wel een verheviging van de straf voor Egypte. Het gaat steeds zwaarder worden.
Farao blijft zich verharden (vs. 25-32)
  Hoe zwaar de plaag is, blijkt uit het verzoek van Farao. Hij heeft steeds geweigerd het volk te laten trekken. Nu zegt hij dat ze in Egypte hun offerfeest moeten houden. Als hij maar verlost is van die vreselijke plaag. Je ziet het antwoord van Mozes: als zij runderen gaan offeren, zullen de Egyptenaren woest worden. Want het rund is bij hen een heilig dier.
  Opvallend is, dat Farao dit antwoord begrijpt. Lees maar zijn reactie. Toch wil hij niet naar de HERE luisteren. Hij wil wel een beetje toegeven. Hij vergeet dat met de eis van de HERE niet te schipperen valt.
  Nu Farao ziet dat niets helpt, doet hij net of hij volmaakt gehoorzaam is. Hij geeft toestemming het volk te laten offeren. Maar niet te ver weg. Als je goed leest, zie je, dat Mozes hem waarschuwt niet bedrieglijk te doen. Mozes bange houding van het begin is wel aan het verdwijnen. Hij durft Farao recht in het gezicht de waarheid te zeggen. Niet omdat hij zelf zo flink is, maar omdat de HERE hem bekwaam maakt voor zijn taak.
  Als puntje bij paaltje komt, blijkt Farao niet veranderd. Hij is inderdaad een bedrieger. God neemt de plaag weg. Toch liet Farao zich niet vermurwen. Anders gezegd: hij verhardde zich. Hij had geen zin om het volk te laten gaan. Nog erkent hij niet het recht van de HERE op zijn volk.
 
 
 
 
8 DE HERE LAAT FARAO BESTAAN OM ZIJN KRACHT TE TONEN Exodus 9
 
FARAO'S CONTROLE LEVERT GEEN BEKERING OP (vs. 1-7)
Opnieuw moet Mozes namens de HERE naar Farao. Deze moet het volk laten gaan. Zo niet, dan zal de HERE over het vee van de Egyptenaren de pest laten komen. Door vrees voor straf wil God Farao tot gehoorzaamheid dwingen.
  Mozes moet Farao ook vertellen, dat het deze keer geen algemene plaag zal zijn. Het vee van de IsraŽlieten zal geen slachtoffer worden van de pest. Let er ook op, dat de tijd van tevoren is vastgesteld. Daaraan kan de Farao ook weten, dat er geen sprake is van een toevallige samenloop van omstandigheden.
  De grootheid van de HERE komt ook hierin uit, dat Hij hem straft in zijn goden: de stier en de ram werden als goden vereerd. En de heilige koeien waren aan de goden gewijd. Denk hierbij aan Ps. 2: die in de hemel woont, zal lachen om het verzet tegen Hem.
  Dan volgt iets heel merkwaardigs. Farao stuurt controleurs naar het land Gosen om te kijken of het Woord van God was uitgekomen. Maar ook dit bewijs van Gods goedheid aan zijn volk heeft Farao niet tot andere gedachten gebracht. Opnieuw blijkt hoe hardnekkig de Farao is. Hij weigert zich te bekeren. Ook dit vijfde voorbeeld van Gods macht brengt hem niet tot gehoorzaamheid.
 
DE HERE GAAT FARAO HARDNEKKIG MAKEN (vs. 8-12)
Zonder waarschuwing vooraf volgt de zesde plaag van de zweren. Mozes gaat nu zelf iets doen. Samen met Ašron moet hij as uit een oven nemen en dat uitstrooien voor de ogen van Farao. Deze moest goed weten, dat het de God van IsraŽl was, die deze plaag over Egypte deed komen.
  Merk op, dat de werking van de plaag onmiddellijk ondervonden wordt. De geleerden, dat zijn de magiŽrs, worden zo aangetast, dat ze niet op hun benen kunnen blijven staan. De zweren braken namelijk open. Dat moet vreselijke pijn gegeven hebben.
  Let er dan op, dat er staat dat de HERE de Farao hardnekkig maakte. Tot nu toe stond er, dat de Farao hardnekkig weigerde. Maar nu is de maat van zijn zonde vol. Hij wordt aan het oordeel van de hardnekkigheid overgegeven. Je moet dat zo zien, dat er kracht van de H ERE uitgaat, waardoor het hart van Farao zo hard wordt als een bikkel. Hij kan niet eens meer tijdelijk ontroerd worden door die vreselijke plagen.
 
DE HERE WIL ZIJN NAAM VERKONDIGD ZIEN OP DE AARDE (vs. 13-21)
Mozes moet opnieuw van de HERE naar Farao gaan. Je kunt je afvragen: Waarom? Want het is toch duidelijk gebleken, dat Farao goddeloos hardnekkig is. Hoe vaak heeft Farao het bevel gehad het volk te laten trekken! Telkens werd er een teken bij gegeven, waaruit bleek dat het menens was.
  Maar de Farao wilde niet gehoorzamen. Steeds verhardde hij zijn hart. Bij de aankondiging van de zevende plaag wordt ons iets geopenbaard over de achtergrond van het ongehoorzaam zijn van de Farao. Het zal erger worden dan het geweest is. Want de Farao zal moeten weten, dat er niemand is op de aarde dan de HERE.
 
Dan komt een heel belangrijk gedeelte. De HERE laat tegen Farao zeggen, dat Hij in ťťn klap Farao met heel zijn volk had kunnen wegvagen. Maar Hij laat Farao bestaan om zijn kracht te tonen. Want zijn naam moet op heel de aarde verkondigd worden. Iedereen moet het voor eens en altijd weten, dat het zinloos is zich te verzetten tegen de God van IsraŽl.
  De achtergrond van de ongehoorzaamheid van de Farao is Gods verkiezing en verwerping. In een heel belangrijk hoofdstuk uit Gods Woord wordt vs. 16 aangehaald. Lees maar eens Rom. 9: 17. Farao is slechts koning geworden, opdat hij een middel zou zijn ter bereiking van Gods doel.
  Dan kondigt Mozes in naam van de HERE de zevende plaag aan: hagel. De hagelstenen zullen zo groot zijn, dat alles wat niet onder dak is, zal sterven. De HERE geeft nog gelegenheid om aan de plaag te ontkomen. Sommige hovelingen waren zo onder de indruk van Gods boodschap, dat ze hun vee en dienaren binnen haalden.
 
DE ZEVENDE PLAAG: HAGEL (vs. 22-35)
Lees de beschrijving van de plaag. Bedenk dat het vreselijke onweer maar niet een natuurgebeuren was. Het was in alles Gods werk en wil. De natuur blijft, ook in de verschrikkelijkste uitbarstingen, de volgzame en gewillige dienaresse van God. Dat blijkt ook uit het feit, dat het land Gosen werd gespaard. Daar woonde IsraŽl. En bij IsraŽl woonde de HERE! Wat heeft IsraŽl daar al kunnen ondervinden, hoe groot en machtig hun God was!
  In vs. 27 1ezen we de uitwerking. Farao erkent zijn schuld en zondigheid. Dat lijkt allemaal heel mooi, maar let vooral op het woordje Ďditmaalí. Als je daarover nadenkt, zul je wel inzien, dat zijn berouw toch niet zo diep zit. Mozes moet een voorbede doen. Dan pas mag hij gaan.
  Al weet Mozes wat er gebeuren gaat, hij zal toch voorbidder zijn. Kijk maar, hij gaat voor Farao en Egypte bidden. En hij doet het daar, waar die toorn van God zo verschrikkelijk was, op het open veld. De bliksemstralen zijn daar nog niet van de lucht, de donder ratelt en de hagel klettert. Daar breidt hij zijn handen uit en God verhoort.
  En Farao zegt weer nee. Mozes had het al tegen hem gezegd (vs. 30). In vs. 35 wordt hij daar nog aan herinnerd. Het schijnt zo, dat de HERE nog geen stap verder is gekomen. Maar we weten, dat de HERE de hardnekkigheid zelf bewerkte naar zijn verkiezing. Want zijn naam moest verkondigd worden op de aarde.
 
 
 
 
9 GOD WIL ZIJN GROTE DADEN VERKONDIGD ZIEN Exodus 10 en 11
 
DE OPDRACHT VAN DE HERE AAN MOZES (Ex. 10: 1 en 2)
De eerste twee verzen zijn belangrijk. De HERE vertelt hier nog eens zijn bedoeling met alles wat tot nu toe gebeurde. Want het was niet Farao die de touwtjes stevig in handen had. Nee, deze was een middel in de hand van de HERE.
  Het is opvallend dat hier ook de dienaren van Farao genoemd worden. Dat zijn de raadslieden van Farao. Blijkbaar hebben zij in de beslissingen van hun vorst een rol gespeeld. Ze hebben hem van advies gediend. Ook zij zijn door de hand van de HERE verhard.
  De HERE gaat nog eens aan Mozes zeggen, waarom Hij dit allemaal deed. Niet alleen Egypte, maar ook het volk van God, het kerkvolk, moet het heel goed weten, dat de HERE zijn naam verheerlijkt wilde zien over heel de aarde. Egypte moet voor eens en altijd beseffen, dat noch de Farao, noch de goden bij Hem te vergelijken zijn. Sterker nog: ze zijn niets bij Hem vergeleken.
  Maar let er vooral op, dat ieder van Gods volk meteen de opdracht krijgt om maar te gaan vertellen. Wie de HERE is! Hoe groot, hoe machtig hij is! En hoe genadig! De HERE wilde dat IsraŽl voor alle volgende eeuwen in het geloof zou worden gesterkt door Gods wonderdaden in Egypte.
  Bedenk goed, dat bij de behandeling van deze wonderdaden IsraŽl zelf niets heeft gedaan. Het was alles van de HERE alleen. Hij wil ons stof geven om te roemen in zijn grote naam. Dat jullie nu met Gods wonderdaden bezig bent, is een gehoorzaam opvolgen van Gods gebod.
 
MOZES EN AńRON NAAR FARAO (Ex. 10: 3-8)
Namens de HERE moeten Mozes en Ašron vragen, hoe lang Farao blijft weigeren zich voor God te verootmoedigen. Hij heeft toch duidelijk kunnen vaststellen, dat hij niet strijdt tegen IsraŽl, maar tegen de machtige God van IsraŽl.
  Let erop, dat na de aankondiging van de verschrikkelijke straf, die hongersnood zal geven, de hovelingen in opstand komen. Zie je, dat ze helemaal niet onderdanig zijn. Ze durven zelfs tegen Farao te zeggen: hebt u nog niet in de gaten, dat Egypte te gronde gaat? Ze geven ook nog een advies: laat de mannen maar meegaan. De vrouwen en kinderen moesten blijven als garantie, dat de mannen zouden terugkomen.
  Uit vs. 8 zien we, dat het protest helpt. Mozes en Ašron worden teruggeroepen. De Farao vraagt: Wie en wie gaan er mee? Het volk als volk wil hij dus niet laten gaan. Wel een paar. Hij verwacht zelfs, dat ze hun namen op staande voet kunnen noemen.
 
DE SPOT VAN FARAO (Ex. 10: 9-11)
Het antwoord is duidelijk: Heel het volk met al het vee om voor de HERE een feest te bereiden. Nu moet je niet denken, dat Mozes de Farao bedroog. Wel is het zo, dat hij het eigenlijke plan voor Farao verbergt. God heeft tot nog toe alleen het eerste deel van zijn verlossingsplan bekend gemaakt. Alleen maar het begin, het minst moeilijke, waarin Farao dus gemakkelijk had kunnen toestemmen. En laten we vooral niet vergeten: God vraagt gehoorzaamheid. Wat Hij wil en bedoelt, daar hebben we niets mee te maken. Ook Farao niet.
  Als hij het antwoord van Mozes heeft gehoord, reageert hij spottend. Dit bedoelt hij: net zomin als ik eraan denk om jullie te laten vertrekken, moge de HERE met jullie wezen. Eigenlijk was deze spot met Mozes en Ašron een bespotten van de HERE zelf. Want niet Mozes vroeg om bevrijding van het volk IsraŽl, maar hij vroeg het in de naam van God. Farao dreigt hen zelfs en laat ze wegjagen.
 
DE ACHTSTE PLAAG: SPRINKHANEN (Ex. 10: 12-20)
In de verzen 12-15 zien we wat een verschrikkelijke ramp over Egypte komt. Wat de hagel heeft gespaard, wordt nu zo grondig vernield, dat er voor Egypte geen voedsel meer over is. Wolken sprinkhanen verduisteren de hemel en bedekken het land.
  Je zou haast denken, dat de slag harder is aangekomen dan Farao had verwacht. Zie maar vs. 16. Eerst dat haasten, dan dieíerkenning van zijn zonde, zelfs een verzoek om voorbede. Bedenk hierbij, dat het Farao niet ontbrak aan erkenning van zonde, maar aan echt berouw. De hoofdzaak voor hem is het doen ophouden van de plaag.
  Weer mogen we de grootheid en majesteit van God zien. Hij gebiedt hier de westenwind te komen, die al de verslinders in de Schelfzee werpt. En Hij verhardt het hart van Farao. Want de openbaring van zijn naam over heel de aarde moet nog groter worden.
 
DE NEGENDE PLAAG: DUISTERNIS (Ex. 10: 21-29)
Zonder enige aankondiging of waarschuwing begint de negende plaag. Hierbij worden voor het gevoel van de Egyptenaren hun goden door de HERE vernederd. Ze vereerden immers de zonnegod. Re of Ra noemden ze die. Deze god beheerste eigenlijk heel hun godsdienst. Maar de HERE spot ermee. Hij verduistert de zon, en heel het land zit drie dagen in een ontzagwekkende duisternis, terwijl de IsraŽlieten volop licht hadden.
  Dat laat zien, dat dit wonder niet te verklaren is. Want bij een gewone zonsverduistering zou dat niet mogelijk geweest zijn. Ook kan het geen opgejaagd woestijnzand zijn. Al zou er nog zoveel zand waaien, je kunt elkaar nog wel onderscheiden. Uit vs. 23 blijkt, dat dit niet kon. Het is een echt wonder.
  Het is zo beangstigend geweest, dat Farao Mozes ontbiedt, waarschijnlijk na die drie dagen. Het schijnt iets te hebben geholpen. Farao lijkt iets toeschietelijker. Ze mogen gaan, maar het vee moet blijven. Maar je ziet, hoe onverbiddelijk Mozes de eis van de HERE handhaaft. Lees maar: geen hoef blijft er hier.
  Farao heeft gevoeld, dat het nu hard tegen hard gaat. Natuurlijk weigert hij. Zo wil God het ook. Hij heeft hier het toppunt van hardnekkigheid bereikt. Hij laat Mozes wegjagen. Hij dreigt hem te zullen doden, als hij nog eens durft te komen. Mozes bevestigt de woorden van Farao, want God had hem geopenbaard wat Hij verder zou gaan doen.
 
DE HERE KONDIGT DE UITTOCHT AAN (Ex. 11: 1-10)
Nog ťťn plaag. Mozes heeft haar als laatste boodschap aan Farao en zijn dienaren laten horen. Er zal geen woord onvervuld blijven. Zo erg zal het zijn, dat het met niets te vergelijken valt. Een dergelijke ramp zal Egypte nooit meer treffen. De HERE zal de overwinnaar zijn. Het zal zo grondig zijn, dat gesmeekt zal worden: ga toch weg!
  Het verhaal staat hier enigszins onderbroken. Want in de eerste verzen hebben we al kunnen lezen, hoe Mozes het volk op de hoogte bracht van wat de HERE ging doen en van wat zij mochten doen. En vs. 3 laat zien, hoe de HERE dit alles tot werkelijkheid maakte.
  Het slot brengt ons nog eens bij het belangrijkste: De HERE deed dit alles: al die wondertekenen die straffen waren. Hij was het, die het hart van Farao verhardde, dat het niet anders meer wilde dan zich verzetten. Want iedereen, Ťn Egypte Ťn het volk IsraŽl, ja heel de aarde, moest weten Wie Hij was, en Wie Hij is en Wie Hij zijn zal. Opdat ieder Hem zou gehoorzamen en eren als de Almachtige!
 
 
 
 
 
10 DE HERE STELT HET PESACH IN Exodus 12:1-28
 
INLEIDING
Bij het Pesach vloeide bloed van kleinvee. Dat slachten was geen blijk van Gods wreedheid, een niets ontziende bruutheid. Maar het was een doorlopende prediking van Gods trouw. Hij hield vast aan het Woord dat door hem gesproken was in het paradijs: de straf op de zonde is de dood. En heel die bloedige offerdienst was een monument van Gods onwrikbare trouw aan de rechtvaardige eis van zijn verbond.

Maar al dat bloed zei aan de andere kant ook dat die verzoening niet geschonken werd door het bloed van dat kleinvee. Want dat was niet in staat uit zichzelf de zonde weg te nemen. Dan zou het slachten daarvan al na de eerste keer wel opgehouden zijn ten teken dat de schuld verzoend was. Maar het slachten ging door in heel het Oude Testament.
  Zo werd in de geschiedenis al maar luider de roep om het echte Lam, dat wel verzoenen zou. De echte bemiddelaar die door zijn lijden en zijn gehoorzaamheid volledige verzoening bewerken zou. Al die stromen bloed, ze profeteren, dat er zeker verzoening komen zou. Dat bloed wees heen naar HET bloed van Christus op grond waarvan God al in het Oude Testament de zonde verzoenen wou.
 
ISRAňL ONTVANGT EEN NIEUWE JAARINDELING (vs.1,2)
De HERE gaat heel belangrijke opdrachten geven. Niet alleen Mozes neemt die in ontvangst, ook Ašron is daarbij aanwezig. Let erop, dat erbij staat: in Egypte. De andere wetten en opdrachten volgen straks in de woestijn bij de SinaÔ.

Het eerste bevel van de HERE houdt verband met de aanstaande verlossing uit Egypte. Deze maand zal voortaan de nieuwjaarsmaand zijn. Niet de maanstand of een natuurverschijnsel geeft de jaarindeling aan, maar Gods verlossing van zijn volk.
  Met de instelling van het Pesach en de uittocht begint de geschiedenis van IsraŽl als zelfstandig volk. Daarom ontvangt het nu ook een nieuwe tijdrekening. Het jaar begon vroeger bij de herfst, vanaf nu zal het beginnen bij de lente. De uittocht, die elk jaar werd herdacht bij het Pesach, was heel belangrijk voor het volk van God.
 
OPDRACHTEN VOOR HET SLACHTEN VAN EEN STUK KLEINVEE (vs.3-6)
Op de tiende van die maand, die Abib heette (na de ballingschap Nisan) moest een schaap of geit uitgekozen worden en apart gezet van de kudde. Let erop, dat men met de buren samen moet eten, indien ťťn dier teveel is voor een gezin. Wanneer dat niet het geval is, moet het Pesach per gezin worden gevierd. De leiding berustte bij de vader.
  Let goed op vs.5. Daarin wordt gezegd, waaraan het dier moet voldoen ťn wat voor soort men moest gebruiken. Het dier moest volkomen gaaf zijn, dus zonder gebreken. In Leviticus 22:22-24 worden die gebreken genoemd. Verder moest het een mannetje zijn en ťťnjarig. Zoek in dit verband eens op wat er staat in 1 Petr.1:19.
  Op de veertiende dag moest het dier in de avondschemering worden geslacht. Vier dagen is het apart gezet en apart verzorgd. Dan moest de vader het offeren. Ieder gezin moest dat op hetzelfde tijdstip doen. En al die gezinnen samen vormden het ťne volk IsraŽl. Zo bereidde het volk zich voor op wat komen ging.
 
OPDRACHT VOOR HET STRIJKEN VAN HET BLOED (vs.7)
In diezelfde schemering moest het opgevangen bloed aan de bovendorpel en de zijposten gestreken worden. Niet naar eigen goeddunken, maar precies zoals God dat wilde. Ze moesten daarvoor een bundeltje majoraantakken gebruiken. Zie vs.22. Dat waren bladeren van een plant die op muren groeide met stijf behaarde bladeren, net een kwast.

De hele ingang van elk huis was met bloed rood geverfd. Dat betekende, dat het bloed van de mensen daarbinnen eigenlijk vergoten had moeten worden. Maar het is louter genade, die de
HERE bewoog omzijn volk te redden in Christus, in zijn bloed. De HERE wil voorbijgaan, als Hij bloed ziet. Bloed zal verzoening brengen. Allen die wegschuilen achter dit bloed, dat heen wijst naar het bloed van Christus, wil de HERE sparen. Lees eens Joh.1:29 en 36, en let erop hoe Christus daar genoemd wordt.
 
OPDRACHTEN VOOR DE MAALTIJD (vs.8-10)
Na het offer volgt een maaltijd. Heel nauwkeurig schrijft de HERE voor, hoe alles moet verlopen. De HERE wil een gehoorzaam volk, dat niet naar eigen goeddunken handelt. Het vlees van het offerlam moet in dezelfde nacht gegeten worden. Het dier moest boven het vuur gebraden zijn. Speciaal staat erbij: niet gekookt.
  Er mocht geen been van gebroken worden. Als geheel moest het aan het braadspit worden gestoken. Dit offerlam was immers een afbeelding van Christus, aan wie geen been gebroken mocht worden.
  Wie van het lam at, had gemeenschap met de HERE. Denk maar aan het heilig avondmaal. Het op het ongelooflijke: de HERE gaat niet alleen zijn volk sparen deze nacht. Hij nodigt zelfs zijn volk bij Zich aan tafel.
  Dan zijn er de broden. Ongedesemd. Zonder gist zouden wij zeggen. Men kende toen nog geen gist. Men liet een deel van het deeg zuur worden. Als men ging bakken, werd het gebruikt om het deeg te doen rijzen. Dit zuurdeeg was een teken van bederf. Het volk moest bij de uittocht heilig zijn en gereinigd. Daarom moest alles wat met bederf te maken had, verwijderd worden.

De bittere kruiden herinneren aan de bitterheid van de verdrukking in Egypte. Het was een soort aanschouwelijk onderwijs. Die bittere kruiden waren vies om te eten. Het lijden in Egypte mocht nooit vergeten worden.
 
DE HERE KONDIGT HET OORDEEL AAN (vs.11-13)
Bij de eerste viering van het Pesach gold een bijzondere bepaling: het volk moest reisvaardig zijn. Het moest haastig gegeten worden. Men moest in de spanning verkeren elk moment het sein te krijgen om te vertrekken. Dit was het ogenblik, waarnaar de HERE en het volk hadden uitgezien.

Let erop dat er staat: het is een Pesach voor de HERE. Het Pesach wijst op de HERE en op zijn genade, dat Hij het volk zal sparen. En dat allemaal door het Lam, dat eenmaal aan het
kruis zal worden geslacht voor zijn volk.

Dan kondigt de HERE het oordeel aan over Egypte: alle eerstgeborenen van mens en dier zullen sterven. Hijzelf zal het oordeel voltrekken. Maar waar het bloed is aangebracht in geloof en gehoorzaamheid, daar gaat Hij voorbij en doodt niet.
 
HET PESACH ALS GEDENKDAG VOOR DE HERE (vs.14-20)
We lezen dan, dat de HERE het Pesach instelt als gedenkdag. Het moet gevierd worden als een feest voor de HERE. Het gaat niet om het volk, maar om de HERE. Ze zullen ook zeven dagen het feest der ongedesemde broden vieren. Ze zullen met moeten blijven doen.(vs.17)

Ze zullen dus ieder jaar opnieuw eraan herinnerd worden, hoe geweldig goed en barmhartig de HERE tegenover hen geweest is uit genade. Die genade moeten ze telkens weer zien, opdat ze God zullen prijzen.

Dat zien van het geofferde lam vinden we ook terug in ons sacrament: het heilig avondmaal. Daar mogen we ook zien hoe Christus voor onze zonden is geslacht. En in het eten en drinken
van brood en wijn hebben we gemeenschap met Hem. Die gemeenschap zal volmaakt zijn in de bruiloft van het Lam, waarover in Openbaring 19:6-10 geschreven wordt.
 
MOZES GEEFT GODS OPDRACHT DOOR AAN HET VOLK (vs.21-28)
Hoe belangrijk de instelling van het Pesach is, mag blijken uit het twee maal vermelden ervan. Eerst als boodschap van de HERE aan Mozes in vs.1-20. daarna als opdracht van God aan het volk in vs.21-28. Let erop, dat Mozes het meedeelt via de oudsten. Het volk was dus al enigszins georganiseerd.

Uit vs.22 blijkt opnieuw, dat ze alleen veilig zijn achter het bloed. Ze moeten binnenblijven in hun huizen, zo luidt het uitdrukkelijke bevel. Alleen door het bloed zullen ze behouden worden.

De HERE wilde zijn grote daden onder volk in levende herinnering houden. Ieder Joods nieuw jaar begon met de paasmaaltijd, waarbij de oudste zoon aan de vader moest vragen, wat het allemaal betekende. De vader moest dan Gods grote daden verkondi≠gen aan het volgende geslacht.
  Als antwoord op de woorden van Mozes knielt het volk en aanbidt. Het mag veilig zijn achter het bloed van het lam dat heen wijst naar het grote Lam Christus. Gods oordeel kan komen, de tiende plaag, maar ook het tiende wonder. Want voor het volk IsraŽl is het een onbegrijpelijk wonder van Gods genade!
 
 
 
 
  11. DE HERE LEIDT ZIJN VOLK UIT EGYPTE Exodus 12:29-42 en 13:17-22
 
INLEIDING
IsraŽl trok indertijd uit het slavenhuis van Egypte, beladen met geschenken van de Egyptenaren. Dat was gebeurd op bevel van een tegenstribbelende Farao. Het volk gaat, beladen met schatten voor de bouw van de tabernakel. Hier blijkt Gods majesteit en heerlijkheid.
  Hier blijkt waar te zijn, wat de HERE door de mond van de profeet Haggai zegt:íVan Mij is alle zilver, van Mij is alle goud. En Ik eis soeverein op wat Ik nodig heb voor de voortgang van mijn werk en mijn dienstí. De HERE eist al die schatten uit Egypte op voor Zichzelf. Het zijn ten diepste niet de Joden die met die geschenken vereerd worden, het is de HERE die ermee gediend wordt.
  Zo trekt de HERE heel de geschiedenis door. Steeds weer eist Hij zijn buit op. Bij de geboorte van Christus eist Hij de buit op van de wijzen uit het oosten. Vandaag de dag eist bij zijn buit op van de moderne westerse techniek. Hij eist daarvan op precies zoveel als Hij ervan nodig heeft. Totdat straks het nieuwe Jeruzalem komt en zijn overwinning compleet is.
 
DE HERE DOODDE ALLE EERSTGEBORENEN (Ex.12:29,30)
In vergelijking met de andere plagen is de beschrijving van de tiende plaag kort, maar krachtig. Mozes verheerlijkt de macht van de HERE door toch allerlei bijzonderheden te vermelden. Het gebeurde 's nachts. Terwijl de IsraŽlieten na het genieten van het Pascha reisvaardig achter hun deuren wachtten en God loofden met lofgezangen, ging de verderfengel door het land.
  Verder vermeldt Mozes, dat alle eerstgeborenen zijn gedood, van hoog tot laag, zelfs van het vee. Er was geen huis waar geen dode was. Je hoeft hier niet alleen aan kinderen te denken. Een vader kon ook een eerstgeborene zijn. Denk in dit verband aan de prachtige naam die de HERE aan zijn volk had gegeven in Ex.4:22,23. Later heeft de HERE dat nog eens gezegd in Hosea 11:1.
  Bedenk dat het maar niet vanzelf spreekt, dat deze plaag IsraŽl niet treft. Dat God het volk spaart, is louter genade. Het is Gods ontfermende liefde. Want als God naar recht zou handelen met de IsraŽlieten, zouden de ergste straffen ook hen moeten treffen. Ze zijn uit zichzelf geen haar beter dan de Egyptenaren. Ze zijn alleen veilig achter het bloed, dat heen wijst naar het bloed van Christus.
 
FARAO SMEEKT HET VOLK TE VERTREKKEN (Ex.12:31-33)
In Ex.11:8 lezen we, hoe Mozes de laatste straf aankondigt. Hijzelf zou Farao niet meer zien. Daarom moeten we aannemen, dat Farao door middel van hovelingen vraagt zo gauw mogelijk te vertrekken. Let op die zes gebiedende werkwoorden in vs.31 en 32.
  Farao legt ze geen strobreed in de weg. Zelfs het kleinvee mag mee. Het is wel duidelijk dat we hier niet met een verharde Farao te maken hebben. De HERE heeft nu zijn harde hart zacht gemaakt. Toch is hij ook op eigen voordeel uit, want ze moeten hem zegenen.
Ook het volk van Egypte drong op hun vertrek aan. Ze zijn bang allemaal te moeten sterven. Lees in dit verband Psalm 105:38.
 
DE UITTOCHT UIT DE SLAVERNIJ IN EGYPTE (Ex.12:34-42)
Er wordt zo'n aandrang op hen uitgeoefend, dat er geen tijd overblijft om het voedsel voor onderweg klaar te maken. Je weet dat al het zuurdeeg uit hun huizen verdwenen was. Er is nog geen tijd geweest om het deeg te laten gisten. Zo snel gaat alles, nu Egypte hen prest om toch te gaan. De schrik van de HERE is op heel Egypte gevallen. Ze zijn ontzettend angstig. Zo erg zelfs, dat het volk overvloedig goud en zilver krijgt, als het daarom vraagt. De HERE had hen dat opgedragen.
  In de geweldige verwarring die in heel Egypte heerst, komen ze dan samen. Let op die uitdrukking in vs.41: in groepen geordend. Het was een onafzienbare stoet mannen die het vee voor zich uitdrijven en de ezels, beladen met de kostbaarheden van Egypte. Verder vrouwen, kinderen en grijsaards.
  Wat een blijdschap bij al deze mensen! Want nu kunnen ze weer in vrijheid ademen. Ze zijn van het slavenjuk bevrijd. Ze gaan van slavendienst naar eredienst .Wat een rijkdom! Allen volgen Mozes en Ašron.

Gods volk:íIk ben de HERE, uw God, die u uit Egypte, uit het slavenhuis, geleid hebí. Misschien beluister je voortaan deze woorden nog meer met diepe bewondering voor de HERE, wiens hand dit alles leidde.

Maar bij die kinderen van Abraham, onder de leiding van de God van Abraham, gaan lieden van allerlei slag mee. Als je precies wilt weten wat voor soort mensen dat waren, moet je lezen Numeri 11:4. Ze gaan in elk geval niet mee om de HERE te dienen. IsraŽl zal nog genoeg last van hen ondervinden.
 
DE HERE TROK VOOR HEN UIT (Ex.13:17-22)
ĎWat een nachtí zullen ze wel gezegd hebben tegen elkaar. Om nooit te vergeten. Dat mocht ook niet. Ze moeten die nacht tot eer van God blijven gedenken. Om Hem te eren voor zijn grote daden.
  De weg van God is niet altijd een gemakkelijke weg of een korte weg. Zie vs.17. Mozes heeft hen wel op de kortste weg gebracht naar het land Kanašn. Maar als ze in Sukkot zijn, doet God hen zwenken naar het zuidoosten en dan verder trekken in de richting van de woestijn.
  De HERE weet, dat deze mensen jarenlang als slaven hebben moeten zwoegen. Bovendien zijn ze niet gewend aan strijd met wapens. Als ze langs de kust verder waren gereisd, zouden ze al gauw in aanraking komen met zeer vechtlustige volkeren, o.a. de Filistijnen. Dat wil de HERE hen besparen.
  In de lange stoet werd een doodkist meegedragen. Die kist had 144 jaren in Gosen gestaan als een teken van God, dat hen in het geloof moest sterken. Daarin lag het gebeente van Jozef . Deze had geprofeteerd dat de HERE hen het land Kanašn zou schenken. Lees in dit verband Hebr.11:22.
  Let er verder goed op, dat de HERE voor hen uittrok. Als een herder voor zijn kudde. Hij had zijn volk, zijn eerstgeborene, uit Egypte verlost. Nu ging Hijzelf voor zijn volk uit naar het beloofde land. Overdag in een wolkkolom. 's Nachts in een vuurkolom.Zonder ophouden waakte de HERE over zijn volk. Op weg naar Kanašn, op weg naar Christus. Want om Hem bemint de HERE dit volk.
 
 
 
 
12. DE EREDIENST MOET VOOR DE HERE HEILIG BLIJVEN Exodus 12:43-13:16
 
INLEIDING
Het Oude Testament is tegenwoordig niet zo populair. Men vindt soms al gauw dat er te veel uit gepreekt wordt. Dat is typerend voor de impopulariteit van dit deel, dat toch het grootste deel van de Bijbel is. Men denkt al gauw dat het Oude Testament achterhaald is en ons Nieuwtestamentische gelovigen niets meer te zeggen heeft.
  Dit gedeelte gaat over de in stelling van het Pesach. Misschien vraag je je ook wel eens af, wat moeten we vandaag met dat Oude Testament? Het Nieuwe Testament staat toch veel dichter bij ons? We kunnen toch veel beter ons met het Nieuwe Testament bezighouden?
  Bedenk dan dat ťťn van de giftigste dwalingen van de satan is: de kerk van Christus beroven van het Oude Testament.
 
HET HEILIG HOUDEN VAN HET PESACH (Ex.12:43-51)
IsraŽl mag Gods grote werken nooit vergeten. Daarom moet het Pesach elk jaar gevierd worden. Het Pesach diende om de gemeenschap van het volk IsraŽl met hun Verbondsgod uit te beelden. Het was het Oudtestamentische feest van de verzoening met God door het bloed van Christus. Het volk werd erdoor aangespoord te breken met de zonde en met alles wat onrein en onheilig is. IsraŽl was een afgezonderd volk. Dat moest ook duidelijk uitkomen bij het Pesach. Vandaar dat geen onbesneden vreemdeling aan het Pesach mocht deelnemen. Wie dit sacrament wilde gebruiken, moest het teken van het verbond ontvangen hebben.
  Dat de HERE na alle voorschriften in hoofdstuk 12 nog eens nadrukkelijk op het Pesach terugkomt, bewijst hoe belangrijk Hij het vindt. Het moet heilig gehouden worden. Want IsraŽl is een heilig volk. Dat wil zeggen: afgezonderd van de wereld ťn gewijd aan God om Hem te dienen.
  Het bloed van de verzoening geeft verlossing en vergeving van de overtredingen naar de rijkdom van zijn genade. Lees maar Efeze 1:7. Een volk dat zo verlost is, kan niet meer in dienst van de zonde en van de wereld leven. Van die verlossing moest het zich altijd bewust blijven.
 
HET HEILIGEN VAN DE EERSTGEBORENEN (Ex.13:1-2 en 11-13)
God had van elk Egyptisch gezin de eerstgeborene genomen. Maar Hij vraagt ze ook van zijn volk. De eerstgeborenen van mens en dier zullen Hem geheiligd worden. Dat is, zoals we al zagen, afgezonderd en aan hem gewijd.
  De dieren moeten worden geslacht en geofferd. En is het dier geen offerdier dan moet van dat dier de nek gebroken worden. Ook is het mogelijk het te lossen door een lam.
  En de mensen? Die mogen niet geofferd worden. Mensenoffers zijn in Gods ogen gruwelijk. Maar dan moeten ze gelost worden. Want eigenlijk moeten de eerstgeboren jongetjes aan de HERE gewijd worden, of als offer, of als dienaar bij het heiligdom.
  Later lezen we dat de ouders door losgeld te betalen, hun zonen konden vrijkopen van de dienst bij het heiligdom. Dat is gekomen toen de HERE de stam van Levi uitkoos om in de plaats van die eerstgeborenen jongens Hem te dienen. Zie Numeri 3:11-13.
  Waar ging het nu precies om bij die heiliging van de eerstgeborenen? Hierin laat de HERE zien, wat het doel is van de verlossing van zijn volk: het volk moet Hem dienen. Het moet zich helemaal voor Hem ter beschikking stellen. Het ging toch van slavendienst naar eredienst.
  Dat had de HERE toch ook via Mozes en Ašron steeds tegen Farao gezegd: Laat mijn volk gaan, opdat het Mij kan dienen!

Denk er vooral aan, dat deze wet vervuld is in Christus. Hij was de eerstgeboren zoon van Jozef en Maria. Zie Lucas 2:7 en 22-24. Hij was geroepen om in heel bijzondere betekenis heilig te zijn voor de HERE. Namelijk om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen. Matt.20:28. Op die manier werd Hij de eerstgeborene van alle gelovigen, die voor hen zijn leven gaf. Zie Romeinen 8:29.
 
HET FEEST VAN DE ONGEDESEMDE BRODEN (Ex.13:3-7)
In Ex.12:14-20 heeft de HERE al voorschriften gegeven over de ongedesemde broden. De gist was teken van bederf, onreinheid en zonde. Waarom mochten ze geen ongezuurd brood eten? Omdat de HERE hen met sterke hand uit de slavernij van de zonde had bevrijd. Ze moesten altijd die verlossing blijven gedenken.
  Let erop, dat de HERE hier uittocht en intocht aan elkaar verbindt. Mozes noemt de namen van de volken die ze zullen overwinnen. Hun land zullen ze in bezit mogen nemen. Een land overvloeiende van melk en honing. Deze woorden vormen een bemoediging voor het volk. Want het is amper op weg.
  Uit deze woorden moet het volk duidelijk opmaken, dat de HERE trouw is. Hij zal zijn beloften zeker vervullen. Met zijn gedachten is Hij al ver vooruit. Al de voorschriften in dit gedeelte: over het Pesach, over de heiliging van de eerstgeborenen en over het feest van de ongedesemde broden, heeft de HERE gegeven met het oog op het wonen in het land Kanašn.
 
DE HERE WIL ZIJN GROTE DADEN ONDERWEZEN HEBBEN (Ex.13:8-10 en 14-16)
Tot twee maal toe wordt aan de ouders voorgehouden dat ze hun kinderen moeten onderwijzen in de grote daden van de HERE. Huiscatechisatie moest worden gegeven. Het jaarlijkse Pesach moest bij het volk het besef levendig houden, dat ze alles te danken hadden aan de genade van de HERE .

De HERE wilde zijn almacht verkondigd hebben aan het volgende geslacht. Want de dienst, de eredienst voor de HERE moest doorgaan. Dat kon alleen door geloof in de HERE. En geloof kan niet zonder kennis van de machtige werken van de HERE. Daarom moesten de ouders op het paasfeest aan het werk.
  De verlossing door de HERE moest het volk net zo duidelijk voor ogen staan als de ring aan de vinger of als de voorhoofdsband. Op al deze manieren werd het volk van God eraan herinnerd, wat voor een geweldig heilsfeit de verlossing uit Egypte was.

Telkens wordt op Gods sterke hand gewezen, opdat IsraŽl er niet klein van zou denken. Ze moesten duidelijk weten, dat het allemaal genade was die God schonk, omdat ze niet beter waren dan andere volken. Alle roem is uitgesloten; het is alles onverdiende zaligheid. Voor IsraŽl. Ook voor ons.
 
 
 
 
13 DE HERE LEIDT ZIJN VOLK UIT MET VERHEVEN HAND Exodus 14
 
INLEIDING
Er zijn vandaag ontzaglijk veel mensen die eigen baas willen zijn over zichzelf. Als jij je eigen baas zou zijn, zoals velen het vandaag als ideaal zien, dat jezelf kunt beschikken over je leven en je je eigen boontjes dopt, dan zou je nog geen ogenblik kunnen standhouden. Dan was je meteen door satan ingepakt en was je slaaf van hem. Want het is niet mogelijk eigen baas te zijn. Je bent altijd of kind van God en eigendom van Christus of slaaf van de satan. Want van jezelf kun je geen moment standhouden.
  Daarom mogen we zo zielsdankbaar zijn dat we van Christus zijn. En dat we voor zijn rekening komen. Hij heeft duur voor ons betaald. Hij zal daarom ook zuinig op ons zijn. En zelfs als ons rampen overkomen, is en blijft Hij present om daar als de Here te staan en om ook al dat kwaad ten goede te keren.
  Zelfs in het sterven doet Hij dat. Want of wij nu leven of dat we sterven, wij zijn van de Here. Ook in ons sterven komen we voor zijn rekening. Zelfs dan mogen we vertrouwen op zijn bewarende zorgen. Wat zouden we dan nog vrezen? De Here zorgt. Daaraan mogen we ons overgeven, want Hij heeft zijn leven voor ons gegeven. Zou Hij ons dan ook niet alle dingen schenken?
 
DE HERE GAAT ZICH AAN FARAO VERHEERLIJKEN (vs.1-4)
Je weet nog wel, waarom die wondertekenen, die plagen in Egypte nodig waren: Farao waande zich eigenaar van dat slavenvolk. Steeds moest Mozes zeggen dat IsraŽl eigendom van de HERE was. Het was zijn kind, zijn eerstgeboren zoon. Farao wilde daarvan helemaal niets weten.

Bij de uittocht heeft Farao wel moeten erkennen, dat het eigendomsrecht bij de HERE lag. Maar het blijkt nog niet diep tot hem te zijn doorgedrongen. Nu gaat de HERE in deze bekende geschiedenis laten zien, dat Hij als Koning alleen recht heeft op zijn volk IsraŽl.
  Ook hoe Hij Koning is. Eerst leidde Hij zijn volk uit. Nu voert Hij het verder door de Rode Zee. Hij baant een weg. En Hoe! Met een machtige arm en met een verheven hand.
  Want Hij is het die dit grote wonder tot stand brengt. Hij doet het helemaal alleen. Mozes doet het niet, maar de HERE Zelf. Soms gebruikt Hij mensen als zijn mede-werkers. Maar nodig heeft Hij ze niet.
  De HERE wil nog eenmaal Farao laten zien wie Hij is. Hij zal zijn hart gaan verharden, zodat hij de achtervolging inzet. Dan zal de HERE Zich aan Farao verheerlijken. Dat is het doel: verheerlijking van God. Zowel door de straf over de goddeloze Egyptenaren, als door de genade van zijn volk.
 
MET VERHEVEN HAND (vs.5-8)
Denk eraan, dat het in actie komen van Farao en zijn leger het werk van de HERE is, want Hij wil verheerlijkt worden. Farao krijgt inlichtingen over de situatie van zijn weggetrokken slavenvolk, zijn gastarbeiders. Omdat hij denkt dat ze vluchten, maakt hij snel plannen om ze terug te krijgen. Zelfs zijn raadgevers vragen zich af, hoe ze die goedkope arbeidskrachten hebben kunnen laten gaan.
  Ze zijn blijkbaar vergeten, dat ze alles hadden gedaan om de uittocht te verhinderen. Zelfs tien plagen waren nodig geweest om hun taaie verzet te breken.
  Met enkele woorden beschrijft Mozes het militaire plan van de Farao. Eerst laat deze zijn strijdwagen gereed maken. Hij zelf gaat voorop. Dan komen de 600 indrukwekkende strijdwagens, gevolgd door de rest van het leger. Met deze strijdmacht zet Farao de achtervolging in naar Gods plan.
 
BIJ ISRAňL ONGELOOF EN ANGST (vs.9-12)
De IsraŽlieten kregen ineens de achtervolging door dat machtige leger in de gaten. En ze konden geen kant meer uit. Links en voor zich de zee, rechts de bergachtige woestijn en achter zich Farao met zijn Ďtanksí. Ze zaten als muizen in de val.
  Dan komt de angst. Ze gaan schreeuwen, ze roepen tot de HERE. Niet in geloof en rustig vertrouwen dat het goed zal aflopen, maar in ongeloof en vrees.

Ze zondigden op twee manieren. Ze herinnerden zich op dat moment kennelijk niet meer de macht van de HERE, die hen met verheven hand had uitgeleid. Met het vergeten van Gods grote daden, ontzonk hun ook de hoop op Gods hulp. Verder keerden ze zich tegen Mozes. Zie in vs.11 en 12. En zoek dan nog eens op Ex.6:8. Dan begrijp je ook, dat verwijt over dat met rust gelaten worden.
  Het is onbegrijpelijk, dat ze zo kunnen reageren na Gods machtige uitredding en na zijn wonderen in de plagen over Egypte. Ze hebben het allemaal met eigen ogen gezien. Ook is het onbegrijpelijk, dat ze de verdrukking in Egypte als een kleinigheid naar voren brengen. Zie vs.12
  Uit deze reactie van het volk zie je, dat het geen haar beter is dan andere volkeren. Het is allemaal genade! Wat moet de HERE een groot geduld hebben, dat Hij zo'n geduld hebben, dat Hij zo'n houding niet dadelijk afstraft!
 
DE HERE ZAL VOOR U STRIJDEN (vs.13-18)
Mozes laat zich door de angst van zijn volk niet van zijn stuk brengen. Als bemiddelaar tussen de HERE en het volk spreekt hij in rotsvast geloof. Ze moeten niet bang zijn, want nu zullen ze de HERE zien strijden. Als een Koning!
  Mozes heeft kennelijk tot de HERE geroepen. Hij geeft Mozes een opdracht. Zie je, hoe dat rechtstreeks tegen het volk in gaat? Ze moeten opbreken, ze moeten verder. Dat betekent: naar de zee. Een andere weg is er niet.
  Daar zullen ze zien, hoe de HERE, hun Koning Zich gaat verheerlijken aan Farao en aan zijn hele legermacht. Let erop, dat God het herhaalt in vs.18. De verheerlijking zou daarin bestaan, dat zijn macht zou worden erkend en zijn rechtvaardigheid zou worden geprezen.
 
CHRISTUS LEIDT ZIJN VOLK IN DE WOLKKOLOM (vs.19,20)
Heel goed moet je letten op deze verzen. Je ziet dat hier maar geen sprake is van een of andere wolk. Maar de Here Jezus is in die wolk. Dus Christus gaat voorop. Hij leidt zijn volk. In 1 Cor.10:1-4 wordt heel duidelijk gesproken over Christus die met hen meeging. Hij gaat zijn volk beschermen door tussen hen en de Egyptenaren in te gaan staan.
  Als een bedekking. Want zie maar: als de vijanden kijken naar de IsraŽlieten, zien ze duisternis, wolken, donkerheid. Een versperring! Ze kunnen niets beginnen. Christus zorgde voor dekking van de achterhoede.
  Maar aan de andere zijde straalde licht. Het was het teken, dat de Engel Gods (Christus) er was en dat ze veilig waren. Wat een goddelijke zorg! Ondanks hun gemopper en gescheld.
 
HET PAD DOOR DE ZEE (vs.21,22)
Zoals de HERE het volk in de nacht uit Egypte leidde, zo leidt Hij hen nu in de nacht door de zee. Ze moesten immers opbreken en verder trekken. Lees wat de HERE deed. Houd dat goed voor ogen. Dat is van geweldige betekenis geweest. Wat wordt er in de Schrift vaak aan herinnerd! Altijd weer moet het in het geheugen worden gegrift.
  Hoe belangrijk het voor ons is, lees je in het gebed voor de doop. Je weet wel: over de hardnekkige Farao die met heel zijn volk in de Rode Zee verdronk. Maar het volk IsraŽl is er droogvoets doorheen geleid. En dan staat er: waardoor U toen reeds de doop hebt aangeduid.

Dat heeft de HERE Zelf als teken gegeven. Zie nogmaals 1 Kor.10:1,2. In art.34 NGB lezen we ook van het verband tussen de Rode Zee en onze doop. Daar belijden we, dat de verzoening maar niet in het water zit, maar in het bloed van Christus. Dat is onze Rode Zee. Door Christus ontkomen we aan de tirannie van Farao, dat is de duivel. En door Christus kunnen we ingaan in het geestelijke Kanašn.
 
DE ONDERGANG VAN FARAO MET ZIJN LEGER (vs.23-31)
In de vroede morgen van 2 tot 6 uur gaat de HERE het oordeel over Farao en zijn leger voltrekken. De Egyptenaren ontdekken ook de weg door de zee. Dan bemerken ze opnieuw Gods verheven hand.
  Psalm 77 vertelt, dat de HERE een vreselijk onweer doet losbarsten. De wonderlijke weg door de zee wordt doorweekt. De wielen zakken weg. De HERE ziet toe vanuit de wolk. (vs.24) Hij brengt een grote verwarring. Ze willen vluchten. Maar dan doet God de HERE, na een teken van Mozes, het water terugvloeien.
  En weer zien de IsraŽlieten Gods verheven hand. Want voor hun ogen zien ze de dode vijanden op het strand aanspoelen. (vs.30) Het is Gods straf over Egypte. Als de HERE straft, is die straf rechtvaardig. De Farao verdrukte Gods volk. Ondanks de tien wonderen geloofde hij niet. Hij liet de jongetjes verdrinken in de Nijl. Nu verdrinkt God hem en zijn legermacht in de zee.
  Deze straf maakt IsraŽl vrij. Want nu Farao dood is, is elke kans om naar Egypte terug te moeten keren, verdwenen. Tegenover de ondergang van Farao stelt de HERE hier de volkomen redding van zijn volk. Het volk is vervuld met diep ontzag. Ze zijn gesterkt in het geloof. Hun vertrouwen is weer op de HERE en op zijn knecht Mozes. Ze hebben immers Gods verheven hand gezien!
 
DE BETEKENIS VAN DE UITTOCHT
Het boek Exodus dankt zijn naam aan IsraŽls uittocht uit Egypte. Na een periode van vernedering en verdrukking onder de knoet van Farao, bevrijdde de HERE IsraŽl uit hun ellende. Bij veel moderne theologen is exodus is een staande uitdrukking geworden voor bevrijding uit maatschappelijk onrecht en verdrukking.
 
Voor wie zo denkt, is het hoogtepunt van het boek Exodus IsraŽls doortocht door de Rode Zee en de ondergang van Farao's militaire macht in diezelfde zee. Toen had IsraŽl definitief zijn vrijheid terug en had het de ellende van Egypte voorgoed achter zich gelaten.
 
Maar het boek Exodus sluit niet af bij de doortocht, maar gaat verder. En dan wordt duidelijk waarom het bij IsraŽls uittocht werkelijk om ging. Waar het in de uittocht werkelijk om ging was niet dat slaven bevrijd en machthebbers verdelgd werden. Of dat IsraŽl een welvarend leven kreeg in een land dat overvloeide van melk en honing.
  Waar alles om begonnen was, was het huwelijksverbond dat de HERE met zijn volk wilde sluiten bij de SinaÔ. Hij wilde IsraŽl maken tot een koninkrijk van priesters, die Hem dienden en voor Hem leefden. Hij wilde temidden van hen wonen. Daar loopt het boek Exodus dan ook op uit. De HERE komt wonen temidden van zijn volk in al zijn heerlijkheid. Om Zich door zijn volk te laten dienen. En om zijn volk zorgend en bevrijdend nabij te zijn.
 
 
 
  13a MOZES LEERT HET VOLK ZINGEN VAN ZIJN KONING Exodus 15:1-21

LIED VAN MOZES TER ERE VAN GOD (vs.1-3)
Mozes zingt met de IsraŽlieten een lied voor de HERE. Hij heeft het mogen dichten. Maar denk eraan: het is een lied, ingegeven, geÔnspireerd door de Heilige Geest. Mozes is hier niet alleen dichter. Hij is ook ambtsdrager. Hij gaat het volk voor in de eredienst voor de Heer. Je weet het nog wel: het ging van slavendienst naar eredienst. Hij mag zingen van de verlossing van Gods volk uit het slavenhuis Egypte. Een lied ter ere van God: eredienst.

De eerste verzen zijn een lofprijzing. Daarin wordt de HERE lof gezongen. Het is dus een lofzang. In de volgende verzen wordt verteld wat de HERE allemaal heeft gedaan. Zijn machtige daden als Krijgsheld worden dan verteld.

De uittocht uit Egypte en de doortocht door de Rode Zee moeten bezongen worden. Want het volk mag het nooit vergeten. Steeds weer moesten ze aan die machtige verlossing herinnerd worden. Waarom? Ze moesten altijd hun vertrouwen blijven stellen op de HERE.

Het lied van Mozes is zo belangrijk, dat het telkens in andere psalmen wordt aangehaald. We vinden het zelfs terug in Openbaring 15. Daar heet het: het lied van Mozes en van het Lam. Dat is niet omdat het over het Lam, over Christus gaat, maar omdat de Geest van Christus, de Heilige Geest, het door de mond van Mozes heeft gezongen. In Openbaring 15 gaat het over de vernietiging van de antichrist en de ondergang van zijn duivelse rijk. Daarvan is het lied van Mozes de profetie.


DE HERE REGEERT VOOR ALTOOS EN EEUWIG (vs.4-18)
Met aangrijpende beelden bezingt Mozes de vernietiging van de macht van de Farao. De beelden stapelen zich als het ware op: in zee geworpen, gedompeld, doen zinken. Ze worden verpletterd, verdelgd, verteerd. Zie ook dat hij de kracht van God doet komen door zijn adem, maar ook bezingt hij zijn machtige arm. Als je dit lied op je laat inwerken, kom je onder de indruk van Gods grootheid en majesteit.

Je hebt hier te maken met een oosters lied. Dat kun je merken aan de parallellie. Je weet wat wegen zijn die parallel lopen of evenwijdig. Die oosterse dichtkunst liet in ťťn vers hetzelfde vaak op twee verschillende manieren zeggen. Let maar op vs. 4, 5, 6, 10 en 14.

Mozes bezingt niet alleen maar wat de HEER deed. Hij mag ook profeteren: God zal hen leiden naar zijn heilige woning. En hoe! Schrik en vrees zal de volken overvallen, totdat IsraŽl het heiligdom bereikt heeft. Het allergrootste is, dat Mozes het koningschap van God bezingt. De HEER zal regeren voor eeuwig en altijd! Hierdoor wordt het volk aangespoord te vertrouwen op de HEER, die gisteren, vandaag en morgen Dezelfde is.


HET AMENLIED VAN MIRJAM (vs. 19-21)
Nog eens wordt het ontzaglijk belangrijke feit van de verlossing uit Egypte herhaald en samengevat. Wat geeft dat stof tot roemen en zingen! Dan lezen we van het feest, het volksfeest dat gevierd wordt. Mirjam leidt de vrouwen. Ze leert de vrouwen zingen en danste voorop de reidans.

Dus niet alleen de mannen zingen Mozes na. Zo ging dat namelijk bij een oosters lied, met voor- en nazingen. Wat Mirjam de vrouwen doet zingen komt ook van Gods Geest. Ze wordt immers een profetes genoemd.





EEN LIED VAN MOZES
Exodus 15:1-18
op de melodie van psalm 149

1. Looft, looft de HEER, Hij is verheven!
Het paard is in de zee gedreven;
de ruiter werd een prooi der golven;
het leger is bedolven.
IsraŽl, roemt de HEER luid!
Prijst uw God, Hij trekt voor u uit.
Een sterke Krijgsheld is de HEER,
zijn Naam ontvange eer.

2. De keur der helden is verdronken;
Egyptes wagens zijn gezonken.
De ruiters, hoog te paard gezeten,
zijn in de zee gesmeten.
IsraŽl, roemt de HEER luid!
Prijst uw God, Hij trekt voor u uit.
Het water sloot zich om hen heen;
zij zonken als een steen.

3. Uw rechterhand, heerlijk door krachten,
verpletterde des vijands machten.
Uw majesteit richtte te gronde,
die tegen U opstonden.
IsraŽl, zingt de HEER uw lied!
Looft Gods Naam, om wat is geschied.
Uw troongloed heeft hen weggebrand,
als stoppels van het land.

4. Uw adem deed de golven wijken;
het water stond gestold tot dijken.
De vijand riep: "Sta op, te wapen,
wij slachten ze als schapen."
IsraŽl, zingt de HEER uw lied!
Looft Gods Naam om wat is geschied.
Het water sloot zich als een graf;
rechtvaardig was hun straf.

5. Wie is als Gij, zo groot en machtig!
Wie is als Gij, heilig en krachtig!
Hoe wonderbaar, HEER, zijn uw daden.
Gij zijt met roem beladen.
Zingt de HEER, want zijn naam is groot!
In de zee bleef de ruiter dood.
Uw rechterhand werd uitgestrekt,
heeft hen met slijk bedekt.

6. Uw goedheid zal het volk geleiden;
Gij zult zijn woning toebereiden.
Het werd verlost uit de ellende;
Gij gaat zijn lot nu wenden.
Zingt de HEER, want zijn Naam is groot!
In de zee bleef de ruiter dood.
Gij brengt uw volk naar Kanašn,
volgens uw heerlijk plan.

7. De volken zullen voor U beven;
de moed zal koningen begeven,
ontzetting zal hen overvallen,
de heersers en vazallen.
Zingt de HEER, die met kracht omgord
in het graf paard en ruiter stort.
Terwijl uw volk de zee doortrekt:
de zoon door U verwekt.

8. Uw heilge berg wordt 't volk een woning;
daar zult Gij heersen als een Koning.
Gij zult het in uw erfdeel planten,
beschut aan alle kanten.
Zingt de HEER, die met kracht omgord,
in de zee paard en ruiter stort.
De HEER die troont in heerlijkheid,
regeert in eeuwigheid.


LIED VAN MOZES EN HET LAM
Openbaring 15:2-4
op de melodie van psalm 149

1. Straks klinken eindeloze zangen
van hen die eeuwig heil ontvangen.
De overwinning wordt bezongen:
het beest zal zijn bedwongen.
Zingt uw God, die u redden kwam,
Mozes' lied en dat van het Lam!
Verheugt aan de glazen zee;
Gods citers klinken mee.

2. De overwinnaars gaan Hem prijzen;
zij zingen Hem de schoonste wijzen.
Hoe groot zijn 's HEREN wonderwerken;
zijn almacht kent geen perken.
Zingt uw God, die u redden kwam,
Mozes' lied en dat van het Lam!
Rechtvaardig zijn uw wegen, HEER;
Uw Naam zij eeuwig eer!

3. Wie zou, o HEER, uw Naam niet vrezen;
uw heiligheid zij luid geprezen.
De volken zullen tot U komen
en geven U hun kronen.
Zingt uw God, die u redden kwam,
Mozes' lied en dat van het Lam!
Zij knielen neer met diep ontzag:
't Gericht komt aan de dag.



 
 
 
  14 ALS EEN VADER ZORGT GOD VOOR ZIJN VOLK Ex.15:22-16:36
 
INLEIDING
Je leest vaak, dat het volk IsraŽl steeds weer ontevreden was en mopperde tegen Mozes en God. Misschien komt dan de gedachte bij jou op: vandaag zijn we toch niet meer zo. Wij zijn heel wat beter dan het Joodse volk uit het Oude Testament. Is dat wel zo?
 
DE HERE BEPROEFT ZIJN VOLK (15:22-23)
IsraŽl trekt na de wonderlijke doortocht door de Rode Zee de woestijn in. Die woestijn Sur is een witgele, golvende zandvlakte met opzij in het westen kale kalkbergen. Het is ťťn grote verlatenheid. Nu moeten ze leren uit het geloof te blijven leven, leren van genade te leven uit de hand van God.
  Brood hebben ze bij zich, maar ze zoeken water. Dat vinden ze pas na drie dagen. En dan blijkt het bitter-zout te zijn. Als de eersten geproefd hebben, gaat door het leger het gerucht: mara.
  Waar is hun geloof nu? Ze zien niets van Gods genadige zorg. Ze zijn blijkbaar vergeten, wat ze drie dagen geleden gezongen hebben. Merk op dat nergens staat, dat God vertoornd op hen is.
  Op Mozes' gebed mogen ze Gods wonderlijke zorg zien. God heeft in zijn voorzienigheid gezorgd, dat daar een stuk hout lag. Ook had Hij het zo geleid, dat die oase daar een bron bevatte met dat vieze water. Want de HERE wilde zijn volk beproeven. Waarom? Om
ze klein te maken, om ze te helpen hun vertrouwen alleen op de HERE te stellen, op zijn macht en zijn goedheid.
 
IK, DE HERE, BEN HET DIE JULLIE GENEEST (15:24-27)
De beproeving is hard nodig, want het volk beseft nog niet voldoende, dat het rustig op de HERE kan vertrouwen. Dan doet de HERE een wonder. Niet door de staf - ze mochten dat eens als een toverstok gaan zien -, maar door een eenvoudig stuk hout. Door de weg van het wonder schenkt God genezing van het water.
  Lees nu aandachtig vs.26. Bij de daad, waarin Hij het wonder doet zien, geeft Hij ook zijn openbaringswoord: een belofte met een voorwaarde. Je weet, dat in heel Gods verbond belofte en eis verbonden zijn. De ziekten uit vs.26 zijn het lichamelijke lijden en die verwondingen, die ze in Egypte hadden leren kennen.
  Dan staat er dat prachtige woord, dat de HERE geneest. Hij geneest de zieken. De HERE is de Geneesheer (Heiland) die redt van het verderf. In dat geloof moet het volk verder gaan de woestijn in. In dat geloof alleen is het veilig.
  Niet alleen door de weg van het wonder zorgt Hij voor zijn volk. Ook langs de gewone weg. Dat zien we in Elim. Dat is ook Gods macht. Zoals Hij elke dag op gewone manier voor ons zorgt. We vinden dat maar heel gewoon. Maar dat is evengoed een wonder: dat zijn Vaderzorg er is, bij dag en bij nacht. Het wonder van zijn genade in het verbond.
 
HET VOLK SCHIJNT GODS GENADE TE ZIJN VERGETEN (16:1-3)
Het leger trekt verder naar het Zuiden, achter de HERE aan. Die ging immers voorop in een wolkkolom. In die woestijn Sin raakt het voedsel op. Let erop, dat het vier weken geleden was, dat ze uit Egypte werden geleid (vs. 1). Die honger was dus een nieuwe beproeving van de HERE voor zijn volk.
  We zien in vs. 2 hoe het volk zich gedraagt tijdens die beproeving. Dat is niet best. Na Egypte, na de Rode Zee, na Mara blijken ze erg hardleers te zijn. Ze hebben toch Gods macht en kracht gezien, en ook zijn vaderlijke ontferming. In plaats van zich over te geven in geloofsvertrouwen aan de HERE, sluiten ze hun ogen en vergeten al de daden van zijn trouw en zijn beloften.
  Ze morren. En hoe! Lees dat goed in vs. 2. Je schrikt er van. Zo onbillijk, zo bedroevend treurig! Gods grote genade wordt gewoon vergeten. Ze willen er blijkbaar niet meer aan denken. Dat blijkt ook hieruit, dat ze dit alles aan Mozes en Ašron verwijten.
 
HET ANTWOORD VAN DE HERE (16:4-5)
Nu lezen we niet, dat Mozes eerst naar de HERE gaat en Hem de grieven overbrengt. Nee, de HERE heeft alles gehoord. Hij geeft meteen zijn opdracht aan Mozes. Wat is dat een heerlijke bood≠schap! Ze hadden misschien verwacht, dat er straf zou komen, maar de HERE gaat zijn heerlijkheid laten zien in het wonder van brood en vlees. Je zult wel begrijpen, dat het volk eigenlijk beschaamd moet staan door deze genade van hun hemelse Vader.
  Er staat nog iets, dat onze aandacht niet mag ontgaan. Namelijk: ' Daarmee stel ik hen op de proef: ik wil zien of ze zich aan mijn voorschriften houden'. Je moet hierbij niet denken aan de wet van de Sinai. Zover zijn we nog niet. Daar weten ze nog niets van. Het gaat hier om de voorwaarden die God stelt bij de voedselvoorziening. Of ze daarin naar Hem luisteren. Het gaat erom of ze niet meer verzamelen dan voor een dag.
 
DE HERE VERSCHIJNT AAN ZIJN VOLK (16:6-12)
Mozes en Ašron geven aan het volk Gods boodschap door. Mozes herhaalt het op zijn manier. In zijn woorden schuilt verwijt aan het volk. Dat volk had geklaagd tegen Mozes en Ašron (vs.2). Maar Mozes stelt het direct in het juiste licht: ĎNiet tegen ons was uw geklaag, maar tegen de HEREí.
Het volk moet aan de rand van het tentenkamp gaan staan. Ze moeten een goed uitzicht op de woestijn hebben, zodat ze Hem zullen zien. Het eerste wat ze zien, is de heerlijkheid van de HEREN in een wolk. Geweldige lichtglanzen, stralend, maar omgeven door een wolk: Licht in de rook! Ze moeten goed zien, dat het enkel en alleen Gods heerlijkheid is, die ze aanschouwen.
  Nog eens wordt de belofte van de HERE aangehaald. In de avond≠schemer zal er vlees komen en in de morgen brood. En dan moet je goed letten op wat volgt: ĎEn u zult weten, dat Ik, de HERE, uw God ben.í Zie je: de HERE wil gediend en gevreesd zijn. Hij wil dat het volk alleen op Hem zijn vertrouwen stelt. Je proeft hier al iets van: Ik ben een jaloers God. Want Hij heeft zijn volk innig lief. Daarom wil Hij wederliefde!
 
DE HERE STUURT VLEES EN BROOD (16:13-21)
Grote zwermen kwartels komen laag aangevlogen (een soort patrijzen). Uitgeput strijken ze neer. Zoveel, dat ze het hele kamp overdekken. Ze kunnen zomaar gegrepen worden. Nu moeten we dat weer goed zien. Die vluchten komen er wel meer voor op weg naar het noorden.
  Maar hier is het een wonder van God. Hij laat juist nu en hier de vogels komen, zodat ieder ze grijpen kan. Het volk mag opnieuw Gods eindeloze barmhartigheid ondervinden. Er wordt niet over straf gesproken. Wat een geduld van de hemelse Vader!
  En de volgende morgen! Daar is weer een wonder. Als de nevels optrekken, laat de dauw iets fijns achter. Ze hadden het nog niet eerder gezien. Mozes legt het uit: dit is het brood dat de HERE u tot spijs gegeven heeft. De eerste maal mag ieder nemen naar zijn behoefte. Als ze het met de omer of gomer meten, blijkt, dat ieder zoveel heeft als nodig is. (Een omer is ongeveer 3,5 liter).
  Niemand heeft overvloed, niemand heeft tekort. Ze zullen na verloop van een poosje wel geweten hebben, hoeveel ze nodig hadden. Want er blijkt nergens dat ze elke dag de omer gebruikten. We moeten goed zien, dat de HERE hier een wonder doet. Hij maakt ieders portie gelijk. Overvloed is immers niet nodig, want de HERE gaat dit wonder elke dag herhalen. Behalve op sabbat.
  Je ziet wel, dat er toch mensen zijn, die zich niet in geloof aan de woorden van Mozes onderwerpen. Want ze hebben toch wat overgehouden. Kijk maar wat er gebeurt en wat Mozes doet. Ze overtreden de wet, waarover in vs. 4 is gesproken.
 
DE HERE WIL RUST OP DE SABBAT (16:22-31)
Op vrijdag kregen ze de opdracht een dubbele portie te verzamelen. Daarbij werd de uitdrukkelijke belofte gegeven, dat er nu niets bederven zou. Weer vraagt de HERE geloof. Want het is onbegrijpe≠lijk, ook voor ons, dat het juist die dag niet bederven zal. We zien hier dus dat de sabbat al bekend was bij het volk.
  Weer blijkt dat er hier en daar ongehoorzame lieden zijn geweest. Ze trekken er op die sabbatsmorgen vroeg op uit, maar ze vinden niets. Let erop, dat de HERE klaagt, hoelang het wel moet duren, voordat ze zijn wetten en geboden onderhouden. Er wordt nog eens met nadruk gewezen op het rusten op die zevende dag.
 
HET WONDER VAN HET MANNA MOET IN GEDACHTENIS BLIJVEN (16:32-36)
De slotverzen vertellen, dat ze dit wonder nooit mogen vergeten. Ze moeten een kruik vullen met dit hemelse brood en dat zorgvuldig bewaren. De komende geslachten moeten het blijven gedenken.
  Het heeft alles te maken met Gods verlossing van Zijn volk. Veertig jaren lang hebben ze zo elke dag Gods wondermacht gezien. Als een Vader heeft de HERE voor zijn volk gezorgd. Dat zullen ze nooit mogen vergeten.
 
 
 
 
  15. DE HERE BEWAART EN LEIDT ZIJN VOLK Ex.17 en 18
 
INLEIDING
Steeds weer zien we dat de HERE zijn volk op de proef stelt: Daardoor wil Hij het dichter aan Zich binden. Beproeving is een teken van Gods liefde voor ons.
 
HET VOLK MAAKTE MOZES VERWIJTEN (17:1-3)
Het volk van de HERE worstelt hier met de moeite van de woestijn. Dat weet de satan ook. We moeten nooit vergeten dat hij loert op het volk van God. Satan weet dat dit volk de heerlijke belofte meedraagt van de Verlosser. Daarom is hij hier in de woestijn om het volk tegen de HERE op te zetten. Opstand en revolutie, dat is zijn bedoeling. Als God dan het volk zou verstoten, dan was het van hem. De beloften konden dan niet meer worden vervuld.
  Tegen deze achtergrond moeten we de opstand van het volk in Refidim zien. Het volk gaat Mozes verwijten maken. Maar Mozes wijst direct door naar de HERE. Waarom stelt u de HERE op de proef?
  Hij wil zeggen: de HERE heeft toch voor alle dingen gezorgd? Voedsel en water. Uit vs.7 blijkt hoe ernstig deze opstand is. Ze zeggen eigenlijk: Laat de HERE maar eens bewijzen, dat Hij in ons midden is.
  Dat is na alle grote daden van de HERE in de afgelopen weken bijna onbegrijpelijk. Wat een goddeloosheid! Als er een greintje geloof in hen was geweest, dan hadden ze zich tot de HERE gewend in het gebed. Wat ze nu zeggen, is de HERE dwingen. En dat is altijd ongeloof. Hoe heeft de satan het volk hier in zijn macht!
 
GODS GEDULD MET ZIJN VOLK (17:4-7)
Je ziet, dat Mozes bang is dat ze hem zullen stenigen. Zo fel is hun opstand! Dan zien we de grote genade over dit opstandige volk. Hij slaat niet neer; Hij straft (nog) niet, maar Hij laat
Mozes de staf halen. Die staf is voor het volk een duidelijk teken, dat God iets gaat doen. Maar het is ook ter versterking van het geloof van Mozes. Hij riep immers luid. Voor de ogen van de vertegenwoordigers van het volk slaat Mozes op de rots en geeft de HERE water.
  Het is opmerkelijk welke naam Mozes aan deze plaats geeft. Hij spreekt niet over deze geweldige daad van God, over dit wonder. Nee, de naam is voor altijd een herinnering aan deze verwijten, aan het ongeloof van het volk. Tegelijk wordt dan het geduld van de HERE zichtbaar. Geduld om Christus' wil. De HERE had de Verlosser beloofd. Met het oog op zijn komst in de wereld spaarde de HERE zijn volk.
 
MASSA EN MERIBA: ENKELE SCHRIFTPLAATSEN
Jullie weten wel, dat we steeds verband leggen met wat in andere Bijbelgedeelten over een gebeurtenis wordt gezegd. Over Massa en Meriba spreekt onder andere Ps.105:41,42. De HERE opende de rots, omdat Hij gedacht aan zijn verbond met Abraham. Het gaat dus om zijn trouw aan het verbond. Hij zal zijn beloften waarmaken. Daarom zal de satan niet overwinnen.
  Een heel belangrijke verwijzing vinden we in 1 Kor.4:10. Daar lezen we dat God, de Koning van het volk, water geeft uit Christus, de steenrots. Christus zorgt dus in de woestijn voor water en voor voedsel. Het komt alles door Hem.
  Weer zie je het wonder, dat Christus Zelf volop actief is om de weg naar zijn komst in de wereld open te houden. In het Oude Testament is Christus even hard aan het werk als in de tijd van zijn leven op aarde. Vergeet dat nooit als je het Oude Testament leest.
 
AMALEK STRIJDT TEGEN HET VOLK VAN GOD (17:8-13 en Deut.25:17-19)
Ook in de aanval van Amalek en de daarop volgende strijd schittert de trouw van God. Ook hier zie je de satan aan het werk. Opnieuw wil die proberen te voorkomen, dat eenmaal de Verlosser komt. In het eerste deel van dit hoofdstuk probeert hij het volk los te maken van God door het in opstand te brengen, zodat ze zijn verbond verbreken. Hier wil hij het uitroeien.
  Amalek is een heidens volk. Het stamt af van de kleinzoon van Ezau. In Deut.25:18 brengt Mozes de woestijntocht in herinnering. Over Amalek zegt hij dat ze God niet vrezen. Ondanks zijn indrukwekkende wonderen in Egypte openden ze de aanval. Dat doen ze van achteren. Juist in de achterhoede bevinden zich de zwakkeren. Verder staat in Deut.25 dat het volk moe en mat was.
  Deze strijd tegen het volk van de HERE is een strijd tegen God zelf. Al wordt de strijd van de HERE gevoerd door soldaten. Kijk maar: Jozua kiest mannen uit. Voor het eerst wordt Jozua hier genoemd. Voor Mozes had de HERE een andere opdracht: als leidsman moet hij de banier voeren. Deze strijd zal namelijk gestreden worden onder een opgeheven banier: de staf van God. We moeten goed in de gaten houden dat die twee samengaan: Jozua met zijn soldaten en Mozes met de staf van God.
  De banier moet opgestoken blijven, anders zullen de soldaten niet winnen. De banier, de staf, is een herinnering aan Gods wonderen. Ze is ook een beroep op Gods beloften. Alle aandacht valt op de staf van God. Als ze daar maar op zien, worden ze aangevuurd. En die staf moet opgeheven blijven. Vandaar dat aangrijpend helpen van Ašron en Hur, als de armen van Mozes moe worden.
 
AMALEK STREKTE DE HAND UIT NAAR DE TROON VAN DE HERE (17:14-16)
Uit vs.14 merken we dat Mozes een reisjournaal bijhield. Let ook op dat inprenten van Jozua. Dat is dus een aanwijzing dat hij een belangrijke rol zou gaan spelen. Hij zou in het bijzonder de strijd te voeren hebben tegen alle vijanden van het volk van God.
  Ook moest Jozua het goed weten, opdat niet vergeten zal worden, dat de HERE deze vijand eenmaal zal vernietigen. Daarom herinnert Mozes het hele volk eraan in Deut.25. Amalek heeft zijn hand uitgestrekt naar de troon van de HERE. Dat is niet niks.
  Omdat de troon van de HERE zo machtig is, zal er een strijd zijn en blijven tegen Amalek. Zie je goed, dat de aandacht weer gaat naar de HERE. Op Hem moet alle aandacht gericht zijn. We zien dat Mozes een altaar bouwt. Dat altaar is een gedenkteken, opdat ze nooit vergeten.
 
JETRO OP BEZOEK MET MOZES' VROUW EN KINDEREN (18:1-7)
Jetro was hoofd van de midjanietische eredienst. Dat was een heidense eredienst. Jetro was het stamhoofd en de priester. Hij was ook de schoonvader van Mozes. Dat wordt 13 keer
toegevoegd. Hij heeft gehoord wat de HERE gedaan heeft voor Mozes en het volk. De indrukwekkende uittocht uit Egypte door Gods Machtige arm had ook hem bereikt. Die grote daden van God brengen Jetro in beweging. Hij gaat op weg naar het volk van God.
  Van de toevoeging, de schoonvader van Mozes, gaan we iets beter begrijpen in dit gedeelte. Mozes blijkt zijn vrouw en beide zonen teruggestuurd te hebben naar Jetro. Dat was na die gebeurtenis in de herberg onderweg, waar Sippora hun zoon EliŽzer besneed. Zie Ex.4:18-31.
  Mozes had nog geen gelegenheid gehad naar hen om te zien. Zijn ambt eiste alle aandacht en tijd. Verder worden vermeld de namen van de zonen die Mozes indertijd in en geloof en dankbaarheid aan hen gegeven had.
  Let er goed op, dat over Sippora en de jongens niet meer wordt gesproken. Het gaat hier niet om particuliere aangelegenheden van Mozes. Zelfs niet om wat op de weg naar Egypte gebeurde bij die besnijdenis. Nee, het gaat alleen om wat de HERE heeft gedaan. Daarop richt zich alle aandacht.
 
JETRO BRENGT HULDE AAN DE GOD VAN ISRAňL (18:8-12)
Zie maar vs.8. Al die moeiten, maar ook de wonderlijke redding. Zo is het een verhaal geworden van gericht over vijanden. Maar ook van genade voor Gods volk. En als Jetro alles gehoord heeft, gaat hij de HERE prijzen. Aan God wordt lof bereid uit de mond van een heiden.
  Zie vooral waar die lof op uitloopt (vs.11). De HERE is groter dan alle goden, omdat Hij het volk redde uit de macht van Egypte. Hij looft God. Natuurlijk op zijn manier. Maar het is heel
merkwaardig wat in vs.12 staat. Daar zien we hem offers brengen, brand- en slachtoffers voor God. Dat is ook een betonen van hulde en eer. Er vindt zelfs een offermaaltijd plaats.
  Zie wie daar ook uitgenodigd waren: Ašron en de ouderlingen van IsraŽl. Is het niet machtig, dat een priester in het heidendom aanzit met de toekomstige priester van de levende God om gezamenlijk Hem te danken en te prijzen!
  In Jetro zien we de eersteling van hen die als niet-IsraŽlieten, toch de God van IsraŽl als de enige ware God erkennen en met het uitverkoren volk in gemeenschap treden. Dat is namelijk een belofte: heidenen zullen aanzitten aan de bruiloft van het Lam. We moeten niet gaan fantaseren over het als of niet geloven van Jetro. Waar het om gaat is: hij brengt hulde aan de God van IsraŽl.
  Aan Jetro wordt vervuld wat God beloofde aan Abraham: 'Ik zal zegenen, wie u zegenen.' Vanaf deze tijd is de verhouding tussen IsraŽl en de Midjanieten goed geweest. De Midjanieten zijn zelfs opgenomen in de gemeenschap van IsraŽl. Zie Numeri 10:29-≠32.
  Het gaat hier dus niet om een plezierig familiebezoek van een schoonvader zijn schoonzoon.Het gaat om iemand die als eerste de zegen van Abraham zoekt, en vindt. Later volgen Rachab, Ruth en vele anderen.
 
JETRO GEEFT MOZES GOEDE RAAD (18:13-27)
In het vervolg zien we hoe Jetro een goede raad geeft aan Mozes. Met wijsheid ziet hij hoe de taak van Mozes voor een mens te zwaar is. Nu valt het op, dat Mozes zegt dat het volk komt om Gods wil te horen, als hij uitlegt wat hij te doen heeft. Hij krijgt zo gelegenheid om Gods inzettingen en wetten aan hen te onderwijzen. God gaf dus openbaringen aan Mozes voor Hij zijn wet op Horeb gaf. Zo leerde het volk de plichten, die het later als geschreven wetten zou ontvangen.
  Met zijn rijpe ervaring en wijsheid om een volksstam te besturen, geeft Jetro dan de raad om mannen aan te stellen. Die zullen in aansluiting op de indeling in stammen, geslachten en families moeten gaan rechtspreken over de kleine zaken.
  Alleen de grote, de nieuwe en ingewikkelde gevallen zullen ze bij Mozes brengen. Dan zal hij het kunnen volhouden. Het is opmerkelijk, dat Gods naam hier telkens genoemd wordt. Jetro heeft wel goed gegrepen, dat Mozes Gods knecht is, en dat hij zonder God niets kan doen.
  Mozes neemt deze raad van zijn schoonvader aan. Hij ondervindt daarin dat God met hem is.
Hier mogen we opnieuw een profetie zien. In Openbaring 21:24 gaat het over het nieuwe Jeruzalem. Daarin zullen de koningin der aarde hun heerlijkheid binnenbrengen. Het begin is hier zichtbaar. Zo is Jetro in dubbele betekenis een eersteling, een begin.
  Daarom is het een heel belangrijk hoofdstuk. Het laat al iets zien van Gods plan met zijn volk na de komst van Christus. Er lopen zelfs lijnen naar de nieuwe aarde. Hoe rijk is Gods Woord!
 
 
 
 
 
16. DE HERE VERSCHIJNT ALS DE GOD VAN HET VERBOND Ex.19
 
INLEIDING
De HERE gebruikt in zijn Woord geregeld prachtige beelden om ons duidelijk te maken, hoe veel Hij van ons houdt. In dit hoofdstuk vergelijkt Hij de zorg van een arend voor zijn jongen met zijn zorg voor het volk IsraŽl. Je wordt er stil van, als je bedenkt dat God ook vandaag nog zo voor zijn kerk wil zorgen.
 
DE HERE ROEPT MOZES OP DE BERG (19:1-3a)
Het hoofdstuk begint met precies aan te geven, waar het volk zich bevindt en wanneer. Dat is niet zonder betekenis. Want Gods Geest die dit heeft laten optekenen, is dus begonnen te tellen bij het geweldige wonder van uittocht.
  Dat ze in de woestijn Sinai waren, heeft ook betekenis, want hier ergens stond de brandende doornstruik. Hier had Gods stem geklonken tot Mozes. Zoek Ex.3:12 maar op. Dan begrijp je, dat Mozes nu het teken krijgt, dat God hem daar beloofde. Nu mag hij weten, vast en zeker, dat hij Gods gezant is, zijn knecht. We weten uit het vorige hoofdstuk, dat hij ook vertegenwoordiger was van de HERE bij het volk. We kunnen het ook zo zeggen: hij krijgt
het teken, dat hij bemiddelaar mag zijn.
  Zo klimt hij omhoog. Hij weet, dat daar op de berg God aanwezig is (3). Nu moet je goed lezen, want dit vers vervolgt: de HERE riep tot hem van de berg. Dat is om te laten uitkomen, dat Mozes opklimt tot de Heilige, tot God. Maar diezelfde God is ook Jahweh, de Verbonds-God, de HERE, die zijn beloften gaf en vervulde.
 
DE HERE GEEFT MOZES EEN BLIJDE BOODSCHAP MEE (19:3b-6)
Lees nu goed, wat Mozes namens de God van het verbond tot zijn volk moet zeggen. Let erop, dat de HERE tot zijn volk spreekt. De goden van de volken konden dat niet, al schreven hun aanhangers wel allerlei krachten aan hen toe.
  De HERE spreekt! En wat Hij zegt is eigenlijk de inleiding tot de wet die Hij geven gaat. Het is de korte inhoud van het verbond. De inhoud is louter Evangelie, de blijde boodschap. Er wordt herinnerd aan wat de HERE voor zijn volk heeft gedaan. En aan wat Hij doen zal, als dat volk naar Hem luistert en zijn verbond bewaart. Woorden van troost en bemoediging.
  Eerst herinnert de HERE zijn volk aan de verlossing uit Egypte. De HERE had de strijd aangebonden met de machtigste koning en met een volk, beroemd door zijn rijkdommen en cultuur. Waarom deed Hij dat? Om een stelletje verachtelijke veehouders en slaven te
verlossen! Bij IsraŽl was niets op grond waarvan het de moeite waard was het te bevrijden. Het was louter genade om Christus' wil.
  Machtig is verder, wat de HERE zegt over zijn dragen van het volk op arendsvleugelen. Een adelaar is in het verzorgen van de jongen erg zorgvuldig. Als ze uitvliegen, zweeft hij onder hen. Als ze moe worden, kunnen ze niet te pletter vallen, maar ze worden door de ouder op de vleugels opgevangen en naar het nest terug gedragen. Zo heeft de HERE op de weg door de woestijn zijn vleugels onder IsraŽl uitgespreid en het voortdurend met zijn Vaderlijke zorg omringd. Wat een prachtig beeld!
  Hij zal ze maken tot een koninkrijk van priesters, een heilig volk. Maar let op de eis, de verplichting: als u mijn verbond bewaart. Als u uw leven aan Mij toevertrouwt, het door Mij laat leiden. Als ze het verbond met God in geloof en gehoorzaamheid zullen houden, zullen ze niet alleen Gods kinderen zijn. Maar ze zullen zowel priesterlijke als koninklijke eer ontvangen!
 
HET VOLK MOET DE HERE ZELF HOREN (19:7-9)
Mozes is in dit gedeelte steeds de profeet, die Gods woorden overbrengt aan de oudsten van het volk. Hij is ook de bemiddelaar, als hij het antwoord van het volk gaat overbrengen. Een goed antwoord! Maar voor hij het aan de HERE heeft kunnen zeggen, spreekt Deze tot hem (9). Het zal geen onderonsje worden tussen God en Mozes. Nee, het hele volk zal mogen horen, wat de HERE zeggen gaat.
  Voor ieder moet het volstrekt duidelijk zijn, dat de wet niet door Mozes is gemaakt, maar dat God daarvan de Maker is en de Gever. Mozes moet precies weergeven, wat Hij van de HERE aan opdrachten krijgt.
  De HERE gaat Zich dus openbaren aan het hele volk. Het is immers een verbond met het hele huis van Jakob. Maar Hij gaat Zich ook verbergen in die donkere wolk. De HERE gaat zijn heilig gezicht verbergen voor het zondige volk. Als het Hem zou zien, zou het sterven.
  Let goed op de slotwoorden: opdat zij in u geloven voor altijd. Geloven betekent hier: voor waar en waarachtig houden, wat Mozes in de naam van de HERE zou verkondigen. Het gaat dus niet om Mozes, maar om de HERE. Tot heil van het volk. God geeft dus aan Mozes gezag over zijn eigendom.
 
HET VOLK MOET ZICH HEILIGEN (19:10-15)
Nu gaat de HERE hem opdragen, dat het volk zich moet voorbereiden op het neerdalen van de HERE voor de ogen van het hele volk. Ze moeten zich voorbereiden, zoals de HERE het eist. Zich heiligen, reine kleren aan en de berg afzetten.
  Dat heiligen leek alleen uit uiterlijke dingen te bestaan. Maar het ging natuurlijk ook om het innerlijk. IsraŽl moest met heilige gedachten voor de HERE verschijnen. Het heilig onderwijs dat de HERE ging geven, mocht niet met ongewassen handen en kleren ontvangen worden.
  Merk je hoe ernstig de HERE alles neemt. De mensen, maar ook de beesten zullen sterven. En zelfs zo'n door God gedode man of vrouw mag niet aangeraakt worden. Er zal dus een eerbiedige afstand moeten zijn. IsraŽl moet goed weten, hoe heilig hun God is. In HebreeŽn 12:18-29 wordt op de grote betekenis van deze gebeurtenis gewezen. Zoek maar eens op.
 
DE HERE VERSCHIJNT VOL MAJESTEIT (19:16-20)
Daar verschijnt hun God als een Koning, vol ontzaglijke maje≠steit. Hij daalt neer onder geweldige natuurkrachten. Wat rookt de berg! Wat schudt en beeft de grond! En aldoor het geschal van de ramshoorn, dat de lucht vervult. God brengt heel de natuur in beweging. Het is zo iets geweldigs, dat de Bijbel er later telkens op terugkomt. Zie maar Ps.68:8,9; Habakuk 3.
  En als we lezen over de grote Dag van de HERE bijv. in Opb.4:5; 6:1; 8:5; 11:19; 16:18, dan zien we die machtige natuurverschijnselen weer. Dat moet ons er telkens aan herinneren, dat de HERE blijft de God die verscheen op de Sinai.
  Vol majesteit dus, maar ook Zich verbergend, zo verschijnt Hij aan zijn bevende volk. Dat wordt tot Hem geleid door de bemiddelaar Mozes. Dan roept God uit die ontzettende donder Mozes omhoog. En hij gaat alleen naar die ontzaglijke bergtop, langs die verschrikkelijke en toch zo heerlijke berg naar boven.
  Dat is een grote genade, dat dit kan en mag. Dat er een bemiddelaar van het volk naar de HERE mag. Zo hebben wij een nog veel grotere bemiddelaar. Dat is Christus die verzoening heeft gebracht.
 
DE HERE WAARSCHUWT ZIJN VOLK OPNIEUW (19:21-25)
In deze verzen zie je Gods Vaderlijke zorg voor zijn volk. God laat Mozes het volk opnieuw waarschuwen, dat ze hem niet na moeten doen, opdat ze niet zullen sterven.
  Als je dat leest, zie je tweemaal het woord losbreken. Dat wijst erop, hoe ernstig de HERE het meent. Ook al zegt Mozes dat de berg omheind is. De HERE kent beter dan Mozes zijn volk. Wat we hierin lezen is een uiting van zijn zorg en liefde voor zijn volk. Hij wil ze tegen zichzelf beschermen, opdat ze zich niet vergrijpen aan zijn brandende heiligheid.
 
 
 
  17. DE HERE KONDIGT DE WET VAN HET VERBOND AF EXODUS 20
 
GODS INLEIDENDE WOORDEN OP DE WET (20:1-2)
Het eerste woordje 'toen' wijst terug naar het verschijnen van de HERE aan zijn volk op de Sinai. Het volk heeft mogen zien, hoe groot en machtig de HERE is. Nu mogen ze het ook horen. Want het volk heeft aan het verschijnen niet genoeg. Het moet ook woorden horen. Woorden die God rechtstreeks tot hen richt. Dus zonder bemiddelaar Mozes. Woorden die ze begrijpen kunnen.
  Je moet er goed aan denken, dat het iets overweldigend geweest is, wat ze hebben meegemaakt voor en na de uittocht uit Egypte. En dan die indrukwekkende verschijning van de HERE op de berg Sinai. Die machtige God gaat Zich nu hoorbaar bekend maken als de Redder van zijn volk. Zijn volk, want Hij is de Koning.
  Het volk weet heel goed wat een koning is. Ze hebben het aan den lijve ondervonden in Egypte. Wat een koning, die tiran Farao! Een verschrikkelijke slavendrijver met een knoet en een zweep.
  In de eerste woorden die de HERE nu gaat spreken, mogen de IsraŽlieten horen, dat hun Koning totaal anders is. Een Redder en een liefdevolle Vader. De woorden van vs.1 zijn puur evangelie. Zeker, wat er volgt is de wet, de norm van het verbond. Maar deze wet begint met een blijde boodschap. Dat is de boodschap van genade. Daaraan moet je altijd denken, als dezelfde wet ons elke zondag opnieuw wordt voorgehouden.
 
GEEN ANDERE GODEN (vs. 3)
God begint met duidelijk te maken, dat Hij de enige God voor zijn volk moet zijn. Dat komt ons misschien wat vreemd voor, maar de IsraŽlieten zagen dat overal om zich heen: veelgodendom.
  Het gaat in het eerste gebod tegen de afgoderij. Voor IsraŽl waren dat al de afgoden die ze kenden van de heidenvolken. Berucht zijn vooral de vruchtbaarheidsgoden Bašl en Astarte met alle onzedelijkheid daaraan verbonden.
  Voor ons kan afgoderij zijn het onmatig liefhebben van iemand, van geld, sport, genot. De HERE wil dat wij Hem alleen dienen. Want naast Hem is er geen andere God. Zoek in dit verband maar eens op 1 Kor. 8:4 en Hebr. 3:12.
 
GEEN BEELDENDIENST (vs. 4-6)
Het eerste gebod ging over God Zelf, het tweede gaat over zijn dienst. Je ziet wel dat de wet aansluit bij de toestanden waarin IsraŽl als oudoosters volk leefde. Immers wij houden er geen gesneden beelden op na. Denk maar aan het gouden stierkalf en de stierkalveren van Jerobeam te Betel en Dan.
  De HERE wil dit ermee zeggen: het is niet genoeg dat je Mij alleen dient (eerste gebod). Je moet Mij ook op de juiste manier dienen. Dus geen eigenwillige godsdienst.
  Daaruit zien we, dat we er wel degelijk mee te maken hebben. Want velen geloven vandaag nog wel in een God, maar je moet ze niet aankomen met de juiste manier. En hoe vaak en hoe graag dienen wij niet de HERE op een eigen gekozen manier. Daarom is de prediking zo hard nodig.
  Er staat nog iets bij, dat ons aan het nadenken moet zetten. Hij is namelijk een jaloerse God. Hij kan het niet uitstaan als zijn volk Hem niet volkomen liefheeft. Lees maar eens Jesaja 42: 8 en 48:11. De HERE noemt de beeldendienst dan ook ongerechtigheid. Hij dreigt met zijn straf niet alleen voor degene die zich bezondigt aan eigenwillige godsdienst, maar ook aan zijn nageslacht. Sla vers 6 niet over. Dat is vol van Gods barmhartigheid en liefde voor hen die gehoorzaam zijn in de ware eredienst.
 
NIET VLOEKEN (vs. 7)
Het derde gebod gaat over Gods naam. De HERE heeft zijn naam aan ons bekend gemaakt. Dat betekent: Hij heeft Zich aan ons geopenbaard. De naam van God is dat wat de HERE van Zichzelf geopenbaard heeft.
  God verbiedt het niet gebruiken van zijn naam door bv. niet te bidden, de Bijbel niet te lezen en niet van Hem te getuigen. Hij verbiedt ook het misbruiken van zijn naam bij vloeken,
lasteren, meineed en valse leer. God gebiedt het goed gebruiken van zijn naam. Daarvoor is nodig, dat we zijn Woord bestuderen en goed luisteren naar de zuivere verkondiging van dat Woord.
 
HET HEILIGEN VAN DE RUSTDAG (vs. 8-11 )
Doel van het vierde gebod is, dat de mensen zich oefenen in de dienst van God. Na zes dagen van werken gebiedt de HERE de rustdag te zullen houden. Hij Zelf rustte ook na zes dagen scheppingsarbeid. Dat noemen we de goddelijke sabbat.
  Het volk IsraŽl rustte op de zevende dag van de week. Het was een voorafschaduwing van de eeuwige rust, die de komende Messias zou schenken. Deze sabbat wees dus vooruit naar iets, dat nog verdiend moest worden. Vandaar eerst werken en dan de rustdag. Dit was de IsraŽlitische sabbat.
  Na Pinksteren werd de rustdag de eerste dag van de week. Wij rusten eerst, om daarna te werken. Want wij mogen uitgaan van het volbrachte werk van Christus.
  Andere redenen:
a. Het is de dag van de opstanding;
b. Christus verscheen twee zondagen achtereen aan de apostelen met de zegengroet;
c. Op zondag werd de Heilige Geest uitgestort;
d. De christenen kwamen samen op de eerste dag van de week. Hand. 20:7; 1 Kor. 16:1;
e. Christus verscheen op zondag aan Johannes op Patmos. Openb. 1:10.
  De zondag is daarom de christelijke sabbat.
 
WOORDEN VAN HET VERBOND (vs. 12-17)
De eerste vier geboden gaan over de verhouding tot God. De tweede zes gaan over de verhouding tot de mens. We gaan ze hier niet bespreken. Ze hebben betrekking op ons hele leven. Ze maken ons duidelijk hoe we de HERE precies hebben te dienen met het oog op onze naaste. Zie zondag 39-44 van de Heid. Cat.
  Natuurlijk vinden we in deze geboden terug, dat IsraŽl een oosters volk was. Want wij houden geen slaven meer; wij bekijken niet met begerige ogen de ezel van de buurman. Maar ieder begrijpt wel, dat daarmee wordt gedoeld op ons begeren van wat van onze naaste is. En dat bedreigt ons elke dag.
  Vergeet nooit, dat deze woorden zijn de Woorden van het Verbond. Tot dat Verbond mogen ook wij behoren. Ze zijn maar niet afgeschaft, want de Heiland Zelf handelt ernaar en bindt ons eraan.
 
HET VOLK WERD BEVREESD (20:18-21)
Al die tijd heeft het volk onder aan de voet van de Sinai gestaan. En onder het horen naar de woorden van de wet, hebben ze steeds moeten luisteren naar de verschrikkelijke donder en naar het geschal van de bazuinen dat er door heen klonk.
  Het is voor ons niet in te denken, hoe indrukwekkend dit is geweest. Je ziet, dat ze bang zijn erdoor verpletterd te worden. Ze vrezen te zullen sterven. De oudsten komen naar Mozes
(Deut.5:23). Mozes hoort hun woorden, maar de HERE hoort ze ook.Hij laat Mozes meedelen, dat ze naar hun tenten mogen gaan. Maar ze hebben beloofd in alles naar de HERE te luisteren (Deut.5:27).
  God deed deze vreeswekkende tekenen om hen daarmee tot gehoorzaamheid te dringen. Hij deed ze bevreesd zijn om ze aan Zich te binden in nederig opzien tot Hem, de Almachtige, die hen uit het slavenhuis Egypte had uitgeleid.
 
DE HERE GEEFT VOORSCHRIFTEN AAN MOZES (vs. 22-26)
Wanneer je vanaf vs. 22 verder kijkt zie je dat nu allerlei voorschriften volgen in hoofdstuk 21 tot en met 23. Het is een nadere uitleg van de Tien Geboden. En dan met betrekking tot het volk IsraŽl van die dagen. Vaak ook alleen voor de tocht door de woestijn.
  Wat Hij het volk oplegt heeft alles te maken met het eerste en tweede gebod. Hij laat ze zien hoe hij gediend wil worden. In deze verzen met het oog op het offeren. Ze mogen heel eenvoudig een altaar van aarde maken. En zo'n altaar mogen ze bouwen op elke plaats waar de HERE hun zijn openbaring in herinnering brengt.
  Deze voorschriften zijn een beveiliging met het oog op Christus. In Galaten 3:23-29 wordt gezegd dat de wet toezicht op ons hield tot Christus kwam. In de oude vertaling stond het woord tuchtmeester: een soort slaaf die toezicht moest houden op de kinderen van zijn heer.
  De kerk van het Oude Verbond kon nog niet op eigen benen staan. Ze moest stap voor stap begeleid worden naar Christus toe. Vandaar al die uitgewerkte voorschriften en regels. Zie Gal. 3: 25. Wij zijn niet meer onder de tuchtmeester, maar wij zijn van Christus!
 
 
 
  18 DE KONING SLUIT HET VERBOND MET ZIJN VOLK ExODUS 24
 
INLEIDING
Het volk IsraŽl bevindt zich aan de voet van de berg Sinai. Daar had het machtig indrukwekkende gebeurtenissen meegemaakt. De HERE was aan het volk verschenen. Het had gebeefd onder het geweld van donderslagen en bliksemstralen en zeer sterk bazuingeschal. De berg Sinai stond helemaal in de rook, omdat de HERE daarop neerdaalde in vuur. Zie Ex.19:16-20.
  Het volk kon horen, wat de HERE aan Mozes ging meedelen. Het had mogen zien de grote daden van de HERE. Nu mochten ze bovendien zijn stem horen! Ze moesten met eigen oren horen, hoe de Koning zijn goede wetten aan hen ging geven. Die wetten vormden de weg,
waarlangs het volk mocht gaan en gelukkig zijn.
  Deze Koning wil een verbond sluiten met zijn volk. Hij houdt van dat volk. Hij heeft het uitgekozen uit alle volken. Niet omdat ze beter waren dan andere volken. Nee, alleen om Christus' wil. Uit dit volk zou de Redder en Verlosser, onze Heiland geboren worden.
  Daarom heeft de HERE dit volk lief. Dat volk moet weten dat het bij Hem hoort en dat het verbonden is met Hem. Kortom, het moet heel goed weten, dat de HERE Koning is van het volk IsraŽl. Daarover gaat het in dit hoofdstuk.
 
MOZES KRIJGT EEN NIEUWE OPDRACHT (24:1,2)
Mozes bevindt zich nog steeds op de berg Sinai. De HERE heeft hem daar de verbondswoorden meegedeeld. Maar voor hij terug moet gaan om het volk deze verbondswoorden bekend te maken, krijgt hij nog een andere opdracht.
  Als je goed leest, zie je drie soorten gemeenschap met de HERE. Je zou het in drie trappen kunnen verdelen. Het volk moet onder aan de berg blijven. Zie Ex.19:12 en 24. De zeventig vertegen≠woordigers of afgevaardigden mogen met Ašron en twee van zijn zonen opklimmen, maar ze blijven op eerbiedige afstand. Alleen Mozes mag tot God naderen.
 
MOZES DEELT DE VERBONDSWOORDEN AAN HET VOLK MEE (24:3,4a)
Voordat Mozes tot de HERE nadert, komt hij naar beneden. Dan deelt hij de verbondswoorden aan het volk mee. Die staan opgetekend in de vorige hoofdstukken. Allerlei voorschriften heeft Mozes daar doorgegeven; over de verhouding tot de HERE; hoe ze zich tegenover hun naaste moesten gedragen; hoe ze zich moesten opstellen tegen de overheid; over de verhouding tot hulpbehoevenden en slaven; over het optreden tegen gruwelijke zonden; welke feesten ze moesten vieren en hoe hun eredienst moest zijn.
  Al die verordeningen deelt Mozes hen mee, opdat ze de veilige, goede weg zouden kennen, die ze als volk des HEREN moesten gaan. Je leest in vs.3 hoe ze antwoorden. Let vooral op dat woord eenstemmig. Het betekent: als uit ťťn mond, gezamenlijk.
  We mogen deze woorden niet vergeten. Daarom schrijft Mozes ze in een boek. We zien hier ťťn van de vruchten van zijn veertigjarige opleiding aan het hof van Farao. Wat hij opschrijft, wordt het verbondsboek genoemd. Met Ex.17:14 zien we hier een begin van het opschrijven van het Woord van God. Lees in dit verband art.3 van de Ned. Geloofsbelijdenis.
 
DE INWIJDING VAN HET VERBOND MET BLOED (24:4b-8)
De volgende morgen wordt aan de voet van de berg een altaar gebouwd. Om het altaar werden twaalf grote stenen rechtop gezet. Die twaalf stenen vertegenwoordigden het volk. Het hele volk IsraŽl was bij deze eredienst voor de HERE betrokken.
  Jonge mannen, uitgekozen uit het hele volk, brengen in opdracht van Mozes brand- en vredeoffers. Zo'n brandoffer werd op het altaar voor de HERE geheel verteerd. Zo bond het volk IsraŽl zich geheel aan de HERE om Hem te dienen in gehoorzaamheid. De HERE was immers hun Koning.
  Je ziet dat niet priesters de offers brengen, maar jonge mannen. Het waren de oudste jongens, die gespaard bleven toen de oudste jongens uit de Egyptische gezinnen gedood werden bij de tiende plaag. Zij waren aan Jahwe gewijd. Bij deze verbondssluiting mogen zij de offerdienst verrichten.
  Let goed op de handeling met het bloed van de offerdieren. De helft wordt gesprenkeld op het altaar, waarop Mozes het verbonds≠boek heeft gelegd. Zie maar Hebr.9:19. Zo heiligt hij het altaar en wat erop ligt. Het wordt gereinigd van het vuil van de zonde.
  Dat moest, want anders zouden de offers de HERE, de Koning niet behagen. Dat moet je heel goed onthouden. Door het verzoenende bloed wil de HERE gemeenschap hebben met zijn zondige volk. Dat bloed is een verwijzing naar het verzoenende bloed van onze Heiland.
  Dan leest Mozes nog eens de inhoud van het boek van het verbond met de bepalingen uit Ex.21-23. En weer geeft het volk dat prachtige instemmende antwoord. Tot drie keer toe lezen we dat het hele volk zín instemming betuigd heeft met wat Jahwe aan het volk voorhield. (19:8; 24:3 en 7)
  Lees nu aandachtig vs.8. Dan volgt de plechtigheid met het bloed. Met de helft van het bloed werd het altaar gewijd. Mozes sprenkelt de rest van het bloed over het volk. Let erop, dat het volk door al die wetten aan de HERE verbonden wordt. En door het bloed wordt het verbond ingewijd. Dat bloed zegt: u hoort erbij; ook de kinderen, want het is het hele volk.
  De woorden uit vers 8 klinken ons bekend in de oren. Wij denken bij het Ďbloed van het verbondí aan de instelling van het Heilig Avondmaal (Matt. 26,28; Marc. 14,24; Luc. 22,20; 1 Kor. 11,25). Het volk IsraŽl kreeg na de instemming met het verbond met Jahwe deel aan de reinigende kracht van het bloed van dat verbond. Op dezelfde manier krijgen ook wij, nadat wij Ďjaí gezegd hebben bij ons belijdenis, deel aan het bloed van Jezusí verbond.
 
  HET ZIEN VAN GOD (24:9-11)
Dan mogen de vertegenwoordigers van het volk omhoog klimmen. Dat was immers het bevel van God. Zie vs.1. Maar eerst moest het verzoenend bloed vergoten worden. Op grond van de verzoeking door Christus mogen ze daar de HERE ontmoeten. Hij heeft een menselijke gedaante aangenomen: er wordt van zijn voeten gesproken. Ze zien iets van de geweldige heerlijkheid: het plaveisel onder zijn voeten is van hemelsblauwe lazuursteen. De HERE verscheen hun dus als een Koning, gezeten op een verheven troon.
  Het bijzondere is: al zien ze de majesteit van God, toch sterven ze niet. Dat is Gods genade, want ze zijn maar zondige mensen. Het verbond met hun koning bleek een verbond van genade en verzoening. Ze waren besprenkeld met het bloed van het verbond, dat wees naar het bloed van Christus.
  Daar op de helling van de Sinai mogen ze aanzitten aan een feestelijke offermaaltijd. Zo
hebben ze gemeenschap met hun koning, met wie ze zojuist in het verbond zijn opgenomen. Dat aanschouwen van de God is een voorsmaak van het aanschouwen van de HERE in het eeuwige leven in volle heerlijkheid.
  Het avondmaal met de Here Jezus is een afspiegeling van deze maaltijd op de berg Sinai!
In die maaltijd komt de tweezijdigheid van het verbond van de Sinai schitterend naar voren. Zowel de HERE als de vertegenwoordigers van het volk zitten aan.

Tegelijk wijst deze maaltijd, waarvan de HERE de gastheer was, heen naar de bruiloft van het Lam. Daar zullen niet alleen vertegenwoordigers van het volk aanzitten, maar allen die als kinderen van het verbond hebben geleefd.
 
HET VOLK AANSCHOUWT DE HEERLIJKHEID VAN HUN KONING (24:12-18)
God deelt aan Mozes mee, waarom hij nog dichter mag naderen. Mozes gaat niet op eigen gelegenheid. Hij mag ook niet zomaar de wolk binnengaan, die op de berg rust, en waarin de majesteit van God zichtbaar wordt. Die wolk verbergt de HERE zes dagen lang. Al die tijd moet Mozes wachten.
  Ook beneden aan de voet van de berg ziet het volk iets van Gods heerlijkheid, maar zij zien het als een verterend vuur. Ze weten dat Gods heiligheid zich richt tegen alles wat zondig is. Toch worden ze niet verteerd. Dank zij het bloed van het verbond, dat eenmaal door Christus vergoten zal worden

.
 
 
 
 



19 DE HERE WIL TEMIDDEN VAN ZIJN VOLK WONEN Exodus 25
 
INLEIDING
Een echtpaar laat een huis bouwen. Vind je niet, dat het dan voor de hand ligt, dat zij zelf bepalen hoe het eruit gaat zien en hoe de indeling zal worden?
Dat geldt natuurlijk helemaal voor de HERE, als die Zich een huis laat bouwen.
Het huis waar alles van de Christus spreekt, kan alleen maar gebouwd worden op Gods bevel.
 
'DE ISRAňLIETEN MOETEN VOOR MIJ EEN HEILIGDOM MAKEN' (vs.1-9)
Het was een heel bijzondere opdracht die Mozes van de HERE had gekregen: ĎDe IsraŽlieten zullen voor Mij een heiligdom maken en Ik zal in hun midden wonení. De hoge en heilige God, de God van hemel en aarde, wil bij zijn volk wonen. Het plan komt helemaal bij de HERE vandaan. Hij zal niet langer in wolk- of vuurkolom met IsraŽl meetrekken, nee van nu af wil hij in hun midden wonen.(vs. 8).

Het is niet als bij de afgoden. Die worden door hun aanhangers in een heiligdom gestopt. In een beeld. Daarin zitten ze in feite opgesloten. Hun aanhangers kunnen met hen doen wat ze willen.
  Maar zo is het hier niet. Hier halen niet de IsraŽlieten de HERE naar de aarde, maar Hij daalt tot hen af. Het heiligdom wordt op zijn bevel gemaakt. Hij is de Architect die het bestek levert. Alles moet gemaakt worden naar het model dat Hij aan Mozes toonde.
  Heel de tabernakel sprak van de Christus. Als je dat bedenkt, is het al helemaal duidelijk dat de tabernakel wel gebouwd moest worden op instructie van God Zelf.
  Mozes brengt op de volksvergadering Gods boodschap over. God vraagt vrijwillige offers. Al geeft het woord gebod hier het idee van dwang. Als je goed leest, zul je ontdekken, dat vrijwilligheid de boventoon voert. Dus geen belasting, zoals ze later opgelegd krijgen. Dan staat er heffing. De verschillende schatten en materialen die nodig zijn, waren hen door de Egyptenaren meegegeven bij de uittocht (zie Ex.12:35 en 36).
  Hoe dichter je bij het allerheiligste komt, hoe kostbaarder de materialen die worden gebruikt. De omheining is van eenvoudige onderdelen gemaakt vergeleken met al het goud in het allerheiligste.
 
WAAROM WIL DE HERE NU PAS EEN HEILIGDOM?
Maar voor het zover was, moest er wel heel wat gebeuren. Want er was voor de HERE na Genesis 3 geen plaats in deze wereld waar Hij wonen kon. Het was weliswaar zijn wereld. Maar het was bezet gebied geworden. De zonde was er gaan heersen.
  Daarom kon de HERE niet zomaar ergens gaan wonen. Hij kon niet zijn intrek nemen in een bestaand gebouw. Nee, er voldeed niets aan zijn verlangens. Wilde Hij onder zijn volk komen wonen, dan moest er een nieuwe woning gebouwd worden. Dan moest Hij daartoe ook Zelf het initiatief nemen.
  Want dat is wat toch wel heel sterk opvalt in de geschiedenis van de tabernakelbouw. Het is telkens de HERE die de Eerste is. Hij neemt het initiatief. HIJ geeft opdracht om een heiligdom te maken. En daarbij mag Mozes, daarbij mag IsraŽl niet naar eigen inzicht te werk gaan. Nee, de HERE bepaalt hoe zijn woning eruit zal zien. IsraŽl moet het heiligdom heel nauwkeurig bouwen naar het model dat de HERE op de berg aan Mozes getoond heeft. Er wordt niets aan IsraŽls eigen initiatief overgelaten. De HERE bereidt Zichzelf een woning onder zijn volk.
 

HOE DE HERE DE ARK GEMAAKT WIL HEBBEN (10-22)
Er moest een tent komen. Dat ouderwetse woord tabernakel betekent niets anders dan tent. Het belangrijkste deel van die tent is het allerheiligste. Daar kwam de troon van de HERE te staan: de ark. Een eenvoudige kist met goud overtrokken. Op het gouden deksel bevonden zich twee cherubs of engelen.

 
 
Ze droegen Gods troon niet. En ze beschermden die niet. In tegenstelling tot de afgoden hoeft God niet gedragen of beschermd te worden. De cherubs schermden slechts de ruimte boven de ark met het verzoendeksel af. En met hun heerlijke verschijning toonden ze alleen maar welk een heerlijk God Jahweh was. Zulke dienaren. Engelen. Dat moet wel een machtige God zijn.
 


HET VERZOENDEKSEL
Het deksel heet het verzoendeksel. Dat verzoendeksel ontleent zijn naam aan de plechtigheid waarvoor het gemaakt moet worden. Op dit deksel zal de hogepriester in de toekomst ieder jaar op de Grote Verzoendag het bloed tot verzoening voor Gods gezicht moeten sprenkelen. Dat verzoendeksel zal de plaats worden waar God het bloed van de verzoening zal accepteren en zijn volk zal vrijspreken van hun zonden.
 

Want de HERE weet dat zijn volk de wet van zijn verbond nooit zal kunnen volbrengen. Als het daarvan af zou hangen, zou het nooit wat worden met zijn wonen onder zijn volk. En toch wil de HERE dat: wonen temidden van de zijnen. Vandaar dat Hij boven de ark het verzoendeksel aan laat brengen. Om alle ongerechtigheden te verzoenen. En zo zijn wonen onder zijn volk weer mogelijk te maken.
 

De heilige God wil bij zijn volk wonen, maar alleen door het bloed dat verzoening bracht. Dat bloed wijst naar het bloed dat Christus zou storten op Golgota voor onze zonden.
 

ĎLeg de verzoeningsplaat op de ark; leg de verbondstekst die ik je zal geven in de ark. Daar zal ik je ontmoeten, en vanaf die plaats, boven de verzoeningsplaat, tussen de twee cherubs op de ark met de verbondstekst, zal ik met je spreken en je alles zeggen wat ik van de IsraŽlieten verlang.í (vs.21 en 22 ) Wondermooie woorden.

 
 
 

Met die verbondstekst worden de 10 geboden bedoeld. Ook wel genoemd Ďde tien woorden van het verbond.í In die verbondstekst hebben we te doen met de grondwet van het verbond, waarin voor beide partijen de voorrechten en verplichtingen van het verbond zijn vastgelegd. De wet of decaloog is meer dan een verzameling geboden voor ons. Het is het document waarin de bedoeling van Gods verbond met ons is geregeld.
 

Dat verbond is meteen ook IsraŽls rijke voorrecht. Een zo groot voorrecht dat de apostel Petrus (1 Petr.1:12) later zal schrijven dat als God dit verbond vervult, zelfs de engelen jaloers op Gods kinderen zullen zijn. Ze zullen begeren een blik te mogen slaan in de geheimen van Gods volk. Heeft Petrus hierbij gedacht heeft aan de cherubs op de ark? Die keken immers naar beneden, naar het verzoendeksel en die zouden eigenlijk dolgraag door dat deksel heen willen kijken naar IsraŽls grote schat: de twee stenen tafelen van het verbond waarin de bijzondere positie van Gods volk was vastgelegd.
 

Maar er is ook een andere kant aan de opdracht van de HERE om de verbondstekst in de ark te leggen. IsraŽl werd ook bepaald bij zijn verantwoordelijkheid. Zovaak IsraŽl Gods verbond zou verachten, moest het weten dat het wrikte aan de grondslag van Gods troon. Het was dan bezig, om het maar eens populair te zeggen, de poten onder Gods troon door te zagen.
 

Zodra IsraŽl zich aan Gods verbond zou vergrijpen en daar een spelletje mee zou spelen, zou het fundament onder Gods wonen temidden van zijn volk weg zijn. IsraŽl mocht er dan niet langer vanuit gaan, dat de HERE nog onder hen woonde. Op de ark zetelde de HERE als de God van het verbond. Waar dat verbond vertrapt wordt, woont Hij niet. Hij woont waar men Hem dient en zijn verbond bewaart. Zijn wonen onder het volk is geen verbondsautomatisme.
 

Later komen in de ark naast de verbondstekst een kruik met manna en de bloeiende staf van Ašron. Alle drie voorwerpen hebben iets te maken met de zonde van het volk. De stenen platen waren niet de originele. Die had Mozes verpletterd toen hij de afgoderij met het gouden kalf zag. De kruik met manna herinnerde ook aan het gemopper van het volk op dat voedsel. Wat zal de HERE er verdriet van gehad hebben, dat ze terug wilden naar de vleespotten van Egypte. Die bloeiende staf van Ašron herinnerde aan de opstand van het volk tegen God.
 

Over al die zonden kwam nu de verzoeningsplaat, waarop het offerbloed ťťnmaal per jaar werd gesprenkeld Ė we zeggen het nog eens - als heenwijzing naar het offer van Christus op Golgota. Wat een rijke gedachte! Daar is vergeving, verzoening voor al onze zonden.
 


EEN LEGE TROON
We mogen ons de ark met het verzoendeksel daarop dus voorstellen als de troon van de HERE. Daar zetelde Hij, zovaak Hij Mozes wilde ontmoeten, in die ruimte boven de ark met het verzoendeksel, die door de vleugels van de beide cherubs werd afgeschermd. Wat voor de ark werd neergelegd of uitgesproken, werd voor Gods gezicht neergelegd of uitgesproken.
 

Alleen, er is met deze troon iets vreemds. Het is een lege troon! De HERE gebiedt IsraŽl een heiligdom te maken rondom een troon waarop niets te zien is. IsraŽl moet een onzichtbare God vereren. Zijn heiligdom bevat zelfs geen beeld van Hem. En de plaats waar Hij zou moeten zetelen wordt bovendien nog eens uitdrukkelijk aan het oog onttrokken.
 

In het heiligdom van IsraŽl komt het niet aan op een gestalte die gezien moet worden, maar op een stem die gehoord moet worden. Daar zal de HERE met Mozes samenkomen en van het verzoendeksel af met hem spreken over alles wat Hij hem voor de IsraŽlieten gebieden zal.
 

Dŗt was het eigene van de tabernakel. Daar stond geen beeld, zoals in afgodstempels. Maar in tegenstelling tot de afgodstempels klonk daar wel een stem. Afgoden hadden een mond, maar ze spraken er niet mee. Hun beelden waren stom en doof en blind. Maar de HERE is de levende en sprekende God.
 


DE TAFEL VOOR HET TOONBROOD (vs.23-30)
Voor dat allerheiligste bevond zich het heilige. Dat was de zaal vlak voor de ark. Dat wil zeggen: we bevinden ons hier in de directe nabijheid van God. Wat zich hier afspeelt, gebeurt voor zijn gezicht. Wat hier staat opgesteld, staat - om het maar eens zo te zeggen - pal voor Gods neus.

   
 

Als we ons nu afvragen wat de betekenis van die tafel met toonbroden in het heilige was, dan gaat er een wereld voor ons open. Op de tafel met toonbroden diende IsraŽl God met de vrucht van zijn dagelijks werk. Dat wat op de akkers groeide en in een weg van zweet en zwoegen geoogst en verwerkt werd.
 

God laat Zich niet alleen dienen door reine en gevouwen priesterhanden bij reukofferaltaar en kandelaar. Maar Hij wil ook gediend zijn door knoestige knuisten met eelt en zwarte nagels! IsraŽls inspanning op het land, de drukte in de bedrijven en het huishoudelijke werk van moeder zijn niet te onheilig voor God. Hij wil de producten ervan vlak voor Zich hebben staan.
 

Die twee keer zes toonbroden wijzen tegelijk naar de twaalf stammen van IsraŽl. Het zijn ongedesemde broden. God ziet dus IsraŽl aan als verlost volk. Op elke stapel moet dagelijks zuivere wierook gelegd moest worden.
 

Op sabbat moest de priester de oude toonbroden weg halen van de tafel en de nieuwe toonbroden op de tafel leggen. Het dagelijkse werk was en is een zaak van doordeweeks. Maar het moest in de toonbroden juist op de sabbat aan de HERE worden opgedragen.
 


DE GOUDEN LAMPENSTANDAARD OF MENORAH (vs. 31-40)
In het heilige stond de zevenarmige lampenstandaard. Waarom wordt hij niet gewoon kandelaar genoemd? Een kandelaar is voor kaarsverlichting. Op deze menorah branden olielampen. Vandaar de naam.
 

De lampenstandaard is helemaal van goud met allemaal versieringen van amandelbloesems en knoppen. Wat heeft die menorah nu te betekenen? Hij is een symbool voor het volk van God. Boven de ark troont de HERE. In de menorah staat zijn volk voor Hem. Gescheiden door het voorhangsel, want de toegang tot de Vader moet nog betaald worden.


     
 

Hij heeft zeven armen. Dat is het getal van de volheid. De menorah staat voor heel het volk. Niet het vleselijke IsraŽl zoals dat gevormd wordt door de twaalf stammen (dan zou de kandelaar twaalf armen gehad hebben). Maar het geestelijke IsraŽl, het volk dat leeft uit de zeven Geesten die voor Gods troon zijn. IsraŽls roem ligt niet in wat het van zichzelf is, maar in wat het van God ontvangen heeft. Alleen als het zich dat bewust is, kan het voor Gods gezicht standhouden.
 

Door die schacht met zijtakken en door die vele amandelbloesems en knoppen lijkt de kandelaar wel een amandelboom. Dat was de eerste vruchtboom die na het winterseizoen in volle bloei stond. Met andere woorden: terwijl de natuur nog sliep, was de amandelboom al wakker. Dat is het symbool dat God voor zijn volk kiest. Zijn volk moet wakker zijn. Waakzaam!
 

De hele standaard, met de zes armen en de knoppen, moet uit ťťn stuk zuiver goud gedreven worden. ĎHoud je bij het maken ervan aan het ontwerp dat je hier op de berg getoond isí, zegt de HERE erbij. Dit is gauw allemaal opgesomd. Uit ťťn klomp goud moest die kandelaar gedreven zijn. Dus geen stukjes eraan solderen of iets dergelijks.
 

Zo liet de HERE Zich dienen door mensenhanden. Kleine, zondige mensen, de zondaars van de SinaÔ. Ze mogen de ark maken met de cherubs. Denk je dat eens in: zondige mensenhanden maken Gods troon. God die helemaal geen mensenhanden nodig heeft, omdat Hij zo onmetelijk groot en machtig is. Dat is een wonder van genade. En dat zien we vandaag nog in het wonder dat God ook door jou gediend wil worden.

       



20 DE HERE TOONT MOZES DE TABERNAKEL Exodus 26
 


HOOFDSTUK MET VEEL GEGEVENS
Als je dit hoofdstuk doorleest gaat het je duizelen door al die maten en materialen en kleuren. In de NBV leest het al een stuk prettiger. En door de afbeeldingen wordt het al een stuk overzichtelijker.
Ook dit hoofdstuk staat in de bijbel. We leren de HERE er beter door kennen. De God van de tabernakel is dezelfde God van vandaag, de Vader van onze Here Jezus Christus.
 

De tabernakel moest draagbaar zijn. De IsraŽlieten moesten het mee kunnen nemen op hun reis naar Kanašn. Het was dus een soort tent. Die tent stond binnen een verplaatsbare omheining. In de open ruimte binnen de omheining stond het brandofferaltaar. Dat brandofferaltaar was voor de dagelijkse offerdienst.
 

De tent bestond uit twee ruimtes: het heilige en het allerheiligste, waar de ark van het verbond stond met de stenen tafelen waarop de tien geboden waren geschreven.


   



DE TABERNAKEL (vs.1-6)
Als we het hier over de tabernakel hebben, bedoelen we de tent met heilige en allerheiligste. Belangrijk zijn de vier verschillende kleuren: wit (linnen), blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood. Die kleuren, die de HERE zelf heeft uitgekozen, hebben een bepaalde betekenis.
 

Eerst het wit. Als je in de buurt van de tabernakel kwam, viel die kleur het eerst op. De omheining was namelijk gemaakt van dubbel (getweernd) wit linnen. Wit is de kleur van de heiligheid van God. Het volk en de priesters moesten van die heiligheid voortdurend goed doordrongen zijn.
 

Een mooi voorbeeld van Gods heiligheid vinden we in Ex. 20:18-21. Vanuit de hemel laat God aan het volk zijn wet horen. En dan staat er: Ď Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan. Ze zeiden tegen Mozes: ĎSpreekt u met ons, wij zullen naar u luisteren. Maar laat God niet met ons spreken, want dan sterven we.í Maar Mozes antwoordde: ĎWees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt.í En terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes naar de donkere wolk waarin God aanwezig was.í
 

Dan de andere kleuren. Blauwpurper was de kleur van de blauwe lucht. Deze kleur verwees naar de hoogheid van God. Hij is de Verhevene.
Roodpurper was een donkerrode kleur. Deze kleur verwees naar het koningschap van God, naar zijn majesteit en heerlijkheid.
Karmozijnrood was een lichtere kleur rood. Deze kleur stond in verband met het offerbloed van de geslachte dieren. Dat bloed was noodzakelijk om contact te hebben met de hoogheilige God.
 


HET DAK EN DE WANDEN VAN DE TABERNAKEL (vs.8-30)
Heel nauwkeurig laat de HERE aan Mozes zien hoe Hij zijn heiligdom gemaakt wil hebben. Hij is als het ware de Architect, die gedetailleerd aangeeft: zo en zo wil ik het hebben, en niet anders. In vs. 30 zegt de HERE: Ď Houd je bij het vervaardigen van de tabernakel aan het voorbeeld dat je hier op de berg getoond is.í
 

Over de tabernakel wordt een soort tentdak gespannen, dat net een beetje oversteekt. In vs.14 lezen we:í Maak voor deze tent een dekkleed van rood geverfde ramsvellen en dek dat weer af met een kleed van zeekoevellen.í Totaal was de tabernakel bedekt door 4 dekkleden. Zie afbeelding.


 



Dan geeft de HERE precies aan hoe de wanden moeten worden. Allerlei technische termen gebruikt Hij. Mooi om te weten dat God Zich ook met techniek bezighoudt. Al die maten en materialen en vormgeving behoren tot zijn schepping.
 


DE INRICHTING VAN DE TABERNAKEL (vs.31-35)
Dan geeft de HERE de inrichting van de tent. Denk er steeds goed om, dat hier geen splinter van Mozes bij is. Alles heeft de HERE bedacht en aan Mozes beschreven.
 

Er moet in de tent een mooi voorhangsel komen met dezelfde sprekende kleuren als de tent zelf. Het moet vakkundig geweven worden, met een patroon van cherubs. Het zal er inderdaad schitterend uitgezien hebben. Het voorhangsel moet de scheiding vormen tussen het heilige en het allerheiligste.

 
 

De HERE geeft precies aan waar de ark met de verbondstekst moet komen. Op de ark komt de verzoeningsplaat, waarop ťťn keer per jaar de hogepriester bloed mocht sprenkelen.
 

De tafel voor het toonbrood en de lampenstandaard moet voor het voorhangsel in de tabernakel geplaatst worden, tegenover elkaar: de lampenstandaard aan de zuidkant, de tafel aan de noordkant.
 


DE LES VAN DIT HOOFDSTUK
Het lijkt een ingewikkeld hoofdstuk met al die details. Maar als je alles eens rustig op je laat inwerken, zul je inzien, dat het toch een heel rijk hoofdstuk is, dat we maar niet moeten overslaan.
 

In de geschiedenis van de tabernakelbouw valt op, dat telkens de HERE de Eerste is. HIJ neemt het initiatief. HIJ geeft opdracht om een heiligdom te maken. En daarbij mag Mozes, daarbij mag IsraŽl niet naar eigen inzicht te werk gaan. Als Mozes en IsraŽl zelf hadden moeten pionieren en een heiligdom naar eigen believen hadden moeten inrichten, wat zou er dan ooit van de tabernakel geworden zijn?!
 

En daar komt nog wat bij! Hoe zou ooit een mens van beneden hebben kunnen uitdenken waar God zou willen wonen en wat Hij daar allemaal zou willen geven. Heel de dienst van de verzoening is toch geen product van mensen, maar gave van God. Zoiets kan toch ook in geen mensenhart opkomen, al heet die mens ook Mozes?! Daarvoor is openbaring van boven nodig!
 

Nee, de HERE bepaalt hoe Zijn woning eruit zal zien. IsraŽl moet het heiligdom heel nauwkeurig bouwen naar het model dat de HERE op de berg aan Mozes getoond heeft. Er wordt niets aan IsraŽls eigen initiatief overgelaten. De HERE bereidt Zichzelf een woning onder Zijn volk.
We hebben iets gezien van de heiligheid van God, van zijn ontwerp als Architect, van zijn aandacht voor de technische kant van de tabernakel, van zijn zorg voor de goede inrichting van zijn heiligdom.
 

Zo bevat dit hoofdstuk voor ons een rijke les. Onze God is hier aan het woord. Zo leren wij Hem weer een beetje beter kennen in zijn heiligheid en verhevenheid. We kunnen als stervelingen alleen tot Hem komen als er bloed wordt vergoten, offerbloed. Dat bloed is definitief vergoten door Jezus Christus. Tot een volkomen verzoening van al onze zonden.

   
 



21 DE HERE RICHT DE RUIMTE ROND DE TABERNAKEL IN Exodus 27
 


HET BRANDOFFERALTAAR (vs.1-8)
Dan geeft de HERE aan Mozes instructies over het brandofferaltaar. Heel precies:í Maak een altaar van acaciahout. Het moet vierkant zijn, vijf el lang en vijf el breed, en drie el hoog. Op de vier hoeken moet het horens hebben, die er ťťn geheel mee vormen. Bekleed het met brons.í Een el is ongeveer 50 cm. Dus 2.50x2.50x1.50 meter. Niet eens zo erg groot. Dat moest ook niet, want het moest meegedragen kunnen worden op de tocht naar Kanašn.
 

Het brandofferaltaar had op de hoeken vier horens. Bij zondoffers moest er bloed aan die horens gestreken worden. Ook zijn ze belangrijk voor mensen die vluchten voor een bloedwreker. Wanneer die de hoorns vastgrepen, mochten ze niet gedood worden (Exodus 21:13-14; 1 Koningen 1:50; 1 Koningen 2:28).
 

Het brandofferaltaar stond in de voorhof bij de tabernakel. Dat was een plein van 50 bij 25 meter. Dat altaar was gemaakt van planken van acaciahout. Het was helemaal met brons beslagen. De binnenruimte werd opgevuld met aarde en stenen, waarop het offervuur werd gestookt. Hierop werden alle brandoffers gebracht. Dat waren offers die helemaal verteerd werden. In Leviticus 1 wordt door de HERE precies voorgeschreven, hoe de offers door de
priesters moesten worden gebracht.

 
 
 

Voordat de hogepriester op grote verzoendag het allerheiligste kon binnengaan, moest hij eerst, op het brandofferaltaar, een dier geofferd hebben. Voor de zonden van zichzelf, en van het volk. Het bloed van dat dier moest hij in een schaal opvangen, en dat moest hij meenemen naar binnen, in het allerheiligste, naar de troon van God. Alleen zo mocht hij bij God komen.
Via het brandofferaltaar, met bloed. Zo heeft de HERE God het ons laten zien: dat is de weg naar Hem toe.
 

Als een IsraŽliet met een stier bij de tabernakel kwam om die te offeren, moest hij zijn handen op de kop van de stier leggen. Daarmee gingen zijn zonden over op de stier. Hij moest dan zelf het beest slachten, waarna de priester de stier offerde.
 

En al die offers wezen heen naar het grote offer door onze Heiland aan het kruis van Golgota. Ze verwezen er niet alleen naar, ze riepen er ook om. Eťn stroom van bloed door heel het Oude Testament ter verzoening van de zonden van het volk van God.
   


DE OMHEINING (vs. 9-19)
Op het bijgevoegde plaatje zie je ook een omheining: Dat was een soort wit gordijn, gemaakt van dubbel (getweernd) fijn linnen. Die kleur wit wijst weer op de heiligheid van God. Dat gordijn was opgehangen aan 60 kolommen van acaciahout. Daarvan stonden er 20 aan de noord- en zuidkant, en 10 aan de oost- en westzijde. Die kolommen waren ongeveer 2,5 meter hoog. Ze stonden in bronzen voetstukken.
 

De hoogte van de omheining is ongeveer 2,5 meter. Voor de mensen met de tegenwoordige lengte is dat al lastig om er overheen te kijken, laat staan voor de toen veel kleinere IsraŽliet. Dat witte gordijn spreekt een duidelijke taal: de Here wil dichtbij, ja in het midden van het volk wonen, maar Hij wil dat het volk zijn heiligheid goed voor ogen blijft houden.
 

Aan de oostkant was de ingang van de voorhof. De HERE zegt daarvan: ĎScherm de ingang af met een vakkundig geborduurd gordijn van twintig el breed, van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen; daar komen vier palen bij, elk op een voetstuk.í


 
   

Die ingang was niet aan de kleine kant. Op vijftig el voorzijde waren niet minder dan twintig ellen voor de ingang gereserveerd. Dus een deur van 10 meter. Het is nooit de opzet geweest dat hťťl het volk zich in de voorhof zou verzamelen. Daarvoor was het volk eenvoudig te talrijk. Die royale afmetingen van deze ingang betekenden dat het volk zich van harte welkom mocht weten bij zijn God. Een heerlijke gedachte.
 


DE LAMPOLIE (vs.20,21)
ĎDraag de IsraŽlieten op om je voor de verlichting zuivere olijfolie te brengen: er moeten in de ontmoetingstent, buiten het voorhangsel dat de ark met de verbondstekst afschermt, altijd lampen branden. Ašron en zijn nakomelingen moeten ervoor zorgen dat ze de hele nacht voor de HEER blijven branden. Dit voorschrift blijft voor de IsraŽlieten voor altijd van kracht, voor alle komende generatiesí, zo luiden de voorschriften van de HERE over de lampolie.
 

Deze olie was in het oude verbond het symbool van de Heilige Geest. Dat bleek telkens weer als in IsraŽl een ambtsdrager werd gezalfd. Dat gebeurde altijd met olijfolie. En als je dat bedenkt, dan begrijp je waarom die olie ook van zo uitzonderlijk goede kwaliteit moest zijn. Ze moest symbool zijn van de Heilige Geest zijn. En dan is het meest zuivere nog amper goed genoeg.

Gods voorschrift met betrekking tot de menorah is ook heel vertroostend. Gods volk moet leven naar de wet die in de ark (Gods troon) bewaard wordt. Maar het wordt bij die opdracht niet aan zichzelf overgelaten. God laat Zijn volk niet in de duisternis staan. Hij verlicht ze door zijn Geest. Daar wijst die olie op.

Zoals de olie voor het licht zorgt op de lampenstandaard, zo zal Gods Geest zorgen voor wat Gods volk nodig heeft om zijn taak voor God te vervullen. Bij de opdracht die Gods volk in deze wereld heeft, mag het zich verzekerd weten van de belofte van de Heilige Geest.

Het is opvallend dat de priesters in Ex. 27 en in Lev. 24 nog veel nadrukkelijker, opdracht krijgen om iedere dag opnieuw de lampenstandaard te verzorgen. Het licht moet voortdurend branden. Iedere avond en nacht opnieuw. Zo schenkt God het licht van Christus' evangelie iedere dag opnieuw. In dat evangelie van Christus ontvangen we een lamp voor onze voet en een licht op ons pad. We weten waar en hoe we wandelen moeten.

       




22 DE HERE GEEFT VOORSCHRIFTEN OVER DE PRIESTERKLEDING Exodus 28
 


DE OPDRACHT VAN DE HERE (vs.1-5)
De HERE bemoeit Zich persoonlijk met alle details van de tabernakel en de priesterdienst. Alleen al daarom is dit hoofdstuk boeiend. Wij staan er vandaag te weinig bij stil, hoe dicht bij de HERE bij de eredienst van het Oude Testament betrokken was. Letterlijk alle voorschriften zijn van hem afkomstig. Zo heeft Hij het gewild.
 

Mozes moet Ašron en zijn drie zonen bij zich roepen om te zeggen dat God hen als priester in zijn dienst wil hebben. Mozes moet voor Ašron kleren laten maken die hem aanzien en gezag geven. Mozes moet daarvoor mensen inschakelen aan wie de HERE vakmanschap heeft geschonken. Let daarop: God schenkt vakmanschap!
 

Dan zegt God welke onderdelen allemaal bij de priesterkleding horen. De kleuren zijn dezelfde als voor de tabernakel. Zie voor de betekenis daarvan Exodus 26.
   


DE PRIESTERSCHORT (vs.6-14)
De priesterschort was een lange rok met mouwen van wit linnen, helemaal geweven. Dus zonder dat eraan genaaid was om stukken aan elkaar te zetten.
 

Mozes moet twee onyxstenen nemen en daarin de namen van de 12 zonen van Jakob laten graveren. In elke steen zes namen in de volgorde van hun geboorte. Dat graveren moet ook weer door een kundig vakman gebeuren. De beide stenen moeten in gouden kassen gevat worden op de schouderstukken van de priesterschort: wanneer Ašron voor de HEER verschijnt en de namen van de IsraŽlieten op zijn schouders draagt, zal de HEER aan de IsraŽlieten herinnerd worden. Aan de gouden kassen moet Mozes kettinkjes van zuiver goud bevestigen, in de vorm van kunstig gevlochten snoeren.
 





DE BORSTTAS (vs.15-30)
De volgende opdracht geeft de HERE aan Mozes: Maak een borsttas voor de orakelstenen. Deze moet even vakkundig geweven worden als de priesterschort, van gouddraad, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen.
 

Mozes moet de stof dubbel laten slaan, zodat er een soort van tas ontstaat. Aan de buitenkant van die tas moesten edelstenen gezet worden, namelijk vier rijen van drie, allemaal in gouden kassen gevat. Er moeten twaalf stenen zijn, zoals er twaalf namen zijn van IsraŽls zonen: in elke steen moet de naam van een van de twaalf stammen gegraveerd worden.
 

Zo draagt Ašron telkens als hij het heiligdom binnengaat, de namen van IsraŽls zonen op zijn hart, om de HERE steeds opnieuw aan hen te herinneren.
 

Verder geeft de HERE aan Mozes de opdracht in de borsttas de twee orakelstenen te leggen, zodat Ašron ze op zijn hart draagt wanneer hij voor de HEER verschijnt; in de tegenwoordigheid van de HEER moet hij de orakelstenen altijd op zijn hart dragen. Die stenen kan hij raadplegen bij een moeilijke beslissing.
 


HET BOVENKLEED (vs.31-35)
 

Het bovenkleed was ook als ťťn geheel geweven net als het priesterschort. De kleur was blauwpurper. In het midden zat een halsgat om het hoofd door te steken. Het had geen mouwen en het reikte ongeveer tot de knieŽn, zodat het witte priesterschort goed zichtbaar was.
 

Op de hele zoom moet Mozes granaatappels van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol aanbrengen met gouden belletjes ertussen, steeds om en om een gouden belletje en een granaatappel.
 

Ašron moest dit bovenkleed dragen wanneer hij dienst deed. Wanneer hij het heiligdom binnenging om voor de HERE te verschijnen en wanneer hij weer naar buiten kwam, moest het geluid van de belletjes te horen zijn, anders zou hij sterven.
 


DE TULBAND (vs.36-38)
Als hoofdbedekking moest de hogepriester een tulband dragen. Daaraan was met een koord van blauwe wol een diadeem of rozet bevestigd. Dat was van zuiver goud en er stond ingegraveerd: ĎAan de HEER gewijdí.
 

Door de rozet voortdurend op zijn voorhoofd te dragen, nam Ašron de schuld van de IsraŽlieten op zich wanneer zij tekortschoten bij het brengen van hun heilige gaven; dan werden deze door de HEER aanvaard.
 


TUNIEK EN GORDEL (vs.39-40)
Daarna geeft de HERE de opdracht een tuniek (halflang manteltje) te weven van fijn linnen garen, en een vakkundig geborduurde gordel te maken. Ook voor Ašrons zonen moet hij tunieken en gordels maken en hoofddoeken die hun waardigheid en aanzien verlenen.
 


DE WIJDING TOT PRIESTER (41-43)
De laatste opdracht van de HERE gaat over de priesterwijding. ĎLaat je broer Ašron en zijn zonen deze kleding aantrekken en zalf hen; zo wijd je hen en heilig je hen om mij als priester te dienen.í
 

Dat de HERE aan alles gedacht heeft blijkt uit de linnen (onder) broeken die de priesters moeten dragen om hun geslachtsdelen te bedekken. Ašron en zijn zonen moeten ze dragen als ze de ontmoetingstent binnengaan of in het heiligdom dienst gaan doen bij het altaar. Anders laden ze schuld op zich en zullen ze sterven. Dit voorschrift blijft voor hem en zijn nakomelingen voor altijd van kracht.

       



23 ĎIK ZAL TE MIDDEN VAN DE ISRAňLIETEN WONENí Exodus 29
 


AńRON EN ZIJN ZONEN WORDEN TOT PRIESTER GEWIJD (vs.1-9)
De HERE Zelf geeft in dit hoofdstuk instructies over de priesterwijding. Je zou kunnen zeggen over hoe de priesters in hun ambt worden bevestigd.
 

De wijding is een heel ritueel. Nodig zijn een stier en twee rammen, verder brood, dikke broden, met olijfolie bereid, en dunne broden, met olijfolie bestreken Ė alles ongedesemd en gebakken van tarwebloem. Die broden en die dieren moeten naar het heiligdom gebracht worden.
 

Ašron en zijn zonen moeten aan de ingang van de ontmoetingstent gereinigd worden met water. Dan gebeurt er iets opmerkelijks: Ašron en zijn zonen mogen niet zelf hun priesterkleren aantrekken. Nee, zij worden aangekleed. Dat heeft een diepe betekenis. Zij zijn als zondaren niet waardig zichzelf te bekleden met dit priesterschap. Zij worden daartoe geroepen. God alleen heeft Ašron en zijn zonen uitgekozen. Ze kunnen zich op niets uit zichzelf beroepen. In Leviticus 8 vind je meer over dit geweldige moment, dat zondige mensen tot vlak voor Gods gezicht mogen naderen om voor het volk te offeren.
 

De HERE zegt verder:íZalf Ašron door de zalfolie over zijn hoofd uit te gieten.í Laat daarna zijn zonen komen, trek hun de tunieken aan en bind hun de hoofddoeken om. Doe zowel Ašron als zijn zonen een gordel om. Door hen op deze manier te wijden, verleen je Ašron en zijn zonen voor altijd het recht om het priesterschap uit te oefenen.í
 

Wat wil die zalving nu zeggen? In de eerste plaats, dat ze daardoor afgezonderd werden tot de dienst aan de HERE. Maar er was nog een betekenis. Het was het teken van de Heilige Geest die ze van God zouden ontvangen. Die zou hen bekwaam maken tot hun dienst.

 


DE HERE GEEFT VOORSCHRIFTEN OVER DE WIJDINGSOFFERS (vs.10-28)
Nog kunnen de priesters hun ambtswerk niet beginnen. Ze zijn nog niet in staat tussen God en het volk te gaan staan, ondanks hun wassing, kleding en zalving. Ze moeten er diep van doordrongen zijn, hoe heilig God is en dat het een wonder is, dat God wil dat ze Hem dienen.
 

Eerst wordt een offerdier voorgeleid. Ašron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van de stier leggen. Die handoplegging was een belijdenis van hun zonden. Ze bekenden daarmee waard te zijn zelf te worden geslacht. Tegelijk droegen ze hun zonden en schuld over aan het offerdier.
 

Het opgevangen bloed wordt eerst aan de hoornen van het altaar gesmeerd. Ook dat moet het teken van het verbond met de HERE dragen: bloed! De rest wordt uitgegoten aan de voet van het altaar. Het beste van het offerdier wordt verder aan de HERE geofferd. Daarmee wordt verzoening aangebracht. Het is weer vrede, het is weer goed tussen de HERE en zijn volk. Niets mochten ze voor zichzelf gebruiken. Al het andere wordt buiten de legerplaats verbrand, omdat het een reinigingsoffer is.
 


DE BETEKENIS VAN DIT ZONDOFFER
De mensen die dit meemaakten, wisten wel dat dit alles een diepe betekenis had. Voor ons is het nog veel duidelijker. Wij weten dat dit heen wees naar het verzoenende offer van Christus. Wij mogen nu op Hem, op zijn zoenoffer gelovig de hand leggen. Zijn bloed moest gestort worden voor onze zonden. Zonder bloedstorting geen vergeving, zegt Hebr.9:22. Zo wees het bloed van het offerdier heen naar het bloed van Christus.
 

Zoals de vlammen het beste van dat dier verteerden, zo is Christus door de vlammen van Gods woede boosheid over onze zonden verteerd.
 

En is het niet opmerkelijk, dat de rest wordt verbrand buiten de legerplaats. Zo heeft Christus moeten lijden en sterven, uitgestoten uit de stad van God, buiten de gemeenschap!
 


HET OFFEREN VAN DE RAMMEN (vs.15-21
Ook moeten twee rammen geslacht worden. Eentje wordt als een brandoffer helemaal verbrand. De tweede ram dient als wijdingsoffer. Met het bloed daarvan worden Ašron en zijn zonen als priester gewijd. Mozes krijgt als opdracht:íSlacht het dier en strijk wat van het bloed aan de rechteroorlel van Ašron en aan die van zijn zonen, op hun rechterduim en op de grote teen van hun rechtervoet.í Zo wordt hun gehoor, handelen en gaan geheiligd.
 

Verder moet Mozes Ašron met wat bloed van het altaar en met zalfolie besprenkelen en ook zijn kleren. Hetzelfde geldt voor zijn zonen. De HERE geeft zijn bedoeling erbij: ĎDan zullen Ašron en zijn zonen, evenals hun kleren, heilig zijn. Ď
 

Dan moet Mozes een rond brood nemen en als hefoffer op de handpalmen van Ašron en zijn zonen ten overstaan van de HERE omhoog heffen. Daarna moet het boven op het brandoffer verbrand worden.
 

Mozes krijgt ook een deel van het offer. Nadat het borststuk van de ram als hefoffer ten overstaan van de HERE omhoog geheven is, mag Mozes het opeten. Voortaan zal dit deel van het wijdingsoffer worden afgestaan aan Ašron en zijn zonen; dit deel van de vredeoffers die de IsraŽlieten aan de HEER brengen is voor altijd voor hen bestemd.
 


ZEVEN DAGEN DUURDE DE WIJDING (vs.29-42)
De wijding van Ašron en zijn zonen duurde zeven dagen. Latere wijdingen duurde ook een week. Elke dag moeten er offers gebracht worden. De HERE vertelt precies hoe en wat.
 

Elke dag moet een stier als reinigingsoffer aangeboden worden om verzoening te bewerken. Het altaar moet met een verzoeningsrite van zonde gereinigd worden en het moet gezalfd worden om het te heiligen. Zeven dagen moet deze verzoeningsrite duren. Daarna is het altaar allerheiligst; alles wat ermee in aanraking komt wordt zelf ook heilig.
 

Op het altaar moeten elke dag twee eenjarige rammen geofferd worden, de ene ís morgens, de andere tegen het vallen van de avond. Bij beide rammen moet een graanoffer en een wijnoffer gebracht worden. Het is een geurige gave die de HERE behaagt, een brandoffer dat zij en alle komende generaties dagelijks aan de HERE moeten brengen bij de ingang van de ontmoetingstent.
 


ĎIK ZAL TE MIDDEN VAN DE ISRAňLIETEN WONENí (vs.43-46)
De HERE besluit de wijding van Ašron en zijn zonen met heerlijke woorden. Hieruit wordt ook duidelijk waarom als die offers bij de wijding nodig waren. De HERE, de heilige God, wil bij zijn volk wonen.
 

De HERE zegt het Zelf: ĎDaar zal ik de IsraŽlieten ontmoeten en die plaats zal door mijn aanwezigheid worden geheiligd. Ik zal de ontmoetingstent en het altaar heiligen, evenals
Ašron en zijn zonen, zodat ze mij als priester kunnen dienen.
 

Ik zal te midden van de IsraŽlieten wonen, en ik zal hun God zijn. En zij zullen inzien dat ik, de HEER, hun God ben, die hen uit Egypte bevrijd heeft om in hun midden te wonen. Ik ben de HEER, hun God.í
 

Het staat er echt. Hoe is het mogelijk? Wat een evangelie!

         



24 DE HERE GEEFT VERDERE OPDRACHTEN VOOR DE TABERNAKEL Exodus 30
 


HET GOUDEN REUKOFFERALTAAR (vs. 1-10)
Het reukofferaltaar stond pal voor de ark, alleen gescheiden door het voorhangsel. Nergens ben je dichter bij de HERE dan als je aan het reukofferaltaar staat. Dan sta je pal voor de HERE.

 

Op dit altaar moest de priester reukwerk in rook doen opgaan. Dat reukwerk diende ervoor om IsraŽls gebeden tot voor Gods troon te brengen en ze aangenaam te maken voor Hem. Er wordt dan ook wel gesproken over het reukwerk der gebeden.
 

Dat betekende niet dat de priesterdienst aan het reukaltaar vlekkeloos was. In vers 10 beveelt de HERE dat de hogepriester ieder jaar op de Grote Verzoendag bloed zal strijken aan de hoorns van het altaar ter verzoening van de zonden die begaan zijn bij de dienst aan het reukaltaar. Heerlijk evangelie was dat voor IsraŽl. De weg voor het reukwerk der gebeden blijft vrij voor IsraŽl.
 

Juist het offer van het reukwerk der gebeden moet gebracht worden op het altaar pal voor de ark. Dat tekent de grote betekenis die de HERE hecht aan het gebed van zijn volk. Dat is het eerste dat Hij wil zien vanaf zijn troon: een biddend volk. Daar gaat het Hem voor alles om! Zie je, hoe belangrijk het gebed is in de dienst van God?!
 

De ark waarvoor het reukaltaar staat, is ook de ark met het verzoendeksel. De troon van de God van alle genade! Die ieder jaar herhaalde verzoening laat ook heel scherp de onmacht van priesters uit het geslacht van Ašron zien. Die verzoening is ieder jaar weer nodig. Het wachten is op het grote zondoffer van het Lam van God dat de zonde van de wereld weg zal nemen.
 

Wij weten dat het Lam gekomen is en Zich gegeven heeft tot een volkomen verzoening van al onze zonden. Dankzij Christus hoort de HERE naar het roepen van zijn kinderen.
 


DE HEFFING BIJ DE REGISTRATIE (vs.11-16)
Dan volgt er een onderwerp over de tabernakelbelasting. Dat geld moet worden betaald, als Mozes onder de IsraŽlieten een telling houdt. Allen die geregistreerd worden, moeten de HERE losgeld betalen voor hun leven, om te voorkomen dat de telling hun noodlottig wordt.
 

Dat losgeld is ieder verplicht vanwege de zonden. Hier zie je weer dat de HERE een heilige God is, die de zonde haat. Opvallend is dat rijk en arm hetzelfde bedrag moeten betalen.
Het losgeld dat Mozes van de IsraŽlieten in ontvangst neemt, moet gebruikt worden voor de dienst in de ontmoetingstent. De losprijs die de IsraŽlieten voor hun leven betalen, zal ervoor zorgen dat de HEER hen niet vergeet.
 


HET WASBEKKEN (vs.17-21)
De HERE zei tegen Mozes:ĎMaak een bronzen wasbekken op een bronzen onderstel, voor de wassingen. Zet het tussen de ontmoetingstent en het altaar en doe er water in.í

 

Met dit water moeten de priesters handen en voeten wassen, voordat ze de ontmoetingstent binnengaan. Ook wanneer ze dienst gaan doen bij het altaar en de HEER een offer gaan brengen, moeten ze hun handen en hun voeten wassen. Beide keren staat erbij dat het een bloedserieuze zaak is. Als ze het verzuimen, zullen ze sterven.
 


DE ZALFOLIE (vs.18-33)
Mozes krijgt de opdracht een kostbare zalfolie te bereiden. De HERE geeft precies de ingrediŽnten en de hoeveelheden.
 

Met die heilige zalfolie moet hij alles in de tabernakel zalven, zelfs de tent. Alle onderdelen worden door de HERE opgesomd.
 

Alle voorwerpen worden door die olie aan God gewijd. Ook Ašron en zijn zonen moeten gezalfd worden. Zo worden zij heilig om de HERE als priester te kunnen dienen.
 

Deze olie was in het oude verbond het symbool van de Heilige Geest. Dat bleek telkens weer als in IsraŽl een ambtsdrager werd gezalfd. Dat gebeurde altijd met olijfolie. En die olijfolie was dan een teken en zegel van de volmacht en de kracht die zo'n ambtsdrager van de Heilige Geest ontving om zijn taak te kunnen volbrengen. Ď Gezalfd met olieí stond voor Ď gezalfd met de Geestí .
 


HET REUKWERK (vs.34-38)
De HERE geeft Mozes het recept voor het reukwerk: vier ingrediŽnten en van alle dezelfde hoeveelheid. Mozes moet het als allerheiligst behandelen. Het is alleen voor de HERE bestemd.
 
 

Er moest in de tabernakel op het reukofferaltaar iedere dag, 's morgens en 's avonds, reukwerk geofferd worden om IsraŽls gebeden tot de Here te doen opstijgen als een liefelijke reuk. IsraŽls gebeden konden niet zonder de gebedsdienst van de priesters in de tempel.

Dat is nog altijd zo! Zij het dat wij geen priesters meer kennen die dienst doen aan een reukofferaltaar. Wij hebben een Hogepriester nodig Die de onvolkomenheid van onze gebeden met zijn bloed bedekt en onze gebeden overneemt en ze voor de troon van zijn Vader neerlegt. Onze gebeden moeten gedragen worden door zijn voorbede.

       




25 DE HERE WIL TEMIDDEN VAN ZIJN VOLK WONEN Exodus 31
 


DE HERE GEEFT UITVOERDERS VAN ZIJN PLANNEN (vs.1-11)
De HERE had gezegd: Ik zal in uw midden wonen (25:8). Met het oog daarop had de HERE aan Mozes al die zaken die op de tabernakel en priesterdienst betrekking hadden, laten zien. Al die plannen heeft Mozes aangehoord. We zien dat de HERE Mozes daardoor niet tot wanhoop brengt. Want Hij heeft ook al gezorgd voor een kunstenaar die dit allemaal maken kan.
 

God had deze daartoe uitgekozen. Hij was op een bijzondere manier tot een kunstenaar gemaakt. Hij krijgt de leiding bij dit grootse werk. Als je vs.4 leest, zie je dat deze BesaleŽl toch gelegenheid krijgt zijn eigen ideeŽn te verwerken, hoewel de HERE de modellen had vastgesteld. We zien wie hem bijstaat. Ook dat er ongenoemden zijn die door de Geest van God zo knap zijn, dat ze kunnen meehelpen.
 

Nog eens drukt de HERE Mozes op het hart, dat ze het maken zoals Hij het geboden heeft. Tot twee keer toe (vs.6 en 11). Niet naar het model van de heidense erediensten, maar zo, dat de HERE onder hen wonen kan.
 


DE HERE SCHERPT HET HOUDEN VAN ZIJN SABBATTEN IN (vs.12-17)
Als we deze verzen lezen, valt op, dat de HERE zegt, dat zijn volk vooral niet moet vergeten de sabbat te onderhouden. De sabbat. Dat was de dag die God gereserveerd had om Zich met zijn volk te verlustigen in zijn werk en in de voortgang daarvan. De dag ook waarop Hij met zijn volk vooruit keek naar de eeuwige rust. In feite genoot IsraŽl in de wekelijkse sabbat een voorsmaak van de eeuwige sabbat.
 

En op die dag moet IsraŽl nu zijn toonbroden offeren! De HERE wil het offer van de toonbroden zien en ruiken juist op de dag dat Hij met zijn volk wil genieten van de voortgang van zijn werk. Hij wil dat de IsraŽlieten hun dagelijks werk aan Hem wijden juist op de dag dat Hij met zijn volk vooruitziet naar de eeuwige sabbat, de eeuwige rust.
 

Al bij de schepping heeft de HERE de sabbat ingesteld. Maar nu wordt die sabbat een teken van het verbond dat Hij met hen sloot bij de SinaÔ. Zoals Hij de sabbat afzonderde van de andere dagen, zo zonderde Hij zijn volk af van andere volkeren tot zijn dienst. En hoe ernstig de HERE dat meent, zie je in vs.14. Het wordt nog eens gezegd met andere woorden in vs.15.
 

Let er verder op, dat dit gebod moet worden doorgegeven van geslacht op geslacht. Het is een eeuwigdurend verbond. Vs.17 zegt het nog eens nadrukkelijk, dat de heilige God ook zo werkte, toen Hij hemel en aarde schiep.
 

We zullen er dus goed van doordrongen moeten zijn, dat we met de rustdag maar niet doen wat we zelf willen. Want er is bijna geen gebod dat God meer onder onze aandacht brengt dan dit.
 


DE HERE GEEFT MOZES DE TWEE STENEN TAFELS (vs.18)
Bij het lezen van dit vers merk je dat de HERE klaar is met wat Hij tot Mozes en tot het volk te zeggen heeft. Hij heeft hem die veertig dagen onderwezen. Mozes heeft de tabernakel als het ware mogen zien. Zo duidelijk toonde de HERE hem alles. Tot slot gaat de HERE Mozes ook wat geven.
 

Er staat nog iets, wat onze aandacht moet hebben. Er staat dat God klaar was met spreken op de SinaÔ. Natuurlijk zal de HERE nog heel wat keren tot het volk spreken. Maar hier sluit Hij zijn eerste spreken af.
 

Mozes krijgt twee stenen tafels. Het zijn twee platen van steen, waarop God met eigen vinger de tien Woorden van het verbond heeft geschreven. Al de bepalingen en voorschriften over de bouw van de tabernakel hebben alleen maar zin als we letten op dat verbond.
 

De HERE wil graag bij zijn volk wonen. Maar dat volk zal dan wel in de weg van dat verbond moeten leven en verder gaan. En hoe die weg van dat verbond eruit ziet, staat in die tien Woorden.

       



26 HET VOLK VERBREEKT HET VERBOND MET DE HERE Exodus 32
 


HET VOLK ZONDIGT TEGEN DE HERE (vs.1)
Op de berg SinaÔ maakt de HERE aan Mozes zijn fijne plan bekend: Hij wil temidden van zijn volk komen wonen! In Exodus 28 en 29 heeft de HERE instructies gegeven voor de priesterdienst van Ašron en zijn zonen. Het is de eerste stap op weg naar het priesterschap van alle gelovigen. De weg is ingeslagen naar het volk dat in zijn geheel een koninkrijk van priesters zal zijn.
 

Maar dan krijgt de satan het volk in de greep. Hij probeert de beloofde komst van de Messias tegen te houden. Dat is het erge: juist als de HERE onder zijn volk wil komen wonen, keert het volk zich ondankbaar en ongehoorzaam van Hem af. Ze weten Ašron over te halen om mee te helpen aan de uitvoering van hun plan. Er wordt een gouden kalf gemaakt, dat dienen moet als een beeld van de HERE.
 

Als Mozes een hele poos bij de HERE op de berg SinaÔ verblijft, wil het volk een God die voor hen uitgaat. Ze willen iets zichtbaars hebben. Een koning die onzichtbaar blijft boven op de berg in wolken en donkerheid, dat zint hun helemaal niet. Daarom zeggen ze: een God die voor ons uitgaat. Ze willen wat zien.
 


HET VOLK ZONDIGT TEGEN HET TWEEDE GEBOD (vs.2-6)
Nog maar kort geleden had IsraŽl beloofd alles te zullen doen wat de HERE graag wilde (24:3 en 7). Maar nu al zondigt het tegen het tweede gebod. Ze moesten Hem dienen op de juiste wijze. Geen beeldendienst.
 

Maar IsraŽl is voor de verleiding bezweken. Ze vereerden het gouden kalf. Dat was bedoeld als beeld van de HERE. Dit is uw God, zegt Ašron, die u uit het land Egypte heeft gevoerd. En het feest rond het gouden kalf wordt door Ašron een feest voor Jahweh genoemd. Met het gouden kalf wil IsraŽl dus geen andere god, maar de HERE dienen.
 

Maar al bedoelen ze het nog zo goed, de Bijbel leert iets anders. Met goede bedoelingen alleen zijn we d'r niet. De HERE wil niet alleen dat we Hem dienen, maar dat we Hem ook precies zo dienen als Hij in zijn Woord bevolen heeft.
 

Wij mensen mogen al lang blij zijn als iemand ons uit dankbaarheid iets geeft. En dan geldt dat je een gegeven paard niet in de bek kijkt. Maar de HERE is niet 'al lang blij en tevreden' als wij Hem maar dankbaar zijn.
 

Ašron ging aan het werk. Hij deed wat ze vroegen. Een stierbeeld maakte hij. Dat kenden ze uit Egypte. Als je nu zorgvuldig vs.4 en 5 leest, zie je, dat het volk inderdaad zegt: dit is uw god, die u uit Egypte heeft gevoerd. Ašron bouwt een altaar. En hij zegt, dat er een feest voor de HERE zal zijn.
 


DE HERE DEELT MOZES DE ZONDE VAN HET VOLK MEE (vs.7-10)
Als een donderslag bij heldere hemel moet de mededeling van de HERE in de oren van Mozes geklonken hebben: uw volk heeft het verbond verbroken; het heeft het verknoeid.
 

Als je goed leest, valt je op: uw volk, dat u uit het land Egypte hebt gevoerd. Hiermee zegt de HERE niet alleen, dat het volk het verbond verbroken heeft. Maar vooral wijst Hij hiermee Mozes op zijn ambt van bemiddelaar. Het is een oproep het bemiddelaarsambt op zich te nemen. Het hangt nu als het ware van Mozes af, of de gerichten direct zullen komen of niet.
 

Terwijl Mozes de gelegenheid krijgt zich een bemiddelaar te tonen, wordt hij door de HERE op de proef gesteld. De HERE wil het volk vernietigen en Mozes tot een groot volk maken. Nu zal blijken of zijn hart vrij is van egoÔsme. En hoe rijk de liefde is in zijn bemiddelaarshart.
 


HET GEBED VAN DE BEMIDDELAAR MOZES (vs.11-14)
Dan springt Mozes voor het volk IsraŽl in de bres. Hij, de vergeten bemiddelaar, gaat bidden. Lees dat gebed heel . Hij zoekt in dit gebed in de eerste plaats Gods eer. Daarbij komt dan ook het behoud van Gods volk.
 

Let erop, dat Mozes drie zaken naar voren brengt:
1. Gods wonder in de verlossing van het volk IsraŽl uit Egypte.
2. De smaad die de vijanden van God op de naam van de HERE zouden werpen, als Hij het volk vernietigde.
3. Gods vaste beloften aan Abraham, Isaak en Jakob.
 

Mozes verdedigt het volk. Hij pleit op het verbond door God met Abraham opgericht. Hij wijst op de eed die de HERE aan Abraham had gezworen. Zo worstelt Mozes in het gebed als bemiddelaar om het behoud van Gods volk. Hij bidt ten diepste om de weg naar de Messias open te houden. De weg naar onze Here Jezus Christus, de grote bemiddelaar tussen God en zijn volk.
 

Dan zie je dat de HERE naar de stem van de voorbidder luistert. Wat heerlijk, dat wij een God hebben die Zich laat verbidden. Hij is geen starre God, maar een Vader die luistert naar het gebed van zijn kinderen.
Zo luistert Hij naar het gebed van Mozes. Hij geeft uitstel, mogelijkheid tot bekering. De HERE krijgt berouw over het kwaad dat Hij het volk wilde aandoen (zie Ps.106:19-23).
 


MOZES TOORNT OVER DE ZONDE VAN ISRAňL (vs.15-20)
Mozes was voor het volk in de bres gesprongen. Hij had Gods vergevende genade afgesmeekt. Nu moet hij als afgevaardigde van de HERE naar het volk terugkeren. In zijn handen droeg hij de stenen tafels. Zij waren het sprekende bewijs, hoe trouw de HERE in deze veertig dagen voor zijn volk had gezorgd. Terwijl Hij de wet van het verbond Zelf had opgeschreven, had IsraŽl alles gedaan om het gesloten verbond te vernietigen.
 

Jozua is bij Mozes. Die heeft dus veertig dagen ergens op de berg gewacht. Hij weet niet precies wat hij beneden zich hoort. Maar Mozes vertelt wat er aan de hand is.
 

Zodra Mozes het stierkalf ziet, barst zijn woede los. Hij werpt de stenen tafels, waarop Gods eigen vinger schreef, aan gruzelementen. Aan die tafels was geen mensenhand te pas gekomen. Het was alles van de HERE.
 

Maar Mozes werpt ze kapot. Dat was geen menselijke driftbui, maar heilige woede. Hij liet daarmee duidelijk zien, wat zij verbroken hadden: het verbond met hun Koning. Hij slaat daarna het gouden kalf aan diggelen. Het volk moet zelfs zijn eigen schande drinken.
 


STRAF OVER DE ZONDE VAN AFGODERIJ (vs.21-29)
Dan pas neemt Mozes het woord. Al die tijd heeft hij niets gezegd. Hij spreekt tot Ašron. Dat was de hoogst verantwoordelijke ambtsdrager toen hij bij de HERE was. Zie je hoe Ašron zich er probeert uit te praten? Vergelijk maar eens vs.4 en vs.24. Wij weten uit Deut.9:20, dat de HERE ook heel boos was op Ašron. Hij wilde hem doden. Maar Mozes heeft als bemiddelaar ook voor hem gebeden.
 

Mozes ziet dat het volk ondertussen is doorgegaan met feesten. Hij roept dan: 'Wie is voor de HERE? Laat hij bij mij komen.'
 

Vs.27 vertelt dan wie dan komen. Zijn eigen stam kiest voor de heiligheid van de HERE. Lees maar wat de HERE hen opdraagt. Dat is heel erg moeilijk. Ieder die ze in de zonde van de afgoderij aantreffen, moeten ze doden. Zelfs al is het een familielid.
 

Hier moet dus gestreden worden voor de heiligheid van God, maar ook voor het voortbestaan van het volk. Er moet voor gezorgd worden dat Gods boosheid ophoudt. Jullie zien wel hoeveel graven er die avond moeten worden gedolven.
 

Vs.29 laat ons zien, dat Mozes hen aanmoedigt om al hun energie aan de dienst van de HERE te geven. Ze zullen straks als priesters mogen werken als de HERE inderdaad bij zijn volk is komen wonen.
 


MOZES ONTMOET DE HERE OPNIEUW ALS BEMIDDELAAR (vs.30-35)
Hoe goed IsraŽls bedoeling ook moge zijn en hoe weinig Ašron misschien ook stond achter wat hij deed, het wordt ze door de HERE zwaar aangerekend. Het kalf is een gruwel in zijn ogen. En er blijkt iets geknapt tussen God en zijn volk. Het is alleen omdat Mozes Hem aanspreekt op zijn eer als IsraŽls Verlosser, dat de HERE zijn volk niet in ťťn klap totaal uitroeit. Hij laat Zich door Mozes verbidden en spaart zijn volk.
 

Maar voor de dienst aan het heiligdom worden voortaan niet meer alle eerstgeborenen afgezonderd. Dat kŗn niet meer. Voortaan beperkt de afzondering van mannen voor de dienst aan het heiligdom zich tot de ťne stam die aan de algemene verdwazing niet heeft meegedaan: de stam van de Levieten.
 

Het plan van Exodus 19:6, dat heel Gods volk een koninkrijk van priesters zal worden, lijkt teruggeschroefd te worden. In plaats van mannen uit alle stammen, zullen in het vervolg alleen mannen uit de stam van Levi het heiligdom mogen dienen.
 

Het volk was zwaar gestraft. Maar Gods boosheid was nog niet over. Dat weet Mozes. Daarom gaat hij de volgende morgen weer de berg op. Daar bidt hij - de bemiddelaar - om vergeving (vs.32).
 

Als de HERE toch een plaatsvervangend offer zou vragen, dan wil hij zelf wel uit het boek van God geschrapt worden. Wat een ontroerend pleidooi van Mozes! Hier wordt al een tipje van de sluier opgelicht, wat onze Here Jezus Christus als bemiddelaar voor zijn gemeente deed en vandaag nog doet. Hij is nog onze bemiddelaar!
 

De HERE heeft het aanbod van Mozes afgeslagen. Deze was immers zelf een zondig mens. Het offer van Christus heeft de HERE aanvaard. Daarmee hield de boosheid van de HERE over onze zonden op. Wij zijn nu met Hem verzoend door Christus. Het is vrede tussen God en ons door Christus. Dat betekent 'verzoend'.
 

Het aanbod van Mozes heeft wel gevolgen. Mozes mag het volk verder leiden. God zal een engel meezenden. Hijzelf zou met zijn heilige aanwezigheid het volk vernietigen. De HERE vergeet hun verbondsbreuk niet. Er zal een dag komen van gericht. Dat zal zijn als IsraŽl opnieuw zwaar zondigt bij de weigering het land Kanašn binnen te trekken (zie Numeri 13 en 14).

       



27 DE HERE WIL TOCH MET HET VOLK MEE GAAN Exodus 33
 


INLEIDING
Mozes vond het fijn om met God te praten. Die sprak met hem als een vriend. Heel vertrouwelijk. Dat is toch bijna te mooi om waar te zijn: praten met de machtige God, die we tegelijk onze Vader mogen noemen.
 


HET VOLK VEROOTMOEDIGT ZICH VOOR DE HERE (vs.1-6)
De HERE geeft Mozes de opdracht om weg te trekken. Bij de Sinai vandaan. Daar zit een vreselijke straf in. Ze hadden moeten blijven om de tabernakel te bouwen. De HERE wilde immers temidden van zijn volk wonen! Maar daar is geen sprake meer van sinds het volk met het gouden kalf het verbond met hun Koning had verbroken.
 

Lees : trek weg, jij en het volk. De HERE is vast besloten. Hij gaat niet mee. Want als Hij dat zou doen, dan zou het vernietigd worden, omdat het zo onhandelbaar is. Je moet dan denken aan jonge runderen, die weigeren hun juk te buigen onder het juk en die niet willen lopen in het gareel van de ploeg: dus onwillig en ongehoorzaam.
 

Let erop dat de HERE zijn beloften handhaaft. De eed die Hij zwoer aan Abraham, Isaak en Jakob. Het land van de Kanašnietische koningen zal voor zijn volk zijn.
 

Wanneer de HERE zegt, dat Hij niet meetrekt om hun harde nek, voelt het volk de zwaarte van het kwaad. Ze hadden hun Koning verworpen, zijn verbond verbroken, Hem beledigd. Zie maar hoe ze dat tonen. Hun berouw laten ze zien in de vorm van rouw.
 

Dan moet je aandacht schenken aan de genade die blijkt uit vs.5. God ziet het berouw en aanvaardt het. 'Ik zal zien, wat Ik u doen zal'. Ze mogen geen sieraden dragen. Denk er goed om, dat het berouw niet de grond is, waarom God het volk toch aanvaardt. Die grond ligt in zijn beloften. Ze verdienen niets met dat berouw. God had het volste recht het volk in de steek te laten, nu het Hem verlaten had.
 

Nee, het is zijn vrijmachtig welbehagen, zijn soevereine liefde dat Hij naar hen omziet. Hij zal nog eens gaan zien, wat Hij met hen zal gaan doen.
 


DE HERE OPENBAART ZICH AAN MOZES BUITEN HET KAMP (vs.7-11)
Mozes spant een tent buiten het legerkamp. Dat wijst erop, dat er verwijdering is tussen het volk en de HERE. En dat moeten ze goed zien en voelen. Ze moeten niet denken, dat het met een beetje rouw bedrijven weer goed komt.
 

Mozes spant die tent niet voor het volk, maar voor zichzelf. Zie maar wat er staat over het volk, als het naar de HERE wil. Toch is er door Gods genade iets aan het veranderen. Gods Geest werkt in hun harten. Zie maar wat ze doen, als Mozes een boodschap heeft gekregen om naar die tent der samenkomst te gaan. Dat betekent dat ze vol spanning en verlangen ernaar uitzien, of de HERE weer tot hen terugkeren zal.
 

En dat gebeurt inderdaad. De HERE keert terug tot zijn volk, want de wolkkolom daalt neer op de tent. En dan - als ze dat zien, buigen ze zich neer. Voor Hem! Mozes krijgt daar geen visioen of droom. De HERE spreekt met persoonlijk Hem, zoals iemand spreekt met een vriend.
 

Ontroerend is dat! De HERE zal niet in zijn volle heerlijkheid aan Mozes verschenen zijn. Dat kan immers geen zondig mens verdragen. In Numeri 12:8 staat: rechtstreeks. Het wijst op een heel vertrouwelijke omgang van de HERE met zijn knecht Mozes. Jozua blijft constant in de tent. Hij moet Mozes waarschuwen als de HERE met hem wil spreken.
 


MOZES VRAAGT DE HERE MEE TE TREKKEN (vs.12-17)
Mozes gaat weer als bemiddelaar pleiten, bidden, smeken. Hij moet wel met het volk wegtrekken, maar hij weet nog niet wie er met hem mee zal gaan. Dan herinnert hij de HERE eraan, dat Deze hem bij name kent. God kent hem als een vriend die genade gevonden heeft in zijn ogen. Daarop pleit hij. Hij steunt daarop. Zie maar vs.13. En dan vraagt hij of hij die genade nu ook mag zien voor het volk, dat toch Gods volk is.
 

Prachtig zijn ook vs.14 en 15. Eerst Gods ontferming in die vraag of Hijzelf mee moet om gerust te stellen. En dan weer het pleiten van Mozes. Hier is hij weer echt een bemiddelaar. Zie je het steunen op Gods beloften! We krijgen zo enige indruk van het pleiten van onze grote en volmaakte bemiddelaar Christus. Ook Hij pleit bij de HERE. Maar dan op zijn volbrachte werk, vooral aan het kruis.
 

Driemaal hebben we Mozes nu horen pleiten. Eerst in Ex.32: 11 en 31. En nu weer. Dat hij zo bidden en smeken kan, komt doordat Gods Geest in hem woont, die met hem meebidt.
 

In vs.17 zegt de HERE toe met het volk te zullen meetrekken. Hiermee heeft Mozes dus bereikt, wat hij wenste. Hij wilde de belofte van Gods persoonlijke geleide. En daarmee het herstel van het verbond met zijn volk. Met deze woorden is de verbondsbreuk tussen de HERE en zijn volk weer geheeld.
 


DE HERE OPENBAART ZIJN LUISTER OP MOZES' VERZOEK (vs.18-23)
Dan komt Mozes met een hartewens. Hij wil graag een teken. Nu God weer een verbond wil sluiten met zijn volk, wil Mozes Gods heerlijkheid aanschouwen. Ook de eerste keer had hij die heerlijkheid mogen zien. Nu wil hij het weer. Hij wil Gods luister, Gods lichtglans zien.
 

Lees nu goed: Mozes mag niet alleen iets zien, hij mag ook iets horen. God zal zijn eigen naam, dat is zijn heerlijkheid, voor Mozes uitroepen. Hij belooft Mozes zoveel te schenken als de afstand tussen de eeuwige God en de kleine zondige mens toelaat.
 

Het is niet zoals Mozes zich heeft voorgesteld. Niemand kan zomaar in Gods glanzende schittering zien, en blijven leven. Daarom zal God hem met zijn hand beschermen.
 

Al krijgt de bemiddelaar Mozes dan niet alles wat hij begeert, dit schenkt God hem op zijn gebeden: God ziet weer in gunst naar zijn volk om. Bovendien mogen ze hier blijven bij de Sinai. Want de HERE zal weer een verbond met hen sluiten. En zij zullen weer een tabernakel mogen bouwen. Want om Christus' wil zal Hij genadig zijn. Hij gedenkt voor eeuwig aan zijn verbond. De HERE is een geduldige God! Vol ontferming en genade!

       


28 DE HERE SLUIT OPNIEUW EEN VERBOND Exodus 34
 


INLEIDING
Mozes kwam van de berg af zo schitterend en glanzend, dat de IsraŽlieten er verblind door werden. Het was als recht in de zon kijken. Zo glansde Gods heerlijkheid.
Misschien denk je: 'Dat zou ik ook wel eens willen meemaken'.
Bedenk dan: In de bijbelse preek op zondag schittert de heerlijkheid van Christus.
 


DE HERE GEEFT MOZES NIEUWE OPDRACHTEN (vs.1-3)
De HERE geeft Mozes bevel twee nieuwe stenen tafels te houwen. Hij herinnert Mozes eraan dat deze de stenen tafels van de HERE verbrijzeld had. De nieuwe opdracht betekent genade voor het volk.
 

's Morgens vroeg moet hij zich bij de HERE vervoegen. Evenals de vorige keer moeten mens en dier bij de berg vandaan blijven (zie Ex.19:12,13). God zal daar Zelf weer zijn, de Heilige.
De vorige keer mocht Ašron mee, nu niet. Ašron had de verantwoordelijkheid voor de zonde van de afgoderij. De HERE wilde hem zelfs doden (zie Deut.9:20). Dat Mozes deze keer alleen opklimt en het volk zelfs dat opklimmen niet mag zien, is om hun geloof te beproeven.
 

De vorige keer zeiden ze, dat ze niet wisten wat er van die man geworden was, nu zouden ze zelfs niet zien waarheen hij ging. Ze moesten zich oefenen in het wachten op de HERE.
 


DE HERE OPENBAART AAN MOZES WIE HIJ IS (vs.4-7)
Het vorige hoofdstuk eindigde met het verzoek van Mozes iets van de heerlijkheid van de HERE te zien. Het antwoord was geweest, dat hij de HERE alleen op de rug mocht zien. Meer kon hij niet verdragen. Nu komt het wonderlijke. Hij wilde zo graag iets zien, maar de HERE laat hem iets horen. De HERE gaat Mozes zeggen wie Hij ten diepste is. Hij laat aan Mozes zijn hart zien, zijn Vaderhart.
 

De HERE daalt neer. Nu geen geluid van de donder en van de bazuin. Niets van de indrukwekkende verschijnselen, waaronder Hij de eerste keer afdaalde en sprak tot het volk. Nu spreekt Hij alleen tot Mozes.
 

En let nu heel goed op. De HERE gaat aan Mozes openbaren wie Hij is. Het meest verborgene van de HERE mag Mozes horen. Het belangrijkste van de HERE als de God van het verbond wordt hem gepredikt.
 

Zo is onze HERE, zo wil Hij gekend zijn. Dat moet iets machtigs geweest zijn, dat de HERE voorbij Mozes trok en Zich zo openbaarde.
 

De liefde, genade, barmhartigheid en goedertierenheid treden op de voorgrond. Bijna alle woorden staan hier bij elkaar die het liefdevolle hart van onze hemelse Vader laten zien. Let erop, dat de gerechtigheid niet ontbreekt met haar bedreiging. Maar het staat op de tweede plaats. Eerst de genade dan de boosheid. Eerst de liefde dan de straf. Al die heerlijke woorden kunnen worden samengevat in dat ťne woord: Christus.
 


DE HERE SLUIT EEN NIEUW VERBOND (vs.8-10)
Zie je dat Mozes haastig neerknielt. Als je vs.9 leest, dan valt het op, dat Mozes de heerlijke verbondsnaam niet uitspreekt. Kijk maar, er staat Here, en niet HERE. Here betekent Goddelijke Gebieder. Daar spreekt diepe eerbied uit. Hij durft na alles wat er gebeurd is, niet de verbondsnaam Jahweh te gebruiken. Hij voelt heel goed de afstand tussen de heilige God en het zondige volk.
 

En hier zien we Mozes weer optreden als bemiddelaar. Hij rekent zich helemaal tot het zondige volk. Hij zegt: onze ongerechtigheden, onze zonden en zie ons aan. Hij is ťťn met het zondige volk.
 

Dan komt het heerlijke ogenblik, dat de HERE het verbond vernieuwt. 'Zie, Ik sluit een verbond'. Wat het volk verbrak, vernieuwt Hij weer. Hij alleen. En Hij voegt eraan toe, dat Hij ontzagwekkende wonderen zal doen, als Hij zijn volk zal gaan brengen naar het beloofde land.
 


DE HERE HERHAALT DE VOORNAAMSTE VERBONDSEISEN (vs.11-26)
Dan gaat de HERE een aantal bepalingen bekend maken, die Mozes moet opschrijven en die voor het grootste deel al door Hem bekend gemaakt waren. Ze staan ook in Exodus 25-31. Er zijn verschillende zaken bij die zware nadruk krijgen.

Dat staat in verband met de zonde van de afgoderij met het gouden kalf. Zie maar hoe Hij waarschuwt, dat de volken van het beloofde land hen niet tot een valstrik worden met hun afgoden (vs.12-17). Zie je, wat er met de goden moet gebeuren?
 

Ze hebben God niet geŽerd bij de SinaÔ. Daarom gaat de HERE zeggen, hoe het met zijn eredienst moet. Eerst de viering van Pesach. En daarbij de herinnering, dat alle eerstgeborenen voor Hem zijn. Die jongetjes moeten gelost worden door het offeren van een dier. Mensenoffers wil de HERE niet.
 

Weer valt het nadrukkelijke gebod van de sabbat op (vs.21,22). En dan geen feesten met de heidense bewoners, maar geheel andere feesten op dagen door God bepaald.
 

Bij feesten herinnert de HERE ook aan de sabbat. Hij wil als het ware zeggen: die sabbat die ik jullie opdraag, is ook een feest. En daarom: houdt die in ere, al is het nog zo druk op het land.
 

Zie je hoe God als een vader alle mogelijke zorgen voor de toekomst wegneemt! We lezen in vs.24, dat ze in dat vreemde land met die machtige volken niet benauwd behoeven te zijn, als ze bij die feesten voor zijn gezicht moeten komen. Want de HERE zal ze uitroeien, Hij!
 

Verder wil God niet afgescheept worden met wat het eerst voor de hand komt. Hij die alles geschonken heeft, wil ook het beste. Hij wil hun dank in alles, ook op die feesten. En geen heidense gewoonten door een geitenbokje te koken in de melk van zijn moeder. En dan die melk met een angstig hart gaan sprenkelen om een grote oogst te krijgen. Nee, geen bezorgdheid. De HERE zal wel zorgen, als ze zijn eredienst maar gehoorzaam verrichten.
 


DE HEERLIJKHEID VAN DE HERE IS ZICHTBAAR AAN MOZES (vs.27-35)
De HERE schreef met eigen hand de woorden van de wet op de stenen tafels. Maar Mozes moest al deze bepalingen opschrijven. Ze vormen mee de inhoud van het verbond. Het was een wonder dat de HERE dit verbond opnieuw sluiten wil.
 

Als we de laatste verzen lezen, zien we dat Mozes zich er niet van bewust is, dat er iets bijzonders met hem aan de hand is. Iets van de glans van Gods majesteit straalt van zijn gezicht af. Dat is zo wonderlijk, dat Mozes zijn broer Ašron en de oudsten zelfs naar zich moet toeroepen.
 

Ook het hele volk moet bij hem komen om de boodschap van genade aan te horen. De glans op zijn gezicht onderstreepte het geweldige van Gods boodschap. Mozes heeft begrepen dat er vrees is bij het volk voor de schittering. Hij doet een sluier over zijn hoofd. Behalve als hij met God gaat spreken.
 

De schittering is tegelijk een beschaming van het volk, dat kleinerend over Mozes had gesproken (32:1). De glans diende om duidelijk te maken, dat de HERE hem als zijn ambtsdrager wilde gebruiken om het volk te leiden naar Kanašn.
 


DE HERE OPENBAART ZIJN HEERLIJKHEID OOK VANDAAG (2 Kor.3:7-11)
Dit is een niet eenvoudig gedeelte. Paulus vergelijkt in 2 Kor. 3 de dienst van Mozes, de grote man Gods uit het Oude Testament, met de bediening van de Geest. Zijn bediening bracht alleen maar veroordeling. Toch was ze al zo heerlijk, dat de IsraŽlieten de blik niet op het gezicht van Mozes gevestigd konden houden. Hij moest zijn gezicht met een sluier bedekken.
 

Hoeveel te groter is dan de heerlijkheid van de bediening van de Geest, die niet veroordeling, maar vrijspraak brengt! Als Mozes' gezicht al schitterde, hoeveel te meer dan het gezicht van Christus, dat in de zondagse prediking oplicht.
 

Paulus zegt: waar wij de verzoening van Christus mogen bedienen en waar wij in dienst staan van zulk een Here der heerlijkheid, verliezen wij de moed niet. Het zou immers je reinste dwaasheid zijn zoiets heerlijks, al was het maar gedeeltelijk, prijs te geven!
 

Zie je hoe de HERE vandaag in de kerk zijn heerlijkheid nog ieder zondag openbaart! Hoe is het mogelijk, hŤ?

       



29 DE HERE MAAKT MENSEN BEREID EN BEKWAAM VOOR DE BOUW Exodus 35
 


GEEN WERK OP SABBAT
De HERE vindt het vieren van de sabbat een hoogst ernstige zaak. Ook al is het werk voor de kerk, voor het heiligdom, op sabbat wordt er gerust.
 

Eigenlijk is wat Mozes tot het volk moet zeggen een korte samenvatting van het vierde gebod. ĎZes dagen kan daaraan gewerkt worden, maar de zevende dag, de sabbat, moet een dag van volstrekte rust zijn, gewijd aan de HEER.í
 

Op overtreding staat de doodstraf. Niemand mag op sabbat een vuur aansteken, waar hij ook woont. Zelfs dat wordt onder werken verstaan.
 


WAT NODIG IS VOOR DE BOUW (vs.4-10)
Er is voor de bouw van de tabernakel heel wat aan kostbaarheden nodig. Hoe kan zoín verdrukt en gevlucht volk daarover beschikken? Toch is er volop. Dat is afkomstig van de Egyptenaren. Die hebben na de tiende plaag de IsraŽlieten gesmeekt weg te trekken. Om dat te stimuleren hebben we het volk overladen met kostbaarheden.
 

Er is heel wat nodig. Van goud tot vellen van zeekoeien en heel veel acaciahout. Mozes geeft de opdracht van de HERE aan het volk door iets aan de HERE af te staan. Let op dat woordje Ďietsí. Ze hoeven niet alles te geven.

   
 


VAKLIEDEN GEVRAAGD (vs.11-19)
Alle vaklieden moeten zich melden, om alles te maken waartoe de HEER opdracht heeft gegeven. Want er moet heel wat gemaakt worden. Mozes geeft een opsomming. Hij kiest er maar niet een paar onderdelen uit. Nee, het is een vrij volledige opsomming. Het gaat over haken en dwarsbalken, over pinnen en touwen, over de ark en priesterkleren.
 


DE HERE MAAKT HET VOLK BEREID TOT GEVEN (20-29)
Prachtig is het om de gulheid van het volk te lezen. Met van alles kwamen ze bij Mozes. Van neusringen (piercings?) tot ramsvellen, goud en acaciahout.
 

Vrouwen die hun sieraden al hadden gegeven, gingen ook nog eens aan de slag. Ze sponnen de wol tot garen, andere vrouwen sponnen geitenhaar.
 

De leiders van IsraŽl worden apart genoemd. Ze brachten de onyxstenen voor de priesterschort en de edelstenen voor de borsttas, evenals de geurige specerijen en de olie voor de verlichting, de zalfolie en de reukoffers.
 

Alle IsraŽlieten, mannen zowel als vrouwen, die bereid waren iets af te staan voor de werkzaamheden waartoe de HEER Mozes opdracht had laten geven, brachten de HEER vrijwillig geschenken.
 


DE HERE KIEST BESALEňL EN OHOLIAB ALS UITVOERDERS BIJ DE BOUW (vs.30-35)
Dit stukje is ook weer leerzaam voor ons. De HERE kiest BesaleŽl als eerste uitvoerder bij de bouw van de tabernakel. Hij is een excellent vakman. Hoe is hij daaraan gekomen? God heeft hem die uitzonderlijke talenten geschonken. Dus elk vakmanschap van vandaag gaat niet buiten de HERE om, beter, Hij schenkt het. Opdat Hij de eer ontvangt die Hem toekomt. Helaas ontbreekt het daar nog wel eens aan.
 


BesaleŽl en Oholiab aan het werk
op een Middeleeuwse miniatuur
 

Moet je eens kijken wat die BesaleŽl allemaal kan: hij kan ontwerpen maken en ze uitvoeren in goud, zilver, koper en brons, hij kan stenen snijden en zetten en hout bewerken en hij beheerst ook allerlei andere vaardigheden om ontwerpen uit te voeren.
 

BesaleŽl heeft van de HERE ook een maatje gekregen: Oholiab, ook zoín duizendpoot. Wat heel belangrijk is dat beide mannen ook goede leraren zijn. De HERE schonk hun de gave hun kennis over te dragen.

           


30 DE START VAN DE BOUW VAN DE TABERNAKEL Exodus 36
 


IS TWEE KEER NIET OVERBODIG?
In feite vinden we in het boek Exodus twee keer een beschrijving van de tabernakel met toebehoren. In Exodus 25-30 waarin de HERE opdracht geeft tot de bouw. En in Exodus 36-39 waar de bouw wordt beschreven. Die voor ons gevoel misschien wat al te uitvoerige herhaling is beslist niet overbodig. Het werpt een heerlijk licht op de trouw van onze God.
 

Zelfs na de zonde van IsraŽl met het gouden kalf, een zonde die de HERE heel hoog heeft opgenomen (Hij wilde aanvankelijk heel het volk verdelgen!), houdt Hij toch vast aan wat Hij eerder tot IsraŽl gesproken heeft. Ondanks alles mogen ze de tabernakel bouwen, zoals Hij het hun voor de zonde met het gouden kalf had opgedragen. Hij wil nog bij hen wonen.
 

Bovendien is het voor ons geloof heel goed om te weten, hoe concreet de HERE Zich bezig hield me de details van de bouw. Je komt ervan onder de indruk dat de hoogheilige God Zich met zo gewone dingen bezighoudt, als met de pinnen waarin de planken moeten worden geplaatst, om maar iets te noemen. En hoe Hij vaklieden bekwaam maakt om alles te kunnen maken zonder machines en computers.
 

We leren de HERE kennen op een heel speciale manier. Zo is Hij dus ook. In de vertaling van de NBV is het geen straf om alles twee keer te lezen. Het is een ontwerp van de God van wie wij mogen houden, door onze Here Jezus Christus. Heel de tabernakel wijst heen naar onze Verlosser. Nee, de herhaling is zeker niet overbodig.
   


MOZES GEEFT DE GESCHONKEN MATERIALEN AAN DE VAKLIEDEN (vs.1-7)
Mozes roept alle vaklieden bij zich. En dan staat erbij (niet overheen lezen): Ďaan wie de Heer wijsheid en inzicht geschonken heeft.í Zo is dat met vakmanschap de eeuwen door gegaan. Als jezelf vakman bent, weet je van wie je dat gekregen hebt.
 

Mozes geeft ze dan alle geschenken die de IsraŽlieten voor de bouw van het heiligdom gebracht hadden. De mannen gaan ermee aan de slag. En dan gebeurt er iets merkwaardigs: ze moeten op een gegeven moment hun werk onderbreken, omdat er Ďveel meerí geschonken werd dan er nodig was. Het waren meer dan gulle gevers. Na de ellende met het gouden kalf is er een grote vreugde bij het volk om de HERE te mogen dienen.
 

Op bevel van Mozes werd toen overal in het kamp bekendgemaakt dat geen enkele man of vrouw nog iets voor het heiligdom hoefde te maken. Daarna bracht het volk geen geschenken meer. Er was meer dan voldoende materiaal om al het werk te kunnen uitvoeren.
 


HET MAKEN VAN DE TABERNAKEL (vs.8-31)
Wat nu volgt is een verslag van de werkzaamheden van de vaklieden. In de voorafgaande hoofdstukken is aandacht gegeven aan de gedetailleerde opdrachten die de HERE aan Mozes gaf over al die onderdelen van de tabernakel.
 

Het verslag begint bij het maken van de tent. De door de vrouwen gesponnen wol wordt geweven in de bekende kleuren, waarover bij Exodus 26 een toelichting is gegeven. De kleden werden met 50 gouden haken aan elkaar gezet, zodat de tabernakel ťťn geheel werd.

 
 

Vervolgens wordt een kleed van geitenhaar gemaakt, dat dienen moet als tent over de tabernakel. Dat kleed wordt tot ťťn geheel gemaakt met 50 koperen haken.

Ook werd voor de tent een dekkleed van rood geverfde ramsvellen gemaakt, en dat werd weer afgedekt met een kleed van zeekoevellen.
 

Dus het zag er als volgt uit: de tabernakel en daarover heen die verschillende kleden. Totaal 4.
Op het plaatje is het heel goed te zien.
 


DE WANDEN VAN DE TABERNAKEL (vs.20-34)
 
 
 

Voor de wanden van de tabernakel maakte men planken van acaciahout, die rechtop kwamen te staan. Ze waren 5 meter lang en 75 cm breed. Het plaatje maakt duidelijk hoe het eruit zag.
 

De zuid- en noordwand van de tabernakel telden elk 20 planken. Elke plank stond op twee zilveren voetstukken met pinnen.
 

Voor de achterwand van de tabernakel, aan de westkant, maakte men zes planken. Voor de hoeken van de achterwand werden twee extra planken gemaakt. Op het plaatje duidelijk te zien. Met dwarsbalken werd extra stevigheid aangebracht. Men overtrok de planken met goud, verguldde ook de dwarsbalken en maakte voor de dwarsbalken gouden ringen.
 


HET VOORHANGSEL
Het voorhangsel werd gemaakt van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. Het werd vakkundig geweven, met een patroon van cherubs. Men maakte er vier palen van acaciahout voor, die men met goud overtrok, met bijpassende vergulde krammen, en er werden voor deze palen vier zilveren voetstukken gegoten.
 

 


GORDIJN VOOR INGANG VAN DE TENT (vs.37-38)
Ter afscherming van de ingang van de tent maakte men een vakkundig geborduurd gordijn van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. Er werden vijf palen voor gemaakt met bijpassende krammen; de koppen van de palen werden verguld, evenals de dwarsstangen. De vijf voetstukken waren van brons.
 



   

   


31 BESALEňL MAAKT DE VOORWERPEN VOOR DE TABERNAKEL Exodus 37
   


DE GOUDEN ARK MET VERZOENINGSPLAAT (vs.1-9)
In Exodus 25:10-22 heeft de HERE aan Mozes precies verteld hoe Hij de ark gemaakt wilde hebben. Nu is het zover. BesaleŽl maakt de ark, een kist van 1.25m x 0.75m x 0.75m. Een flinke kist, maar niet bovenmatig groot. Van binnen en buiten wordt alles met goud overtrokken.


 
 

Daarop komt de verzoeningsplaat van zuiver goud, 1.25m lang en 0.75m breed. 7-8 Aan de beide uiteinden daarvan maakte hij een cherub, ook van goud. Het was drijfwerk. Dat betekent dat alles uit ťťn klomp goud werd geslagen. Er is niets aan elkaar gelijmd of gesoldeerd. Er staat dan ook, dat de twee cherubs ťťn geheel vormden met de plaat. Ze stonden tegenover elkaar, met het gezicht naar de verzoeningsplaat gekeerd, en hun vleugels waren gespreid zodat ze zich daar beschermend over uitstrekten.
 


DE TAFEL VOOR DE TOONBRODEN (vs.10-16)
Een meer uitvoerige beschrijving kun je vinden in wat ik behandelde bij Ex.25: 23-30. Deze tafel van acaciahout was 1m lang, 50cm breed en 75cm hoog. Hij werd met zuiver goud overtrokken en rondom werd een gouden sierlijst aangebracht. Ook de draagbomen waren verguld.
 
 


DE GOUDEN LAMPENSTANDAARD (vs.17-24)
In de oude vertaling wordt het woord kandelaar gebruikt. Waarom nu dan lampenstandaard? Het woord kandelaar gebruiken wij in het Nederlands nl. voor een kaarsenstandaard, terwijl het hier heel duidelijk gaat om een zevenarmige lampenstandaard. Er staan geen kaarsen op, maar olielampen. Vandaar deze nieuwe naam, waar we wat aan moeten wennen, denk ik.
 

Bij de lampenstandaard of menorah valt weer op dat hij uit ťťn stuk goud is gedreven of geslagen. Dus een echt kunstwerk. Ik heb erover geschreven in Ex.25:31-40.
 
   
HET GOUDEN REUKOFFERALTAAR (vs.25-29)
Over het reukofferaltaar en het reukwerk schreef ik in Ex. 30. Het was vierkant, 50cm lang en 50cm breed, en 1m hoog; de horens vormden er ťťn geheel mee. Ook bereidde men de heilige zalfolie, en fijn reukwerk zoals een reukwerker dat maakt.

 



 
 


 
32 DE VOORHOF VAN DE TABERNAKEL INGERICHT Exodus 38
 


HET BRANDOFFERALTAAR (vs.1-7)
Over de opdracht van de HERE aan Mozes, hoe de voorhof ingericht moet worden, lezen we in Ex.27. Daar heb ik ook een korte toelichting geschreven.
 

De ruimte rond de tent wordt ook wel de voorhof genoemd. Daarin stonden het brandofferaltaar en het wasbekken. Over het brandofferaltaar heb ik geschreven bij Ex.27:1-8
 
 

Men maakte het brandofferaltaar van acaciahout. Het was vierkant, 2.50m lang en 2.50m breed, en 1.5m hoog. Op de vier hoeken van het altaar maakte men horens, die er ťťn geheel mee vormden, en het werd met brons bekleed.
 

Alle bijbehorende voorwerpen werden van koper gemaakt: de potten, de scheppen, offerschalen, vorken en vuurbakken.
   


HET WASBEKKEN (vs.8) 30:17-21
Het wasbekken is aan de orde geweest bij Ex.30:17-21. Men maakte het bronzen wasbekken en het bronzen onderstel. Bijzonder is de vermelding dat voor dit wasbekken de spiegels van de vrouwen waren gebruikt die bij de ingang van de ontmoetingstent samengestroomd waren. Die spiegels waren toen niet van glas maar van koper dat heel glimmend gepolijst was. Ze waren in ieder geval eerder klaar met het verzorgen van hun uiterlijk.


 
 

 


DE RUIMTE ROND DE TABERAKEL (vs.9-20)
De ruimte rond de tabernakel was afgeschermd met een omheining. De lengte was 50 meter, de breedte 25 meter.
 
 
Het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte was vakkundig geborduurd en gemaakt van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen; het was 10 meter breed en evenals de doeken van de omheining 2.50 meter hoog. Een heerlijk ruime poort. De HERE is gastvrij. Iedereen is welkom.
 


BEREKENING VAN HET MATERIAAL (vs.21-31)
Hier volgt een berekening van de hoeveelheden materiaal die voor de tabernakel gebruikt werden. Deze berekening werd in opdracht van Mozes door de Levieten gemaakt, onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Ašron. BesaleŽl had met de hulp van Oholiab alles uitgevoerd zoals de HERE het aan Mozes had opgedragen.
 

De totale hoeveelheid goud die voor de vervaardiging van het heiligdom werd gebruikt bedroeg negenentwintig talent en zevenhonderddertig sjekel. We kennen de gewichten uit die tijd niet erg exact. Als je ervan uitgaat dat een talent ongeveer 20 ŗ 40 kg weegt (voor het gemak 30 kg), dan kom je uit bij ongeveer 1000 kg goud. Dat is voor ons een onvoorstelbare hoeveelheid. De HERE wilde een heiligdom van de kostbaarste materialen.
 

Er werd door de IsraŽlieten ongeveer 3000 kg zilver hadden afgedragen. Het meeste zilver werd gebruikt voor het gieten van de voetstukken van het heiligdom en voor die van het voorhangsel: 30 kg per voetstuk, dus voor honderd voetstukken 3000 kg. De rest van het zilver gebruikte men om de palen te voorzien van krammen en dwarsstangen en om de koppen ervan te overtrekken.
 

Dan het koper. De afgedragen hoeveelheid koper bedroeg ongeveer 2000 kg Daarvan werden de voetstukken voor de ingang van de ontmoetingstent gemaakt, het bronzen altaar met het hekwerk daaromheen en alle bijbehorende voorwerpen, alle voetstukken van de omheining en van de ingang tot de afgeschermde ruimte, en alle pinnen van zowel de tabernakel als de omheining.

     



33 DE PRIESTERKLEDING EN DE VOLTOOIING VAN GODS HEILIGDOM Exodus 39


DE PRIESTERKLEDING (vs.1)
In Ex.28 heeft de HERE zijn opdrachten gegeven over de priesterkleding. Daar kun je ook een korte toelichting vinden. De wol voor de priestergewaden had weer de bekende kleuren, die we ook in de tabernakel tegenkomen: blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood, naast het wit van het linnen.
 


DE PRIESTERSCHORT (vs.1-7)
Bij de priesterschort kwam er nog een vijfde kleur bij, namelijk gouddraad. Dat verkreeg men door uit geplet goud draden te snijden, die met de driekleurige wol en het witte linnen garen verweven werden.
 

De voor- en achterkant van de schort werden met elkaar verbonden door middel van schouderstukken.
 

Men graveerde de namen van IsraŽls zonen in de onyxstenen. Men vatte de stenen in gouden kassen en zette ze op de schouderstukken van de priesterschort. De HERE had dit zo aan Mozes opgedragen om Hem aan de IsraŽlieten te herinneren.
 
 

   


DE BORSTTAS (vs.8-21)
Voor de borsttas gebruikte weer vijf kleuren net als bij de priesterschort. De stof was dubbelgeslagen, zodat een tas ontstond. Het was vierkant met vier rijen edelstenen, allemaal in gouden kassen gevat. Er waren twaalf stenen met in elke steen de naam van een van de twaalf stammen gegraveerd. Met gouden kettinkjes en ringen werd de tas aan de priesterschort vastgezet. Precies zoals de HERE aan Mozes had opgedragen.
 


HET BOVENKLEED (vs.22-26)
Ook het bovenkleed dat bij de priesterschort hoorde, werd helemaal precies geweven zoals de HERE aan Mozes had opgedragen. Er was overal aan gedacht. De halsopening was afgezet met een rand die net zo geweven was als die van een wapenrok, om inscheuren te voorkomen. Heel practisch.
 


Op de hele zoom van het bovenkleed bracht men granaatappels in de bekende kleuren en tussen de granaatappels zette men belletjes van zuiver goud, steeds om en om een gouden belletje en een granaatappel, over de hele zoom van het bovenkleed. De betekenis van die belletjes kun je lezen bij Ex.28.
 


TUNIEK, TULBAND, HOOFDDOEK EN LINNEN BROEKEN (vs.27-29)
Men weefde voor Ašron en zijn zonen tunieken, een tulband en prachtige hoofddoeken, alles van fijn linnen garen, en linnen broeken. Ook maakte men een geborduurde gordel van linnen garen en van de driekleurige wol, zoals de HEER het Mozes had opgedragen.
 


AAN DE HEER GEWIJD (vs.30-31)
 

 

Men maakte de rozet, de heilige diadeem, van zuiver goud en graveerde daarin, als in een zegel, de woorden ĎAan de HEER gewijdí, en er werd een blauwpurperen koord aan bevestigd, zodat de rozet voor op de tulband kon worden gebonden, zoals de HEER het Mozes had opgedragen. Zie hiervoor Ex.28.
 


HET WERK AAN DE TABERNAKEL VOLTOOID (vs.32-43)
Als alles klaar is, worden de werkstukken naar Mozes gebracht. Hij bekijkt ze stuk voor stuk. Lees nu goed: alles wat de HERE geboden had, zo hadden zij het gemaakt. Er was dus stipte gehoorzaamheid geweest. Hoe kunstzinnig ze ook waren, ze hebben zich maar niet uitgeleefd in hun kunstuitingen. Zonder eigenwijs te zijn hebben ze alles gemaakt.
 

Mozes is de enige die dat beoordelen kan. En dan zegent hij hen. Dat betekent, dat hij het goede over hen kan spreken, het goede van God.
Wat een geweldig indrukwekkend moment. Hier heeft het volk getoond, dat ze de HERE nu willen gehoorzamen. Ze zijn nu gehoorzaam in het inrichten van de eredienst van hun God, zoals Hij dat eiste. Zie maar Ex.39:1,5,7,21,26,29,31. Daar vind je met nadruk herhaald: zoals de HERE Mozes geboden had.
 

Alleen in die weg wil de HERE bij zijn volk komen wonen, in de weg van gehoorzaamheid aan het eerste gebod, ja aan al Gods geboden.
Een heerlijk slot van de bouw van het huis van God, die bij zijn volk wilde komen wonen.
 


DE HERE JEZUS CHRISTUS EN DE TABERNAKEL
De Here Jezus zegt in ťťn van zijn twistgesprekken met de Joden, dat Mozes van Hem gesproken heeft. En na zijn opstanding maakt Hij aan de EmmaŁsgangers en aan zijn discipelen al wat in de wet van Mozes op Hem betrekking had. Daar hoorde zeker ook de tabernakel en al voorwerpen van het heiligdom bij. Die getuigden van Christus en die wezen heen naar Hem. Heel de tabernakel sprak van de Christus.
 

Als je dat bedenkt, is het al helemaal duidelijk dat de tabernakel wel gebouwd moest worden op instructie van God Zelf. Hoe zal ooit een mens een monument van Gods genade en een getuigenis van Christus oprichten als God het hem niet geopenbaard heeft? Christus is toch niet de Verlosser die wij onszelf geschonken hebben, maar die we van God ontvangen hebben.
 

Dan kan ook het huis waar alles van Hem spreekt en naar Hem verwijst alleen maar gebouwd worden op Gods bevel. Alleen als alles is ingericht naar zijn bevel ontvangt het volk van God er echte troost in verdriet en wordt het er toegerust tot de geestelijke strijd van het geloof.

       



34 DE HERE BETREKT ZIJN AARDS PALEIS Exodus 40
 


INLEIDING
Het volk zwierf door de woestijn. Rondom: alles dor en droog. Het volk zelf: een stoet bevrijde slaven op zoek naar eigen grond. Een klein volk. Veracht in het oog van de volken rondom. En overgeleverd aan allerlei gevaren. Maar temidden van alle ontberingen, middenin de troosteloosheid van de woestijn die hen omringde, en middenin de dreiging van roofbendes, richtte God zijn paleis in onder zijn volk. En Hij vervulde dat paleis met zijn heerlijkheid. Is het niet ongelooflijk?
 

En dan te bedenken: God woont vandaag net zo echt bij ons als bij IsraŽl in de woestijn.
 


DE HERE GEEFT AANWIJZIGINGEN VOOR DE OPRICHTING VAN DE TABERNAKEL (vs.1,2)
Ongeveer een half jaar lang heeft men gewerkt aan de tabernakel. Het geheel stond onder leiding van BesaleŽl en Oholiab. Dan komt de heerlijke dag voor de HERE en voor het volk: de HERE, de heilige God, wil temidden van hen komen wonen.
 

Ook dat oprichten van de tabernakel gebeurt op bevel van God. Het komen wonen onder zijn volk is niet een zaak van het volk, maar van de HERE. Hij bepaalt het hoe, het waar en het wanneer.
   
Nu moet je eens goed op vs.2 letten. Je ziet dan, dat Mozes in ťťn dag de hele tabernakel moet oprichten. Dat was mogelijk, omdat alles zo gemaakt was dat ieder stuk precies paste bij het andere. Je zou het ook zo kunnen zeggen: alles was pasklaar. Bovendien zijn al de vaklui onder leiding van BesaleŽl en Oholiab ter beschikking.
 

Het moet juist op deze dag gebeuren. Vorig jaar, wat was de geweldige en onvergetelijke dag van de uittocht. God greep zijn volk en voerde het uit de gevangenis. Nu, precies een jaar later, wil God bij zijn volk wonen, midden onder hen.




BesaleŽl en Oholiab aan het werk aan een kleed
op een Middeleeuwse miniatuur
 


MOZES MOET DE INRICHTING VAN DE TABERNAKEL HEILIGEN (vs.3-11)
Alles is bij Mozes gebracht. Hij was immers de enige die precies wist, hoe de verschillende voorwerpen gemaakt moesten worden.

Alles is op tijd klaar. Dan gaat de HERE Mozes opnieuw precies zeggen, wat hij moet doen en waar alles moet staan. Lees dat in vs.3-8. Wat zal dat allemaal met eerbied en dankbaarheid gebeurd zijn! Toch is het daarmee niet klaar.
 

Want volgens Goddelijk plan is er ook zalfolie klaargemaakt. Door besprenkeling moet elk voorwerp gezalfd worden. Dat wil zeggen geheiligd. Iedere plank en iedere stok en zelfs elk voetstuk is daardoor afgezonderd voor de dienst aan de HERE.
 

Eťn ding valt nog op in vs.10. Daar lezen we dat het altaar allerheiligst zal zijn. Is dat brandofferaltaar dan heiliger dan de tabernakel bijvoorbeeld? Nee. Dat dit bij het brandofferaltaar gezegd wordt, is een waarschuwing voor het volk: pas op, kom niet te dicht bij dit altaar. Het is allerheiligst, blijf op eerbiedige afstand.
 


DE WIJDING VAN DE HOGEPRIESTER EN DE PRIESTERS (vs.12-16)
Dan komen Ašron en zijn vier zonen naderbij. Ze worden eerst gewassen. En dan gaat het plechtige ogenblik komen dat ze tot hogepriester en priester worden gewijd. Hun kleren worden uitgetrokken en na de voetwassing kleedt Mozes ze ťťn voor ťťn aan. Zie je dat ze niet zichzelf mochten aankleden, die eerste keer!
 

Dat heeft een diepe betekenis. Ze zijn geen van allen waardig zichzelf te bekleden met dit priesterschap. Ze worden daartoe geroepen. God alleen heeft hen gekozen. Ze kunnen zich op niets uit zichzelf beroepen. In Leviticus 8 vind je meer over dit geweldige moment, dat zondige mensen tot vlak voor Gods gezicht mogen naderen om voor het volk te offeren. In dat hoofdstuk wordt de wijding uitvoerig beschreven.
 

Als de hogepriester zijn prachtige gewaad aan heeft, komt het plechtigste moment: Mozes zalft hem. Dat wil zeggen: die zalfolie is het teken, dat Gods Geest hem bekwaam zal maken om dit hoge ambt te vervullen.
 

Dan komen de priesters. Zij worden ook aangekleed met een kleed dat van wit linnen is gemaakt, doorweven met prachtige figuren. Dan worden ook zij gewijd tot hun ambt. Zoals die geurige zalfolie, over hun hoofden stroomde, zo zeker zou God hun zijn Heilige Geest schenken.
 


MOZES MAAKT DE TABERNAKEL IN ORDE (vs.17-33)
Op nieuwjaarsdag, precies ťťn jaar na de uittocht, zet Mozes de tabernakel op. Mozes koos niet zelf deze datum uit. Nee, hij deed alles op Gods bevel. Dat opzetten van de tabernakel was een heel werk. Hij liet de 100 zilveren en 5 koperen voetstukken ingraven, waarin de 48 balken en 9 pilaren moesten geplaatst worden.
 

Vervolgens werd de tent over de tabernakel aangebracht met daaroverheen weer een dekkleed. Toen de tabernakel overeind stond, kon Mozes een begin maken met de inrichting.

De twee stenen tafels die hij had uitgehouwen en die God Zelf had beschreven, legde hij in de ark. Deze ark zette hij in het achterste gedeelte achter het voorhangsel, zodat niemand er iets van kon zien.
   

Daarna volgden de andere voorwerpen die naar Gods bevel bij de tabernakel hoorden. Allemaal op de plaats die de HERE Mozes bevolen had.
  Er was in de tabernakel niets wat door een mens was uitgedacht. Alles was helemaal zoals de HERE het wilde.  


DE HERE KWAM TEMIDDEN VAN ZIJN VOLK WONEN (vs.34-38)
Alles is klaar. Het volk wacht en Mozes wacht, want nog zweeft de wolk boven de berg. Maar dan gebeurt het wonder: de wolk daalt, bedekt de hele tent en blijft rusten boven het allerheiligste.
 

Daar staat de gouden ark met de cherubijnen. Dat is Gods troon. Daar rust Hij, daar woont Hij op dat verzoendeksel, waar eens per jaar door de hogepriester bloed gesprenkeld moet worden. Daar rust Hij boven het getuigenis. Door de wolk heen breekt de glanzende heerlijkheid van God door. Verblindende glans, vuur!
 

 
Want Hij wil wel wonen bij zijn volk. Maar nooit mogen ze vergeten, dat zij zondig zijn en dat Hij de heilige God is. En in zijn heiligheid is Hij een verterend vuur.
 
Zo blijft hij wonen. Vanaf deze plaats, het verzoendeksel, geeft Hij het sein om te vertrekken of om halt te houden. Zo woont Hij daar, door het bloed van Christus. Zo trekt het volk op naar het beloofde land, waar Christus zijn bemiddelaarswerk zou verrichten.


     


35 CHRISTUS VERGELEKEN MET DE AARDSE HOGEPRIESTER HebreeŽn 9
 


ARK EN ALTAAR HOREN BIJ ELKAAR (HebreeŽn 9:1-5)
Wat moeten we met wat we in HebreeŽn 9 lezen:íDe voorste tent, die is ingericht met de lampenstandaard en de tafel voor de toonbroden, wordt het heilige genoemd. Achter het tweede voorhangsel bevindt zich de tent die het allerheiligste genoemd wordt. Daar staan het vergulde reukofferaltaar en de ark van het verbond.í
 

Dit is wat anders dan er in Ex.30:6 staat:í Zet het altaar voor het voorhangsel waarachter de ark met de verbondstekst staat, tegenover de verzoeningsplaat die daaroverheen ligt, waar ik je zal ontmoeten.í
 

Er wordt mee uitgedrukt dat ark en altaar horen bij elkaar. En dat is een conclusie die door de rest van de Schrift gesteund wordt. Als het om de tempel gaat die Salomo gebouwd heeft, staat er in 1 Kon. 6:22:Ď De hele tempel werd van onder tot boven met bladgoud bedekt, ook het altaar van de achterzaal.í In die achterzaal stond ook de ark.
 

Dat is ook de reden dat in de eerste verzen van HebreeŽn 9 over de tabernakel te lezen is, dat het altaar en de ark in het allerheiligste stonden. De schrijver van de brief aan de HebreeŽn wil ermee uitdrukken dat ark en altaar onafscheidelijk zijn.

Vanuit dat oogpunt wordt het wat minder vreemd dat pas in Exodus 30 over het reukofferaltaar gesproken wordt. Het hoefde niet in hoofdstuk 25 bij kandelaar en tafel aan de orde te komen. Want het was daarvan heel duidelijk onderscheiden. Hoewel het in het heilige stond (net als kandelaar en tafel), hoorde het niet bij het heilige, maar bij het heilige der heiligen, bij de ark.

Gods voorschriften voor de tabernakel zijn in hoofdstuk 25 begonnen met de ark van het verbond. Na een tocht langs heel de inventaris van de tabernakel komen we aan het eind van de voorschriften weer voor de ark uit! Bij het reukofferaltaar dat bij de ark hoort. Alles draait in de tabernakel om de ontmoeting van God met Zijn volk. Daar waar God spreekt en waar het gebed van het volk aan Hem wordt opgedragen, is het hart van de dienst van God.
 


CHRISTUS ONZE HOGEPRIESTER HEILIGT ONS (HebreeŽn 9:6-14)
In de eerste verzen tekent de schrijver van de HebreeŽnbrief het werk van priesters en hogepriester in de tabernakel. Maar die dienst toen en later in de tempel opent niet de weg naar het hemelse heiligdom.
 

Dan moet je eens lezen wat er van onze Heiland wordt geschreven:íChristus daarentegen is aangetreden als hogepriester van al het goede dat ons is toebedacht: hij is door een indrukwekkender en volmaakter tent Ė die niet door mensenhanden gemaakt is en niet behoort tot onze schepping Ė voor eens en altijd het hemelse heiligdom binnengegaan, en dan niet met bloed van bokken en jonge stieren maar met zijn eigen bloed. Zo heeft hij een eeuwige verlossing verworven.í
 

Dat is het boeiende van HebreeŽn 9, dat steeds het werk van de hogepriester in de tabernakel vergeleken wordt met het werk van onze Hogepriester, de Here Jezus Christus. Er wordt steeds op gewezen hoe rijker we zijn in Christus.
 

Lees maar verder: ĎIn het oude verbond werd het lichaam van wie onrein is al gereinigd en geheiligd wanneer het besprenkeld wordt met het bloed van bokken en stieren. Hoeveel te meer zal dan niet het bloed van Christus, die dankzij de eeuwige Geest zichzelf heeft kunnen opdragen als offer zonder smet, ons geweten reinigen van daden die tot de dood leiden, en het heiligen voor de dienst aan de levende God?í
 


REINIGING DOOR MOZES EN DOOR CHRISTUS (15-28
Vervolgens wordt opnieuw een vergelijking gemaakt, waarbij de schrijver herinnert aan de reinigingen die Mozes uitvoerde bij de inwijding van de tabernakel. ĎDaarom is ook het eerste verbond niet zonder bloed ingewijd. Want nadat Mozes alle voorschriften van de wet aan heel het volk had voorgelezen, nam hij het bloed van jonge stieren en bokken, water, karmozijnrode wol en majoraan, en besprenkelde zowel het boek zelf als heel het volk, en verklaarde: ĎDit is het bloed van het verbond dat God aan u heeft opgelegd.í Vervolgens besprenkelde hij op dezelfde manier de tabernakel en alle voor de eredienst benodigde voorwerpen met het bloed. Volgens de wet wordt inderdaad vrijwel alles met bloed gereinigd, want als er geen bloed wordt uitgegoten, vindt er geen vergeving plaats.í
 

Dan gaat de schrijver verder met de vergelijking met Christus:íAls het dus noodzakelijk is dat de afbeeldingen van wat zich in de hemel bevindt op die manier gereinigd worden, dan moet wat in de hemel zelf is met veel betere offergaven worden gereinigd. Christus is immers niet binnengegaan in een heiligdom dat door mensenhanden is gemaakt, in de voorafbeelding van het hemelse heiligdom, maar in de hemel zelf, waar hij nu bij God voor ons pleit.í
 

Dat HebreeŽn 9 zingt over onze rijkdom in Christus. De schrijver voert dat lied tot grote hoogte door de vergelijking van onze hemelse hogepriester Christus met de aardse hogepriester van de tabernakel.
 

Wij mogen meezingen: ĎLaat mijn gebed voor u zijn als reukwerk, mijn geheven handen als een avondoffer.í (Ps.141:2)