JOZUA




DE OVERWINNING VAN JOZUA OP DE AMORIETEN (Jozua 10)

Een zeventiende eeuws schilderij door Nicolas Poussin 1593/94 Ė 1665

Het is te aanschouwen in het Poesjkinmuseum te Moskou
Gert Slings - <B>BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN</B>







BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN


INLEIDING


Heel wat jaartjes ben ik medewerker geweest aan Rechte Sporen, een maandblad voor het verenigingswerk onder gereformeerde jongeren.
Hierin heb ik ondermeer bijbelstudies (in schetsvorm) geschreven. Ze gaan over verhalende, historische stof.

Ieder kan daar naar eigen inzicht gebruik van maken. Ze zijn niet alleen voor jongeren geschikt. Ik weet dat ook ouderen er met vreugde mee hebben gewerkt. Ze zijn bijvoorbeeld op vrouwenverenigingen gebruikt.

Mijn uitgangspunt is dat de mensheid (dus ook u en ik) opgenomen is in de grote geschiedenis van paradijs tot wederkomst met als centrum de Here Jezus Christus. Heel die geschiedenis wordt bepaald door Gods plan om door Christus verlossing of heil te brengen. Daarom wordt die geschiedenis ook wel heilsgeschiedenis genoemd. In elk bijbelgedeelte probeer ik na te gaan, welke betekenis dat heeft in Gods heilsgeschiedenis.

Ik heb het schrijven van deze bijbelstudies voor jongeren als een groot voorrecht beschouwd.
Wat is er mooier dan het Woord uit te leggen voor meer dan 10.000 jongelui, alleen al in Nederland.
Voor Canada, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland werden de bijbelstudies in het Engels vertaald. Ze verschenen in het blad My Live.

Ik ben benieuwd naar uw oordeel. Laat het me weten. Ik kan er dan mijn voordeel mee doen. Alvast hartelijk dank.



Gert Slings





GEBRUIKSAANWIJZING

De meest eenvoudige vorm is de volgende:

. U leest eerst het Schriftgedeelte in z'n geheel rustig door. Laat het goed op u inwerken.
Wellicht is er bij u een vraag opgekomen. Of hebt u al een mening gevormd of het gedeelte.

. Vervolgens leest u per pericoop de bijbelstudie door. Er zal veel instaan, wat u al wist. Maar misschien bevat ze ook informatie waarvan u nog niet op de hoogte was. Als u dat belangrijke informatie vindt, probeer dat dan op te slaan en vast te houden.

. Het is goed mogelijk dat u tot een heel andere uitleg komt. Dat is niet slecht, want dan hebt u al een mening gevormd. Dat kan niet iedereen zeggen. Binnen de exegese van een gedeelte is soms ruimte voor een verschillende uitleg. Dat noemt men de vrijheid van de exegese.

. Uw bijbeltje moet u bij de hand houden om de stukjes nog eens te lezen. Maar ook om de verwijzijgen naar andere gedeelten op te zoeken. Vaak hebben die te maken met de grote lijnen in de Schrift.

. Ik wil u in overweging geven de bijbelstudie te beginnen met een kort gebed, waarin u vraagt om de leiding van de Heilige Geest. En te besluiten met een kort dankgebed, waarin u aan de Here vertelt, wat u zo mooi vindt in dit gedeelte of waar u het zo moeilijk mee hebt.





  INHOUDSOPGAVE JOZUA



0 INLEIDING BIJ HET BOEK JOZUA

1 DE HERE GAAT ZIJN BRUID DE WONING BINNENLEIDEN ---Jozua 1

2 DE HERE NEEMT RACHAB IN ZIJN DIENST--- Jozua 2

3 DE HERE LEIDT ZIJN VOLK DOOR DE JORDAAN KANAńN BINNEN ---Jozua 3

4 DE HERE GEEFT OPDRACHT EEN GEDENKTEKEN OP TE RICHTEN ---Jozua 4

5 DE HERE VERNIEUWT HET VERBOND TE GILGAL ---Jozua 5

6 DE HERE GEEFT JERICHO AAN ZIJN VOLK ---Jozua 6

7 GODS VERBONDSWRAAK TREFT ACHAN--- Jozua 7

8 DE HERE GEEFT BEVEL AI TE VERWOESTEN ---Jozua 8

9 SATAN ACHTER DE LIST VAN DE GIBEONIETEN ---Jozua 9

10 DE HERE STRIJDT VOOR ISRAňL--- Jozua 10

11/12 DE HERE GEEFT HEEL HET LAND AAN ISRAňL IN BEZIT ---Jozua 11 en 12

13 HET OVERJORDAANSE ALS ERFDEEL VAN DE HERE VERDEELD ---Jozua 13

14 DE HERE GEEFT KALEB HET GEWENSTE ERFDEEL ---Jozua 14

15/19 HET BELOOFDE LAND ALS ERFENIS VAN DE HERE VERDEELD ---Jozua 15-19

20 GODS BEVEL OVER DE VRIJPLAATSEN WORDT UITGEVOERD--- Jozua 20

21 DE HERE GEEFT DE BELOOFDE STEDEN AAN DE LEVIETEN ---Jozua 21

22 DE EENHEID VAN GODS VOLK GEHANDHAAFD--- Jozua 22

23 JOZUA NEEMT AFSCHEID MET EEN VOORBEREIDINGSPREEK--- Jozua 23

24 HET VERBOND MET DE HERE TE SICHEM VERNIEUWD ---Jozua 24

         


0 INLEIDING BIJ HET BOEK JOZUA
       
Zoals het boek Exodus de uittocht uit de slavernij van Egypte beschrijft, zo vertelt het boek Jozua de intocht van IsraŽl in het beloofde land en de verovering van Kanašn. God gaf hun het land als vervulling van de belofte die Hij aan Abram gedaan had. (Gen. 12:7).
   

Om de betekenis van de intocht in het land Kanašn te begrijpen, moeten we nog verder terug in de geschiedenis. En wel naar het paradijs. Toen God op de zevende dag Zich verlustigde in zijn scheppingswerk, wilde Hij zijn vreugde delen met de mens die Hij geschapen had. HebreeŽn 4 zegt daarom dat de HERE er van het begin af aan opuit is geweest met de mens eeuwig sabbat te houden en hem te doen meegenieten van wat Hij gemaakt had.
   

Maar door de zonde van de mens is dat diepe verlangen van de Schepper gefrustreerd. Zijn doel kan alleen via een lange weg bereikt worden. Na de zondvloed roept de HERE in zijn ondoorgrondelijke genade uit het geslacht van Terach diens zoon Abram. Met hem alleen gaat Hij verder. Hij belooft hem een talrijk nageslacht en het bezit van het land Kanašn.
   

Dat de HERE Zich zo aanvankelijk tot Abram beperkt en zijn belofte concentreert op Kanašn, betekent niet dat de HERE zijn oorspronkelijk plan laat varen. Hij blijft erop uit om met een nieuwe mensheid van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde te genieten. Dat kondigt Hij dan ook meteen aan als Hij aan Abram belooft: Ďdoor jou zullen alle volken op aarde gezegend wordení (Gen. 12:3). En de uiteindelijke erfenis is dan ook niet Kanašn, maar de stad met fundamenten, een beter, een hemels vaderland (Hebr. 11:10,16). Van dat vaderland is Kanašn een onderpand.
   

Het is belangrijk om deze verbanden goed in het oog te houden. Bij orthodoxe Joden en evangelische christenen kunnen we nogal eens horen spreken over de landbelofte voor IsraŽl. De Schrift leert ons dat niet. Want daardoor worden we voor alles naar het begin van de wereld verwezen, naar de geschiedenis voordat Abram werd geroepen. De kerk was er eerder dan Abraham. En dus eerder dan IsraŽl! De kerk was er al in het paradijs. De Zoon van God vergadert Zich een gemeente van het begin van de wereld af (N.G.B. art. 27). De kerk is niet in de plaats van IsraŽl gekomen of uit IsraŽl gegroeid of in IsraŽl ingeplant. Het Oudtestamentische IsraŽl is een bepaalde fase uit de kerkgeschiedenis.
   

Pas op een gegeven moment ontstond IsraŽl. En toen dat van God de belofte van Kanašn kreeg, was dat bedoeld als onderpand van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want daarop was en bleef de Here in feite uit. Al vanaf die zevende dag dat Hij gerust had van Zijn scheppingswerken. Op een nieuwe aarde met een nieuwe mensheid, een schare uit alle geslacht en taal en volk en natie.
   

En nu, na Pinksteren, is die toekomst meer dan ooit nabij. Want we leven nu in de laatste dagen, de periode tussen Pinksteren en Wederkomst. Daarin is de Here met zijn evangelie en met de zegen van Abraham naar alle volken is gegaan. En we leven in afwachting van de dag waarop God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal doen aanbreken. Het gaat nu niet meer om de landbelofte voor IsraŽl, maar om de belofte voor de zachtmoedigen dat zij het land zullen bezitten (Mat.5:5). De kerk is nu op weg van Kanašn naar de nieuwe aarde.
   

Ieder die nu nog terug wil naar Kanašn is als het volk IsraŽl in de woestijn, dat ook telkens terugverlangde naar Egypte. De landbelofte is aan IsraŽl al lang vervuld in de dagen van Jozua. Letterlijk lezen we in Hebr 4:8 en 9 ĎWas de rust hun al door Jozua gegeven, dan zou God daarna niet meer over een andere dag hebben gesproken. Er wacht het volk van God dus nog steeds een sabbatsrust.í
   

Ik vind ook het boek Jozua een schitterend bijbelboek, omdat je er de HERE opnieuw heel bijzonder leert kennen in zijn zorg voor zijn volk. Hij schenkt zijn volk het land Kanašn. Hij strijdt voor zijn volk, maar tegelijk verwacht Hij geloofsactiviteit: ook het volk moet strijden om Kanašn in bezit te nemen. Daar zal de grote Verlosser geboren worden. De satan probeert dat te verhinderen, maar, o wonder van genade, zijn pogingen mislukken.
       
     


1 DE HERE GAAT ZIJN BRUID DE WONING BINNENLEIDEN Jozua 1
   


DE HERE RICHT ZICH TOT JOZUA (1:1)

Om te beginnen moeten we goed naar de titel kijken. Daar staat HERE met hoofdletters. Dat is zijn verbondsnaam JAHWE. Dat is de naam waarmee de HERE Zichzelf genoemd heeft. We zullen wel telkens lezen over Jozua die allerlei dingen doet. Maar de machtige boodschap van dit boek is, dat de HERE het grote wonder van de intocht voor zijn volk verricht. Na het wonder van de uittocht komt nu het wonder van de intocht: God schenkt zijn bruid een huis.
   

Mozes is gestorven. Daarmee eindigde het boek Deuteronomium. Let erop dat het boek Jozua hierbij precies aansluit. Hier zien we de eenheid van Gods Woord. Mozes was een heel bijzondere knecht van God: hij sprak God onder vier ogen. Nu hij er niet meer was, betekende dit dat het volk zonder herder was?
   

Nee, het was een aflossing van de wacht. Jozua was voor het front van de hele vergadering door Mozes in het ambt bevestigd. Gods werk gaat door. Hij kiest Zich een nieuw instrument om zijn volk binnen de grenzen van Kanašn te brengen.
   

Mozes is dus gestorven. Dertig dagen lang heeft het volk over hem gerouwd. Dat is niet zo vreemd. Nadat heel de vorige generatie van IsraŽl gestorven was in de woestijn, had het huidige geslacht nooit een andere leider gehad dan Mozes. Maar nu was hij niet meer. Net nu het ging spannen, was hij gestorven en moest men hem missen. Wij kennen de afloop en zouden op grond daarvan kunnen vragen: waar maakten die IsraŽlieten zich druk om?
   

Maar daar was terdege reden voor! Er was echt grote geloofskracht en moed voor nodig om het land binnen te trekken. De steden waren sterk en de vijanden oppermachtig. En hoe deprimerend dat was, was veertig jaar geleden wel gebleken. Toen had het volk ook aan de grenzen van het beloofde land gestaan. Maar toen had het geweigerd op te trekken, omdat het de zaak niet vertrouwde. Beter: omdat men God niet op Zijn woord vertrouwde. Het zag er allemaal te onheilspellend uit in Kanašn.
   

Maar was sindsdien de situatie iets beter geworden? De steden hadden nog altijd even dikke muren. De vijanden waren nog even zwaar bewapend. Het lokte beslist niet aan het land binnen te trekken. En nu waren ze Mozes ook nog kwijt. Die rots in de branding. Die fantastische aanvoerder.
   

Het is in deze omstandigheden dat Jozua geroepen wordt de leiding van het volk op zich te nemen. Dat kwam voor hem niet onverwacht. Hij was immers al voor Mozes' sterven als zijn opvolger aangewezen (Num. 27). En sindsdien had Mozes hem ook meer dan eens als opvolger aan het volk voorgesteld. Menselijkerwijs gesproken was Jozua er ook geknipt voor om Mozes' taak over te nemen.
   

Al kort na de uittocht uit Egypte had IsraŽl onder zijn aanvoering een Midianietische roofbende verslagen. Toen heel het volk doodsbenauwd op een afstand was gebleven, was Jozua met Mozes de SinaÔ opgeklommen. Samen met Kaleb had hij deel uitgemaakt van de twaalf verspieders die Kanašn waren ingezonden. Tegenover het ongelovige verhaal van de andere tien hadden zij beiden het volk opgeroepen te vertrouwen op Gods belofte dat Hij IsraŽl het land geven zou ondanks de kracht van de daar wonende volken. Hij was, zegt Num. 27, een man geestkracht bezat. De aangewezen figuur om Mozes op te volgen.

Door zijn jarenlang verblijf in Mozes' nabijheid, door zijn stage periode, kende hij ook beter dan wie ook, de zwaarte van de taak die hem werd opgedragen. En door zijn missie als verspieder wist hij welke gevaren er in Kanašn dreigden.
   


DE BELOFTE VAN DE HERE AAN JOZUA (1:2-5)

Daarom neemt de HERE het woord en gaat Hij Jozua instructies geven. De HERE is de Leidsman van zijn volk. Jozua mag het volk naar de erfenis brengen. Zijn naam betekent: JAHWE geeft redding. Denk eraan, dat Jezus eigenlijk dezelfde naam is. Het mooie is, dat Hij zijn volk naar de eigenlijke erfenis brengt. Zie Hebr.1:2.
   

De HERE geeft Jozua de opdracht de Jordaan over te trekken. De HERE vertelt hem precies welke grenzen het land zal hebben. Niemand zal het van Jozua kunnen winnen. Dat is de belofte die de HERE aan Jozua geeft. Die belofte was een bemoediging. Want het volk van Kanašn was sterk. Het had heel wat te verliezen. Het was voor hen een strijd op leven en dood.

Let goed op het volgende: de HERE geeft dit land aan zijn volk cadeau. ĎElk stuk grond dat jullie zullen betreden geef ik jullie, zoals ik Mozes heb beloofdí (vs.2). Dit is een tekst om nooit te vergeten, als je met het boek Jozua bezig bent.
   

Maar het volk zal er wel voor moeten vechten. Dat zijn twee kanten van dezelfde zaak. De HERE schenkt, maar in de weg van activiteit van zijn volk, geloofsactiviteit. Dat is vandaag nog zo.
   

De HERE bemoedigt Jozua nog eens door te wijzen op de overwinningen van Mozes. Zoals de HERE met Mozes was, zo zal Hij met Jozua zijn. Hij wil het er bij Jozua als het ware inbranden: Ik JAHWE zal je nooit in de steek laten, als je op Mij vertrouwt. De HERE herhaalt dan wat Mozes eerder tegen Jozua had gezegd in Deut.31:7,8.
   


DE OPDRACHT VAN DE HERE AAN JOZUA (1:6-9)
In die situatie zoekt de HERE Zijn knecht op. Wees vastberaden en standvastig, Jozua, want jij moet dit volk leiden. Dat is maar geen simpel schouderklopje. Nee. dit is een bevel van de HERE. En als de HERE iets beveelt, dan is het niet de vraag of dat wel kan en of er wel reden voor hoop en moed is. Dan kan dat. Let erop, dat de HERE niet volstaat met ťťn keer. Nee, tot drie keer toe spreekt Hij over sterk zijn en moedig.
   

De HERE wil zijn beloften graag nakomen. Maar dat doet Hij via de weg van gehoorzaamheid van zijn kinderen. De mens houdt zijn eigen verantwoordelijkheid. Dat is altijd zo in onze verhouding tot de HERE. Dus Jozua wordt geroepen tot gehoorzaamheid. Als leider van het volk moet hij het goede voorbeeld geven. Als ambtsdrager is hij daartoe ook verplicht.
   


DE OPDRACHT VAN JOZUA AAN HET VOLK (1:10-15)
Jozua komt nu in actie. Hij gaat zijn bevelen geven. De grote strijd gaat beginnen. Opzieners (ouderlingen) moeten de legerplaats doortrekken met een krachtig bevel: maak eten klaar, want over drie dagen gaat de opmars beginnen. Dat voedsel zal wel geen manna geweest zijn. Dat bedierf immers na een dag. Vergeet niet, dat IsraŽl al het Overjordaanse land in bezit heeft. Er zijn al volkeren verslagen.
   

Jozua vindt het nodig zelf de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse toe te spreken. Dat zijn boodschap zoveel verzen bevat, is een teken van de ernst van de zaak. Die stammen hadden immers aan Mozes gevraagd of zij in de veroverde streken van het Overjordaanse mochten wonen. Dat was een gebied met veel weidegrond, want zij bezaten veel vee.
   

Mozes had hun vraag aan JAHWE voorgelegd. Ze kregen toestemming onder ťťn voorwaarde: ze moesten hun broeders helpen bij het veroveren van de rest van het land. Zie Numeri 32. Eleazar en Jozua waren toen aangewezen om toezicht uit te oefenen, dat die voorwaarde nagekomen zou worden.
   

Nu begrijpen we, waarom Jozua persoonlijk hen toespreekt. Het ging hem om een ernstige zaak: het in bezit nemen van Gods erfenis. De HERE laat zijn volk voor het krijgen van die erfenis hard werken. Ze zullen ervoor moeten knokken. Ze moeten Gods straf over die afvallige volken van Kanašn gaan brengen. En daarmee moet het hele volk actief bezig zijn. Geen enkele stam mag zich aan het voltrekken van de verbondswraak onttrekken.
   


HET ANTWOORD VAN HET VOLK AAN JOZUA (1:16-18)
Dan volgt het antwoord van de twee-en-een-halve stammen. Het is voor Jozua een antwoord om dankbaar voor te zijn. Ze zullen niet alleen gehoorzamen, omdat het nu eenmaal moet. Nee, alles wat hen wordt opgedragen zullen ze graag doen. Waarheen Jozua ze ook zal sturen in de strijd om de verovering van het beloofde land, ze zullen gaan.

Zoals ze Mozes gehoorzaamd hebben, zo zullen ze Jozua gehoorzamen. Je zult misschien zeggen: ze zijn toch niet zo gehoorzaam geweest aan Mozes. Je hebt gelijk, als je hun vaders bedoelt. Maar die waren dan ook gestraft met sterven in de woestijn.

Van de nieuwe generatie kan gezegd worden, dat ze Mozes goed heeft gehoorzaamd, zeker als je ze vergelijkt met hun vaders en grootvaders. We zien, dat er ook een aantal mannen in het Overjordaanse bleef om de vrouwen en kinderen te beschermen. Maar de eenheid van het volk bleef bewaard. Ze zeggen niet: Wij zitten hier lekker en de rest zoekt het maar uit. Nee, ze stellen zich in dienst van het hele volk.

Wat een verblijdende start voor Jozua! De HERE had naar zijn belofte het volk bereid gemaakt om Jozua te gehoorzamen. Ze besluiten hun antwoord zelfs met een bemoediging aan het adres van hun leider. "Wees moedig en een man van stavast." Zo'n krachtige leider hebben ze nodig, want de strijd zal zwaar zijn.

De HERE gaat zijn beloften vervullen. Hij gaat zijn volk het beloofde land schenken. Het in bezit nemen van het beloofde land is een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van God heil. Want in dit land zal eenmaal de Christus geboren worden, de Verlosser der wereld.
       
     


2 DE HERE NEEMT RACHAB IN ZIJN DIENST Jozua 2
   


DE VERSPIEDERS BIJ RACHAB (2:1-3)
Veertig jaar geleden vroeg het volk aan Mozes om verspieders uit te zenden. Ook Jozua was daarbij. Er brak destijds een opstand uit, toen tien van de twaalf hun verslag uitbrachten. Zoiets is hier niet aan de hand. Zie Numeri 13:26vv.
   

Jozua zendt in het geheim twee mannen. Hij weet nog niet door welk wonder de HERE Jericho gaat innemen. Jozua weet alleen dat het land veroverd zal moeten worden. God heeft beloofd dat ze het zullen ontvangen, maar ze moeten er wel hard voor werken. Het is dus goed wat Jozua op touw zet.

De HERE leidt in zijn voorzienigheid de twee verspieders naar het huis van Rachab. De Bijbel noemt haar hoer. Ze biedt dus haar lichaam voor geld te koop aan. We moeten echt niet te mooi van haar denken. Dat woord staat er niet voor niets. Voor Rachab wordt dit bezoek van levensbelang. Het betekent de grote wending in haar leven. De HERE heeft bijzondere plannen met haar.
   

De mannen zijn in de stad niet onopgemerkt gebleven. Het wordt aan de koning verteld. Die neemt ogenblikkelijk maatregelen. Rachab krijgt opnieuw bezoek. Nu van landgenoten. In naam van de koning wordt haar gelast de verspieders uit te leveren.
   


RACHAB KIEST VOOR DE GOD VAN ISRAňL (2:4-7)
Rachab had echter de mannen verborgen. Ze is niet van plan aan het bevel van de soldaten te voldoen. Ze brengt hen zelfs op een dwaalspoor. Waarom? Omdat ze gekozen heeft voor de God van het volk IsraŽl, van wie al zoveel wonderen bekend zijn bij de bewoners van Jericho.
   

Uit andere Schriftplaatsen blijkt hoe we het gedrag van Rachab moeten beoordelen. In Hebr.11:31 staat dat ze al die dingen doet uit het geloof. Ze had gekozen voor de God van dat volk. Van Hem was ze diep onder de indruk gekomen. Ook in Jakobus 2:25 wordt het optreden van Rachab geprezen. Ze toonde haar geloof in haar daden.

Eigenlijk moeten we het opschrift boven dit gedeelte omdraaien. In zijn vrije welbehagen kiest de HERE Rachab uit om Hem van dienst te zijn. In Matt.1:5 wordt Rachab genoemd als de moeder van Boaz. Dus is ze stammoeder van David en daarmee van de Here Jezus.

Dat grote wonder moet je bij het optreden van Rachab in dit hoofdstuk steeds voor ogen houden. Je kunt het ook zo zeggen: onze Here Jezus Christus, die met zijn volk meetrok, bereidde zijn komst in het vlees voor door Rachab als stammoeder in te lijven in het volk van de HERE.
   


RACHAB BELIJDT HAAR GELOOF IN DE GOD VAN ISRAňL (2:8-11)
Rachab heeft de soldaten van Jericho om de tuin geleid. Dat was een geloofsdaad. Natuurlijk is het geloof van Rachab nog onvolkomen. Maar het is gelÚÚf. Volgens Rom.10:17 is het geloof uit het horen. Dat is hier het geval. Ze heeft die wonderen gehoord en ervoor gebeefd. Ze kent de HERE nog niet zo goed.


Maar ze weet van Hem zoveel dat ze zijn kant kiest. Tegenover de soldaten van Jericho en tegenover de verspieders. En in die keus toont ze haar geloof in de HERE. Ze toont haar geloof uit de werken.


Dat geloof heeft Rachab niet van zichzelf. Het is een gave van de HERE. Die wil haar inschakelen in de komst van Christus. Dat is zijn heilsplan. Hij kiest daarbij een vrouw uit met een verachtelijk beroep. Ze was niet bepaald een eerbare vrouw. Zo gaat de HERE te werk. We zullen steeds moeten leren luisteren naar Wie de HERE is, hoe Hij kiest naar zijn vrije welbehagen.
   


RACHAB TOONT HAAR GELOOF IN HET VRAGEN OM EEN EED (vs.12-14)
We zien nu dat Rachab die verspieders een eed laat zweren. Er wordt een soort verbond gesloten voor Gods aangezicht. Zij belooft te zwijgen en de verspieders beloven haar leven te sparen.
   

Het feit dat Rachab vraagt om een eed is een blijk van geloof. Door het geloof ziet zij de stad in gedachten al ingenomen. Zij kent de macht van de HERE. Ze twijfelt er geen moment aan. Let erop dat ze niet alleen aan zichzelf denkt. Ze vraagt het leven van haar familie te sparen.
   

De beide verkenners staan borg met hun leven als de familie van Rachab een haar zal worden gekrenkt. Ze zullen haar en haar familie dankbaarheid en trouw bewijzen.
   

DE TERUGKEER VAN DE VERSPIEDERS (2:15-24)
Dan volgt de bekende geschiedenis van het rode koord. Rachab laat ze daarmee ontsnappen. Ze krijgt de opdracht dat rode koord uit te hangen zoals ze nu gedaan heeft, wanneer het innemen van de stad voor de deur staat. Verder moet ze ervoor zorgen dat al haar geliefden aanwezig zijn. Ze zijn niet verantwoordelijk voor iemand die ergens anders in de stad is.

De verspieders hebben niet veel van de stad gezien. Vs.2 zegt dat ze 's nachts binnengekomen zijn. Dat is na zonsondergang. En midden in de nacht worden ze aan de buitenkant van de muur neergelaten.
   

Bij het verslag staat ťťn ding centraal: het is de machtige boodschap dat de HERE hen al is voorgegaan. Hij heeft een verlammende schrik op de bevolking gelegd. Ze hebben niet veel te rapporteren over vestingwerken, soldaten enz. Nee, ze kunnen rapporteren over het belangrijkste: de HERE heeft het hele land in onze macht gegeven. Ze vertrouwen niet op eigen kracht, maar ze wijzen op de HERE. Beter rapport is niet denkbaar.

       
     


3. DE HERE LEIDT ZIJN VOLK DOOR DE JORDAAN KANAńN BINNEN Jozua 3
   


INLEIDING
De Here regeert in de hemel. Hij is de Levende, de Here van de hele aarde. Hij is daar ťťn en al activiteit. En het is dank zij Hem, dat de prediking van het Woord doordringt tot aan de einden van de aarde. Hij stelt Zich erachter met alle macht, waarover Hij beschikt.

En zo wordt dat kleine ploegje mensen dat op de pinksterdag te Jeruzalem met de prediking begint uiteindelijk een volk met wereldwijde afmeting. En verbazen wij ons vandaag over het feit dat er christenen gevonden worden in China, Japan en Korea en waar al niet. De Here werkt mee aan de prediking. Hij is toch de Levende?
   

Hij heeft het laten zien bij de doortocht door de Jordaan. Hij heeft het gedemonstreerd in de eeuwen die achter ons liggen. En Hij zal het blijven demonstreren. Onze God is de Levende, de Here der hele aarde!
   


HET BEVEL VAN DE LEIDERS (3:1-6)
Het volk was gelegerd te Sittim. Vandaar laat Jozua het volk naar de Jordaan trekken. Drie dagen wachtten ze daar. Al die drie dagen heeft het volk het zicht op de rivier die juist in dit jaargetijde, het voorjaar, zijn hoogste stand bereikt heeft doordat de sneeuw op de Hermon gesmolten is. Door het vele smeltwater is de rivier zelfs buiten zijn oevers getreden, meldt 3:15.
   

Het dal waardoor de rivier stroomde was nl. breder dan de eigenlijke rivierbedding. Je zou het kunnen vergelijken met de uiterwaarden langs onze rivieren zij het dat die worden omgeven door dijken die door de mens daar neergelegd zijn, terwijl het bij de Jordaan ging om een natuurlijk dal tussen gebergten aan weerszijden. Was de rivier normaal zo'n 30 meter breed en op verschillende plaatsen nog geen meter diep, nu is de rivier 3 km. breed. Zelfs op de anders doorwaadbare plaatsen staat het water nu meters hoog.
   

Het is een onoverkomelijke barriŤre voor het volk. En drie dagen moet het daar tegen die kolkende stroom blijven opzien waar geen doorkomen aan is. Het moet heel goed tot IsraŽl doordringen, dat het op eigen kracht het beloofde land niet binnen kan. Het is volledig afhankelijk van Gods wondermacht!

Het volk krijgt van de schrijvers of leiders te horen wat het moet doen. Het eerste wat opvalt, is dat de ark van het verbond voorop zal gaan. Die ark was immers Gods troon, het teken dat Hij temidden van zijn volk wilde wonen. De priesters moeten de ark dragen in plaats van de Levieten. Dat wijst het volk erop dat er iets bijzonders gaat gebeuren.
   

Dat de HERE hier optrad, blijkt duidelijk uit de centrale plaats van de ark in de geschiedenis van de doortocht. Toen IsraŽl indertijd de Rode Zee was doorgetrokken, was er nog helemaal geen ark geweest. Die moest toen nog gebouwd worden. Dat is immers pas bij de SinaÔ gebeurd. Toen had de HERE Mozes bevolen in zijn naam zijn hand over de zee uit te strekken.
   

Nu is de ark er. En die beheerst heel de geschiedenis van de doortocht door de Jordaan. Schitterend komt dat al meteen uit in vers 3. De ark wordt daar genoemd nog voor de dragers ervan: de priesters. IsraŽl moet de ark volgen op eerbiedige afstand: 2000 el. Dat betekent dat als de ark straks bij de oever van de Jordaan komt en de wateren wijken, het volk nooit zal kunnen zeggen: dat hebben wij 'em toch maar even mooi gefikst. Nee, de HERE houdt zijn volk op een afstand. Het mag niet meer dan toekijken hoe Hij het water klieft!
   

Normaal werd de ark niet door de priesters, maar door een deel van de Levieten gedragen: door de Kehatieten. Die Kehatieten mochten die ark overigens pas oppakken nadat die door de priesters met kleden was omhuld. Want aanraken mochten die Levieten de ark niet. Nu, bij de doortocht door de Jordaan, wordt de ark door de priesters gedragen. Dat moet wel betekenen dat ze nu niet met kleden bedekt is, maar voor iedereen zichtbaar.
   

Ze schitterde in al haar heerlijkheid voor de ogen van de IsraŽlieten. Zo hadden ze de ark nog nooit gezien. Het moet een overweldigende indruk op hen gemaakt hebben en hen enorm bepaald hebben bij de betekenis ervan.

Het grote moment is aangebroken. Het volk gaat het beloofde land binnen achter de HERE aan. Het volk moet naar de ark kijken. Ze moeten denken aan Hem die daarop troont. Er moet een afstand van ongeveer 1 kilometer zijn. Een eerbiedige afstand. Het volk moet vol eerbied zijn nu de HERE zo dichtbij is. Het moet daaruit moed putten voor de strijd met de sterke volken in Kanašn.
   

Jozua geeft het volk opdracht zich te heiligen. Niet alleen wassen en schone kleren aantrekken. Maar vooral zich biddend voorbereiden op wat gaat komen. Ze moeten hun zonden overdenken, en vooral ermee breken, want de HERE gaat zijn onbeschrijflijke grootheid laten zien.
   


JOZUA DEELT HET VOLK GODS OPDRACHT MEE (3:7-13)
Jozua is Gods knecht. In die functie brengt hij de boodschap van God over. Let vooral op de woorden: De levende God. (vs.10) En in het volgende vers: de Heer van de hele aarde. Al die zeven volken uit Kanašn hebben hun stenen en houten beelden van dood materiaal.

Maar de God van IsraŽl is de levende God. Heel de aarde zal weten dat Hij de Almachtige God is. Dat is zijn eer. Hij wil dat de mensen eerbiedig over Hem spreken. Vergeet nooit dat de HERE Zich zo aan ons openbaart. Ook vandaag wil Hij op die manier vereerd en aangebeden worden.

De kern van de boodschap van Jozua is: vertrouw op de HERE. Hij gaat voor u uit de Jordaan in. Het water zal als een dam blijven staan, zodat het volk door de rivier kan oversteken.
   


DE HERE VOERT ZIJN VOLK DOOR DE JORDAAN (3:14-17)
Dan gaat de HERE het beloofde wonder doen. Als de priesters met de ark in het water stappen, wordt de Jordaan gespleten. De ark wordt onbeweeglijk vastgehouden door de priesters die in het midden van de rivier moeten staan. Iedereen ziet daar de ark van het verbond. Iedereen ziet daar de troon van Jahweh!
   

Bij de doortocht door de Rode Zee werd het water gescheiden door de staf van Mozes. Bij de doortocht door de Jordaan gebeurt het door de ark van het verbond. Dat was het zichtbare teken van Gods aanwezigheid. Het was dan ook een heel bijzonder moment in de geschiedenis van Gods volk: het lang verwachte binnentrekken van het beloofde land!
   

Zo is het volk de Jordaan doorgetrokken. Achter de ark met het verzoendeksel aan. Achter de ark met de tien geboden erin, aan. Achter de HERE Zelf aan! Hij baande door de woeste wateren en stromen hun een pad. Het moet iets fantastisch geweest zijn. Zo trok heel IsraŽl door in vreugde, een volk dat zich in God verheugde. Een juichend volk door God geleid, een volk vervuld van dankbaarheid.

       

     


4 DE HERE GEEFT OPDRACHT EEN GEDENKTEKEN OP TE RICHTEN Jozua 4
   


INLEIDING
Het volk IsraŽl is tijdens zijn tocht van Egypte naar Kanašn twee keer op wonderlijke wijze door het water getrokken. Eerst door de Rode Zee. Toen door de Jordaan. De eerste keer was bij de uittocht uit Egypte, de tweede keer bij de intocht in Kanašn. De eerste keer was onder leiding van Mozes, de tweede keer onder aanvoering van Jozua. De eerste keer was het water gekliefd toen Mozes zijn hand had uitgestrekt over de zee, de tweede keer was de rivier drooggevallen op het moment dat de priesters met de ark hun voet in het water zetten.
   

En ten slotte: de eerste keer had IsraŽl zijn vijanden achter zich aan: de Farao met zijn geduchte legermacht. De tweede keer ging men de vijand tegemoet: de Kanašnietische volken die in het land van de belofte woonden en die daaruit verdreven moesten worden.
   


INSTRUCTIES VAN DE HERE AAN JOZUA (4:1-9)
Heel het gebeuren plaats vindt op bevel van de HERE. Het volk heeft maar niet op eigen houtje gezocht naar een weg om de Jordaan over te komen. Nee, het is de HERE die de weg wijst waar IsraŽl geen weg zag. En Hij leidt ook de operatie. Niet Jozua. Weliswaar geeft de Here zijn bevelen aan het volk via Jozua en maakt Hij Jozua groot in de ogen van heel IsraŽl, heel de doortocht bewijst toch uiteindelijk zijn macht en zijn trouw.
   

De doortocht door de Jordaan doet aan de IsraŽlieten weten dat hun God de levende God is. En zij mogen die doortocht beschouwen als een onderpand, als een garantie ervan dat de HERE de Kanašnieten voor hen uit verdrijven zal.
   

Dus als het volk Kanašn is binnengetrokken, hoeft Jozua zich niet suf te piekeren hoe het verder moet. Nee, hij ontvangt zijn opdrachten van de HERE. Twaalf mannen moeten midden uit de Jordaan een grote steen nemen voor een gedenkteken aan het wonder van Jahweh, dat Hij een pad maakte in de Jordaan. Dat wonder moet aan de kinderen van het verbond doorverteld worden van vader op zoon.
   

Dit is een belangrijk gegeven. Ook hieruit leren we wie de HERE is. Zo geeft ieder hoofdstuk ons een bepaalde kant van God te zien. Hier zien we dat het HERE onderwijs aan de jeugd van de kerk van het hoogste belang acht. Hoe zullen wij Hem liefhebben en eren, als wij Hem niet goed kennen? De stenen uit de Jordaan moeten sprekende stenen worden. Als later de kinderen vragen stellen over dat gedenkteken, dan is dat een prachtige aanleiding voor de ouders om hun kinderen te vertellen over de grote daden van de HERE.
   

Jozua richt ook zelf een gedenkteken op, juist op de plaats waar de ark heeft gestaan. Het is meer een teken voor het toen levende geslacht. Door de stroming zal het niet lang stand hebben kunnen houden. De andere twaalf stenen dienden tot een monument voor de komende eeuwen.
   


DE OVERTOCHT VOLTOOID (4:10-19)
Let erop hoe gehoorzaam iedereen is in het geloof. De eenheid van het volk is gehandhaafd, want aan de spits trekken de Overjordaanse stammen. Dat staat zo mooi in vs.13: de voorhoede trok voor de ark van de Heer uit ten strijde.
   

De HERE maakt Jozua groot. Zo gaat de HERE dus ook te werk. Hij geeft zijn ambtsdragers aanzien, opdat men naar hen luistert, als ze Gods Woord doorgeven. Ook aanzien en gezag binnen de kerk zijn een gave van de HERE. Wees daarop bedacht.
   

Als de laatste man is overgestoken, geeft de HERE opdracht dat de priesters hun standplaats mochten verlaten. Nauwelijks had de ark de oever bereikt of de machtige watermuur stortte in. Voor iedereen was nu duidelijk dat de HERE het water als een muur had doen staan.
   

In vs.19 wordt de datum genoemd. Alles vond plaats op de tiende van de eerste maand. Het was bijna weer Pascha (Pesach). Feest van de uittocht. Hoe lang was het eigenlijk al wel niet geleden dat IsraŽl zijn eerste Pascha vierde? Veertig jaar! En dat terwijl IsraŽl vanuit Egypte binnen drie maanden bij de Horeb was gekomen en de afstand van de Horeb tot de zuidgrens van IsraŽl volgens Deut. 1, slechts elf dagreizen was. En dan er veertig jaar over doen! Dat had niet aan de HERE gelegen, maar aan IsraŽls eigen ongeloof bij Kades Barnea.
   

Terwijl het volk het land binnentrekt wordt het zo door die nabije paasdatum nog eens herinnerd aan de lange tijd die het om had moeten zwerven vanwege eigen schuld. Nee, dat IsraŽl nu het beloofde land binnengaat, heeft het niet aan zichzelf te danken, maar voluit aan Gods genade! Dit besef zal de jubel voor God bij de doortocht alleen maar krachtiger gemaakt hebben.
       


DE OPRICHTING VAN HET MONUMENT TE GILGAL (4:20:24)
Als het volk in zijn geheel de overkant bereikt heeft, wordt daar een monument opgericht, dat de herinnering aan dit machtige heilsfeit levend moet houden. Het bestaat uit twaalf stenen die door twaalf mannen, uit elke stam ťťn, op uitdrukkelijk bevel van de HERE, uit het midden van de Jordaan zijn gehaald. De HERE wil niet dat zijn machtige daden vergeten worden. Hij wil ze vastgelegd zien voor de generaties, de eeuwen die komen.

De twaalf stenen worden naar Gilgal gebracht. In Deut.11:30 lezen we die naam al. Mozes beveelt dat daar de wet moet worden gelezen. De zegen op de berg Gerizim, de vloek op de Ebal. Daar wordt nu dit gedenkteken aan de HERE opgericht.
   

IsraŽl moet de herinnering aan de doortocht door de Jordaan levend houden, opdat ook het komende geslacht ervan hoort. Want de HERE heeft met die doortocht niet alleen de toenmalige generatie een gunst bewezen, Hij had daarmee ook de komende generaties op het oog. De kinderen moeten weten: Dat deed de HERE toen al voor ons!
   

Zo staat het ook zo schitterend in Psalm 66. Daar zingt een dichter die de doortocht door de Rode Zee en door de Jordaan alleen maar van horen zeggen kent. Uit een ver verleden. Maar wat zingt hij? God heeft de zee veranderd in droog land, zijn volk trok te voet door de rivier.
Laten wij ons dan in hem verheugen! Zo is de doortocht door de Jordaan ook een feit dat voor ons van betekenis is. Zoals God toen was, zo is Hij nog steeds. En wat Hij toen bewerkte, was een grote stap op weg naar de komst van zijn Zoon in deze wereld. Was een enorme stap op weg naar ons en naar de eeuwige rust waarheen Hij op weg is en waarheen Hij ook ons meeneemt.
   

En Christus is nog steeds niet in ruste. Wij kennen Hem als de Verhoogde die vanuit de hemel zijn kerk regeert en bij zijn Woord bewaart. Dat heeft Hij o.a. gedaan in de weg van reformaties die Hij aan zijn kerk geschonken heeft. Ook daarvan geldt: dat deed de Here rechtstreeks voor ons. De kerkgeschiedenis is geen verzameling feitjes waar wij niets meer mee te maken hebben. In de kerkgeschiedenis zien we de HERE werken. Ten behoeve van ons. En daarom: wij zullen de daden van de HERE gedenken. Dat hoort bij een christelijke en godvrezende opvoeding.
   

Jozua legt nu het volk uit welke boodschap van die tekenen uitgaat. De ouders moeten ervan getuigen, opdat de kinderen ook hun vertrouwen op de HERE gaan stellen. Het wonder moet voor het nageslacht bewaard blijven. Let erop: voor jullie heeft de HERE de Jordaan doen opdrogen. De kerk van nu moet zich ťťn weten met de kerk van toen.

Door het wonder van de doortocht door de Jordaan wordt IsraŽl dus opgeroepen de HERE te lief te hebben en gehoorzaam te dienen. Het heeft echter ook betekenis voor alle volken op de aarde. Ook zij moeten tot de erkenning komen, dat de HERE de Enige God is, de God van hemel en aarde. Tot hun ondergang of tot hun behoud.


           

     


5. DE HERE VERNIEUWT HET VERBOND TE GILGAL Jozua 5
   


DE HERE BEWERKT ANGST BIJ DE VOLKEREN (5:1)
Wat de HERE eenmaal belooft heeft, komt zeker uit. Dat zullen we telkens zien bij de bespreking van het boek Jozua. Er staat niet voor niets in 21:45 dat de HERE alles wat Hij beloofd had, deed uitkomen.
   

De HERE had beloofd, dat Hij vrees en schrik over de volkeren van Kanašn, de Amorieten, zou brengen. Zie Deuteronomium 2:25. We hebben bij de geschiedenis van Rachab gezien, dat dit al was uitgekomen. Nu had de HERE de watermassa van de Jordaan tegengehouden om zijn grote volk het beloofde land binnen te leiden. Na dit wonder is er bij de Kanašnieten geen sprankje moed meer over.
   

Het gevolg zal zijn, dat de heidense volkeren IsraŽl voorlopig met rust zullen laten. Bij een volk met zo'n machtige God blijf je wel uit de buurt. Dat heeft de HERE zo gewild. Zijn volk moet rust hebben, want er moet iets ernstigs gebeuren.
   


DE HERE GEEFT OPDRACHT DE ISRAňLIETEN TE BESNIJDEN (5:2-3)
Jozua krijgt van de HERE' een bevel. Hij moet het volk opnieuw besnijden. Met stenen messen. Vergelijk Exodus 4: 25. Dus geen metalen messen, hoewel de IsraŽlieten wel brons kenden en gebruikten, bv. bij de instrumenten van de tabernakel.
   

Opnieuw, voor de tweede maal. Betekent dat dat Jozua de IsraŽlieten die al besneden waren nog eens moest besnijden? Nee, dat betekent het niet. De IsraŽlieten die indertijd uit Egypte getrokken waren, waren allemaal besneden geweest. Maar die generatie was vrijwel in zijn geheel onder de hitte van Gods woede bezweken en omgekomen tijdens de veertigjarige tocht door de woestijn. Nu treedt een totaal nieuwe generatie het beloofde land binnen. En die is onbesneden.
   

Militair strategisch was het een merkwaardig besluit van Jozua om heel het volk te besnijden pal na de intocht in Kanašn. Immers, de besnijdenis was een ingreep, waar een man een paar dagen goed ziek van kon zijn. Denk maar aan de geschiedenis van Sichem, die Dina, de dochter van Jakob, onteerde. Haar broers Simeon en Levi nemen daarvoor wraak. Ze zeggen tegen Sichem dat hij alleen met Dina mag trouwen als hij en de zijnen zich laten besnijden. Als de Sichemieten dat doen en op de derde dag na de besnijdenis hevige pijn lijden, komen de broers van Dina en jagen alle mannen van Sichem over de kling.
   

Maar terwijl hij heel goed wist hoe machteloos het volk een paar dagen zou zijn ten gevolge van de pijn en de koorts waarmee de besnijdenis gepaard ging, aarzelde Jozua niet met gehoor te geven aan Gods bevel om de IsraŽlieten te besnijden. De besnijdenis is een pijnlijke gebeurtenis. Er vloeide een beetje bloed. Er werd een stukje vlees weggesneden. Dat was een teken van de onreinheid die werd weggenomen. Die onreinheid kleeft ons allen aan. Denk maar aan: in zonden ontvangen en geboren. Dat bloed wees heen naar het bloed van de verzoening van Christus. Pijn en koorts kregen die mannen en jongens. Maar God gaf hun rustig de tijd om te genezen. De schrik zat er bij de vijand zo goed in, dat ze geen hand durfden uitsteken naar Gods volk.
       


WAAROM HET VOLK NIET BESNEDEN WAS (5:4-8)
Meteen komt de vraag op, waarom had men die besnijdenis toch nagelaten? Het was toch een nadrukkelijk gebod van God? Om dat te begrijpen moeten we denken aan wat gebeurd was bij Kades. Zie Numeri 13 en 14. Toen was er opstand geweest tegen de HERE. Het volk had niet naar de geloofstaal van Jozua en Kaleb willen luisteren. Ze hadden zich geschaard aan de kant van de tien verspieders. Opstand tegen Jahweh, tegen de God van het verbond!
   

De straf daarop wordt in vs. 6 weer genoemd. Veertig jaar rondzwerven. Allen die ouder dan 20 jaar waren zouden het land van belofte niet zien. Zie Numeri 14: 33. De ouderen zullen sterven. Maar ook de kinderen zullen tot op zekere hoogte de straf moeten dragen. Zij zullen het teken van het verbond met de HERE niet ontvangen. Waarom dit gebeurde weten we niet. De Bijbel zwijgt erover. Voelde men de schuld dat ze zich het verbond onwaardig hadden gemaakt?
   

We weten het niet. Het is alleen niet goed denkbaar, dat de HERE de besnijdenis verboden zou hebben. Denk maar aan Mozes, die zijn tweede zoon niet had besneden en die daarom door de HERE doodziek werd gemaakt. Zie Ex. 4: 36. De HERE is van zijn kant doorgegaan met de zegeningen van het verbond aan het volk te schenken. De priesterdienst, dus de dienst van de verzoening, ging door. De wolkkolom was er overdag en ' s nachts. Elke dag was er manna. Nee, God vergat zijn verbond nooit.
   

Wie op de datum van Gods bevel tot besnijdenis let, ziet nog meer. Het bevel komt pas na de doortocht door de Jordaan. Daaruit blijkt wel heel duidelijk dat de besnijdenis geen verdienstelijk werk is waardoor het volk zich van de erfenis van Kanašn verzekeren kon. Het volk is immers al door God uit vrije genade het land van de belofte binnengeleid. De vloek is opgeheven uit vrije genade. En daarvan is deze besnijdenis het teken. God trok met een onbesneden volk de Jordaan door. Kon het nog duidelijker getoond worden dat het zijn genade was die IsraŽl in Kanašn bracht?!
   


DE SCHANDE VAN EGYPTE AFGEWENTELD (5:9)
Nu ze de Jordaan zijn doorgetrokken en het beloofde land zijn binnengestroomd, en nu de koningen in Kanašn de schrik in de benen zit, nu kan het voor iedereen duidelijk zijn: dit is geen slavenvolk. Dit volk zonder land en zonder enige macht is in ieder geval wel een volk met een machtig God. De Here der ganse aarde. Die heeft hun het land Kanašn al in bezit gegeven.
   

Dit in de ogen van ieder verachtelijk volk is door niemand minder dan Jahwe tot vrouw genomen. Aan de SinaÔ is het huwelijk gesloten. In de velden van Moab is het voor de dan levende generatie nog eens vernieuwd. En nu, bij de besnijdenis in Gilgal, schuift de HERE zijn volk de trouwring om de vinger. Dat is de besnijdenis immers. Het zichtbare bewijs van het trouwverbond tussen de Here en zijn volk.
   

De HERE gaat zijn volk het nieuwe land verder binnenleiden. Hij gaat het hun schenken. Nu wil Hij, dat alle ongerechtigheid van het volk weggedaan zal worden. Ze moeten weer gemeenschap met Hem kunnen oefenen. De HERE zal Egypte laten zien, dat Hij zijn beloften waar maakt. Want toen het volk na Kades rondtrok door de woestijn, terwijl de ťťn na de ander stierf, is er in Egypte ongetwijfeld om die God van IsraŽl gelachen en geschamperd.
   

Die schande van Egypte had het volk zelf opgeroepen door eigen zonden. Maar de HERE heeft die schande nu van het volk afgenomen. Door de besnijdenis in het beloofde land! Het verbond wordt door Hem vernieuwd. Gilgal betekent wenteloord. Afwenteling van de schande van Egypte en eerherstel voor het gesmade volk IsraŽl.
   

Van veracht slavenvolk is IsraŽl bruid van God, de Almachtige geworden. Iedereen draagt in de besnijdenis het teken ervan. Nu is de smaad van Egypte pas echt afgewenteld. Niet langer ook is het volk ten dode opgeschreven. Het is besneden. En de besnijdenis was symbool van leven. Het symboliseerde Gods ontsluiting van de door de zonde verstopte bronnen van het leven. Bij IsraŽl werd in Gilgal de prop die het leven in de weg zit, weggesneden. In Egypte was het nieuwe leven ten dode opgeschreven. In de besnijdenis gaf God het volk een teken dat sprak van ruimte voor nieuw leven, omdat God de zonde zou wegsnijden.
   

Vandaag draag je als christen in de doop een heerlijk teken: een trouwring door God Zelf aan je vinger geschoven. Je mag behoren tot de bruidsgemeente van onze Here Jezus Christus. En je doop spreekt van het perspectief dat je leven mag hebben. Je leven is niet ten dode opgeschreven of tot zinloosheid gedoemd. Je doop is juist het teken en zegel van je verlossing van alle ijdelheid. Het echte leven ligt voor je open!
       


VIERING VAN HET PASCHA IN HET BELOOFDE LAND (5:10)
Toen de IsraŽlieten in hun kamp bij Gilgal waren, op de vlakte van Jericho, bereidden ze in de avond van de veertiende dag van die eerste maand het pascha of pesachoffer.En wat is nu het bijzondere? De intocht in Kanašn vond plaats op de tiende van de eerste maand, de datum waarop de voorbereidingen voor het pascha volgens de wet moesten beginnen. Dat wil zeggen: het feest waarmee het volk dus de intocht in het beloofde land mag vieren is het pascha: het feest van de uittocht uit Egypte! De HERE heeft het precies zo beschikt dat de intocht in Kanašn, het land waarin Hij met Zijn bruid wonen wil, plaatsvindt in de tijd van het pascha en dus ook met dat pascha gevierd zal worden!
   

Zo wordt het feest van de ýittocht uit Egypte tegelijk ook het feest van de žntocht in Kanašn. De HERE verbindt die twee aan elkaar in het ene sacrament van het pascha. Dat feest spreekt dus voortaan niet meer alleen van bevrijding uit het slavenhuis, maar ook van binnengaan in het nieuwe vaderland. Het pascha zegt vanaf nu, dat God niet alleen een begin maakt met zijn verlossingswerk, maar dat Hij het ook voleindigt.
   

Zo spreekt ook het Nieuwtestamentische pascha, het avondmaal, van de volkomenheid van Gods verlossingswerk. Hij verlost ons niet alleen van onze zonden. Hij heiligt ons leven ook. Door zijn Geest schenkt Hij ons in het avondmaal gemeenschap met onze Here Jezus Christus. In het avondmaal blinkt niet alleen het evangelie van onze bevrijding uit de macht van de zonde, maar worden we ook gevoed tot het nieuwe, het eeuwige leven!
   

Dus de gemeenschap met de HERE wordt hersteld: het Pascha wordt gevierd. Ook al zijn er nog mannen ziek, hun onreinheid is weggenomen. Dat was de voorwaarde om Pascha te kunnen vieren. Nu kan men het lam slachten en bij het eten van het vlees gedenken, dat ze gered waren uit het slavenhuis. Let erop: bij uittocht ťn bij intocht werd het Pascha gevierd.
   

Bij dit Pascha moeten ze gaan leren, dat ze dit land gaan beŽrven uit louter genade. Zoals wij ook moeten leven door de genade van het bloed van Christus. Er is grote vreugde, want ze vieren het. Het volk als geheel is weer met de HERE verzoend. Het verbond tussen de HERE en zijn volk is hier bij Gilgal vernieuwd.
   

Let goed op de eerste daden van het volk in het beloofde land. Eerst richt het een monument op van Gods trouw aan het verbond. Daarna viert het beide sacramenten. Eerst de besnijdenis en daarna het Pascha. Als dat achter de rug is, kan met de verovering van het land worden begonnen. Alleen als het volk van het verbond kan rekenen op Gods hulp.
   


DE BOODSCHAP VAN DE ONGEZUURDE BRODEN (5:11)
Nu is de lange tocht ten einde. Nu is de uittocht uit Egypte voorbij. De HERE houdt op manna te geven.Wat de vreugde nog groter maakt? Op de dag na het Paasfeest mogen ze eten van wat het nieuwe land opbrengt: geroosterd koren en ongezuurde broden. Zie vs. 11.
   

Van die ongezuurde broden ging een heel specifieke boodschap uit. Ze herinnerden aan de nacht van de uittocht uit Egypte. Toen had IsraŽl uitsluitend ongezuurde broden mogen eten. Want het zuurdeeg waarmee normaal gesproken het brood gezuurd werd, was een klomp deeg die in een aantal dagen zuur geworden was. Wilde men in de nacht van de uittocht dus zuurdeeg gebruiken, dan moest dat zuurdeeg al een paar dagen oud zijn.
   

Maar dan was het ook, om zo te zeggen, besmet en verontreinigd door Egypte. Het was echt Egyptisch deeg, waar de zonde van Egypte aangekleefd zat. Dat mocht men dus niet gebruiken in de nacht waarin de HERE Zijn volk uit Egypte wilde losmaken. En wilde men nieuw deeg maken, dan zou dat veel te veel tijd nemen. En die tijd hadden ze niet meer. Want de HERE wilde ze nog diezelfde dag uitleiden uit Egypte. Er restte dus niets anders dan ongezuurde broden te eten. Want het beschikbare deeg was verontreinigd door Egypte. Dat zuurdeeg stond voor de zonde van Egypte. En zo kreeg het weggooien van dat zuurdeeg de betekenis van 'breken met de zonde'. Niets te maken willen hebben met de onreinheid van Egypte.
   

Als IsraŽl dan ook in Gilgal het feest van de ongezuurde broden viert, mogen we daarin beluisteren dat het volk met de onreinheid van Egypte en van de woestijn breekt. Het belooft met de zonde te breken en te leven naar de stijl van het verbond. Zij zullen in de kracht van de Heilige Geest de strijd aanbinden met de oude mens en wandelen in een nieuwe gehoorzaamheid. Zij verklaren dat het leven in Kanašn voor hen pas een feest zal zijn, als de zuurdesem van de zonde verwijderd is. Als zij niet meer in hun zonden leven, maar Christus in hen en zij in Christus, om het met het avondmaalsformulier Nieuwtestamentisch te zeggen.
   


HET MANNA HIELD OP (5:12)
Het manna ophield, daags nadat de IsraŽlieten voor het eerst van de opbrengst van het land gegeten hadden. Dat wil zeggen: daags na die vijftiende van de eerste maand, waarop het feest van de ongezuurde broden was begonnen. Op die dag hadden ze uitsluitend ongezuurde broden gegeten. Geroost koren mochten ze toen nog niet eten van Kanašns grond, omdat het eerstelingenoffer nog niet aan de HERE gebracht was. Vandaar dat op die dag nog manna viel.
   

Maar toen ze vanaf de zestiende van de maand, na het eerstelingenoffer, ook hun gewone maaltijden mochten gebruiken van het koren van Kanašn, hield de dagelijkse mannaregen op. IsraŽl ging een nieuwe fase in. Het brood uit de woestijn, dat vrucht was van Gods bevelend spreken, hield op en maakte plaats voor de opbrengst van het land Kanašn, die IsraŽl ontving als vrucht op besnijdenis en pascha.
   

Zoals gezegd: een nieuwe fase voor IsraŽl. Niet de laatste. Want wij weten hoe God verder gegaan is. Wij kennen de Christus, het brood dat uit de hemel is neergedaald. De vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zijn gestorven. Maar Christus is het levende brood dat uit de hemel is neergedaald, opdat wie ervan eet, niet sterft, maar in eeuwigheid leeft. En door en met Hem gevoed zijn we op weg naar een erfenis die het aardse Kanašn in heerlijkheid verre overtreft.
   


CHRISTUS VERSCHIJNT AAN JOZUA. (5:13-15)
Jozua moet het land in bezit gaan nemen. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Hoe hij het ging doen, was nog een vraag. Vandaar dat hij op verkenning is. Waar moet de stad aangevallen worden? Waar is een zwakke plek?
   

Dan staat hij opeens oog in oog met een man. Die heeft een zwaard in de hand. Jozua is op zijn hoede. Is het vriend of vijand? Dan komt het machtige antwoord: "Ik ben de aanvoerder van het leger van de HEER. Daarom ben ik hier.Ē
   

Dat is van ontzaglijke betekenis, al begreep Jozua het nog niet allemaal. Het wil zeggen, dat de HERE voor hen zal strijden. Hij zal hun het land geven. Die aanvoerder van het leger van de HERE, dat is Christus. Zo verscheen Hij voordat Hij mens werd. Hij verschijnt tot hulp en redding van zijn volk.
   

Hier is iets heel bijzonders aan de hand. Christus die later als de grote JOZUA zal komen om zijn volk te, redden, komt hier als een generaal met een getrokken zwaard deze Jozua tegemoet.
   

Jozua begrijpt het nog niet, maar hij is wel vol eerbied. Als hij de woorden van vs. 15 hoort is het hem duidelijk, wie met hem spreekt. Hij weet nu, dat hij in tegenwoordigheid van de aanvoerder van het hemelleger zijn sandalen moet uittrekken. Een onvergetelijk ogenblik in de geschiedenis van Gods volk, dus in Únze geschiedenis. Zo was Christus al werkzaam voordat Hij werd geboren!


   

     


6 DE HERE GEEFT JERICHO AAN ZIJN VOLK Jozua 6
       


DE HERE GEEFT JOZUA DE SLEUTELSTAD JERICHO (6:1 en 2)
De HERE gaat de sleutel van het beloofde land aan zijn volk geven. Maar zoals bij de vervulling van al Gods beloften, het volk moet niet werkeloos toezien. Geen armen over elkaar en maar afwachten. Nee, de mouwen opgestroopt. De HERE zet hen aan het werk. En dat werk moet gebeuren in het geloof.
   

De HERE is gekomen. Want nu begint zijn oorlog tegen Kanašn. Nu is de maat van hun misdaden vol. Zie Gen. 15:16. Dat moeten we bij de verovering van het land goed onthouden: het gaat hier om de strijd van de HERE.
   

Vs. 1 laat zien dat de sleutelstad Jericho potdicht zit. Vandaar dat Jozua op verkenning ging. Maar hij hoeft niet verder te gaan. Hij heeft maar te luisteren naar de HERE. " Ik lever Jericho met zijn koning en al zijn dappere helden aan je uit". Niet alleen aan Jozua, maar in hem aan heel het volk. Uit de opdracht die Jozua ontvangt, zien we dat daarom ook heel het volk moet meedoen. Daar worden dan mee bedoeld: alle strijdbare mannen.
   


DE HERE GEEFT JOZUA INSTRUCTIES (6:3-11)
Als we goed lezen zien we, dat eigenlijk de HERE om de stad trekt en dat het volk mee mag. Lees maar vs. 6. De ark zal door de priesters gedragen worden om de stad. Dat is al iets bijzonders, want gewoonlijk droegen de Levieten. Zie Num. 4:16.
   

Zie je, dat er zeven priesters voor de ark uit moeten! Zij moeten blazen op de ramshorens. De HERE heeft Jozua precies gezegd hoe het moet gebeuren. Elke dag een rondgang, maar op de zevende dag zeven rondgangen. En telkens die korte stoten op de horens.
   

Daarbij moeten de mensen hun mond houden. (vs. 10). Het enige wat gehoord mag worden, is het geluid van de horens. Het is het teken van het spreken van de HERE, die komt om zijn beloften te vervullen. De HERE trekt om de stad. En dan mag zijn volk meelopen. Die gewapend zijn voorop (vs. 7), de rest van het manvolk erachter. (vs. 9). Let ook op vs. 8, waar we zien dat die blazers voor de HERE uit gaan.
   


ACHTER DE HERE OM JERICHO HEEN (5:12-16)
Jozua maakte alles aan het volk bekend. Meteen diezelfde dag werd al een stille gang gemaakt. Het moet een lange rij geweest zijn, die daar op enige afstand van de stad rondging. De soldaten van Jericho doen geen uitval. Wat zullen ze vreemd hebben opgekeken bij het zien van die lange stoet.
   

Als de rondgang is voltooid, gaat het volk terug naar de legerplaats. Pas als ze op de zevende dag zeven omgangen hebben gemaakt, komt het teken, dat Jozua hun gaf. Dan blazen de horens met lange stoten. Nu mogen ze juichen!
   


DE HERE DOET DE MUREN VAN JERICHO INSTORTEN (6:17-25)
Nu beginnen die sterke muren, waarvan hun vaders gezegd hebben, dat ze daar nooit zouden inkomen (zie Num. 13 : 28) te schudden en te wankelen. Met donderend geraas storten ze in. Daarbij zullen velen gedood zijn, bedolven onder het puin.
   

Dit is het wonder, dat de HERE wilde schenken. Die zware muur, waarop zelfs een huis stond, is verdwenen. Het volk kan zo naar binnen lopen. Als een apart wonder blijft een stuk muur staan. Juist dat stuk waar die herberg stond en waar uit het venster dat rode koord hangt. Het is het wonder dat de HERE Zich ontfermt over wie Hij wil. Hij is het immers die hier alles leidt en bestuurt. Hij geeft deze stad aan zijn volk.
   

En het volk moet die aan Hem teruggeven. Dat is die ban van vs. 17. De HERE heeft deze keer nauwkeurig vastgesteld wat deze ban inhield. Zie vs. 21. Dat teruggeven aan de HERE zien we duidelijk in het bewaren van de edele metalen. Ze moeten bij de schat van de tabernakel gevoegd worden. Lees dan vs. 18: Wie de HERE niet geeft, wat van Hem is, brengt een vloek over het hele volk. Een ramp waarin het volk als eenheid getroffen zal worden.
   

Vs. 23 laat ons zien dat om het geloof Van Rachab ook haar familie weldadigheid wordt geschonken. Dat herinnert ons aan de geschiedenis van Lot. Die mocht zijn aanstaande schoonzoons waarschuwen. Maar die lachten hem uit. Hier is bij de familie van Rachab kennelijk wel een beven voor de macht van de God van IsraŽl. Ze worden eerst buiten de legerplaats gebracht. Ze waren immers niet rein volgens de wetten van de HERE. Een poosje later woont Rachab midden onder het volk. (vs. 25).
   


JERICHO MAG NOOIT HERBOUWD WORDEN ALS VESTING (6:26 en 27)
Tot slot bezweert Jozua het volk om van Jericho nooit meer een vesting te maken. Er mogen geen muren en poorten meer gebouwd worden. Dat zweren van een eed, betekent dat er een ernstige dreiging achter zit. De man die het waagt, zal al zijn kinderen verliezen.
   

Het laatste vers doet ons zien, dat de HERE zijn belofte uit 1:5 aan Jozua vervult. Jericho wordt dus door de HERE aan zijn volk gegeven. Het is de eerste overwinning, die profetie is van de totale verovering van het land van belofte.

       

     


7 GODS VERBONDSWRAAK TREFT ACHAN Jozua 7
   


GODS WOEDE ONTBRANDT TEGEN ISRAňL (7: 1)
Vs. 1 stelt ons meteen voor de vraag, waarom heel IsraŽl moet lijden om de zonde van Achan. Lees maar: "De IsraŽlieten vergrepen zich" en verder "Toen ontstak de Heer in woede tegen het volk van IsraŽl.Ē
   

Om dit goed te begrijpen moet je 6:18 nog eens lezen. Daar staat een waarschuwing. Die betrekt het hele volk bij de misdaad van ťťn. Je moet je daarbij indenken, dat het hele volk als het ware ťťn lichaam vormt. Dat lichaam is ontheiligd. Dezelfde gedachte komen we tegen in vr. en antw. 82 van de catechismus.
   

Het tweede wat opvalt, is het woordje ontstak. Er is dus een oorzaak. IsraŽl, Gods uitverkoren volk, dat Hij in het verbond zo'n hoge plaats gegeven had, is door Achan zonde neergestort. Het verbond is verbroken. Jericho lag immers onder Gods ban. Het moest geheel aan Hem gewijd worden. Wat Achan deed, was stelen wat eigenlijk van God was. Een vorm van tempelroof.
   


DE AANVAL OP AI MISLUKT (7: 2-5a)
Het verhaal wordt op een bijzondere manier verteld. De oorzaak van wat IsraŽl overkomt, horen we later. Jozua weet nog van niets. Hij gaat tot actie over. De HERE had het hele land beloofd. Maar dat betekent niet dat het volk met de armen over elkaar kan afwachten. Ook hier moeten ze zelf aan de slag.
   

Opmerkelijk is, dat we niets lezen over een vraag aan de HERE. We lezen alleen van verkenners (vs. 2) en van hun advies (vs. 3). De kleine legermacht wordt verslagen. Dat is niet omdat Jozua de HERE niet had gevraagd of het goed was. Maar de ban over Jericho is geschonden. De heiligheid van God en zijn verbond is aangetast.
   


HET GEBED VAN JOZUA NA DE NEDERLAAG (7:5b-9)
De slag kwam hard aan. Zie, waar Jozua met zijn verdriet heen gaat. De verslagenheid is zo groot, omdat ze niet weten, waarom de HERE hen verlaten heeft. Ze hadden toch al die prachtige beloften!
   

Jozua beschuldigt de verkenners niet, noch de soldaten. Hij stuurt ook geen tweede legermacht om zich te wreken. Nee, hij wendt zich tot de HERE. Hij maakt zich bezorgd over de naam van de HERE. Als de eer van de HERE geschonden zou worden, was het beter dat ze aan de overkant van de Jordaan waren gebleven.
   


HET ANTWOORD VAN DE HERE AAN JOZUA (7:10-12)
De HERE is hevig vertoornd. Heel het antwoord is ťťn felle aanklacht: "Sta op, wat lig je daar nu op de grond". Waarom is de HERE zo verbeten op Jozua? Dat is omdat Jozua heel goed wist dat er geen willekeur bij God was.
   

Toen hij leider van het volk werd, had Jozua de geweldige garantie van de HERE meegekregen, dat de HERE met hem zou zijn. In hoofdstuk 1 heeft de HERE zeven keren tegen hem gezegd: "lk ben met u. Alleen wees sterk en moedig". Als Jozua nauwkeurig deed wat de HERE van hem vroeg, dan zou het goed gaan. Die garantie had de HERE hem gegeven.
   

Als het toch mis zou gaan, dan kon Jozua weten, waar hij het moest zoeken. Het ligt niet aan de HERE, maar aan het volk. "Zij hebben mijn verbond overtreden". Ze hebben zich vergrepen aan goederen waarop Gods ban rust.
   

De ban betekent altijd: datgene wat losgelaten is door God, en wat prijsgegeven is aan het hellevuur. Het betekent dat men zich vergrepen heeft, aan wat voor het vuur is bestemd. Bij IsraŽl wil dat zeggen, dat men zich heeft laten infecteren door de goddeloosheid van Jericho. Nu was het volk even verfoeilijk voor de HERE. Zie je hoe ernstig de situatie is?
   


DE OPDRACHT VAN DE HERE AAN JOZUA (7:13-15)
De HERE had natuurlijk Achan kunnen doden. Daartoe is Hij machtig genoeg. Maar Hij gaat een andere weg. Hij schakelt het hele volk erbij in. Zoals vandaag in de kerk ook de tucht gehandhaafd moet worden. Daarbij wordt ook de hele gemeente ingeschakeld. Ook nu kan de HERE iemand die een openlijke zonde heeft gedaan, waardoor hij een smet op de gemeente heeft geworpen, Zelf wel straffen. Maar Hij heeft de bevoegdheid in handen van de gemeente gelegd, die door de ambtsdragers de tucht handhaven.
   

Hoe ernstig de situatie is, blijkt hieruit, dat het volk zich moet heiligen. Dat moesten ze ook bij de SinaÔ, toen de HERE aan zijn volk ging verschijnen. Het volk moest zich innerlijk voorbereiden op wat komen ging.
   

Jozua moet de oorzaak van de nederlaag aan het volk bekend maken. De volgende morgen moet het volk aantreden. Dan zal de HERE Zelf de dader aanwijzen. Niet rechtstreeks, maar via het lot. Ook moet Jozua vertellen, wat er met de dader en zijn gezin zal gebeuren.
   


HET BEVEL VAN DE HERE (7:16-21)
Naar het bevel van de HERE wordt de volgende dag de dader door het lot aangewezen. Men neemt aan, dat het gebeurde door middel van steentjes, waarvan ťťn een andere kleur had. Als je de verzen 16-18 leest, voel je de spanning stijgen: de kring wordt hoe langer hoe kleiner. Let erop, dat de schuldige stam, die van Juda is, de koningsstam!
   

Als Achan is aangewezen, roept Jozua hem op zijn schuld te bekennen. Hij geeft toe, de zonde te hebben bedreven. Hij noemt ook de oorzaak van de diefstal: begeerte om de schatten te hebben. Hij vertelt, waar ze te vinden zijn.
   

Achan had met het volk de muren van Jericho zien instorten. Hij zal wellicht meegejuicht hebben. Hij had zeker gehoord, wat Jozua in 6:18 tegen het volk heeft gezegd over het gebannene. Maar begeerte had hem doen grijpen naar wat goud en zilver en wat kleren. Maar daarmee had hij het uitdrukkelijke verbod van de HERE overtreden. Hij heeft het verbond geschonden en de goddeloosheid onder het volk een plaats gegeven.
   


NA DE VERBONDSWRAAK SCHENKT DE HERE VERBONDSVREDE (7:22-26)
Dat de HERE vertoornd is, komt door het feit dat zijn verbond verbroken is. Het kan niet anders of de HERE gaat Zich wreken naar het recht van het verbond. Van dat recht moet Jozua zich bedienen tegenover Achan. Je ziet dat in zijn aanklacht: "Jij hebt ons in het ongeluk gestort, zo zal de HERE jou op deze dag in het ongeluk storten".
   

En dan komt het hele volk. Het stenigt zijn hele huis. Hij wordt als een eerloze met vuur verbrand. Is dit een soort volksgericht, waarbij een woedende volksmassa haar woede koelt? Nee, hier wordt Gods verbondswraak bediend volgens het recht van het verbond. De HERE heeft Jozua aangewezen als openbare aanklager. Het volk moet zijn vonnis uitvoeren.
   

Achan was medeplichtig met zijn gezin. Met alles wat hij bezat, was hij aan de kant van Jericho gaan staan. Daarom wordt hij, samen met de levende en levenloze bezittingen getroffen door Gods banvloek. Hij moet met de zijnen het zelfde oordeel ondergaan als Jericho.
   

Als aan de gerechtigheid van de HERE is voldaan, kan het verbond zich weer herstellen. De woede van de HERE gaat bekoelen. Als het recht bediend is, is het weer goed tussen de HERE en zijn volk. Nu ligt de weg naar het hele land van de belofte weer open voor het volk van Gods verbond.

       
     


8 DE HERE GEEFT BEVEL AI TE VERWOESTEN Jozua 8:1-29
   


DE HERE BELOOFT AI AAN ISRAňL TE GEVEN (8:1,2) .
IsraŽl moet het beloofde land gaan veroveren. Dat was niet een gemeen wegjagen van volken die daar al eeuwen hadden gewoond. Dan zou het een onrechtvaardige strijd zijn. Nee, je moet bij het lezen van het boek Jozua ťťn ding goed in de gaten houden: God komt met zijn eigen legermachten om zijn strijd te voeren. Zie nog eens Jozua 5:13-15.
   

De HERE komt Zelf om met de heidense volken af te rekenen. Lees hiervoor Genesis 15:16. De HERE belooft daar aan Abraham het land Kanašn. Hijzelf zal het niet bezitten, maar het vierde geslacht. Want eerder is de maat van de misdaden van de Amorieten niet vol.
   

Die woorden gaan nu in vervulling. Nu vindt de HERE de tijd gekomen om die volken te straffen door zijn gerechtigheid. Dus je moet niet denken: IsraŽl vecht om het beloofde land in te nemen en de HERE helpt het daarbij, Nee, het is precies andersom. De HERE voert zijn strijd tegen de volken van Kanašn. En IsraŽl ontvangt een plaats in de strijd.
   

Tegen die achtergrond moet je de belofte van de HERE aan Jozua zien. Hij hoeft niet bang te zijn, dat het opnieuw mis zal gaan. God geeft de koning van Ai, zijn volk, zijn stad en zijn land in zijn macht. Verder geeft de HERE enkele aanwijzingen voor het beleg.
   


JOZUA VOERT DE OPDRACHT VAN DE HERE UIT (8:3-9)
De HERE had Jozua instructies gegeven voor een hinderlaag. In dit geval is zoiets natuurlijk geoorloofd. Een krijgslist wordt over het algemeen geoorloofd geacht, wanneer de oorlog rechtvaardig is. Jozua gaat die instructies nu doorgeven.
   

Hij geeft een afdeling dappere soldaten bevel 's nachts Ai voorbij te trekken. Hij legt hen nauwkeurig uit hoe de actie zal verlopen. Ze moeten zich daar de hele dag schuil houden.
Let erop dat Jozua nadrukkelijk wijst op de HERE. Zie vs. 8 "Zoals de HEER heeft opgedragen". Alleen op die manier zullen ze zeker zijn van de overwinning. Denk eraan, dat de Here Ai ook zonder het volk had kunnen verwoesten. Nee, hier gebeurt dat niet. Hij schakelt heel duidelijk het volk in. Zelfs maakt Hij daarbij gebruik van een krijgslist.
    .


HOE ZIT DAT MET DIE GETALLEN? (8:10-13)
Misschien heb je opgemerkt, dat vs. 3 niet klopt met vs. 12. In vs. 3 staat dat Jozua 30.000 man in hinderlaag laat gaan. En in vs. 12 gaat het over 5.000 man. Deze verschillen hebben eeuwenlang de uitleggers hoofdbrekens gekost. Er zijn op zín minst drie mogelijke oplossingen:
   

1. Sommigen menen dat in vs. 12 en 13 sprake is van een tweede hinderlaag naast de eerste
2. Anderen zeggen dat de 30.000 slaat op het hele leger, dat tegen Ai in actie komt. Daarvan legde hij 5.000 in hinderlaag.
3. Een derde groep denkt dat er sprake is van een schrijffout. In het Hebreeuws was zoiets heel goed mogelijk, omdat de cijfers door lettertekens werden weergegeven, die op elkaar lijken.
   

Ik denk zelf aan mogelijkheid twee. Een hinderlaag van 5.000 man. Militair gezien is het onverstandig een hinderlaag erg groot te maken. Des te eerder wordt ze door de vijand opgemerkt.
   


HET SUCCES VAN DE KRIJGSLIST (8:14-17)
In Ai is natuurlijk met spanning het optrekken van het leger van IsraŽl gevolgd. Net als de vorige keer doet het leger van Ai een uitval. Zelfs de koning deed mee. Zo zeker zijn ze van de overwinning dat geen soldaat in de stad achterblijft. Al wat vechten kon, moest mee doen.
   

Zo kreeg Jozua de kans zijn plan uit te voeren. De IsraŽlieten doen net of ze vluchten. Zie je dat ook de inwoners van Betel zich op het Ďvluchtendeí leger storten!
   


HET LEGER VAN AI VERSLAGEN (8:18-29)
Het verloop van het gevecht is wel bekend. Let vooral op die uitgestrekte spies van Jozua. Dat is een teken van de HERE. Niet Jozua is de veldheer, maar Jahweh. Wat IsraŽl moet doen, is het oordeel van God brengen. Dat gericht wordt nu voltrokken.
   

Allen worden gedood. Alleen de koning wordt levend bij Jozua gebracht. Pas als de totale vernietiging van de inwoners voltooid is, laat Jozua de omhooggestoken lans zakken. De stad werd in brand gestoken. Alleen van het vee en de buit heeft IsraŽl zich meester mogen maken.
   

Ten slotte wordt de koning van Ai gedood. Tot de avond hangt hij aan een paal als zichtbaar teken van Gods wraak over de Kanašnieten. Net als Achan wordt hij onder een grote steenhoop bedolven. Die was er tot Ďop de huidige dagí. Dat wil zeggen: toen het boek Jozua geschreven werd.
   

Ai was een middel in de hand van de satan om de komst van Christus tegen te houden. Als het volk vernietigd was, kon de Heiland immers niet meer geboren worden. Maar de satan leed ook hier de nederlaag. Het oordeel over Ai is een profetie van het grote oordeel, waarbij de nederlaag van de satan definitief is. Maar ook de overwinning van Christus!

   

     


9 SATAN ACHTER DE LIST VAN DE GIBEONIETEN Jozua 9
   


HET SUCCESVERHAAL VAN ISRAňL
Het lijkt een waar succesverhaal: de intocht van IsraŽl in het land Kanašn. Eerst had de HERE hen op een machtige manier verlost van de Farao en uitgeleid uit het concentratiekamp Egypte. Toen had Hij hen door de woestijn geleid. Daar had IsraŽl zijn zorg en beloften niet op waarde weten te schatten. Het had gemopperd en niet op de HERE vertrouwd. Veertig jaar had het toen voor straf moeten rondzwerven door de woestijn. Alle IsraŽlieten die 20 jaar of ouder waren geweest bij de uittocht, waren in die tijd gestorven. Een nieuwe generatie was aangetreden. Maar toen was het eindelijk zover: IsraŽl mocht het beloofde land binnengaan.

Ten oosten van de Jordaan had IsraŽl eerst Sichon, de koning van Hesbon verslagen. Daarna Og, de koning van Basan. Balak, de koning van Moab, had geprobeerd IsraŽl te laten vervloeken door de waarzegger Bileam, maar dat was mislukt. In plaats van vervloekt, had Bileam IsraŽl gezegend! Daarna was IsraŽl op wonderlijke wijze door de Jordaan getrokken. De HERE had een pad gebaand, waar geen mens een weg zag.
   

Daarna had de HERE de muren van Jericho laten instorten zonder dat IsraŽl er strijd voor had hoeven leveren. Toen was Ai gevallen: door IsraŽl ingenomen en verwoest. En de HERE had zijn volk ontboden op de berg Ebal. Daar, in het hart van Kanašn, had Gods belofte geklonken dat Hij IsraŽl dit land zou geven. En Gods geboden waren er voorgelezen en uitgeroepen. God had Zichzelf bekendgemaakt als de nieuwe Heer van dit land! De HERE is zijn belofte aan het vervullen!
   


DE KONINGEN VAN KANAńN SLUITEN EEN VERBOND TEGEN ISRAňL (9:1,2)
Het volk zal niet lang genieten van de rust in Gilgal. De koningen van de Kanašnieten waren eerst erg moedeloos door de wonderen van de HERE bij de Jordaan en Jericho. Bij Ai was gebleken dat het volk niet onoverwinnelijk was. Op de Ebal en Gerizim was gebleken, dat het volk zich de rechtmatige eigenaar van het land beschouwde. Het werd hoog tijd dat alles op alles werd gezet om de brutale indringer de deur te wijzen. Aanvallend en niet verdedigend. . Bovendien stond hun leven op het spel. Jozua was al diep in het land binnengedrongen.
   

Geen wonder dat de inwoners van Kanašn zich uiterst ongemakkelijk gaan voelen. Toen IsraŽl op wonderlijke wijze de Jordaan was doorgetrokken, waren ze van schrik verlamd en verstijfd geweest. De moed was hen in de schoenen gezonken (5:1,2). Maar inmiddels hebben ze zich herpakt. Ze zullen zich niet zonder slag of stoot laten verdrijven. Omdat ze zich realiseren dat ze als kleine stadskoninkjes in hun eentje niets tegen IsraŽl en zijn God kunnen beginnen, sluiten ze een bondgenootschap met elkaar.
   

Samen voelen ze zich sterk en samen gaan ze de strijd aan met IsraŽl! In de hoofdstukken 10 en 11 horen we van twee fronten: een in het Zuiden en een in het Noorden. IsraŽl krijgt te maken met de verenigde steden van Kanašn. Satan brengt zijn trawanten op de been om Gods plannen te doorkruisen. De koningen van Kanašn spannen samen en scharen zich in slagorde, zou Psalm 2 zeggen.
   


DE LIST YAN DE CHIWWIETEN (9:3-8)
De bewoners van Gibeon wilden niet op het bondgenootschap wachten. Het lag te dicht bij Gilgal. Het zou een van de eerstvolgende slachtoffers van IsraŽl kunnen zijn. Bovendien kan het uitzichtloze van de strijd een rol hebben gespeeld.
   

Ze gaan ook met list te werk. Ze hadden gehoord van de krijgslist bij Ai, die IsraŽl in opdracht van de HERE had toegepast. Ze zien dit als de enige mogelijkheid. Dat blijkt uit vs. 24. Denk hierbij aan de titel boven deze schriftstudie. De HERE is al voor zijn volk uitgetrokken. Zijn schrik ligt op de volken. Deze Gibeonieten erkennen de grote macht van God en ze vrezen ervoor. Ze weten van Gods belofte aan Jozua.
   

We merken hier weer de merkwaardige manier van vertellen in dit bijbelboek. Als al eerder wordt eerst de uitwerking van het plan verteld, terwijl later de geschiedenis in zijn geheel wordt behandeld.
   

In vs. 6 lees je dat ze niet alleen Jozua maar ook de mannen van IsraŽl aanspreken. Daaronder moeten we de oudsten van het volk verstaan, want in vs. 7 zien we dat ze antwoord geven. Het is een officieel antwoord Dus dat kon niet ieder geven.
   

Er waren er onder IsraŽl die lont roken. In vers 7 zeggen de mannen van IsraŽl immers: misschien woont u in ons midden en hoe kunnen wij dan een verbond met u sluiten? Met andere woorden: niemand kon zeggen dat Ďie er nooit aan gedacht had! Niemand kon ook zeggen dat je daar toch nooit op had kunnen komen! Het punt was heel duidelijk aan de orde gesteld, maar ze hadden er niets mee gedaan!En dan valt het vooral op dat Jozua er niets mee gedaan heeft. Want als de mannen van IsraŽl argwanend zijn en die argwaan uitspreken, zoeken de Gibeonieten Jozua en vinden bij hem een gewillig oor. Ze richten zich, vers 8, tot Jozua en bieden hem hun diensten aan. En Jozua laat zich door hen beetnemen. Terwijl de mannen van IsraŽl de Gibeonieten afhouden, laat Jozua ze hun verhaal doen en hecht hij er geloof aan.
       


VREES VOOR DE HERE BIJ DE CHIWWIETEN (9: 9-13)
Bij het noemen van hun motief valt ook hun slimheid op. Ze spreken namelijk wel over Egypte en de Overjordaanse volken, maar niet over Jericho en Ai. Dat zou een ver gelegen land verdacht maken bij de Joden, die tot op vandaag als bepaald niet onnozel bekend staan.
   

Ze smeken Ėheel slim!- ook niet om lijfsbehoud. Ze vragen niet: spaar ons leven. Nee, want dat leven liep immers helemaal geen gevaar als ze ver weg, buiten Kanašn, woonden? Het enige wat ze vragen is een Ďverbondí. Sluit een verbond met ons! En dat verbond dat mag er ťťn zijn waarin zij duidelijk de mindere zijn van IsraŽl. Wij zijn uw dienaren, zeggen ze in vers 8.
   

Het is een vererend verzoek dat de Gibeonieten doen aan IsraŽl! Ze erkennen IsraŽls macht en suprematie. En waarom? Omdat ze hebben gehoord wat de HERE voor IsraŽl heeft gedaan. Wij zijn gekomen vanwege de naam van de HERE, uw God, zeggen ze, want wij hebben gehoord wat Hij gedaan heeft in Egypte en ten oosten van de Jordaan. Hun verzoek heeft dus ook nog eens een vrome en godsdienstige klank! Kon het mooier?
   

Maar het is intussen allemaal Ďlistí! Rachab, de hoer uit Jericho, had ook gesproken over wat de HERE allemaal had gedaan: in Egypte, bij de Schelfzee, tegen die koningen Sichon en Og. Ook zij had gebruik gemaakt van een list. Maar hŠŠr list was tegen haar eigen volksgenoten gericht geweest en ten gķnste van die twee verspieders. Maar de list van Gibeon is tťgen IsraŽl gericht! Toen Rachab had gesproken van wat de HERE had gedaan was dat een belijdenis geweest en uiting van geloof. Hier bij de Gibeonieten is het slimmigheid en middel tot lijfsbehoud. Rachab boog voor de HERE en stelde zich op aan zijn kant. Gibeon zoekt eigen hachje te redden en hoort bij het kamp van de satan, de oude slang.
   

Zo staat IsraŽl hier in feite tegenover het rijk van de satan. Want het is die grote tegenstander van God die zich sterk maakt in al die steden die bezig zijn zich tegenover IsraŽl te groeperen. En niet minder in de list van Gibeon.
   


MAAR ZIJ RAADPLEEGDEN DE HERE NIET (9: 14,15)
Jozua moest nog beter dan alle andere mannen van IsraŽl weten van Gods verbod op het sluiten van een verbond met volken uit Kanašn. Hoe had God hem bij zijn aantreden op het hart gedrukt dat hij de wet van Mozes moest gehoorzamen en er niet van af mocht wijken (1:7)! DŠn zou het hem wel gaan.
   

Jozua had in Numeri 27:21 van God de toezegging gekregen dat hij zich tot de priester mocht wenden om een uitspraak van God te krijgen. Jozua mocht aan de priester de beslissing van de HERE vragen via de orakelstenen. Of hij met IsraŽl zou moeten uitrukken of niet, zou hij aan de HERE mogen overlaten. Maar Jozua raadpleegt de HERE niet! Letterlijk staat er in vers 14: maar zij raadpleegden de mond van de HERE niet. Terwijl die dus zo dichtbij was!
   

En op die manier sleept satan in de wacht wat hij wil. Want Jozua trapt in de list van de Gibeonieten en sluit een verbond met hen. Hij zal hen in leven laten. En de hoofden van de vergadering, die aanvankelijk misschien nog hun twijfels hadden, gaan met Jozua mee. Ze bevestigen het verbond dat hij met de Gibeonieten gesloten heeft zelfs in de naam van de HERE. Ze zweren de Gibeonieten trouw. Die blijven gespaard en zullen onder IsraŽl blijven wonen. Als een permanent gevaar. Als een bolwerk van satan.
   

Deze geschiedenis bevat een goede les voor ons vandaag. Kijk uit, ook voor de list van de duivel die zich voordoet als een engel van het licht en komt met teksten uit de Bijbel en met vrome redeneringen. Pas ervoor op dat je niet door je op ťťn manier van satansgeweld te focussen, zijn andere wapens over het hoofd ziet. Vergeet Gibeon niet. Het kwaad komt niet maar van ťťn kant of uit ťťn hoek. Het front is breder! Ga niet af op vage indrukken. Wees ook kritisch op wat je ogen zien en je handen tasten kunnen. Satan ontmasker je alleen bij het licht van Gods Woord, als je de zin van Christus hebt en als je je laat leiden door zijn Geest. Werk daaraan en bid daarom.
   


DE LIST VAN GIBEON KOMT AAN HET LICHT (9: 16-21)
Drie dagen nadat het verbond met de Gibeonieten is gesloten, komt hun bedrog aan het licht. De IsraŽlieten die bij Gibeon komen en contact hebben met de Gibeonieten, zijn boos. Maar ze weten zich in te houden en doen hen niets. Ze weten zich gebonden door het verbond dat met de Gibeonieten is gesloten en vooral doordat Gods naam daarbij gebruikt is. In de naam van de HERE is de Gibeonieten beloofd dat ze in leven zouden blijven en die naam beschermt hen nu.
   

Als ze in de volksvergadering verslag uitbrengen van hun missie, is het volk het er niet mee eens. Die Gibeonieten zijn bedriegers en Kanašnieten, dus die moeten gedood worden. Maar de hoofden van het volk die het verbond gesloten hebben, sluiten zich aan bij het sparen van de Gibeonieten. Ze wijzen het volk op de naam van de HERE die gebruikt is toen het verbond met Gibeon gesloten werd. Die naam van de HERE mag niet door het slijk gehaald worden door meineed en dodelijk bedrog. Dan zou IsraŽl nog een zonde aan de vorige toevoegen. De hoofden van het volk straffen de Gibeonieten op een andere manier: ze maken hen tot houthakkers en waterputters voor IsraŽl: een vernederende baan.
   

De bijbelschrijver laat over dit besluit om de Gibeonieten te sparen, geen afkeurend woord horen. Sterker nog: als eeuwen later koning Saul de Gibeonieten probeert uit te roeien, zegt de HERE dat hij zich daarmee een bloedschuld op de hals gehaald heeft: omdat hij de Gibeonieten gedood heeft (2 Sam. 21:1), terwijl hun in Gods naam was toegezegd dat ze mochten blijven leven. Zů sterk is een belofte die in Gods naam gegeven is. Al is hij op verkeerde en zelfs bedrieglijke wijze tot stand gekomen, hij blijft gelden!

Daaruit leiden we twee dingen af. Allereerst de kracht van een in de naam van de HERE gegeven belofte of ja-woord. Daar kun je je niet zomaar van afmaken of ontslagen van achten. Een roeping in de kerk of een in de naam van God begonnen huwelijk zijn heilig. Beloften bij doop, belijdenis, ambtsaanvaarding en huwelijk gegeven, houden kracht hoe moeilijk het je ook gemaakt wordt. Al heb je tot je schade gezworen ...! Wie beloften in Gods naam gedaan lichtvaardig opzegt, bezondigt zich aan de naam van de HERE!

En het tweede dat we leren uit het sparen van de Gibeonieten is, dat rigorisme geen legaal wapen van de kerk is. Wat is het herkenbaar, die reactie van het volk, als ze merken dat ze bedrogen zijn. Zou je er niet bovenop slaan? Zijn die Gibeonieten geen vuile bedriegers? Moet je bij zulke lieden je aan je woord houden? Kanašnieten moeten toch verdelgd worden? Dat heeft God toch zelf gezegd? Het is de reactie van het radicalisme. Maar IsraŽl mag zich daar niet aan overgeven. Afspraken zijn afspraken, beloften zijn beloften en de naam van de HERE is er niet om er losjes mee om te gaan. Niet door rigorisme, maar door trouw en recht wordt de kerk gebouwd en gezuiverd. De HERE waakt over zijn volk, en niet wij met onze drift en ons doorslaan.
   

Zo blijft Gibeon bestaan in IsraŽl. Dat schept een riskante situatie. Kanašnieten te midden van IsraŽl. Met alle risico van heidense verleiding die dat met zich meebrengt. En toch blijven ze bestaan: uit naam van God Zelf. Zoals ook vandaag de Here zijn volk niet ķit de wereld wegneemt, maar ons doet leven te midden van ongelovigen en mensen die ons verleiden kunnen. De Here Jezus bad voor zijn discipelen vlak voor zijn kruisiging: Ik bid niet, Vader, dat U ze uit de wereld wegneemt, maar dat U ze midden in de wereld bewaart voor de boze. Bewaar ze in uw naam. Die naam, waarin mensen veilig zijn! En dŠŠrin zullen wij onze bescherming dan ook zoeken. Niet in eigen rigorisme, maar in het vluchten tot en belijden van Gods naam. Niet in kracht of in geweld, maar bij Gods Geest.
       


DE STRAF OVER GIBEON (9: 22-27)
Als de volksvergadering zijn besluit genomen heeft, is het aan Jozua om dat besluit aan de Gibeonieten over te brengen. Hij meldt de Gibeonieten dat ze gespaard blijven. Maar dat zal geen zegen voor ze zijn. Jozua vervloekt ze en veroordeelt ze tot de permanente slavenstand van houthakkers en waterputters. Het was een positie waarin ze geen gelijke rechten hadden met de IsraŽlieten en ze dus ook niet het recht hadden om met een IsraŽliet te trouwen. Ze krijgen een vernederende baan. En Jozua voegt daar nog wat aan toe. Ze worden niet alleen hothakkers en waterdragers voor het volk, maar heel speciaal voor de dienst van de HERE in de tabernakel.
   

Door hun slavenwerk in de buurt van de tabernakel wordt hun kwalijke invloed geneutraliseerd. Ze krijgen de kans niet hun eigen goden te dienen, maar staan integendeel bloot voor wat van de tabernakel uitgaat. Dat betekent overigens niet dat ze daardoor nu behouden en gezegend worden. Jozua is heel duidelijk: hij vervloekt ze. Voor behoud is meer nodig dan leven en werken in de buurt van de HERE en zijn huis. Daar is geloof en wedergeboorte voor nodig.
   

De Gibeonieten krijgen wat dat betreft een andere plaats onder IsraŽl dan Rachab, de hoer uit Jericho. Die geloofde en beleed God en vond behoud. Zij werd opgenomen in IsraŽl en zelfs ťťn van de voormoeders van de Here Jezus. De Gibeonieten probeerden alleen hun eigen hachje te redden, niet door geloof, maar door list. Dat zorgde ervoor dat ze onder Gods vloek bleven, hoe dicht ze ook bij Gods huis leefden en werkten.
   

Zo hebben ze hun leven te danken aan de verdraagzaamheid van die God, voor wiens Naam ze vreesden. Ze waren echter uitgesloten van de weldaden van het verbond. Ze waren vervloekten, maar met lijfsbehoud. De satan heeft geprobeerd om deze heidenen tot een valstrik te maken voor het volk van God. Maar daarvan lezen we nergens. God heeft satans plan verijdeld. Jozua roept de mannen van Gibeon bij zich. Dan spreekt hij de vloek over hen uit. Dat is wel niet een eeuwige vloek, maar een verlaging tot slaven. Eigenlijk va1len hier de Chiwwieten onder de ban, zoa1s Jericho. Want ze worden slaven in de tabernakeldienst. Ze worden dus de HERE gewijd. Let op de woorden: u zult voor altijd onze slaven zijn. Het vonnis blijft gelden ook voor hun nageslacht.
   

Tegelijk betoont Hij Zich ook ten aanzien van dit heidenvolk de Getrouwe. Hij heeft ervoor gewaakt dat de gezworen eed niet wordt gebroken. Zie 2 Sam 21. Ook deze geschiedenis vervult ons met eerbied voor onze God. Groot is zijn Naam!

   

     


10 DE HERE STRIJDT VOOR ISRAňL Jozua 10
   


DE KANAńNIETEN WILLEN ZICH WREKEN OP GIBEON (10: 1-5)
In het vorige hoofdstuk zagen we dat de schrik voor de HERE voor de IsraŽlieten uit over de volken van Kanašn was gevallen. Nu gaan we zien dat de HERE zijn Woord waar gaat maken, dat Hij het land aan zijn volk zal geven.
   

Vs. 1 beschrijft dat het verbond van de vijf zuidelijke vorsten onder leiding van Adonisedek twee redenen heeft. Er is vrees voor het feit dat Jericho en Ai zijn verslagen. Verder wil men zich wreken op Gibeon. Nu komen we nog wat meer over Gibeon te weten. Het is een grote stad, de Gibeonieten zijn helden. Je kunt eruit opmaken, dat het uitvallen van Gibeon in de strijd tegen IsraŽl een tegenvaller is. Vandaar het beleg.

Nu valt het meteen op, dat de Chiwwieten al een rol gaan spelen in het volksbestaan van IsraŽl. Ze horen er dus bij, al zijn het tempelslaven. De HERE gebruikt hen om de macht van de zuidelijke koningen te breken. De namen in vs. 3 hebben betrekking op vorsten die hun steden in het bergland van Juda hebben, zoals het later in de Schrift wordt genoemd. Dat Jeruzalem de leiding heeft, komt, doordat dit het dichtst bij Gibeon ligt. Ze hebben haast. IsraŽl mag zo niet doorgaan.
   


DE HERE VERSLAAT DE AMORITISCHE KONINGEN (10: 6-11)
Dan komt de noodkreet bij Jozua. (10: 6) Let op de variatie bij het roepen om hulp. Drie keer. De Amorieten is een verzamelnaam die we uit vorige hoofdstukken al kennen.
   

De Gibeonieten doen dus een beroep op grond van het met hen gesloten verbond. Hier wordt dus Jozua' s eed op de proef gesteld. Het was een eed, waarbij de Naam van de HERE was aangeroepen. Jozua is trouw. Hij snelt te hulp. Met zijn hele leger. Toch (10: 8) gaat hij niet in eigen kracht. Hij zal de HERE hebben geraadpleegd - hij heeft zijn les geleerd blijkbaar -.
   

Want de HERE antwoordt hem. Lees goed die woorden: Jozua moet wel strijden; hij is op de goede weg om Gibeon te helpen, maar Ik geef ze u, niemand zal voor u stand houden. Dat moet niet alleen duidelijk zijn voor Jozua, maar ook voor het hele volk.
   

Vs. 9 laat weer eens zien, dat Jozua een knap militair leider is. Ook al weet hij, dat de HERE de overwinning zal geven, hij is zelf erg actief. De hele nacht marcheert hij met zijn leger door (7 ŗ 8 uur) om de verzamelde legers te overvallen. Het moet een verrassingsactie worden.
   

Uit vs. 10 merken we op, dat de HERE zijn beloften al vervult. Hij brengt verschrikking. Hoe? Het kan zijn dat de HERE dat plotselinge opduiken van Jozua met zijn leger gebruikt. Het kan ook zijn dat die hals-overkop opgetrommelde legers nog geen eenheid vormen. In elk geval, de schrik voor de HERE is zo groot dat ze op de vlucht slaan, nadat ze verslagen zijn.
   

Als je vs. 10 goed leest, zie je hoe de HERE strijdt, en met Hem Jozua. Want die verslaat en vervolgt. De verbonden volken vluchten in noordwestelijke richting naar de vlakte. Tijdens die vlucht laat de HERE zien dat Hij de Schepper is van hemel en aarde, ook van de krachten in de natuur. Hij kan die krachten gebruiken op een heel ongewone manier. Daar is die angstwekkende hagel, waardoor meer vijanden sneuvelen dan door het zwaard van Jozua en zijn mannen! Zo strijdt de HERE voor zijn volk! Net als bij de uittocht en de intocht openbaart Hij hier zijn macht in dienst van zijn volk.
   


DE ZON EN DE MAAN STAAN STIL (10: 12-15)
Lees vs. 12 goed. Jozua bidt eerst. Dat is het belangrijkste. We begrijpen ook waarom. De vijanden zijn wel verslagen. Maar nu is het leger op de vlucht. En straks zullen in schemering en duisternis velen ontkomen. Als hij met IsraŽl nu eens door kan gaan tot de laatste vijand verslagen zal zijn. Maar door de eerste aanval zijn de morgenuren al grotendeels voorbij.
   

Jozua ziet de zon in het zuidoosten staan, terwijl het flauwe schijnsel van de maan in het zuidwesten nog te zien was. Straks zal de zon over zijn hoogste punt heen zijn.
   

Nu moeten we goed kijken naar het begin van vs. 12. ĎIn aanwezigheid van de IsraŽl sprak Jozuaí. Zie, dat hij het uitroept met het hele leger als getuigen. Zij moeten er allen van doordrongen worden, hoe machtig hun God is, dat dit wonder gebeuren kan.
   

Jozua spreekt dan dat wonderlijke gebed uit. Dat werd meteen een gebod tot de zon en de maan. We zien ook hoe groot zijn geloof is. Want God verhoort zijn gebed, zoals Hij nog nooit een mens verhoorde. Deze dag duurt 12 uren langer, want de HERE strijdt voor zijn volk. Het gericht over de Amorieten wordt voltrokken.
   

Geleerden die de Bijbel als Gods Woord verwerpen, noemen dit een verzinsel. Wij weten, dat Gods Geest dit ook voor ons deed optekenen, opdat ook wij het zouden geloven. Die woorden van Jozua stonden ook in het Boek van de Oprechte. Dat is een niet bewaard gebleven geschrift, waarin liederen verzameld zijn die betrekking hadden op Gods machtige daden voor zijn volk. Zie ook 2 Sam. 1:1.
   


GODS STRAF VOLTROKKEN OVER DE VIJF KONINGEN (10: 16-27)
Jozua is er nog lang niet aan toe om naar het kamp terug te keren. De vervolging gaat door. Maar de aanvoerders van de vijand, de koningen, verstoppen zich. De HERE zorgt ervoor, dat ze niet onopgemerkt blijven.
   

Merkwaardig is, dat Jozua zich door hen niet laat ophouden. Zie vs. 18. Eerst moet Gods gebod volbracht zijn. Zie, hoe hij het volk bemoedigt. Vs. 19. We zien weer hoe hij God de eer geeft. Dat moet hun geloof versterken en hun moed geven.
   

Vs. 20 vertelt, hoe de strijd afloopt. Schrik niet van dat woord Ďvernietigend verslagení. Denk niet dat het toch maar wreed is. Want het gaat hier om een gehoorzamen aan de HERE. Hun
zwaarden moeten ze gebruiken op Gods bevel. Het gaat hier namelijk om Gods vijanden.
   

Als ze naar de grot van Makkeda terugkeren, valt ons op, dat de aanvoerders hun voet op de nek van die koningen moeten zetten. Dat was in die dagen gewoon. Men heeft in het begin van deze eeuw de troonzetel van farao Toet-Ank-Amon gevonden. Aan de onderkant was een voetbank aangebracht, waarin negen vijanden van Egypte waren afgebeeld. Als dus de farao op zijn troon zat, plaatste hij zijn voeten op hun nekken. Zie ook Ps. 110:1.
   

Maar een tweede ding is nog opmerkelijker. Als Jozua dat bevel geeft, spreekt hij de woorden uit, die God tot hem sprak voor het volk de Jordaan overtrok. Let vooral op de woorden: zo zal de HERE doen aan al uw vijanden. Weer een belofte.
   

Het doden van de koningen lijkt wreed. Maar we mogen dat woord niet gebruiken, want Jozua voert Gods bevel uit. Ze worden op een gepunte paal gespietst, nadat ze gedood zijn. Daarmee laat Hij zien dat Gods vloek op hen rust. Zie, dat ook hier een gedenkteken aan Gods macht en hulp wordt opgericht.
   


DE STEDEN IN HET ZUIDEN WORDEN VEROVERD (10: 28-43)
De laatste verzen van dit hoofdstuk laten ons zien, hoe Jozua de straf van de HERE over al die steden van het zuiden tot uitvoering brengt. Dat ging niet zomaar, want intussen lezen we van een opvolger van de koning van Libna. Verder moeten we eraan denken, dat hier de ban werd toegepast, zoals aan Ai. Dus het vee en de buit zijn voor het volk. Zie 11: 14.
   

Houd dus goed in de gaten, dat in deze zware tijd niemand werd gespaard. Er werd geen pardon gegeven. Het recht van de God van hemel en aarde werd hier gehandhaafd. Zijn oordeel werd aan de inwoners van het zuiden van Kanašn voltrokken.
   

We zien hoe nauwkeurig de hele tocht wordt beschreven en hoe telkens wordt herhaald, wat men moest doen. Waar de meeste plaatsen lagen, is niet precies na te gaan. Vs. 33 vertelt nog van een koning die Lachis wil helpen, maar die wordt ook vernietigd.
   

Na deze tocht die heel wat tijd in beslag nam, keerde Jozua met het leger terug naar het kamp bij Gilgal. ĎHij veroverde de gebieden van al die koningen op ťťn veldtocht doordat de HEER, de God van IsraŽl, voor IsraŽl streed.í Dit vers 42 geeft precies de kern van dit indrukwekkende hoofdstuk weer.


   

     


11/12 DE HERE GEEFT HEEL HET LAND AAN ISRAňL IN BEZIT Jozua 11 en 12
       


"AAN UW NAGESLACHT ZAL IK DIT LAND GEVEN"
Vooraf wil ik enkele opmerkingen maken. Wie deze hoofdstukken heeft doorgelezen, zal zich afvragen, waarom we dit gaan behandelen. Vooral hoofdstuk 12 bestaat uit een lange rij namen. Ook in hoofdstuk 11 komen heel wat namen voor.
   

Toch mogen we dit niet overslaan. God heeft het in zijn wijsheid nodig gevonden dit op te laten schrijven, ook voor ons. Ook al zijn vaak de gebieden en steden voor ons vandaag niet terug te vinden.
   

Maar toen Jozua dit allemaal optekende of liet optekenen, wilde hij het volk van God ťťn ding vooral op het hart drukken: De HERE heeft zijn beloften aan Abraham helemaal vervuld.
   

Voor de mensen uit die dagen waren al die plaatsen en streken wel bekend. Het volk moest dus diep doordrongen worden van Gods trouw. Want de HERE wilde, dat ze Hem echt zouden liefhebben en dat ze Hem vertrouwden op zijn Woord.
   

Bovendien gaat het niet over heidense koningen, nee het gaat over hun landt Het gaat om het land dat God eens beloofde. Zie 12: 1. Duidelijk zien we dat vanaf 12: 9, waar alleen' de landstreken worden genoemd. Dat land had de HERE al aan Abraham geschonken in belofte. En nu heeft de HERE die belofte vervuld.
   


WAT HEEFT DIT GEDEELTE ONS TE ZEGGEN?
Wat moeten wij met dit gedeelte? Dan moeten we eens kijken naar wat Paulus schrijft in 1 Kor.10:1. Hij heeft het daar over IsraŽl in de woestijn. Hij richt zich tot de gemeente van Korinte, die voor een groot deel uit bekeerde heidenen bestond. Toch zegt hij Ďonze vooroudersí. Daarom geldt dit ook voor ons, afstammelingen van heidense voorouders.
   

Verder kunnen we denken aan wat Paulus aan de gemeente in Rome schreef. Daarvan waren ook heel wat vroegere heidenen lid. In Rom. 11:17 schrijft Paulus over de wilde takken die op de olijfboom zijn geŽnt. Gelovigen uit de heidenen, dus geen geboren Joden, horen er ook bij. Wat de HERE in de dagen van Jozua schonk aan zijn volk, heeft dus ook op ons betrekking.
   

Daarom mogen we niet zomaar zeggen: "Wat saai die namen, laten we die maar overslaan". Want dan doen we tekort aan de trouw van God. En van die trouw van de HERE moeten wij, die zo vaak ontrouw zijn, het toch hebben!
   

We moeten in al die namen zien, dat we te maken hebben met een God die schenkt, wat Hij belooft. Dat is de boodschap die uit die namen tot ons komt. Nu gaan we echt niet al die namen bespreken en al die landstreken. Als we maar onder de indruk komen van het feit, dat de HERE zijn beloften vervult. Ondanks alle zonden en alle ontrouw van zijn volk. Want ten diepste gaat het om de komst van Christus. Die zou in dit beloofde land uit dit volk geboren worden op Gods tijd.
   


HET VERBOND VAN DE NOORDELIJKE KONINGEN TEGEN ISRAňL (11:1-5)
We zien dat ook de koningen van het noorden een coalitie gaan vormen, zodra ze van IsraŽls zegetocht gehoord hebben. (vs. 1) Die Jabin is ongetwijfeld een belangrijk vorst geweest. Hij neemt de leiding. Zijn stad lag dan ook op een belangrijke plaats. Namelijk aan de handelsweg van SyriŽ naar Egypte. Verder lag die stad in de buurt van de Jordaan. Van belang uit oogpunt van de handel, maar ook militair van betekenis.
   

De andere vorsten doen wat hij voorstelt. Het wordt een geweldige legermacht. Zie vs. 4. Zo groot als IsraŽl niet had gezien. Bovendien tot de tanden gewapend met zeer veel paarden en strijdwagens.
   

De HERE heeft het zo geleid, dat Jozua niet het hele volk tegelijk tegen zich kreeg. Eerst het zuiden en daarna het noorden. Hierin zien we de Vaderlijke zorg van de HERE voor zijn volk. We leren Hem weer kennen van een bepaalde kant. Hij zou gemakkelijk de hele vijandelijke legermacht in ťťn klap kunnen vernietigen, maar dat doet Hij niet. Zo is ook onze God. Dat is zijn wonderbaar beleid.
   



DE HERE GEEFT DE NOORDELIJKE KONINGEN IN DE MACHT VAN ISRAňL (11:6-9)
Als je nauwkeurig vs. 6 leest, zie je de belofte van de HERE aan Jozua: Ik zal dat leger aan u overleveren. Het komt dus van Hem. Dat betekent niet, dat Jozua maar rustig moet zitten wachten. Dat zagen we al eerder. Het geloof dat de HERE alle dingen leidt en bestuurt, maakt ons niet tot zorgeloze mensen. Jozua kende zijn verantwoordelijkheid.
   

Bij de belofte van vs. 6 zien we meteen een eis, een voorwaarde: het verbranden van de strijdwagens en het verlammen van de paarden. De volken van Kanašn hadden daarop hun vertrouwen gevestigd. Je zult je misschien afvragen, of dat verlammen wel nodig was. Het antwoord moet luiden: De HERE Zelf gaf dit gebod.
   

We weten uit de koningswet uit Deuteronomium 17, dat de HERE zijn volk juist gewaarschuwd had niet op paarden en wagens te vertrouwen. Ook de toekomstige koning niet. Ze moesten alleen op de HERE hun vertrouwen stellen. Dat was ťťn van de achtergronden van het gebod van de HERE.
   

Er is nog een kant aan deze zaak. De HERE had de Kanašnieten van het zuiden gestraft. Hij had daarbij de zon en de maan ingeschakeld. Die werden door de volken van Kanašn vereerd als goden. Op dezelfde manier laat de HERE zijn grootheid zien door de paarden te laten delen in het oordeel dat Hij over de Kanašnieten brengt. De maat van de misdaden van de Amorieten is nu vol. (Gen. 15:16).
   

Hoe de HERE de koningen in de macht van IsraŽl gaf, weten we niet. In ieder geval wordt het leger uiteengeslagen naar alle richtingen. Zelfs tot aan de Middellandse Zee. Wie ingehaald wordt, vindt de dood. Vs. 9 vertelt nadrukkelijk dat Jozua met stipte gehoorzaamheid Gods bevel uitvoert. De strijdwagens worden verbrand en de strijdpaarden verlamd. Belangrijk ook voor het volk. Het moet niet op aardse machten zijn vertrouwen stellen, maar het verwachten van de HERE alleen.
   


JOZUA VOERT NAUWGEZET DE OPDRACHTEN VAN DE HERE UIT (11:10-15)
De HERE had aan Mozes bevelen gegeven, die betrekking hadden op de verovering van Kanašn. Mozes had die bevelen weer doorgegeven aan Jozua. Wanneer we Jozua bezig zien als leider van het volk, moeten we dat goed in de gaten houden. Hij handelt niet op eigen houtje. Nee, hij voert de opdrachten van de HERE uit.
   

We zien dat, wanneer hij het oordeel voltrekt over Hasor. Dat was de belangrijkste stad. Met de levende wezens worden alleen de mensen bedoeld. Zie vs. 14. Ook valt op dat alleen Hasor wordt verbrand. Vs. 13 zegt immers, dat steden die op heuvels lagen, niet verbrand werden. Zo'n heuvel wordt ook wel een tel genoemd (denk aan Telaviv). Men had de gewoonte op de puinheuvel van een verwoeste of verbrande stad een nieuwe stad te bouwen. Jozua heeft dus niet alle steden verbrand.
   

Ook de steden van de Kanašnieten gaf de HERE zijn volk in bezit. Zie Deut. 20:16. Het volk mocht dus in die steden gaan wonen. Alleen Hasor wordt verbrand als voorbeeld voor de andere steden. Het was immers de belangrijkste stad.
   

IsraŽl mag zich verheugen in de buit. Ze mogen genieten van het goede in deze wereld, die Gods wereld is. Dat zit ook achter dat niet-verbranden. Alleen mag IsraŽl op geen enkele wijze gemeenschap hebben met de goddeloze bevolking. Die lag onder Gods vloek. Het oordeel werd over deze volken voltrokken.
   

Let nog in vs. 15 op het drie keer benadrukken van het feit dat Jozua in al wat hij deed, handelde in overeenstemming met het bevel van Mozes. Hij weet zich steeds met hem verbonden. En Mozes had zijn opdrachten rechtstreeks van de HERE. Alles wat hier gebeurt bij de verovering van Kanašn, was naar Gods plan.
   


OVERZICHT VAN DE VEROVERING VAN KANAńN (11:16-23 en hoofdstuk 12)
Wat hier beschreven wordt, is een samenvatting van wat Jozua meemaakte bij de verovering van Kanašn. Dat heeft zeven jaren in beslag genomen. Zie Jozua 14: 6-10. Dat is een heel lange tijd. Zo heeft de HERE dus zijn volk ingeschakeld bij het in bezit nemen van hun erfdeel..
   

Een belangrijke tekst is vs. 20. Het hart van de Kanašnieten was eigenzinnig. De HERE had dat zo beschikt. Dat houdt verband met de maat van misdaden die vol was. Het tijdstip van het gericht was gekomen. De volkeren piekerden er niet over zich te onderwerpen.
   

Ze boden hevig verzet. Dat was leiding van de HERE. Op die manier werd IsraŽl gedwongen ze te doden. Ze mochten de HERE meehelpen de vloek over Kanašn te voltrekken. Apart worden de Enakieten genoemd. Dat waren reuzen. Denk aan wat de verspieders bij Kades aan het volk hadden gezegd: de inwoners zijn Enakieten; wij zijn bij hen vergeleken maar sprinkhanen. Ze wilden ermee zeggen: ze zijn onoverwinnelijk. Nu zien we dat er alleen nog maar over zijn in het land van de Filistijnen.
   

Vs. 23 grijpt al vooruit (het gaat hier immers om een overzicht) op wat in het tweede deel van het boek Jozua wordt verteld. De verdere verovering van het land, de uitroeiing van Gods vijanden en de verdeling. Wat hier staat over dat rusten van de strijd is dus een kwestie van langzamerhand gaan rusten.
   

De HERE heeft zijn Woord gehouden. De God die beloofde, is ook een God die schenkt. Hij vervult zijn belofte aan Abraham. Zo zal de HERE zijn belofte over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde ook vervullen. De koningen en hun rijken uit hoofdstuk 12 zijn vernietigd. Zo zullen eens alle antichristelijke machten vernietigd worden. Gods kinderen zullen dan het eeuwige Kanašn beŽrven. Heerlijk vooruitzicht!

       
     


13 HET OVERJORDAANSE ALS ERFDEEL VAN DE HERE VERDEELD Jozua 13
   


DE HERE GEEFT ONS GELOOFSONDERWIJS
Als je dit hoofdstuk hebt doorgelezen, denk je misschien: alweer al die namen en
plaatsen. Het lijkt wel aardrijkskunde. Je gaat ook dit gedeelte pas begrijpen, als alle
nadruk valt op wat de HERE doet. Hij Zelf voert uit, wat Hij beloofd heeft.
   

Als we dat goed voor ogen houden, zullen we zien dat dit hoofdstuk geen saaie opsomming is van namen. Nee, we mogen er juist in gaan zien, hoe groot en hoe trouw de HERE is. Hoe goed Hij voor zijn volk zorgt, als de hemelse Vader, als de God van het Verbond. Toen - voor zijn volk uit die dagen, maar ook voor ons vandaag.
   

Dan gaan we er iets van begrijpen, dat hier geen onderwijs in aardrijkskunde wordt gegeven, hoe belangrijk ook. De HERE geeft ons geloofsonderwijs. Want door zijn Woord en de bespreking ervan, ook op jullie vergadering, wil Hij werken aan de versterking van ons geloof. En dan zullen we proberen telkens te ontdekken, hoe onze trouwe Verbondsgod te werk gaat. We gaan niet al die plaatsen en streken apart bespreken, maar zoeken naar de hoofdlijn van dit hoofdstuk.
   


DE HERE WIL DAT JOZUA EERST HET LAND VERDEELT (13: 1-7)
Met hoofdstuk 13 begint het tweede deel van het boek Jozua. In het eerste deel kreeg Jozua de opdracht het land binnen te trekken en de vijandige Kanašnieten te verslaan. Zie Jozua 1:2-9. Nu geeft de HERE hem opnieuw een opdracht: hij moet het land gaan verdelen. En dat terwijl de eerste opdracht nog niet helemaal voltooid was. Er waren streken die nog niet veroverd waren.
   

Daarover hoefde Jozua zich geen zorgen te maken. Prachtig is de belofte van de HERE in vs. 6. Hij Zelf zal de vijanden voor hen verdrijven. Het was immers Gods strafgericht over de volkeren van Kanašn, de Amorieten!
   

De HERE noemt heel precies al de plaatsen en streken op, die nog niet veroverd zijn. Het gaat om het zuidwesten- van Kanašn, de kuststreek en het uiterste noorden. Jozua mocht er vast van overtuigd zijn, dat Gods verbond met Abraham zonder uitzondering vervuld zou worden.
   

Jozua is oud geworden. De HERE vindt het niet nodig, dat hij verder voor Hem strijdt. God heeft voor Jozua een andere taak. Hij mag het land gaan verdelen. Dat Jozua dit mag gaan doen is Gods bijzondere gunst. Hij mag ook hierin instrument van de HERE zijn.
   

Voordat Jozua aan zijn verdeling toekomt, wordt de verdeling van het Overjordaanse nauwkeurig weergegeven. Dat is niet per ongeluk. Want de HERE wil juist laten uitkomen, dat het hier gaat om zijn volk als eenheid. Het gaat om het ťne werk van de HERE, de vervulling van de ťne belofte: het land Kanašn voor de twaalf stammen. Die twee en een halve stam horen er even goed bij als de rest. Je moet ook niet vergeten, dat de soldaten van de Overjordaanse stammen vooraan gingen bij de verovering van de rest van het land.
   

Wat in de verzen 8-32 wordt vermeld, is een herinnering aan Gods grote genade, dat Hij ook deze streek aan het volk wilde geven. Let erop, dat de naam van Mozes hier telkens wordt genoemd: vs. 8, 15, 24, 29, 32, 33. Ook daarin komt de eenheid van Gods werk duidelijk uit. Jozua mag afmaken, wat Mozes moest beginnen. Verschillende mensen mogen meewerken aan het ťne werk van de HERE.
   


DE GRENZEN VAN HET OVERJORDAANSE (13: 8-14)
In 12: 2-5 was al aangegeven wat allemaal tot het Overjordaanse behoorde. In dit gedeelte wordt het opnieuw gedaan, zij het met andere woorden. De HERE had dit in zijn wijsheid en trouw zo beschikt. Maar tussen al die verwijzingen naar Gods trouw, lezen we ook van de ontrouw van het volk. Machtige koningen, reuzen zelfs, werden verslagen, maar het grondgebied is niet gezuiverd van vijanden. Dat had de HERE wel opgedragen.
   

In vs. 14 (ook in vs. 33) herinnert de HERE eraan, dat bij de verdeling Levi geen land als erfbezit krijgt. De HERE zal zijn erfdeel zijn. Ook dat was beloofd via Mozes. Zie Num. 18: 20 en Deut. 18: 1. Dat is voor Levi geen achteruitzetting, nee, het is eigenlijk het beste deel. Ook Levi mag genieten van het beloofde land. Deze stam moet er alleen anders voor werken.
   

Maar zij mogen ook delen in de door God beloofde voorspoed en overvloed. Geen discriminatie dus. Een deel van de aan God gewijde offers is voor hen en hun gezinnen. Bovendien krijgen ze bepaalde steden met weiden voor hun vee. Zie 14: 4.
   


HET ERFDEEL VAN DE STAM DER RUBENIETEN (13: 15-23)
Ruben ontving het gebied ten oosten van de Dode Zee. Kijk maar op de kaart. Mozes had dit in Numeri 32 al uitvoerig toegewezen. Nu wordt dit herhaald. Ieder werd hierdoor geroepen tot dankbaarheid. Ze konden ook geen ruzie maken over de grenzen van hun gebied.
   

Vs. 21 en 22 laten zien dat de Rubenieten wonen op een historisch plekje. Het was het gebied van de vijf koningen van de Midjanieten. Zie Num. 31. Apart wordt melding gemaakt van de valse profeet Bileam, die een belangrijke rol speelde in de geschiedenis van IsraŽl. Christus was in eigen persoon in actie gekomen om de aanslag van de satan door middel van Bileam te verijdelen (zie Num. 22: 22-35).
   


HET ERFDEEL VAN DE GADIETEN EN DE HALVE STAM VAN MANASSE (13: 24-33)
Gad ontving een gebied dat lag ten noorden van Ruben tot ongeveer het meer van Genesaret. Ten noorden daarvan woonde de halve stam van Manasse. Dat die stam in tweeŽn was verdeeld, was geen straf. Het was een beloning voor het verslaan van Og de koning van Basan. Het werd toegewezen aan de zonen van Machir, niet allemaal, maar voor de helft.
   

In vs. 33 wordt opnieuw over Levi gesproken. Er is wel een verschil met vs. 14 .Nu worden niet de offeranden hun erfenis genoemd, maar de HERE Zelf. Dit stemt overeen met de belofte van de HERE in Num. 18: 20. Dat wil zeggen dat het beste deel van de erfenis voor de stam van Levi is.

       
     


14 DE HERE GEEFT KALEB HET GEWENSTE ERFDEEL Jozua 14
   


BEGIN VAN DE VERDELING VAN HET LAND KANAńN (14: 1).
Na jarenlang rondtrekken in de woestijn was het volk van God eindelijk in het beloofde land aangekomen. De HERE had Zelf zijn vijanden verslagen. Het volk mocht daarbij meewerken. Nu moest het land eerlijk verdeeld worden onder de verschillende stammen. Zoals in ieder land waren ook in het land Kanašn streken, waar iedereen wel wilde wonen.
   

Hoe de verdeling moest plaats vinden, hoefde het volk niet zelf te bedenken. De HERE had in zijn voorzienigheid daarvoor gezorgd. Lees in dit verband Numeri 34: 13-29. De HERE noemde daar in vs. 17 ook als eerste de priester Eleazar. Dat wijst op het heilige van de handeling. Eleazar is de vertegenwoordiger van de HERE. De HERE gaat Zelf door het lot aanwijzen, welke landstreek elke stam zal krijgen.
   

Nog meer mensen worden genoemd, nl. de oudsten. Dat zijn de opvolgers van de stamvaders, de oudsten onder de familiehoofden. Dus niet wat willekeurige mensen. Lees maar Numeri 34: 16-21. Daar moet Mozes hen al aanwijzen van de HERE. Waarom moeten die erbij zijn? Wel, opdat alles ordelijk zal gaan, zodat er geen onrechtvaardigheid of partijdigheid zullen voorkomen.
   


VERDELING DOOR HET LOT (14: 2-5)
Heel opvallend is de manier waarop het land wordt verdeeld: door middel van het lot. Hier leren we de HERE weer op een bepaalde manier kennen. Wij zouden misschien zeggen: deze stam hier en die stam daar. Zo niet de HERE. Hij gaat soeverein een heel eigen weg. Lees daarbij Spreuken 16: 33.
   

Hoe de loting plaats vond, weten we niet precies. Oude Joodse boeken, geschreven door rabbijnen, zeggen dat er twee bussen waren. Eťn met de namen van de stammen erin. De ander met de strookjes, waarop de landstreek stond. Ieder van de genoemde oudsten in de volgorde waarin ze uit de eerste bus getrokken werden, mocht nu een strookje uit de tweede bus nemen.
   

Maar het is de HERE die aanwijst. En het wonderlijke is, dat de begrenzing van de landstreek precies overeenkomt met Gods beloften, zoals Jakob die al profeteerde op zijn sterfbed en Mozes bij zijn afscheid.
   

Denk erom, dat wel de landstreken door het lot zijn bepaald, maar niet de grootte van het erfgebied. Een grote stam, dus met veel mensen en vee, krijgt groter grondgebied dan een kleinere stam. Al deze dingen heeft het volk geweten. Al die jaren kenden ze de belofte uit Num. 34 al.
   

Nog een ding valt op in vs. 4. Jozef krijgt in zijn twee zonen een dubbel erfdeel. Zo blijft het zonder de stam van Levi toch 12 stammen.
   

Bedenk ten slotte steeds dat ook dit verdelen van het land een kwestie van geloofsgehoorzaamheid is. Zoals de HERE Mozes geboden had, zo hebben de IsraŽlieten gehandeld, toen zij het land verdeelden.
   


HET VERZOEK VAN KALEB (14: 6-15)
Niet al het land wordt door het lot verdeeld. Een uitzondering wordt gemaakt voor Kaleb. Hij was het hoofd van de stam van Juda. In die functie was hij bij de verdeling van het land betrokken. Kaleb komt nu met een verzoek bij Jozua. Daaruit blijkt dat hij Jozua erkent als de aangewezen leidsman. Hij onderwerpt zich aan de orde, door God gesteld.
   

Kaleb vraagt een bepaald deel van het bergland van Judea. Het is juist de streek waar de Enakieten woonden. De tien verspieders hadden indertijd geklaagd, dat die onoverwinnelijk waren. Het verzoek van Kaleb was daarom een daad van geloof en moed. Hij zal niet in eigen kracht aan de verovering van dit gebied beginnen. Hij vertrouwt op de hulp van de HERE. Zie vs. 12. Hij wil op deze manier de smet die toen op de naam van Jahweh was gekomen, wegnemen.
   

Jozua was op de hoogte van de belofte van de HERE (zie vs. 6). In Num. 14: 24 lezen we alleen dat Kaleb in Kanašn zou komen. Dat wil niet zeggen, dat de HERE toen niet over de precieze plaats gesproken heeft. Jozua zelf is getuige geweest van de belofte van de HERE (zie vs. 6-12). HERE had het immers toegezegd! Dan zegent hij Kaleb. Dat houdt meer in dan een soort felicitatie. Hij bidt hem Gods hulp toe bij de strijd die Kaleb wacht.
   

Zo ontving Kaleb Hebron als erfdeel. Later stond hij toe dat het een Levietenstad werd. Een vrijstad dus. Nadrukkelijk vermeldt de schrijver, dat Kaleb de stad kreeg, omdat hij volkomen trouw gebleven is aan de HERE, de God van IsraŽl.
   

Dit is genadeloon. Zo zegent de HERE zijn trouwe knechten. Het gaat niet om dat loon. Het trouw mogen dienen van de HERE geeft al diepe vreugde. Het is een bijzondere gunst van de HERE dat Hij boven die vreugde een genadeloon in Christus wil schenken. Daarbij is het niet verkeerd te letten op de vergelding (zie Hebr. 11: 26). Die vergelding kan stimuleren nog meer te doen in de dienst van de HERE.
   

Het volk krijgt de rust, het land der erfenis, uit Gods hand. Ik (13: 6) geef het u. Straks zal het land erfdeel zijn van Gods volk. Daarin vraagt de HERE geloof, zoals Hij dat vandaag nog van ons vraagt.

       


     


15/19 HET BELOOFDE LAND ALS ERFENIS VAN DE HERE VERDEELD Jozua 15-19
   


DE HERE DOET ALLES UITKOMEN
Je ziet dat het een groot stuk is, dat we gaan bespreken. We zullen de belangrijkste punten uit deze hoofdstukken nagaan. We moeten daarbij proberen de lijn die door het boek loopt, de boodschap die erin zit, in het oog te houden.
   

Al die namen, geven ťťn boodschap door: onze God is een betrouwbare God. Hij heeft een erfenis beloofd. Hij heeft die ook gegeven. We kunnen op Hem aan. Hij is de Rots, op wie we kunnen bouwen. De HERE doet alles uitkomen.
   


JUDA KRIJGT ALS EERSTE ZIJN ERFDEEL TOEGEWEZEN (15: 1-12)
Het uitloten van het beloofde land gaat nu echt beginnen. De HERE leidt het zo, dat Juda, de koningsstam, als eerste de erfenis in ontvangst mag nemen. Daarover gaat hoofdstuk 15. In de verzen 1-12 worden de grenzen van het erfdeel van Juda beschreven.
   

Let erop, dat God het ook zo beschikte, dat Kaleb midden tussen zijn stamgenoten kwam te wonen. Het erfdeel van Juda ligt in het zuiden van Kanašn. Daaronder valt straks ook Jeruzalem. Dat heette toen nog Jebus en was nog niet veroverd. Het was belangrijk en vruchtbaar gebied. Zie daarvoor Gen. 49 : 11.
   


KALEB NEEMT HEBRON IN MET GODS HULP (15: 13-19)
We letten op vs. 13 en 14. We zien, dat er dus reuzen voorkwamen, maar dat Kaleb ze verdrijft. Deze geschiedenis lezen we ook in Richteren 1: 10-15. Die Enakieten waren door Jozua destijds verdreven. (11: 21vv). Kennelijk zijn ze naar dit gebied teruggekeerd.
   

Verder gaat het over Debir. Dat was een heidense priesterstad, de boekenstad, stad van geleerden. Zie je, dat de stad moeilijk in te nemen is? Kaleb heeft zijn dochter Achsa ervoor over als een soort prijs. Ze weet bij voorbaat dat ze een sterke, moedige echtgenoot zal krijgen. Het wordt OtniŽl, de latere richter.
   

Wegens gebrek aan water was Debir niet zo vruchtbaar. Achsa komt met OthniŽl overeen vruchtbaar land van haar vader te vragen. Ze rijdt op een ezel naar Kaleb. Als ze hem ziet, springt ze van haar ezel af. Dat is in het oosten een bijzonder bewijs van eerbied Bovendien een teken, dat ze iets te vragen heeft: waterbronnen. Kaleb is niet vrekkig in het schenken, zoals je ziet.
   


OVERZICHT VAN DE STEDEN VAN JUDA (15: 20-63)
Het gebied dat Juda ontvangt als erfdeel ligt vol met steden. Dat mag je zien als een vervulling van de profetie van Jakob in Genesis 49: 8-12. Kijk naar de inleiding: de HERE doet alles uitkomen.
   

Jeruzalem lag in het grensgebied tussen Juda en Benjamin. Het was aanvankelijk Benjamin toegewezen. Maar die stam maakt geen aanstalten om het te veroveren. Maar Jebus (dat is de eigenlijke burcht van Jeruzalem) blijft een bedreiging vormen. Uit Richt. 1: 8 weten we dat Juda deze belangrijke stad wel heeft veroverd, maar pas koning David heeft de burcht ingenomen. Zie 2 Sam. 5: 6vv.
   

Dat de JudeeŽrs Jeruzalem niet konden veroveren, is een beschuldiging aan het adres van het volk. Ze hadden immers zulke heerlijke beloften? Hier zien we dat er dus eigenlijk nog getwijfeld werd aan Gods trouw. Er was niet een volkomen geloofsgehoorzaamheid. Nog een paar voorbeelden: in 16: 10 "niet verdrijven"; in 17: 12, 13 "maar ze konden hen niet verdrijven". Ze deden hiermee de HERE groot verdriet. Toch bemoedigt Hij het volk: Kijk maar naar 17: 18. Daar zegt de HERE nog eens, dat ze zelfs niet bang behoeven te zijn voor de strijdwagens van ijzer!
   

Je moet goed begrijpen, dat die achtergebleven Kanašnieten een bedreiging vormden. Ze wilden niet alleen hun gebied terugveroveren. Maar vooral de Bašldienst zou het volk tot afval van de God van het verbond kunnen brengen. De listige IsraŽlieten hebben die restanten van de oorspronkelijke bewoners gedwongen tot slavendienst. Maar de HERE verfoeit dat. Vanuit die plekken dreigt de afgoderij straks toch weer binnen te dringen. Vandaar Gods strenge gebod: uitroeien.
   


HET ERFDEEL VOOR JOZEFS ZONEN (Jozua 16 en 17)
Hierna komen de kinderen van Jozef aan de beurt: EfraÔm en Manasse's halve stam. Ze trekken een gemeenschappelijk lot, want ze moeten bij elkaar blijven. De HERE heeft het lot zo beschikt dat de belangrijkste stammen nl. die van Juda en Jozef het eerst hun erfdeel ontvangen. De zegeningen van Ruben waren namelijk op Juda en Jozef overgegaan.
   

Bij de verdeling van Manasse willen we nog even aandacht schenken aan de dochters van Selofchad. Daarvoor moet je nog eens nalezen Numeri 27: 1-11. In Jozua 17: 3 en 4 komen dezelfde dochters van Selofchad voor. Wat ze aan Mozes gevraagd hadden en wat de HERE zelf had beloofd, ontvangen ze hier uit zijn hand. Let weer op de inleiding: de HERE doet alles uitkomen. Wat is het bemoedigend om dit steeds weer op te merken!
   

Ten slotte willen we aandacht besteden aan de klacht van de nakomelingen van Jozef. Dat zijn dus de beide stammen EfraÔm en half Manasse. Ze zijn niet tevreden met de grootte van hun erfdeel. Eigenlijk is dit verzet tegen God.Voor Jozua was dit een moeilijk probleem. Hij behoorde namelijk zelf tot de stam EfraÔm. Let erop hoe waardig en nuchter hij antwoordt. Ook strikt rechtvaardig. Hij bevoordeelt zijn stamgenoten niet. Ze mogen het bosgebied erbij hebben, maar ze moeten wel zelf de bomen kappen!
   


VERDELEN VAN DE OVERIGE ZEVEN STAMMEN (Jozua 18 en 19)
Uit het geheel blijkt, dat de zeven stammen maar rustig bij elkaar blijven. Ze zijn dus ongehoorzaam aan het gebod van God: "Verover het land". Jozua is intussen door gegaan met het uitvoeren van Gods plan. Er komt een centraal punt voor de eredienst aan de HERE. Niet in Gilgal maar in Silo. Dat God dit gebood, lezen we in Jer. 7: 12. Daar in Silo pakt Jozua de overige stammen aan (zie 18: 4). Die 21 mannen gaan de rest van het land beschrijven en verdelen. Als ze met een verdelingsplan zijn gekomen, begint Jozua met de toewijzing door middel van het lot.
   

Benjamin krijgt een erfdeel dat grensde aan dat van Jozef. De nakomelingen van Rachel mochten dus naast elkaar leven. Benjamin was na Jozef de meest geliefde zoon van vader Jacob. De stam Benjamin was op die van Simeon na de kleinste.
   

In 19: 9 lezen we dat. Simeon een deel van Juda krijgt. Dat heeft zo'n groot gebied veroverd, dat er wel een stuk af kan. Simeon was de kleinste stam. Hier doet de HERE in vervulling gaan wat voorzegd was in Genesis 49: 7. Ook wat de vloek betreft, zien we: de HERE doet alles uitkomen.
   

Hoewel de HERE die vloek ten opzichte van Levi veranderd heeft in een zegen, gaat er toch ook geen letter van verloren. Want Levi krijgt een aantal steden verspreid over alle stammen. Dus ook hier wordt Gods belofte vervuld.
   

In 19: 49 en 50 zien we hoe Jozua een eigen erfdeel krijgt in het gebied van zijn eigen stam EfraÔm. Let vooral op de woorden: overeenkomstig de opdracht van de HEER. Prachtig trekje van Jozua: hij denkt niet allereerst aan zichzelf als er iets te verdelen valt. Zo kwam er een einde aan de verdeling van het beloofde land zoals de HERE had opgedragen.

       


     


20 GODS BEVEL OVER DE VRIJPLAATSEN WORDT UITGEVOERD Jozua 20
   


DE HERE BEVEELT JOZUA VRIJPLAATSEN AAN TE WIJZEN (20 : 1-3).
De HERE is een God van gerechtigheid, maar ook van genade. Dat komt heel duidelijke naar voren, wanneer we ons bezighouden met moord en doodslag in het oude testament. Als er sprake is van moord met voorbedachten rade, is Gods wet onverbiddelijk: de doodstraf. Die werd voltrokken door steniging of met het zwaard. De Romeinen voerden de kruisiging in.
   

Het kon ook voorkomen, dat iemand zonder opzet werd gedood. In Exodus 21: 13 had de HERE via Mozes aan zijn volk beloofd een plaats aan te wijzen waarheen iemand kon vluchten die tegen zijn wil iemand had gedood.
   

Nu gaat de HERE die belofte vervullen door het aanwijzen van de laatste drie vrijplaatsen. In die steden mocht hij dus een toevlucht zoeken. Hij was daar beschermd tegen de bloedwreker. Het niet meer mogen wonen op zijn geboortegrond, bij familie en gezin, was natuurlijk een straf. Maar veel meer was het verblijf in een vrijstad een mogen schuilen ond~r de vleugels van Gods genade.
   


VRIJPLAATSEN TER BESCHERMING TEGEN BLOEDWRAAK (20: 4-5)
In de wet werd heel precies de bloedwraak geregeld. De nabestaande had de plicht het bloed van een vermoord familielid te wreken. Daar kon hij niet onderuit. In elke familie was een man aangewezen als bloedwreker. Als iemand uit zijn geslacht was gedood, moest hij dit slachtoffer wreken door de dader te doden. Dat was geen heidense gewoonte. Nee, het was een uitdrukkelijk bevel van de God van het verbond.
   

De dader mocht voor de bloedwreker vluchten naar de dichtstbijzijnde vrijstad. Alleen moest er eerst door de stadsoudsten onderzocht worden, hoe alles in zijn werk was gegaan. Zij moesten vaststellen of iemand inderdaad onschuldig was. Omdat de zes vrijplaatsen tegelijk Levietensteden waren, ligt het voor de hand, dat er ook mannen uit de stam van Levi tot de raad van oudsten behoorden.
   

Als iemand schuldig werd bevonden aan moord, dan werd hij uitgeleverd aan de bloedwreker. Was hij onschuldig, maar dan moest er meer dan ťťn getuige zijn, dan was hij vrij in de vrijstad. Maar nooit daarbuiten, want dan mocht de bloedwreker hem doden.
   


VERZOENING DOOR DE DOOD VAN DE HOGEPRIESTER (20 : 6-9)
Zo'n man die toevlucht zocht in een vrijstad, bleef daar tot aan de dood van de hogepriester. Dat kon lang zijn, maar ook een kwestie van een paar dagen. Hij is immers de middelaar. Hij vertegenwoordigt het volk bij de HERE. Hij gaat ieder jaar met het bloed der verzoening naar de ark om dat daar te sprenkelen.
   

Als er nu een nieuwe hogepriester optreedt om het volk met God te verzoenen, moest deze vernieuwing alle haat verzoenen. De doodslager mocht zonder vrees voor bloedwraak naar huis en haard terugkeren.
Let er goed op, dat de dood van de hogepriester volkomen verzoening bracht.
   

Zie je de verwijzing naar onze grote Hogepriester, onze Heiland! In de brief aan de HebreeŽn wordt op prachtige wijze geschreven over Christus als Hogepriester. Daar wordt de schatkamer van ons heil ontsloten. Hij is met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij eeuwige verlossing verwierf. (Hebr. 9 : 12).
   

Nu moet je voor jezelf eens hardop lezen Hebr. 9: 24-28. Dan zie je iets van de ontzaglijke rijkdom die we in Christus mogen bezitten. Hij is in de hemel ons ten goede. Hij heeft eenmaal als Hogepriester Zichzelf geofferd om de zonde weg te doen!

           
     


21 DE HERE GEEFT DE BELOOFDE STEDEN AAN DE LEVIETEN Jozua 21
   


DE LEVIETEN ONTVANGEN DE HUN BELOOFDE STEDEN (21: 1-3)
De stammen hebben hun erfdeel ontvangen. De vrijplaatsen zijn vervolgens aangewezen. Dan komen de familiehoofden van de Levieten bij Eleazer en Jozua om hun erfenis. Het zal geen erfdeel zijn als van de andere stammen.
   

De Levieten ontvangen geen eigen erfdeel. Er moeten steden aangewezen worden waarin zo mogen wonen. Ook zullen ze weilanden krijgen voor hun vee.
   

Weet je nog waarom de stam van Levi geen eigen grondgebied mocht bezitten? Dat was de vervulling van de vloek die vader Jakob stervend, als profeet, over Levi had uitgesproken. Zoek maar eens op in Gen 49: 7. Levi had met zijn broer Simeon de stad Sichem uitgemoord, nadat Jakob een verbond met de vorst en zijn onderdanen gesloten had.
   

Na de geschiedenis met het gouden kalf, waarbij Levi voor de HERE had gekozen en niet had deelgenomen aan het feest, is die straf niet opgeheven. Maar de straf is veranderd. Zij kozen voor de HERE. Nu koos de HERE hen uit als priesterstam. Dat is dus een soort eerherstel. Maar ze ontvangen geen eigen erfdeel. De HERE was hun erfdeel! Num. 18: 20.
   


DE VERDELING VAN DE LEVIETENSTEDEN (21: 4-8)
De stam van Levi was verdeeld. in drie geslachten: de Kehatieten, de Gersonieten en de Merarieten, naar de drie zonen van Levi. Zie Num. 3: 17. De Kehatieten waren het belangrijkste. Tot hen behoorden de priesters: nakomelingen van Ašron.
   

Eerst wijst de HERE door middel van het lot aan de priesters hun plaatsen aan. Zij kregen hun steden juist daar waar de HERE zijn heiligdom wilde oprichten. Dat is Gods raadsbesluit. Zo goed zorgt Hij voor zijn volk, dat de kinderen van Ašron komen te wonen bij de koningsstam Juda. In Juda (en de aan deze stam toegevoegde stam van Simeon, en in het aangrenzende Benjamin) kregen de priesters dertien steden toegewezen. Een groot getal als je het vergelijkt met de andere aantallen.
   

Hier zie je opnieuw hoe heerlijk de God van het verbond Zich openbaart. Hij leidt de verdeling van de steden zo, dat de priesterstam en de koningsstam samenwonen. Want temidden van hen zal de HERE straks wonen in de tempel.
   

De rest van de Kehatieten krijgt nog eens tien steden. De nakomelingen van Gerson krijgen er 13 en die van Merari 12. Samen 48 steden. Dat lijkt heel wat. Maar je moet bedenken dat de steden in Kanašn niet groot waren. Bovendien waren de Levieten niet de enige bewoners. Ze ontvingen het benodigde aantal huizen plus de weidegronden die ze nodig hadden.
   


DE TAKEN VAN PRIESTERS EN LEVIETEN (Zie Numeri 18: 1-7; 21-24)
Heel nauwkeurig heeft de HERE bepaald wie Hem in de tempel moesten dienen. Ašron en zijn nageslacht waren aangewezen om priesters te zijn. Ze moesten lichamelijk en geestelijk zonder enig gebrek zijn. Tot hun hoofdtaken behoorden
1. het offeren op het brandofferaltaar en het reukofferaltaar;
2. het zegenen van het volk in de naam des HEREN, na het brengen van het dagelijkse offer;
3. het bidden. Daarnaast waren er nog heel wat andere taken: onderwijs geven, recht spreken enz. Aan het hoofd van de priesters stond natuurlijk de hogepriester.
   

De Levieten moesten hulpdiensten verrichten in het heiligdom. In de woestijn waren ze behulpzaam bij het vervoer, afbreken en opzetten van de tabernakel. In Kanašn zorgden ze voor het schoonhouden van de tempel. Ze hielpen de priesters bij het klaarmaken van de offerdieren. Ook was hun de tempelzang en het spelen op muziekinstrumenten toevertrouwd.
   

Niet alle Levieten zijn bij de tempeldienst betrokken. In de overige 35 steden, verspreid door het hele land, woonden ze temidden van het volk IsraŽl. Ze hebben daar de taak van leermeesters van het volk. Ze moesten het Woord van God aan het volk onderwijzen. Plaatselijk hadden ze ook de taak recht te spreken.
   

Heel de dienst van priesters en Levieten was gericht op Christus. Al dat bloed dat vloeide bij de offers, wees heen naar het bloed dat Christus stortte voor onze zonden. Hun dienst was~ verzoeningsdienst, die heenwees naar dat ťne offer van Christus aan het kruis. Je moet in dit verband eens lezen Hebr. 10: 1-18.
   


DE STEDEN AAN DE LEVIETEN TOEGEWEZEN (21: 9-42)
Nu volgt een lange rij van namen van steden in Kanašn. De Levieten worden onder de stammen van IsraŽl verstrooid. Oorspronkelijk was dit een vloek. Maar de HERE verandert dit in een zegen. Nu konden ze overal hun kostelijk werk verrichten: onderwijs geven aan de jeugd van het verbond door ze te leren alles wat de HERE aan Mozes had geopenbaard. Boven alles door ze te vertellen over Gods grote daden in de geschiedenis van zijn volk en te wijzen op de komst van de Messias.
   

De eerste stad die genoemd wordt is Hebron. Daarbij komt opnieuw de naam van Kaleb opduiken. Het was de stad waar vroeger de vader van de reusachtige Enakieten had gewoond. De stad was eigenhandig door Kaleb veroverd in Gods kracht. Nu werd het een priesterstad, tegelijk vrijstad. Kaleb krijgt de omgeving van Hebron als erfdeel.
   

Naar alle vier windstreken kregen de Levieten in alle 48 steden een weide van 1000 x 2000 el. Dat is ongeveer een halve kilometer. De rest van de weidegronden was bestemd voor de overige bewoners. Ze leefden van de tienden van de veldvruchten en van het vee. Verder van een deel van de offers. Zie voor de inkomsten: Numeri 18.
   


WAT DE HERE BELOOFDE, IS ALLEMAAL UITGEKOMEN (21: 43-45)
Lees deze verzen nauwkeurig. Ze vormen niet alleen de afsluiting van de verdeling van het land Kanašn onder de twaalf stammen. Ze laten boven alles zien, dat alles wat de HERE had beloofd aan IsraŽl, ook is vervuld. De beloften aan Abraham, Isaak en Jacob zijn uitgekomen.
   

Zo is de God van het verbond. Hij is trouw aan zijn Woord. Je kunt altijd op Hem aan. Zo heeft Hij Zich hier aan ons geopenbaard. Zo wil Hij, dat wij Hem kennen. Zo wil Hij geprezen worden door zijn volk. Hij wil hun hele hart en ziel en verstand. Want Hij houdt van zijn volk en van zijn kinderen.
   

Het volk hoefde niet meer bang te zijn voor vijanden. Er waren nog Kanašnieten overgebleven. Maar de schrik voor de HERE verhinderde hen iets tegen het volk te ondernemen. Als IsraŽl later het verbond met de HERE verlaat, dan zien we ze de kop opsteken. Denk maar aan de tijd van de rechters.
   

We hebben het al heel vaak gezien: de HERE doet, wat Hij belooft. Prachtig, dat laatste vers. Ook tot jou heeft de HERE gesproken. Rijke beloften in Christus zijn jou toegezegd. Beloften voor dit leven en voor de toekomst. Niet ťťn van die beloften zal onvervuld blijven. Alles zal uitkomen. Als je een gehoorzaam kind van het verbond wilt zijn en elke dag de HERE daarom vraagt in je gebed.

       

     


22 DE EENHEID VAN GODS VOLK GEHANDHAAFD Jozua 22
   


JOZUA DANKT DE OVERJORDAANSE TROEPEN (AF) (22:1-8).
Het is al heel wat jaren geleden, dat onder leiding van Mozes het Overjordaanse werd veroverd. De stammen van Ruben, Gad en de halve stam van Manasse wilden daar graag blijven wonen. Ze wekten daarmee de indruk zich aan de verovering van Kanašn te onttrekken. Daarom was Mozes niet blij met die vraag. Hij vindt het goed, als ze beloven aan de spits van het volk over de Jordaan te trekken om het land te veroveren. Zie Num. 32.
   

Nu de HERE het volk aan alle kanten rust geeft, kunnen de Overjordaners terug naar huis. Jozua prijst ze om hun trouw aan het gegeven woord. Ze zijn goede onderdanen geweest van Mozes en Jozua. Let op het slot van vs. 3. Ze hebben de taak vervuld die de HERE hun had opgedragen!
   

Als soldaten van de HERE worden ze door Jozua afgedankt. Ze krijgen eervol ontslag uit militaire dienst. Maar niet uit de dienst aan de HERE. Jozua bindt hun op het hart voor honderd procent trouw te zijn aan de HERE. Eerst beveelt hij hun zeer nauwgezet de wet te volbrengen. Daarna geeft hij nadere uitleg van wat dat inhoudt.
   

Als ze weggaan, wenst Jozua hun Gods zegen toe. Ze vertrekken niet met lege handen. Van de verovering van de steden hadden ze een rijke buit overgehouden. Ze moesten die verdelen met hun stamgenoten in het Overjordaanse. Zie Num. 31: 25-27. Door deze maatregel wordt jaloersheid voorkomen. De strijders hadden de buit uiteindelijk ook van de HERE ontvangen.
   


DE OVERJORDAANSE STAMMEN BOUWEN EEN GROOT ALTAAR (22: 9 en 10)
Daar gaan dan de trouwe strijders op weg naar huis en haard. Als ze bij de Jordaan zijn aangekomen, besluiten ze een altaar te bouwen. Het is bedoeld als een soort monument om daarmee de verbondenheid van de stammen aan deze en gene zijde van de Jordaan uit te drukken.
   

Uit het vervolg blijkt, dat ze niet de bedoeling hebben om een nieuwigheid in te voeren in de dienst van God. Maar het is niet erg wijs. Ze doen het zonder de hogepriester te raadplegen. Bovendien verbiedt de wet twee altaren. Want de HERE wil op ťťn plaats vereerd worden. Nu nog in Silo, later in Jeruzalem.
   

In hun ijver voor de HERE hebben ze er totaal geen rekening mee gehouden dat dit altaar tot grote problemen zou kunnen leiden. Nu ze niemand hadden ingelicht, zou het tot allerlei misverstanden aanleiding kunnen geven.
       


DE OVERJORDAANSE STAMMEN BESCHULDIGD VAN TROUWBREUK (22:11-20)
Al gauw wordt bekend dat er een altaar was opgericht bij de Jordaan. Met haast wordt een volksvergadering georganiseerd in Silo. Daar wordt besloten eerst een grondig onderzoek in te stellen, voordat men naar het zwaard zal grijpen. Dat hoefden ze niet zelf te verzinnen. De HERE had ook in dit geval als een Vader voor zijn volk gezorgd. Lees maar eens Deut. 13: 12-15.
   

De leiding van het onderzoek werd opgedragen aan de zoon van hogepriester Eleazar, Pinehas. Hij was al eerder voor de eer van Gods Naam opgekomen. Dat lees je in Numeri 25 en 31. Pinehas heeft de belangrijkste mannen uit IsraŽl bij zich: de tien stamhoofden.
   

Lees nauwkeurig, wat Pinehas tot de Overjordaanse stammen zegt (zie 16-20). Hij beschuldigt in niet mis te verstane woorden: trouwbreuk, zich afkeren van de HERE, tegen de HERE in opstand komen. Wat zullen de Overjordaanse stammen geschrokken zijn!
   

Pinehas herinnert aan Peor. Zie Num. 25. Daar hoereerden jongens van het verbond met heidens Moabitische meisjes en knielden ze voor hun afgoden. Er werden 24.000 mannen als straf voor gedood. Toch blijkt de begeerte naar afgoderij nog in de harten van het volk leven. Dat betekent, het er nog niet van gereinigd zijn.
   

De ijver voor de eer van Jahwe zien we ook bij Pinehas in vs. 19. Hij zegt: Geef liever uw land op en kom in ons midden wonen. Daar is tenminste de tabernakel. Hij veronderstelt, dat de Overjordaanse stammen een altaar nodig hebben, omdat het land onrein is. Daarom zouden zondoffers willen brengen.
   

In vs. 20 herinnert Pinehas aan de geschiedenis met Achan. Toen is er door ťťn man de toorn over IsraŽl gekomen. Bij de eerste verovering van Ai sneuvelden er 36 man. Hoeveel zwaarder zal de straf van de HERE zijn nu ze met zo velen in opstand komen tegen de HERE!
   


DE VERDEDIGING VAN DE OVERJORDAANSE STAMMEN (22: 21-29)
Zie je hoe krachtig de beschuldiging van trouwbreuk wordt tegengesproken! Hier is sprake van een misverstand. Ze roepen God tot getuige. Het is een eed die ze zweren bij de God van het verbond. Sterker tegenspreken kan niet. Als het waar zou zijn die trouwbreuk, dan mag de wraak van de God der goden hen treffen.
   

Iedereen is nu natuurlijk vreselijk benieuwd naar de echte reden van het oprichten van het altaar. Ze zijn bang dat in de toekomst hun kinderen buiten de zuivere dienst van God gesloten zullen worden. Wanneer later de nakomelingen uit Westjordaanland tegen die uit Oostjordaanland zouden zeggen, dat zij er niet bij hoorden, konden ze wijzen op het grote altaar. Ze konden dan zeggen:ĒKijk maar. hier staat een kopie van altaar van Jahwe, dat door onze voorouders is gebouwd naar het voorbeeld van het altaar in Jeruzalem.Ē Uiteindelijk wonen ze aan de andere kant van de Jordaan. En in Num. 34: 12 wordt de Jordaan nadrukkelijk genoemd als de oostgrens van het beloofde land.
   

Het altaar moest dus het zichtbare bewijs zijn voor de toekomst, dat de Overjordaanse stammen hoorden bij de God van IsraŽl aan wie ze offers brachten. Ze wilden elke mogelijkheid uitsluiten, dat hun kinderen later buiten het volk van het Verbond zouden vallen.
   


HET ANTWOORD VAN PINEHAS AAN DE OVERJORDAANSE STAMMEN (22: 30, 31)
Pinehas en de tien stamhoofden zijn overtuigd door de verdediging van de Overjordaners. Tot hun vreugde mogen ze zeggen: U hebt geen trouwbreuk gepleegd. Daaruit weten wij, dat de HERE in ons midden is. Het volk van het verbond is voor een ramp gespaard gebleven.
   

Let erop, dat Pinehas en de stamhoofden zich hebben laten overtuigen. Dat is geen kleinigheid. Ze waren met zware beschuldigingen gekomen. Er waren al woorden gesproken in vs. 12 van ten strijde trekken. Ook dit luisteren van Pinehas en de zijnen, en het veranderen van gedachten, mogen we toeschrijven aan de zorg van de HERE voor zijn volk.
   


HET VERSLAG VAN PINEHAS AAN DE VERGADERING TE SILO (22: 32-34)
De geschiedenis heeft een blij einde. God wordt geloofd. Wat zal er een zorg van hen af gevallen zijn, als Pinehas verslag uitbrengt. Dus ze laten zich maar niet met tegenzin overtuigen. Nee, ze loven de HERE, want hun broeders zijn trouw gebleven aan het verbond. Hun vrees voor trouwbreuk bleek gelukkig ongegrond. Ze piekeren er niet meer over om te gaan strijden tegen hun Overjordaanse broeders.
   

De Rubenieten en Gadieten en natuurlijk ook de halve stam van Manasse gaven hun altaar een naam: getuige tussen ons, dat de HERE God is. Als dus later hun kinderen God zouden verlaten, zou dit altaar tegen hen getuigen.
   

Wanneer we dit hoofdstuk overzien, dan wordt duidelijk hoe ook hier de duivel aan het werk was. Wat zou hij het geweldig gevonden hebben, wanneer de stammen van het volk IsraŽl elkaar zouden aanvallen en uitroeien.
   

Altijd is de duivel bezig het volk van het verbond te bestrijden. Want dit volk draagt in zich Christus. En daar is het de duivel om te doen. De HERE heeft de aanval van de duivel afgeslagen door de eenheid van zijn volk te handhaven. Met het volk van het oude verbond mogen we de HERE daarom danken en loven!

           

     


23 JOZUA NEEMT AFSCHEID MET EEN VOORBEREIDINGSPREEK Jozua 23
   
JOZUA GAAT AFSCHEID NEMEN (23: 1, 2a).
De HERE had zijn volk Kanašn geschonken. Jozua had daarbij mogen helpen als leider van het volk. Hij had ook bij de verdeling van het land de HERE ter zijde mogen staan. Dat was nu al een poos geleden. Het volk had kunnen genieten van de beloofde rust Het was fijn wonen in Kanašn.
    Jozua besefte ook heel goed welke gevaren het volk bedreigden. Nog niet alle heidense volken waren uitgeroeid. Juist van die kant kan het volk besmet worden. Daartegen wil Jozua waarschuwen.     Jozua is oud geworden. Voordat hij sterft, wil hij zijn geestelijk testament bekend maken. Jozua heeft maar ťťn zorg: zal het volk trouw blijven aan het verbond met de HERE? Het mag niet een gewillige prooi worden van de satan. Want Christus moet geboren worden.    


JOZUA GEEFT DE HERE DE EER (23: 2b-5)
Jozua begint met te wijzen op zijn hoge leeftijd. Hij is ongeveer 110 jaar oud. Zie je hoe hij wijst naar de HERE! Ze hebben gezien wat Hij allemaal voor hen heeft gedaan. Hij Zelf heeft voor hen gestreden. Dat ze hier voor Jozua staan, hebben ze niet aan zichzelf te danken, maar aan de HERE alleen.
   

Dan wijst Jozua op de overgebleven volken. Als de tijd daarvoor rijp is, zal de HERE ook die uitroeien. Ze hoeven er niet bang voor te zijn dat het land niet helemaal in hun bezit zal komen.
   

Jozua doet het beste wat je kunt doen bij een afscheid. Hij wijst op de machtige daden van de HERE. Hij zet niet zichzelf in het zonnetje. Nee, hij wijst omhoog. Hij geeft de HERE de eer die Hem toekomt.
   


JOZUA SPOORT HET VOLK AAN TOT TROUW AAN DE HERE (23: 6-10)
Het verbond met de HERE bestaat uit een belofte en een verplichting (ook wel een eis genoemd). Op dat laatste wijst Jozua in deze verzen. Ze hoeven er niet op te rekenen dat de HERE de vijanden zal verdrijven, als ze ontrouw zijn aan het verbond. Vandaar de opdracht alle geboden nauwgezet te onderhouden. De HERE neemt geen genoegen met een gedeeld hart. Een beetje voor God en een beetje voor Bašl.
   

Dat is best moeilijk. Daarom spoort Jozua het volk aan. Hij steekt ze een hart onder de riem. Ze mogen zich niet vermengen met de oorspronkelijke bevolking van Kanašn.
   

Jozua ziet heel scherp het grote gevaar dat hier dreigt. Die oude heidense bevolking van Kanašn had veel, wat aantrekkelijk was voor IsraŽl. Dat hebben we gezien in de geschiedenis te Peor. Daar vormden de heidense meisjes een grote bedreiging voor de jongens van IsraŽl. In de heidense godsdienst speelde de seks een heel grote rol. Daar was de jeugd van IsraŽl op af gekomen Het is heel duidelijk: wanneer de kerk gemeenschap zoekt met de wereld, dan gaat de kerk kapot Vandaar de waarschuwing van Jozua.
   

Hij doet dat door te wijzen op de daden van de HERE. Hij laat zien, wat de HERE voor zijn volk heeft gedaan. Dat is het beste middel tegen afval. Lokkend spreken. Laten zien de liefde van de HERE, die vraagt om een antwoord. Nogmaals de HERE kan gewoon geen genoegen nemen met een half hart van zijn volk. Hij wil het helemaal. Toen en ook vandaag.
   


OPNIEUW WAARSCHUWT JOZUA (23: 11-13)
Jozua gaat nu vertellen, wat er gebeurt als het volk contact zoekt met de heidenen. Kort en goed: dan zet de HERE er een punt achter. Dan is het afgelopen. Dan wordt het beloofde land een graf.
   

De HERE laat er geen twijfel over bestaan wat er dan gebeuren zal, als het volk de heidense goden liever heeft dan Hem. Hij is een jaloerse God. Hij kan er niet tegen, dat zijn volk een ander liefheeft. Hij wil het volk voor Zich alleen.
   

Zie je hier, wie de HERE is! Zo is Hij vandaag nog. Hij verandert niet. Hij is nog de God van het verbond. Hij wil nog het hele hart van zijn volk. Dan zal Hij ook ontzettend goed voor zijn volk zorgen. Het is fantastisch om een kind van de HERE te zijn. Maar dan moet je het wel helemaal willen zijn. Hij wil ook jouw hele hart. Dat is best moeilijk. Daar is een heel goed middel voor. Bidden en nog eens bidden. Bidden helpt heus.
   

Jozua zoekt het hart van het volk. Wat zal hij zijn best gedaan hebben om te laten zien wie de HERE is voor zijn volk. Hij wist dat van de trouw van het volk afhing of het zou blijven bestaan. Natuurlijk was dat allereerst afhankelijk van de trouw van de HERE. Dat begrijp je wel.
   

Maar als het volk gemeenschap zou zoeken met de heidenen dan was het met hen afgelopen. Dan zouden ze misschien best wel een fijn leventje hebben. Maar dat was maar tijdelijk. Het betekende hun eeuwige
dood. Terwijl de HERE hun het leven wilde geven.
   


HET SLOT VAN DE VOORBEREIDINGSPREEK VAN JOZUA (23: 14-16)
Jozua vat zijn toespraak nog eens samen. Hij begint te wijzen op de trouw van de HERE. Niet ťťn van zijn beloften is onvervuld gebleven. En dat waren er heel wat! Jozua wil zeggen: als je bij de HERE wilt blijven horen, ben je goed af. Dan ben je zalig, gelukkig, veilig.
   

Maar nu wat er gebeurt, als ze omgang zoeken met heidense jongelui. Dan is de HERE ook trouw, maar op een heel andere manier. Dan zal het volk op een andere wijze met de HERE kennis maken. Als ze het verbond schenden, dan zal de wraak van het verbond hen treffen.. ĎDan worden ze voor u een klapnet en een valstrik, een zweep die u geselt en een doorntak die u de ogen uitsteekt, net zolang tot u allemaal bent weggevaagd uit dit goede land dat de HEER, uw God, u gegeven heeft..Ď De toorn van de HERE zal dan ontbranden. Berg je dan maar. En dat zal even echt gebeuren, als nu zijn beloften zijn uitgekomen. .
   

We kunnen deze toespraak van Jozua een voorbereidingspreek noemen: een preek die vooraf gaat aan het avondmaal. Elk avondmaal is ten diepste vernieuwing van het verbond met de HERE. Dat gebeurt in het volgende hoofdstuk. Het is een andere preek dan je in de kerk hoort.
   

Maar toch zit die preek op dezelfde manier in elkaar. Laten zien wie de HERE is voor zijn volk. Zijn grote daden vermelden. Nauwkeurig nagaan wat hij voor zijn volk deed. Zijn liefde laten zien. Hij wil graag het liefdesantwoord van zijn volk. Tegelijk waarschuwen voor de grote gevaren die er dreigen. En wijzen op de straf wanneer Gods verbond wordt overtreden. Ik denk dat de voorbereidingspreken die je hoort er ongeveer zo uit zullen zien.
   

Waarom wil de HERE zo graag het hele hart van zijn volk? Om Christus. Uit het volk moet Christus geboren worden. Waarom wil de satan zo graag het volk aftrekken van de HERE? Om de geboorte van Christus te verhinderen. Die strijd heeft satan verloren. Christus is gekomen. Hij heeft zijn werk volbracht. Nu is Hij onze Koning, die ons hele hart wil. Hij heeft er recht op.


   
     


24 HET VERBOND MET DE HERE TE SICHEM VERNIEUWD Jozua 24
   


OVEREENKOMSTEN TUSSEN MOZES EN JOZUA
Met de dood van Jozua aan het eind van dit hoofdstuk komt er een einde aan het tijdperk van de twee bemiddelaars Mozes en Jozua. Er zijn verschillende opvallende overeenkomsten tussen deze leiders.
   

Beiden lieten het volk door water trekken (Ex.14 en Joz.3vv).
Beiden ontmoeten de HERE op heilige grond waarbij ze hun schoenen moeten uittrekken (Ex.3:5 en Joz.5:15).
Beiden hielden hun staf of zwaard uitgestrekt tijdens strijd met de vijanden (Ex.17:8v en Joz..8:26).
Beiden bouwden een altaar voor de HERE (Ex.17:30 en Joz. 8:30).
Beiden hielden een grote afscheidstoespraak (Deut.31v en Joz..23v).
       


TEN OVERSTAAN VAN GOD TE SICHEM (24:1).
De vorige samenkomst was te Silo waar de ark stond, nu zijn we in Sichem. Dat was een historische plaats. Het was vroeger het centrum van de heidense Kanašnietische macht. Maar ook de plaats waar de HERE voor de eerste keer dit hele land aan Abraham beloofde voor zijn nageslacht. Zie Gen. 12: 1-9.
   

Daar stonden voor Jozua opnieuw de vertegenwoordigers van het volk. Dus niet het hele volk. Alle stammen waren aanwezig op dit plechtige moment. En ze stonden voor het aangezicht van God. Dat wil niet zeggen dat de ark hier ook was. Het wil zeggen dat de HERE hier aanwezig wilde zijn om het verbond met zijn volk te vernieuwen.
    .


DE HERE HERINNERT AAN ZIJN DADEN VAN GENADE (24: 2-13)
Jozua mag nu namens de HERE spreken. Hij begint met te wijzen op de grote daden van de HERE. De HERE wil dat ze heel goed weten wie Hij voor zijn volk is. En wat Hij voor zijn volk heeft gedaan.
Hij begint bij Abrahams vader Terach. Ze hadden helemaal niets om trots op te zijn. Hun voorvader was een afgodendienaar. Nee, het roepen van Abraham was een daad van Gods vrije genade. Het was zijn verkiezing. Zie opnieuw Gen.12.
   

Verder herinnerde Jozua het volk aan de hoofdpunten in de heilsgeschiedenis. Isaak werd geboren. (Gen. 21). Wat een wonderlijke geboorte was dat! Dan Jakob en zijn zonen. (Gen. 46). De verdrukking in Egypte met het optreden van Mozes en Ašron. De stamhoofden kenden natuurlijk hun geschiedenis goed. Vandaar dat Jozua zich kan beperken tot de hoofdlijnen. Maar iedere naam riep bij hen een wereld van Gods trouwe genade op.
   

Verder werden ze herinnerd aan de uittocht, de dood van Farao en zijn leger in de Rietzee. Hun verblijf in de woestijn. Het in bezit nemen van het beloofde land. De geschiedenis van Bileam. De overtocht door de Jordaan. De strijd tegen Jericho en de inwoners van Kanašn.
   

In vs. 12 gaat het over horzels die de HERE voor hen uitzond. Het is niet helemaal duidelijk, wat we daaronder moeten verstaan. Het zijn in ieder geval stekende insecten. Een aantal steken tegelijk kan zelfs dodelijk zijn. In Jozua wordt daarvan geen melding gemaakt. Maar dat hoeft ook niet. Er zal veel meer gebeurd zijn dan in de Schrift is vastgelegd. Er zijn ook uitleggers die de vrees en verschrikking van de Kanašnieten opvatten als horzels. Daardoor zonk hen de moed in de schoenen.
   

De conclusie van de geschiedenisles van Jozua lezen we in vs. 13. De HERE krijgt alle dank, lof en eer. Hij gaf het volk dit land in zijn macht. Een kant en klaar land. Nooit mag het volk deze genadedaden van de HERE vergeten.
   


JOZUA STELT HET VOLK VOOR DE KEUS (24:14 en 15)
Wanneer het volk de grote daden van de HERE. heeft gehoord, wordt het door Jozua opgeroepen de HERE te vrezen en Hem oprecht en getrouw te dienen. Ze moeten de afgoden uit hun leven weg doen. Dat was niet gemakkelijk. Een mens is meestal verknocht aan zijn afgoden.
.
Jozua geeft het volk de vrijheid om te kiezen. Ze moeten later niet kunnen zeggen, dat ze een gedwongen keus hadden gemaakt. Hij stelt het heel scherp: Of de HERE dienen ůf de afgoden.
   

Zelf heeft Jozua de keus gemaakt. Je kent misschien wel de beroemde woorden: maar ik en mijn familie, wij zullen de HERE dienen! Wat IsraŽl ook zal besluiten, voor Jozua staat de keus vast. Hij zou ervoor zorgen dat zijn gezin leefde tot Gods eer.
   


HET ANTWOORD VAN HET VOLK ISRAňL (24:16-18)
Prachtig is het antwoord van het volk. Mooier kan het niet. Vrijwillig roepen ze uit, dat ze de HERE zullen dienen en de afgoderij helemaal zullen wegdoen.
   

Ze roemen de grote daden van de HERE in de geschiedenis van zijn volk. Hij heeft hen uit Egypte geleid en Hij heeft hen bewaard op de lange tocht door de woestijn. Hij heeft de vijandige volken verdreven. Ook zij willen de HERE dienen. Hij is immers de God van het verbond!
   


JOZUA LAAT HET VOLK NOG EEN KEER ANTWOORDEN (24:19-24)
Jozua is een oude, wijze man. Hij weet hoe gemakkelijk goede voornemens in rook kunnen opgaan. Daarom gaat Jozua niet direct akkoord met hun antwoord. Ze moeten goed weten wat ze beloven. Daarom zegt hij ook, dat de HERE een heilig, een jaloerse God is. Die neemt geen genoegen met een gedeeld hart. Hij zal je zonden niet vergeven, als je Hem niet voor honderd procent liefhebt en dient. Dat is de betekenis van het slot van vs. 19.
   

De volksvertegenwoordigers houden gelukkig voet bij stuk. Ze herhalen hun eerste antwoord: De HERE zullen wij dienen. Het blijkt een weloverwogen beslissing te zijn. Ze zijn getuigen van elkaars antwoord, dat ze in het openbaar hebben geuit. Ze hebben elkaar horen zeggen: wij zullen zeker de HERE dienen.
Dan vermaant Jozua hun definitief te breken met alle afgoderij. Ze moeten hun hart aan de HERE toewijden. Het antwoord klinkt voor de derde keer: de HERE, de God van het verbond, zullen wij dienen en gehoorzamen. Naar zijn Woord zullen wij luisteren.
   


HET VERBOND MET DE HERE WORDT VERNIEUWD (24:25-28)
Jozua had namens de HERE mogen spreken. Het volk had erkend het recht dat de HERE op hen had. Tot drie keer toe hadden ze daarmee ingestemd. Daarom kunnen we hier spreken van verbondsvernieuwing. Toch was het geen verbondsvernieuwing zonder meer. Jozua vulde de wet van Mozes aan met bepalingen, die verband hielden met de nieuwe situatie waarin het volk nu was gekomen. De wetgeving van Mozes was blijkbaar niet afgesloten en onveranderlijk. Zij kon door Jozua aangevuld worden.
   

Daarna schrijft Jozua de woorden die tussen hem en de volksvertegenwoordigers waren gewisseld, op in het wetboek van God. Zie Deut: 31: 24-26.
   

Dan richt hij een grote steen op onder een grote boom, een terebint. Die steen zal tegen hen getuigen als ze Gods verbond zullen verlaten. De steen zal een blijvende herinnering zijn aan de Verbondsvernieuwing te Sichem.
   

Dan laat Jozua hen gaan. Voor het laatst heeft hij namens de HERE tot het volk mogen spreken. Het heeft het recht van de HERE op zijn volk duidelijk laten zien. Het was immers zijn eigendom om Christus' wil.
   


BEGRAFENISSEN VAN JOZUA, JOZEF EN ELEAZAR (24:29-33)
Eerst wordt de dood van Jozua genoemd. Hij stierf, 110 jaar oud Het volk diende de HERE al de dagen dat de oudsten van het volk leefden. Zij waren getuigen geweest van de verbondsvernieuwing te Sichem. Zij hebben op goede manier leiding gegeven aan het volk.
   

Verder wordt verteld over de begrafenis van het gebeente van Jozef. Zijn laatste wil lezen we in Gen. 50: 25. Hij wilde begraven worden in het beloofde land. Nu vindt deze begrafenis plaats. Jozef geloofde onvoorwaardelijk in de beloften van de HERE. Dat geloof is niet beschaamd. Zie Hebr. 11: 22.
   

Ten slotte wordt de dood van Eleazar verteld. Samen met Jozua had hij als hogepriester leiding mogen geven aan het volk. Dat tijdperk was nu afgesloten.
   

Nu begint een heel nieuwe periode voor het volk. Ze moeten nu leven onder de directe regering van de HERE, dus zonder bemiddelaars als Mozes en Jozua. De HERE is immers de Koning van het volk. Hem moeten ze erkennen en dienen met een volkomen hart. Daarop heeft Hij recht als God van het verbond.