BERGREDE


DE EVANGELIST MATTEUS (1518)


Uit de school van Lucas Huyghz. van Leyden 1494 - 1533
Dit vroeg zestiende-eeuws schilderij maakte deel uit van een serie van de vier evangelisten elk met hun eigen symbolen.




INLEIDING


Sinds de vierde eeuw worden de vier evangelisten in de beeldende kunst met symbolen of attributen afgebeeld:

MatteŁs met een mens,
Marcus met een leeuw,
Lucas met een rund
en Johannes met een adelaar.

Deze symbolische dierenfiguren vertegenwoordigen samen de schepping op aarde.

Ze zijn te herleiden tot het roepingsvisioen van EzechiŽl (Ez. 1:5-10)

en het troonzaalvisioen uit Openbaring 4:

'Midden voor de troon en eromheen waren vier wezens,
die van voren en van achteren een en al oog waren.
Het eerste wezen zag eruit als een leeuw
en het tweede als een jonge stier;
het derde had een gezicht als een mens
en het vierde leek een vliegende adelaar.' (Openb. 4:6-7)

Samen worden de vier wezens wel aangeduid als tetramorf (Grieks: vier vormen).

Kerkvader HiŽronymus leverde de argumenten voor de koppeling van een bepaald dier aan een van de evangelisten.



Hieronder treft u vier foto's aan van zilverwerk op een kerkboek van ongeveer 25x16 cm.

Het is gedrukt in 1771 te Amsterdam.

Op de muiters en aanzetstukken (die vastzitten aan de kaft) staan de vier evangelisten.
Mozes en Ašron staan op de klamparmen (waarmee je de bijbel op slot doet).

Je hebt dus altijd vier muiters met twee klamparmen.

De foto's heb ik gemaakt bij Bernard en Hillie van Noordwijk thuis van hun privťcollectie.

Het zijn heel kleine kunstwerkjes van zilversmid Wendels van enkele vierkante cm.




MatteŁs als mens of (later) als een engelachtige jongeman.
Het evangelie van MatteŁs begint met het geslachtsregister van Jezus.
Dat gaat via via helemaal terug op Adam.
Het gaat daarin om Jezus als mens, om zijn menselijke natuur, om de mens als kroon op de schepping.




.

Marcus met een leeuw.
Het evangelie van Marcus begint met Johannes de Doper.
Hij leefde en werkte bij de Jordaan en in de woestijn.
Daar hield zich in vroeger tijd - in de pronk van de Jordaan - de leeuw op: de koning der dieren.





Lucas met een rund.
Het evangelie van Lucas begint met de verschijning van de engel GabriŽl aan de priester Zacharias.
Hij was toen in de tempel bezig een rund te offeren: het belangrijkste offerdier.





Johannes met een adelaar.
Het evangelie van Johannes is als laatste geschreven.
Daarbij veronderstelt Johannes de andere evangeliŽn als bekend.
Op die manier geeft hij een breed overzicht.
Met de blik van een adelaar - keizer van het vogelrijk -, overziet hij leven en prediking van Jezus.
Dat hemelse perspectief blijkt nog duidelijker uit het laatste bijbelboek, de Openbaring van Johannes.






Naar aanleiding van de vier bovenstaande foto's van zilverwerk op kerkbijbels heb ik een gedicht geschreven, getiteld De blijde boodschappenjongens


DE BLIJDE BOODSCHAPPENJONGENS

voor Annet 7-9-2004

MatteŁs, ouwe jongen, wat zit je lekker in het licht.
Je hand beweegt zich naar het vergezicht.
Dat joch met z'n wilde haren, daar is je aandacht op gericht.
Je hebt je werk voltooid: je boek staat dicht.

Marcus, met je hoge hoofd, je open mond.
Je schrijfgerei trilt nog na van het 'terstond'.
Je naakte linkerarm bewaart het boek.
De leeuw kijkt nieuwsgierig om de hoek.

Lucas, hou nou eens op met schrijven.
Dat rund naast je heeft allang de slaap gevat.
Doktertje, je zult toch wel gelezen blijven.
Niet iedereen heeft zoveel pagina's gehad.

Johannes, wat kijk je ongedwongen in de lens.
'Wat ben je knap, om op te vreten',
denkt de arend: 'ik kan het wel vergeten;
'k ben een vogel; ach, was ik maar een mens!'

Gert Slings





Hier heb je de evangelisten nog een keer.

Als je het bovenstaande goed gelezen hebt,

kost het geen moeite om te zien wie wie is.





Gert Slings - <B>BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN</B>
.




BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN


INLEIDING


Heel wat jaartjes (van 1965-1995) ben ik medewerker geweest aan Rechte Sporen, een maandblad voor het verenigingswerk onder gereformeerde jongeren.
Hierin heb ik ondermeer bijbelstudies (in schetsvorm) geschreven. Ze gaan over verhalende, historische stof.

Ieder kan daar naar eigen inzicht gebruik van maken. Ze zijn niet alleen voor jongeren geschikt. Ik weet dat ook ouderen er met vreugde mee hebben gewerkt. Ze worden bijvoorbeeld op bijbelstudieverenigingen gebruikt.

Mijn uitgangspunt is dat de mensheid (dus ook u en ik) opgenomen is in de grote geschiedenis van paradijs tot wederkomst met als centrum de Here Jezus Christus. Heel die geschiedenis wordt bepaald door Gods plan om door Christus verlossing of heil te brengen. Daarom wordt die geschiedenis ook wel heilsgeschiedenis genoemd. In elk bijbelgedeelte probeer ik na te gaan, welke betekenis dat heeft in Gods heilsgeschiedenis.

Ik heb het schrijven van deze bijbelstudies voor jongeren als een groot voorrecht beschouwd.
Wat is er mooier dan het Woord uit te leggen voor meer dan 10.000 jongelui, alleen al in Nederland.
Voor Canada, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland werden de bijbelstudies in het Engels vertaald. Ze verschenen in het blad My Live.

Ik wens u gezegende bijbelstudie.


Gert Slings





GEBRUIKSAANWIJZING

De meest eenvoudige vorm is de volgende:

. U leest eerst het Schriftgedeelte in z'n geheel rustig door. Laat het goed op u inwerken.
Wellicht is er bij u een vraag opgekomen. Of hebt u al een mening gevormd of het gedeelte.

. Vervolgens leest u per pericoop de bijbelstudie door. Er zal veel instaan, wat u al wist. Maar misschien bevat ze ook informatie waarvan u nog niet op de hoogte was. Als u dat belangrijke informatie vindt, probeer dat dan op te slaan en vast te houden.

. Het is goed mogelijk dat u tot een heel andere uitleg komt. Dat is niet slecht, want dan hebt u al een mening gevormd. Dat kan niet iedereen zeggen. Binnen exegese van een gedeelte is soms ruimte voor een verschillende uitleg. Dat noemt men de vrijheid van de exegese.

. Uw bijbeltje moet u bij de hand houden om de stukjes nog eens te lezen. Maar ook om de verwijzijgen naar andere gedeelten op te zoeken. Vaak hebben die te maken met de grote lijnen in de Schrift.

. Ik wil u in overweging geven de bijbelstudie te beginnen met een kort gebed, waarin u vraagt om de leiding van de Heilige Geest.
En te besluiten met een kort dankgebed, waarin u aan de Here vertelt, wat u zo mooi vindt in dit gedeelte of waar u het zo moeilijk mee hebt.





  INHOUDSOPGAVE BERGREDE


0 KORTE INLEIDING BIJ DE BERGREDE UIT MATT.5-7

1 KONING CHRISTUS KONDIGT DE GRONDWET VAN ZIJN RIJK AF---Matt.5:1-12

2 CHRISTUS' LEERLINGEN ZOUT EN LICHT---Matt.5:14-16

3 CHRISTUS EIST TOTALE GEHOORZAAMHEID AAN GODS WET---Matt.5:17-32

4 CHRISTUS GEEFT GEBEDSONDERWIJS---Matt.6:1-15

5 CHRISTUS EIST DAT WE MET ONS BEZIT ALLEEN GOD DIENEN---Matt.6:16-24

6 ZOEK EERST GODS KONINKRIJK---Matt.6:25-34

7 CHRISTUS GEEFT ONDERWIJS OVER DE WANDEL IN GODS KONINKRIJK---Matt.7:1-12

8 CHRISTUS EINDIGT DE BERGREDE MET ERNSTIGE WAARSCHUWINGEN ---Matt.7:13-28





 

1 KORTE INLEIDING BIJ DE BERGREDE UIT MATT.5-7



CHRISTUS KONDIGT DE GRONDWET VAN ZIJN KONINKRIJK AF (vs.1,2)

Het is goed om eerst even te kijken naar de situatie waarheen de bergrede ons verplaatst.
Johannes de Doper heeft een poos gedoopt en gepreekt. Hij moest het volk klaarmaken om de Christus te ontmoeten en te ontvangen. Hij riep het volk weg bij de manier waarop ze tot dan toe leefden. Bekeer u, want het koninkrijk van de hemel is nabij. Het volk moest zijn zonden belijden en ermee breken. Het moest zich door Johannes laten reinigen in de Jordaan. En het moest zich door hem laten onderwijzen over een nieuwe manier van leven. Vol eerbied en ontzag moesten ze de Koning verwachten die in aantocht was!

Het optreden van Johannes de Doper maakte diepe indruk. Velen lieten zich door hem dopen. Ook de Here Jezus. Om op die manier Gods 'gerechtigheid' te vervullen.

MatteŁs 4 beschrijft vervolgens hoe de gekomen Koning zijn werk begint. Eerst komt Hij met dezelfde boodschap als Johannes. Ook Hij roept zijn volksgenoten tot andere gedachten en terugkeer naar God. Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij! Met die boodschap trekt Hij Galilea door en voert Hij het woord in de synagogen daar.



Joos de Momper, 1564-1635, Antwerpse schilder

Johannes de Doper preekt, met Jeruzalem op de achtergrond





Bekeer u, zei Johannes de Doper. En 'bekeer u' zegt ook Christus. Waar is dat voor nodig? Is het dan niet genoeg dat hun hoorders tot het volk IsraŽl behoren en Abrahams bloed door de aderen hebben stromen? Ze moeten veranderen! Dat moet hard aangekomen zijn in IsraŽl! Bekeer u! Alsof ze heidenen waren!

Een nieuwe fase kondigt zich aan als MatteŁs vertelt dat Christus een aantal mannen roept om Hem als leerlingen te volgen: Simon en Andreas en Johannes en Jakobus. En bij deze vier blijft het niet. Uiteindelijk roept Hij er twaalf, die met Hem meetrekken door Galilea.

En dan gaat er meer veranderen in Christus' optreden.
Aanvankelijk preekte de Here 'in de synagogen'. Maar daar komt verandering in. Steeds groter wordt de mensenmassa die Hem naloopt. En dan besluit de Here dat de tijd gekomen is om op te gaan treden en iets nieuws te beginnen buiten de synagogen.

Wat opvalt is dat de Here Jezus deze rede niet in een synagoge gehouden heeft, maar ergens buiten. Christus kiest een nieuw podium om zijn blijde boodschap af te kondigen. MatteŁs vertelt dat de Here 'de berg opging'. 'De' berg. Kennelijk was dat een bekende berg voor MatteŁs en zijn lezers.

Over deze berg horen we vaker in het evangelie. Christus gaat er in MatteŁs 14 heen om te bidden. En in MatteŁs 15 horen we dat Hij op de berg allerlei zieken genas. In MatteŁs 28 horen we dat Christus na zijn opstanding zijn discipelen naar deze berg ontbood en ze er instrueerde voor hun toekomstige taak. Wij kennen deze berg niet meer, maar in MatteŁs' dagen was hij algemeen bekend.

En Hij kiest niet alleen nieuw podium. Hij gaat ook een concreet volk vormen. Dat wordt zichtbaar als Hij bij de berg gekomen is en plaatsgenomen heeft. Als de Here Jezus is gaan zitten, maken zijn discipelen zich los uit de menigte en komen rondom Hem zitten. Je ziet als het ware het nieuwe IsraŽl een aanvang nemen. Los van de synagoge en vergaderd uit het oude, het vleselijke IsraŽl.

En dan opent Christus zijn mond. Een plechtige uitdrukking die het belang onderstreept van wat Hij nu zeggen gaat. Hij houdt maar niet gewoon een toespraak. Nee, de Koning op de troon van David gaat nu officieel de grondwet van het nieuwe IsraŽl proclameren. Dat wil MatteŁs de Joden van zijn dagen vooral duidelijk maken: IsraŽl, hier is uw beloofde Koning. Buig voor Hem.

 

CHRISTUS BEGINT ZIJN ONDERWIJS MET DE ZALIGSPREKINGEN Matt.5:1-12



DE STRUCTUUR VAN DE ZALIGSPREKINGEN

Het is belangrijk eerst even naar de structuur van de zaligsprekingen te kijken. Christus spreekt er tot en over zijn leerlingen. Hij spreekt niet allemaal verschŪllende groepen mensen aan: armen, treurenden, barmhartigen, vredestichters en ga zo maar door. Nee, Hij spreekt zijn leerlingen aan.

En die ene groep benoemt Hij als armen, treurenden, barmhartigen enz. In die armen en hongerigen en dorstigen gaat het niet om alle armen en alle treurenden en alle vervolgden, maar om de discipelen van Christus.

Je zou kunnen zeggen: al die aanduidingen van 'arm, treurend, barmhartig, zuiver van hart', die vormen samen het profiel van hen die bij Christus horen.

De eerste vier zaligsprekingen gaan over onze houding tegenover God en de laatste drie over onze houding ten opzichte van onze naaste. Telkens wordt hun het tegenovergestelde beloofd van hun huidige situatie?

En aan z'n leerlingen belooft Christus niet allemaal heel verschillende dingen. Maar slechts ťťn ding: het koninkrijk van de hemel. Dat staat in vers 3 en in vers 10. En dat koninkrijk van de hemel omvat alles wat Christus belooft. In dat rijk zullen de treurenden getroost worden, hongerigen en dorstigen verzadigd, en zullen zuiveren van hart de HERE zien. Al die beloften in vers 3 tot en met 10 behoren samen tot de rijkdom van het ene koninkrijk van de hemel.

In vers 3-10 worden uitspraken in de derde persoon gedaan: over armen en over treurenden en over barmhartigen enz. En dan wordt in de derde persoon over hen gezegd: zij zullen vertroost worden, zij zullen God zien enz.

Maar in de verzen 11 en 12 spreekt de Here zijn discipelen rechtstreeks aan, in de tweede persoon: Gelukkig te prijzen zijn jullie, wanneer men je omwille van Mij uitscheldt, vervolgt en vals van allerlei kwaad beticht. Verheug je en juich. De verzen 11 en 12 vormen dus niet ťťn geheel met de verzen 3 tot en met 10. Ze vloeien eruit voort en ze bouwen erop verder. Ze geven er een toespitsing aan.

Christus' discipelen zijn naar voren gekomen en om Christus heen komen zitten. Heel de mensenmassa ziet hen zitten. ZŪj horen bij Christus. Zij vormen het nieuwe IsraŽl van Johannes de Doper en Jezus van Nazaret.


GELUKKIG WIE NEDERIG VAN HART ZIJN (vs.3)

De leerlingen van Jezus zijn allereerst nederig van hart.
Lucas heeft in zijn versie van de bergrede Luc.6:20 gewoon staan: zalig, u armen. Daar gaat het inderdaad om. Om armen. Om mensen zonder bezit. Christus' discipelen waren uit hun bezit en familie en werk weggeroepen en hebben alles achtergelaten en zijn Christus gevolgd. Wij hebben alles prijsgegeven omwille van U, zal Petrus later zeggen. We hebben niks over.

Ze belijden dat de HERE hun enige Helper is. En voor hen is dat genoeg. Ze zijn arme zondaars en ze willen dat ook weten. Iedere hoogmoed is hun vreemd. Ze maken niet zelf uit hoe hun leven eruit ziet. De Heer is hun Herder.

Als zijn discipelen zulke nederige mensen zijn, dan tellen ze voor de wereld niet mee. Wat heeft die aan hen? Maar Christus zegt: Je hoeft niet gefrustreerd te raken. Ik feliciteer je! Want in de manier waarop je nederig van hart bent, blijkt dat mijn Geest in je woont. Daarin toon je je een burger van mijn koninkrijk. En daarom raak niet bezeten van de jacht naar geld en goed alsof dat het zou zijn! Maar wees nederig van hart. Dan ben je gelukkig te prijzen.


WANT VOOR HEN IS HET KONINKRIJK VAN DE HEMEL (vs.3b)

De nederigen van hart tellen toch mee. Als we er iets van willen begrijpen, moeten we letten op dat woordje 'want' dat in de zaligsprekingen voorkomt. Omdat ze bij het Koninkrijk van de hemel behoren, worden ze door de Here voor vol aangezien. Wat houdt dat in? Ze mogen kinderen van de hemelse Vader zijn. Om even vooruit te kijken: ze mogen elke dag weten dat Hij voor hen zorgt, ook al stellen ze voor de mensen helemaal niks voor. Er mag rust in hun leven zijn en blijdschap, omdat ze weten dat hun zonden vergeven zijn door Christus. De vrede van Christus beheerst hun leven. Ze mogen weten van de opstanding der doden en een eeuwig leven. Te veel om op te noemen, zo rijk zijn ze in Christus.

Leerlingen van Christus mogen weten dat God hier voor hen zorgt. Ze hebben ook nog heel wat te wachten, omdat dat koninkrijk een zaak is niet maar alleen van het hier en nu. Pas in de toekomst zal dat koninkrijk in volle luister openbaar worden.

Daarom staan ze ook anders in de wereld dan zij die zonder God leven. Want wie leeft zonder God, heeft een leven zonder hoop, zonder perspectief. De overgrote meerderheid van de mensen om ons heen is alleen gericht op het hier en nu.

Maar leerlingen van Christus kunnen wachten. Niet bezeten door de jacht naar geld en goed en wat al niet. Ze kunnen rustig Gods tijd afwachten. Want ze hebben Gods belofte. Ze weten zich erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus. En wat in het testament van God staat, wordt zeker uitgekeerd. Daar heeft onze Heiland zijn bloed voor gestort.


GELUKKIG DE TREURENDEN (vs.4)

De tweede zaligspreking gaat over de treurenden. Gelukkig de treurenden. Dat is geen zaligprijzing van alle treurenden, maar van de discipelen die treurden. Waarover treurden zij? Over een verlies of gemis? Over een groot kwaad dat hen getroffen heeft? Dat zal ongetwijfeld tijdens hun leven ook voorgekomen zijn. Ook discipelen van Christus zijn mensen. Gewone mensen.

Maar hier gaat het om een ander verdriet. Typerend voor de groep van Christus' discipelen is hun verdriet om de zonde, zoals Johannes de Doper en ook de Here Zelf daartoe hadden opgeroepen. Het volk moest zijn zonde zien, zijn schuld belijden en zich bekeren. En de discipelen: zij hebben zich aan hun schuld laten ontdekken. Ze hebben niet zichzelf stoer en zelfverzekerd overeind gehouden. Nee, ze hebben verdriet van hun zonde tegenover God. Ze hebben die beleden en weten zich klein en hulpeloos vanwege hun schuld.

Ook jij kunt treuren over de nood van je zonden, waarmee je de HERE elke dag weer verdriet doet. Als je zo treurt om de macht van de duivel en de zonde, dan ben je te feliciteren. Want dan is er troost. Koning Christus heeft Zelf zijn leerlingen die treuren, troost beloofd, want ze behoren tot het Koninkrijk. God Zelf zal hen troosten. Er zal geen rouw meer zijn noch moeite noch geklaag noch onbegrepen zijn.


ZALIG DE ZACHTMOEDIGEN (vs.5)

Bij zachtmoedig denk je misschien aan iemand, die over zich heen laat lopen. Maar dat is niet de bijbelse betekenis. Onze Here Jezus was zachtmoedig, maar kon ook spijkerhard zijn bv tegen de FarizeeŽn. Zachtmoedigen verwachten het niet van geweld. Zachtmoedig is wat anders dan 'soft'.

In de Bijbel betekent 'zachtmoedig' dat je het recht niet in eigen hand neemt, dat je niet in eigen kracht en over de rug van anderen opklimt naar een positie, maar dat je je heil van de HERE verwacht. Je laat je niet gelden, je staat niet op je strepen, je laat je niet leiden door jaloezie. Lees Psalm 37: je vertrouwt erop dat de HERE zijn beloften vervult.

Het zijn mensen die hun zaak aan de HERE overgeven. Ze buigen zich gelovig onder wat God in hun leven doet komen. Kijk maar naar Christus. Zijn zachtmoedigheid bracht Hem aan het kruis.

In deze bikkelharde wereld tellen zachtmoedigen niet mee. Zeker niet in onze tijd met actiegroepen, protestdemonstraties, stakingen enz. Vandaag geldt: dat brutalen de halve wereld hebben. Je moet voor je rechten opkomen en van je af kunnen bijten.

Waarom zijn de zachtmoedigen dan gelukkig? Want ze behoren tot het Koninkrijk en zullen het land bezitten. Ze zullen de aarde erven, dwz erfgenamen van de nieuwe aarde zijn.


GELUKKIG WIE HONGEREN NAAR GERECHTIGHEID (vs.6)

Dan komt in de zaligsprekingen het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Dat is maar niet een algemeen verlangen dat er recht gedaan wordt in de wereld. En een klagen over alle onrecht van anderen. Maar het is een persoonlijke honger en een persoonlijke dorst om zelf recht te doen. Honger en dorst geeft aan, dat je zelf iets nodig hebt. En wel gerechtigheid in de actieve zin. Dat je zelf gerechtigheid betracht (vgl. 3:15; 5:20).

Christus' leerlingen kenmerken zich door het sterke verlangen om niet hun eigen begeerten uit te leven en maar te kunnen doen wat ze zelf willen. Zij hebben het niet voortdurend over hun vrijheid en hun zelfbeschikkingsrecht. Nee, zij hunkeren ernaar om naar Gods wil te leven. Dat is voor hen genieten! Gods wil doen.

In Lucas staat: gelukkig wie honger hebben (6:21). Daar gaat het dus over mensen met een van honger rammelende maag. Waarom zet MatteŁs er dan bij 'hongeren naar gerechtigheid'? Hij laat zien hoe die mensen hun honger beleven. Ze zijn niet alleen uit om eten te krijgen. In honger en dorst willen ze de HERE dienen en gehoorzamen.

Hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, dat is het tegenovergestelde van de houding van de Schriftgeleerden, die zo trots en zelfverzekerd zijn. Maar deze mensen hongeren en dorsten om de rechte manier te vinden om naar Gods wet te leven (dat is die gerechtigheid). Ze verlangen dat dienen van God zo, dat ze er geheel van vervuld zijn.

Kijk weer naar Christus die verzocht werd in het eten en drinken. Maar het ging Hem om de gerechtigheid van God.


GELUKKIG DE BARMHARTIGEN (vs.7)

Barmhartigen, is hun volgende typering. Als er nood is en mensen op hulp zijn aangewezen, sluiten ze hun oog en hart daar niet voor. Zij zien niet op anderen neer en laten die niet aan hun lot over, met als excuus: eigen schuld, dikke bult. Nee, ze zijn betrokken. Hun hart klopt warm en ze steken de handen uit de mouwen. Zij staan niet meteen met hun oordeel klaar, maar met hun hulp.

Wij zijn van nature geneigd God en de naaste te haten. Maar door de Geest van Christus ontvangen we een nieuw hart, dat uitgaat naar de naaste. Wat is Christus ons voorgegaan in het bewijzen van barmhartigheid!

In deze harde maatschappij gaat het om gezond, slank, mooi en succesvol. Daar tellen de zwakken en zieken eigenlijk niet meer mee. We hebben ons oordeel vaak al snel klaar, hard en scherp. Ga maar na bij jezelf, hoe snel je oordeelt.

Barmhartige mensen zien de nood van anderen en doen daar wat aan. Denk maar aan de barmhartige samaritaan. Barmhartigen mogen zich gelukkig prijzen, omdat ze in het Koninkrijk op Gods barmhartigheid mogen hopen.


GELUKKIG WIE ZUIVER VAN HART ZIJN (vs.8)

En dan de reinen, de zuiveren van hart. Daarmee wordt niet bedoeld dat ze zonder enige zonde zijn. Er wordt mee bedoeld dat hun hart ťťn en onverdeeld is. Ze zijn christenen uit ťťn stuk. Ze houden er niet naast de HERE andere goden op na. Ze switchen niet voortdurend heel slim naar de meest biedende. Ze houden niet heel berekenend twee ijzers in het vuur. Ze willen niet de HERE dienen, en tegelijk de wereld vasthouden en luisteren naar de Mammon. Nee, ze hebben de HERE lief en vertrouwen op Hem alleen. Hun hart is zuiver!

De FarizeeŽn gingen prat op hun reinigingen. Christus zegt van hen: ze reinigen de buitenkant van beker en schotel, maar van binnen zijn ze vol roof en onmatigheid (Matt.23:25). Ze leiden dus een dubbelleven. Van buiten vroom, maar van binnen rot.

Wie zuiver van hart zijn, hebben ook een zondig hart, maar ze hebben een afkeer van hun eigen onreinheid. Ze strijden om zuiver te zijn. Ze weten: het gaat om het hart, dat door Christus' Geest vernieuwd wordt.

Ze hebben soms een zware strijd, hun hart is boos en schuldig, maar ze zullen God zien. In hun strijd zijn ze gelukkig. Het dienen van de HERE is voor hen geen last maar een lust.

Ze bidden om een zuiver geweten. Ze weten dat God alles ziet. Maar dat is voor hen geen benauwende zaak. Ze weten hun God dichtbij als hun Helper.


GELUKKIG DE VREDESTICHTERS (vs.9)

De leerlingen zijn ook vredestichters. En dan gaat het niet om het vrede stichten tussen anderen. Alsof zij goede bemiddelaars zijn. Nee, het gaat erom dat ze zelf niet overal ruzie maken, maar in hun eigen situatie op vrede uit zijn.

De discipelen groeten elkaar met vrede als ze bijeenkomen of elkaar ontmoeten. Ze kunnen alleen maar leven dankzij de vrede die God hun schenkt in zijn Zoon. Die vrede moet hen dan toch beheersen?! Zij vergelden geen kwaad met kwaad. Ze zetten niks betaald. Ze overwinnen het kwade door het goede. Terugslaan voert de strijd op. Liefde ontwapent!

In Christus is er vrede op aarde gekomen. Die vrede van Christus is de enige echte. En die vrede is geen onbereikbaar ideaal. Die vrede is nu al in beginsel werkelijkheid. Iedere zondag wordt ons die vrede aangezegd en wordt ons die vrede aangeboden. 'Genade zij u en vrede van God onze Vader en van onze Here Jezus Christus.'

De vrede van Christus heeft te maken met het verzoend zijn met God. Het is door Christus weer goed tussen de HERE en ons. De vrede van Christus zal volkomen zijn in het Messiaanse rijk. Een situatie waarin alles volkomen is. Een situatie waarin alles overstraald is door de glans van Gods heerlijkheid. Volkomen harmonie tussen alle schepselen. En alles en iedereen gericht is op de lof van God, de Schepper.

Wie tot het Koninkrijk horen, kunnen anderen laten zien wat werkelijk vrede betekent. Door hun spreken en hun levenswandel kunnen ze de weg naar de vrede van Christus wijzen. Ze zullen publiek kinderen van God genoemd worden, kinderen van de Vader!


GELUKKIG DE VERVOLGDEN (vs.10-12)

Het laatste wat de Here noemt is dat de discipelen vervolgden zullen zijn vanwege de gerechtigheid. In de vorige zaligsprekingen ging het met name om de houding die de discipelen in allerlei situaties aannemen. Hier gaat het om wat ze ondervinden vanwege hun leven naar Gods wil. Hun wordt geen probleemloos leven van puur genieten en ontspannen beloofd. Ze zullen vervolgd worden. Bepaald niet te benijden!

Leerling van Christus zijn betekent vijandschap van de wereld. Die vijanden gaan hen vervolgen, verdrukken. Hoe zwaar kan dat zijn. En toch - de gelovigen zijn gelukkig te prijzen, want dit onrecht is als het ware het kenteken, het zegel, dat ze tot het Koninkrijk behoren. Ze bezitten het Koninkrijk.

We kunnen het ons maar moeilijk indenken, maar Christus zegt het hier Zelf - ook tot ons - dat spot en smaad en hoon, waarmee men ons kan lastig vallen, toch een felicitatie waard zijn, omdat we zijn Naam belijden, zijn Koninkrijk vasthouden. Ons loon is groot in de hemelen. Daar vinden we de vergelding, de betaling van het loon.


HET PROFIEL VAN CHRISTUS' LEERLINGEN SAMENGEVAT

Dat is het profiel van Christus' leerlingen.
Ze zijn: armen zonder afgunst en hebzucht, treurenden vanwege hun eigen schuld en zonde, zachtmoedigen die op de HERE kunnen wachten, hongerenden en dorstigen naar het doen van Gods wil, mensen met een warm hart voor anderen die in nood zijn, christenen uit ťťn stuk, leerlingen die voorzover het van hen afhangt vrede houden met alle mensen, vervolgden.

Als het goed is ziet de massa om hen heen hen dit beeld vertonen. Het is geen gezelschap dat leeft van glitter and glamour. Geen pracht en praal. Geen zelfpromotie en ongeremde genotzucht. Geen arrogante mensen die het gemaakt hebben. Geen mensen die zichzelf in de etalage zetten en zich onaantastbaar maken met een beroep op hun vroomheid of gaven.

Maar mensen die leven uit Gods kracht die in zwakheid wordt volbracht. Een wonderlijke kracht die zichtbaar wordt in meer dan gewone liefde en in trouw. Het is een leven waarin mensen hun kruis op zich nemen. Blijmoedig! Achter Christus aan. En onder zijn zegen.


Enkele vragen voor bespreking.

1. Onze hele maatschappij is in de greep van geld en goed. Wat kun je doen om daarin niet meegezogen te worden?

2. In onze wereld zie je een drang om te grijpen wat je aan amusement krijgen kunt. Hoe sta jij tegenover de tv? Waaraan moet een goed programma beantwoorden?

3. Is er bij ons voldoende een treuren over onze zonde?

4. Wat merk jij van vijandschap van de wereld?

5. Hoe kom jij in aanraking met de gebrokenheid van het leven en met de nood van de zonde?

6. Kun een voorbeeld geven van een dubbelleven dat ons bedreigt. Wat is het gevaarlijke daarvan?

 
 
 
 

2. CHRISTUS' LEERLINGEN ZIJN ZOUT EN LICHT Matt. 5:13-16


HET ZOUT VAN DE AARDE (vs.13)

De leerlingen van Christus zijn het zout der aarde. Dat danken ze niet aan zichzelf, aan eigen vroomheid of voortreffelijkheid. Ze danken het aan Koning Christus die met zijn Geest in hen werkt en hen gehoorzaam maakt. Zij spreken het Woord van Christus en laten door hun gedrag zien wat Christus voor hen betekent.

Leerlingen van Christus kunnen vervolgd worden of in de hoek zitten waar de klappen vallen. Naar het schijnt zijn ze volstrekt onbetekenend. Maar Christus zegt het tegenovergestelde. Burgers van het Koninkrijk zijn tot een grote taak geroepen: zout der aarde te zijn. In de wereld die onder de vloek ligt, tot verderf opgeschreven, zijn de discipelen van Christus het zout. Het is het middel dat bederf weert, dat reinigt en zuivert.

In IsraŽl, waar Christus dit zegt, had zout minstens drie positieve functies. Er was ook een negatieve manier van zoutgebruik: over een vervloekt terrein kon men zout strooien. Dat was een teken van eeuwige onvruchtbaarheid. Denk aan het zout van en om de Dode Zee. Symbool van Gods vloek.

Maar in de Bergrede gaat het om positief gebruik van zout. En dat was er op minstens drie manieren.

In de wet van Mozes kreeg IsraŽl te horen dat het zout bij zijn spijsoffers moest doen. Zonder zout bevielen offers niet aan God. Zout maakte het offer aangenaam voor God.

Een tweede gebruik in IsraŽl was het toevoegen van zout aan het eten. Dat gaf smaak. Dat herkennen wij wel, denk ik. Eet maar eens zonder zout! Dat is niet lekker!

Het derde gebruik van zout in IsraŽl was dat het bederf weerde. In een wereld zonder koelkast moest je eten bewaren door het te zouten. Dan bleef het goed. Denk maar aan het zouten en pekelen van vlees dat men vroeger deed om het een poos te kunnen bewaren. God kan zijn verbond met IsraŽl ook wel een zoutverbond noemen: dat is een verbond dat niet meteen voorbij is, maar het houdt de eeuwen door!

Een wereld zonder kerk en christelijk geloof is een wereld zonder zout. Zo'n wereld bevalt de Here niet. Het is een wereld zonder smaak. En het is een wereld die aan bederf onderhevig is. Dat is natuurlijk niet wat die wereld van zichzelf vindt. Maar het is wel de diagnose die Christus van haar stelt. Een wereld zonder kerk en evangelie van Christus is een wereld zonder zout: smakeloos, bedorven, en een wereld die de HERE niet bevalt.


HET LICHT IN DE WERELD (vs.14-16)

Christus noemt zijn leerlingen ook het licht in de wereld. Licht heb je absoluut nodig om positief te kunnen leven en zinvol bezig te zijn. In het donker is het lastig functioneren. Niet voor niets was het licht het eerste wat God schiep. Licht is levens- en arbeidsvoorwaarde nr 1.

De Bijbel weet natuurlijk ook best van dingen die 's nachts gebeuren. Maar in de Bijbel gaat het dan niet om positieve zaken, maar om 'werken van de duisternis'. Dat staat voor dingen waarin de zonde regeert en die schadelijk zijn en het leven afbreken. Donker, duisternis: dat zijn in de Bijbel negatieve begrippen.

Om te functioneren heb je licht nodig. In het licht kun je ook blij zijn en feest vieren. Dat kun je natuurlijk ook in het donker: fuiven, uit je dak gaan. Maar in de Bijbel is dat niet iets positiefs. In het donker feesten staat voor dronkenschap, platte lol, ruzie. Wij behoren, schrijft Paulus, het licht en de dag toe. En we moeten ons verre houden van de werken van het duister: die staan voor zonde, ellende, afbraak, en voor leven onder het oordeel van God.

Het is een scherpe diagnose die de Here van de wereld stelt. Zonder Hem, zonder zijn evangelie, zonder zijn leerlingen is de wereld een zouteloze en donkere wereld. Goed voor bederf en zonde. Onsmakelijk, en niet op leven en werken afgestemd.

Het is in deze wereld aardedonker. De mensen zijn verduisterd door de zonde. Tegen zijn leerlingen zegt Christus: jullie zijn het licht in de wereld. Niet ťťn van de vele lichten, maar het licht. Ze hoeven het niet te worden. Ze zijn het al door Koning Christus die met zijn Geest hun leven vernieuwt.

Ze zijn ook en stad op een berg. Uit de verte zichtbaar voor iedereen. Het geloof is niet een zaak van de binnenkamer alleen. Je komt er mee voor de dag. Dat kan niet anders, want Christus werkt dat geloof door zijn Geest. En ze dragen het uit in werken van geloof. Dat zijn de goede werken, die God in het werkt, zo dat de wereld die gaat opmerken en God erom prijzen.

Christus' leerlingen zijn het zout van de aarde en het licht in de wereld. Hun geheim was dat ze door Christus geroepen en apart gezet waren. HŪj bepaalde hun identiteit. Ze hoorden bij Hem. Zijn onderwijs maakte hen tot wat ze waren. Je zou kunnen zeggen: zijn leer was het zout van de aarde. Zijn werk, zijn onderwijs, zijn offer zuiverde hen.

En wat dat licht betreft: ook daar gaat het om Iemand die achter de discipelen aan het werk is en hen als instrumenten gebruikt. Ze worden door de Here Jezus vergeleken met een stad die op een berg ligt. Dat heeft die stad niet zelf gedaan. Ze is er neergelťgd. Door iemand anders. Door de bouwer ervan. En wie is dat in dit geval anders dan de HERE God?!

Datzelfde geldt voor de lamp waarmee Christus' leerlingen vergeleken worden. Christus spreekt over een lamp die op een standaard wordt gezet. Wie zet deze lamp anders op de standaard dan de HERE God?! Aan Hem danken de discipelen van Christus hun bijzondere plaats en functie!

In vers 16 wordt dat helemaal duidelijk. Daar zegt Christus tegen zijn discipelen: laat je licht schijnen, opdat de mensen je goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel. Door Hem zijn jullie het licht in de wereld. HŪj verdient de eer!


LEERLINGEN VAN CHRISTUS MOETEN ZOUT EN LICHT ZIJN

Het bijzondere is dat de leerlingen van Christus de opdracht krijgen om zout en licht te zijn. Tegelijk kunnen ze niet anders: ze zijn het. Eerst de opdracht, het bevel van Christus om missionair in het leven te staan.

De leerlingen van Christus zijn het zout van de aarde, het licht in de wereld. Dan moet dat zout daar ook werken en het licht daar schijnen. Daarom mogen christenen zich niet opsluiten in hun eigen kring of in een klooster. Je doel als christenen is niet om naar de kerk te gaan en verder niet. Het licht moet verder schijnen. Je mag nooit toestaan dat men je christenleven wil opsluiten achter de muren van je huis en binnen de muren van de kerk. Het evangelie is een licht dat wil schijnen in de wereld. Het wil de samenleving doorzouten.

Als men vandaag zegt: geloven is een privť-zaak, niet bestemd voor politiek en economie en wetenschap, dan is dat precies het tegenovergestelde van wat Christus wil. Hij zegt juist: mijn onderwijs is voor de wereld. Het zout hoort niet in de kast, maar moet door het eten. Het licht moet niet schijnen onder een stolp, maar daar waar je leeft en aan het werk bent. Dat is maar geen vrijblijvend advies van Christus. Een goede raad die je ook naast je neer kunt leggen. Of die maar voor bepaalde leerlingen geldt. Nee, het is een bevel. Voor al Christus' leerlingen.

Dat geldt ook voor dat licht. Je bent een lamp die door God is aangestoken en door God op een standaard is gezet. Dat deed Hij niet voor niks! Hij wilde de lamp van Christus' onderwijs niet onder een emmer, maar juist op een standaard zodat het licht ervan zou uitstralen. De Here wil dat het licht van het evangelie door ons schijnt in de wereld. Als je dat niet doet, als je het onderwijs van Christus beperkt tot eigen huis en kerk, dan doe je alsof God zijn licht onder een stolp gezet wil hebben, onder een emmer. Dan sta je God in de weg! Die de wereld geschapen heeft en zoekt!

U bent het zout van de aarde en het licht in de wereld, zegt Christus. Dat is een opdracht. Laat uw goede daden zien! Eigenlijk gaat het Christus nog om mťťr dan om daden van ons. Hij bedoelt niet dat we van tijd tot tijd, zo nu en dan, eens iets goeds moeten doen. Nee, Hij spreekt ons aan op heel onze persoon. Hij zegt niet: uw goede daden, maar: u bent het zout van de aarde. Niet: uw opvattingen, maar: u bent het licht van de wereld. Het gaat Christus maar niet om een paar meningen van ons of om dingen die we zo nu en dan eens doen.

Het gaat Hem om ons. Om wat wij 'zijn'! Niet onze standpunten en onze theoretische verhalen overtuigen de wereld. Maar ons leven. Dat wat de mensen van ons zien en horen. Dat doet een appŤl op de wereld. Ons godvrezende leven moet onze naasten voor Christus winnen! (HC zondag 32)


CHRISTENEN ZIJN HET ZOUT EN HET LICHT DER WERELD

Naast de opdracht om missionair te zijn is er: het niet anders kunnen. Het zout van de aarde en het licht in de wereld, dat bent u!, zegt Christus. Dat zijn de leerlingen die in die kring om Christus heen zitten. Hun profiel staat in vers 3-10. Ze hebben alles prijsgegeven om Christus' wil, zonder mokken. Ze hebben verdriet om hun zonden. Die willen hun positie niet met hun eigen knuisten of ellebogen veroveren, maar leven in vertrouwen op de HERE: Hij zal zijn beloften nakomen.

Zout en licht ben je door ernaar te hunkeren Gods wil te doen, door echt barmhartig te zijn zonder daarvoor van alles terug te verwachten, door christen uit ťťn stuk te zijn, door vrede te stichten en te bewaren ook met ruziestokers. Zo ben je het zout van de aarde en het licht in de wereld.

Voor de wereld tel je dan niet mee. Ze schelden je uit, vervolgen je en betichten je vals van alles, zeggen de verzen 11 en 12. Maar Christus zegt: als u zo bent als in de zaligsprekingen, dan hebt u een onmisbare functie in de wereld. Dan bent u het licht dat de wereld leefbaar maakt. Dan bent u het zout dat smaak aan de wereld geeft en ervoor zorgt dat ze niet voor Gods tijd ten ondergaat. En wat Christus zegt, dat heeft pas echt gewicht!

U bent het zout van de aarde en het licht in de wereld. Dat zijn we niet van onszelf. En onze goede daden doen we ook niet in eigen kracht. Nee, daarachter staat onze God en Vader in de hemel. De Here Jezus wijst uitdrukkelijk op Hem. Laten de mensen uw licht zien schijnen en uw Vader die in de hemel is, erom verheerlijken!

Uw Vader die in de hemel is, zegt de Here Jezus. Dat is voor ons een heel bekende aanduiding. Wij kennen hem en gebruiken hem vaak: via het 'onze Vader'. Maar voor Joden was het indertijd een heel verrassende manier van spreken over God. Zo spraken zij niet tot God. Dit was nieuw! Het is de eerste keer dat deze naam in het evangelie valt. Hij tekent de verhouding zoals die door Christus is. God wil in Hem onze Vader zijn. Onze hemelse Vader. En zů, als onze hemelse Vader, maakt Hij ons het zout van de aarde en het licht in de wereld.

Dat betekent: ons christenleven is maar niet alleen een geschenk van God. En het is ook niet alleen een voorschrift uit de Bijbel. Het wortelt ook in de Vader-kindrelatie die er dankzij Christus tussen God en ons is. Het getuigt van Gods verbond! Het verbond van God met ons waarvan de doop het teken en zegel is. Zout van de aarde en licht in de wereld kun je niet alleen zijn 'dankzij God'. Het is ook niet maar een zaak van wat regels uit de Bijbel naleven. Het is leven met de God van het verbond. Die je als Vader kent. Met wie je als kind omgaat. En die je als Vader aanspreekt en zoekt in je gebed.

Zout van de aarde en licht in de wereld. Het is een geweldige positie die we mogen hebben. We zijn het als kinderen van onze hemelse Vader. En door onze omgang met Hem moet dat christenleven telkens weer gevoed worden. Als christen leven is niet maar een zaak van de regels van een boek in praktijk brengen. Of leven naar de wil van Iemand die we uit een heel oud boek kennen.

Het is leven in de omgang met en uit de kracht van God die onze Vader is. Het is: Hem kennen en dagelijks met Hem omgaan als je hemelse Vader. Hem horen we spreken in de Bijbel. Met Hem mogen we dag in dag uit leven in het verbond. Achter ons christenleven staat maar geen theorie of denksysteem, maar de levende God die onze hemelse Vader is.


 
 
 
 

3 CHRISTUS EIST TOTALE GEHOORZAAMHEID AAN GODS WET Matt.5:17-32


CHRISTUS' ONDERWIJS RADICAAL ANDERS DAN ONDERWIJS VAN DE FARIZEEňN

Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Dat was een korte samenvatting van de inhoud van de prediking waarmee Christus Galilea doortrok. Het was dezelfde boodschap als van Johannes de Doper.

En dan gebeuren er voor IsraŽl ongekende dingen. FarizeeŽn krijgen van Johannes de Doper te horen dat ze addergebroed (Matt.3:7) zijn. Terwijl ze zich aan allerlei regels van de wet hielden en veel tijd namen om te bidden. Heel het volk keek tegen hen op. Maar door Johannes worden ze als huichelaars ontmaskerd.

Dat moet een schok gegeven hebben in IsraŽl! Wat was dat voor nieuwlichter, die Johannes! Moest inderdaad alles anders? Ja, dat moest. Dat blijkt ook uit het optreden van de Here Jezus. Zijn prediking betekende een breuk met het onderwijs van de FarizeeŽn en wetgeleerden. Voor hen was de dienst van God een zaak van gebod op gebod en regel op regel.

Maar de Here Jezus verkondigde in de synagogen het evangelie van het koninkrijk (Matt.4:23). Hij begon de bergrede niet met wetten en geboden, maar met zaligsprekingen en beloften. Het onderwijs van de Here Jezus was iets totaal anders als de scharen van de FarizeeŽn te horen kregen.

Het verwijt van Christus in de richting van de FarizeeŽn en de schriftgeleerden is, dat hun godsdienst alleen maar aan de buitenkant zat. Ze dienen God met de lippen, maar ze houden niet echt van de HERE.

En dat de FarizeeŽn en schriftgeleerden de wet niet goed lezen, komt omdat ze Christus verwerpen. Ze verstaan de wet niet zoals het moet. Het is voor hen iets wat je puur plichtmatig uitvoert naar de letter, terwijl intussen je hart koud en onveranderd blijft.


CHRISTUS KWAM OM DE WET TE VERVULLEN (vs.17)

Daarmee bindt de Here nu in deze verzen strijd aan. Hij is gekomen om de wet te vervullen, omdat Hij de wet en de profeten juist weer hun rechtmatige inhoud geeft. Hij geeft ze juist weer vulling.

Want zo moet je dat woord 'vervullen' lezen. Iets wat leeg is, een beker of een vat, wordt gevuld. De wet die onder IsraŽl zo sterk was uitgehold, krijgt bij Christus weer inhoud! Hij is door de Vader in de wereld gezonden om de wet de lading te geven die zijn Vader er van het begin af ingelegd heeft.

Hij heeft het gezegd en Hij heeft het in zijn levensweg laten zien, wat de Vader van ons eist. Een hart dat voor zijn dienst in brand staat. Na Christus heeft Gods wet een rijkere boodschap aan ons dan daarvoor. Want Christus heeft haar niet ontbonden, maar gevuld. Haar diepste betekenis doen zien.

Dit woord van Christus is vlijmscherp geweest in de richting van de FarizeeŽn en schriftgeleerden. Jullie verwijten Mij wat. Maar Ik klaag jullie aan! Jullie dienen van de HERE alleen maar aan de buitenkant. Jullie gaan er helemaal aan voorbij dat God in al zijn geboden een nieuwe mentaliteit eist. Jullie denken dat je klaar bent, zodra je maar aan de letter van de wet voldaan hebt. Maar de Here eist in elk gebod je hart!


CHRISTUS WIL DAT HEEL DE WET WORDT GEHOUDEN (vs.18,19)

De Here Jezus zegt dus dat God ons hart wil. Hij waarschuwt ervoor Gods geboden als een paar regeltjes te zien. Maar het gaat bij Hem niet gepaard met minachting voor de letter van de wet. Integendeel. Met de grootste stelligheid horen we Hem oproepen de wet tot in haar punten en komma's te eerbiedigen.

Een jota: dat is de kleinste letter van het alfabet. En een tittel: dat is een heel klein haakje aan Hebreeuwse letters, ongeveer de grootte van onze komma. Het gaat in vers 18 bij die tittel en jota maar niet om die lettertekens zelf. Maar het houdt in, dat niemand ook maar ťťn van Gods geboden van zijn kracht beroven mag. Wie ťťn van deze kleinste geboden ontbindt, zegt de Here Jezus, en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het koninkrijk der hemelen.

Maar wie zelfs de kleinste geboden van God onderhoudt, die zal groot zijn in Gods ogen. De wereld houdt hem wellicht voor een pietlut. Maar God heeft een andere meetlat. Wie ook in de kleinste geboden van de Here trouw is, is groot in zijn ogen. Zo iemand mag kleine kracht hebben. Wie Gods Woord bewaart is werkelijk groot!


CHRISTUS EIST GROTE GERECHTIGHEID (vs.20)

Lees nu vs.20. Dat betekent allereerst: op de Farizeese manier kom je er dus nooit. Wie door eigen goede werken wil proberen zijn behoud te verdienen, zal het koninkrijk der hemelen zeker niet binnengaan.

Gods koninkrijk binnengaan kan alleen langs een andere weg. De weg van de geschonken gerechtigheid. De gerechtigheid van Christus die ons toegerekend en geschonken wordt: vrijspraak van schuld en straf en recht op het eeuwige leven. Leef je uit die geschonken gerechtigheid van Christus, dan kun je je dus heel royaal opstellen. En als je zelf leeft van geschonken genade, ga je ook zelf royaal geven en dienen.

Je gerechtigheid wordt, om het met Christus te zeggen, groot. Je laat je niet meer leiden door het 'voor wat hoort wat' en door het 'dat zal ik je betaald zetten'. Je laat je niet beheersen door de weegschaal, maar door de overmaat. De overvloed. Je doet meer dan wat gewoon is in de wereld.

Dat doe je niet uit jezelf. Het is de Geest van Christus die dat in je werkt. Hij maakt je royaal. Hij schrijft de wet van de Here en de bergrede van Christus in je hart. Hij vernieuwt je, zodat je gerechtigheid overvloedig wordt.


CHRISTUS LEGT DE NIEUWE MENTALITEIT UIT MET HET ZESDE GEBOD (vs.21-26)

In het vervolg van Matt.5 kun je zien wat de Here Jezus bedoelt met dat vervullen van de wet. Als de HERE zegt: Gij zult niet doodslaan, wordt niet alleen de feitelijke doodslag verboden, maar ook de toorn en de haat. Want de HERE verbiedt niet maar een paar losse zonden. Hij eist ons hart. Hij wil een nieuwe mentaliteit.

Let erop dat Christus telkens een tegenstelling gebruikt: 'Gij weet wat de uitleg van de ouden is, dat zijn de FarizeeŽn, maar Ik zeg...'

Nu lezen we verder: gij zult niet doden. Daaraan hielden ze zich trouw. Een moord! Stel je voor! Dat nooit! Maar dat ze elkaar haatten en de ergste scheldwoorden naar het hoofd slingerden, had volgens hen niets met het zesde gebod te maken. Maar Christus komt ons leren dat toornig zijn en in boosheid schelden ook bij die zonde horen. En dat past niet bij burgers van het Koninkrijk.

Heel duidelijk zie je dat in vs.23. Wanneer je ging offeren, en onderweg schoot het je te binnen dat je overhoop lag met ťťn van je broeders, dan moest je eerst je offer gaan brengen volgens de FarizeeŽn, want God ging toch voor. Nee, zegt Christus, eerst verzoenen met je broeder, want anders leef je in een onverzoende verhouding. En dat is zonde tegen het zesde gebod.


CHRISTUS LEGT DE NIEUWE MENTALITEIT UIT MET HET ZEVENDE GEBOD (vs.27-32)

Hij wil een nieuwe mentaliteit. Dat maakt de Here Jezus ook duidelijk aan de hand van het zevende gebod.

Overspel plegen - daar zorgden de FarizeeŽn wel voor dat dat niet gebeurde. Schande! Maar dat ze soms met heel begerige blikken naar een mooie vrouw keken, vonden ze niet erg. Nee, zegt Christus - en daarmee laat Hij ons Gods bedoeling zien - ook die onreine blikken en begerige gedachten zijn zonde voor God. Daarbij stelt Christus het zo sterk, dat een hand en een oog, als die oorzaak van zonde zouden worden, beter verloren kunnen gaan, dan dat het hele lichaam verloren zou gaan.

Opmerkelijk is ook de scheidbrief die Christus hier noemt. O, de rabbi's hadden zo'n prachtig systeem. Als je een vrouw had, die je om een of andere reden niet meer beviel, stuurde je haar weg - maar met een scheidbrief. Zo werden er veel huwelijken verbroken. Ze beriepen zich op Mozes. Die zou dat zo bepaald hebben.

Maar dat was niet zo. Mozes had in Deut.24:1 aan een man die een vrouw zich tot eigendom had gekocht - een soort slavin dus - en die iets schandelijks aan haar vond, de vrijheid gegeven aan die vrouw een scheidbrief mee te geven en haar uit zijn huis laten gaan. Dit laatste was een vorm van barmhartigheid. Ze was als slavin in de macht van de man die haar haatte, maar ze wordt door die brief volkomen in vrijheid gesteld.

Lees nu in vs.32 wat Christus zegt. Zo'n huwelijk blijft voor de HERE bestaan. Er is maar ťťn geval waarin tot ontbinding van een huwelijk mag worden overgegaan, hoererij. En dat briefje waarmee de FarizeeŽn zo kwistig waren, maakte niet vrij van de zonde van 'overspel'.

Juist ons hart opeisen is wat de wet van God doet. Want die wet is de wet van het verbond dat God met ons gesloten heeft. En in dat verbond wil God van hart tot hart met ons omgaan. Hij heeft het liefste gegeven wat Hij had: zijn eniggeboren Zoon. Nu wil Hij ook niets minder dan onze wederliefde. De liefde van ons hart! Dat eist zijn wet, omdat ze verbondswet is!
 
 
 
4 CHRISTUS GEEFT GEBEDSONDERWIJS Matt.6:1-15
 
INLEIDING
God heeft een hekel aan show.
Hij wil dat we in de eerste plaats doen wat Hij fijn vindt, wat de mensen er ook van mogen denken.
Geven voor een goed doel, omdat je God liefhebt.
Praten met God en Hem eerst zeggen, waarom je van Hem houdt.
Het is verkeerd wanneer je alleen bidt als je er behoefte aan hebt.
 
OP WIE WIL JE INDRUK MAKEN? (vs.1-4)
Tot de gerechtigheid van het Koninkrijk, de werken dus van geloof en bekering, behoren ook de aalmoezen, de giften. Rijke Joden lieten soms oproepen, dat ze ergens een uitdeling gingen houden. Die hielden dus van 'show'.

Zo wil Christus het niet. Zie maar, hoe scherp Hij Zich uitdrukt. Die Joden hebben hun loon reeds, zegt Hij, namelijk de mensen hebben hun complimentjes gegeven over hun goedheid.
Als wij ergens geld voor geven, dan kan dat zijn, omdat we een goede indruk willen maken op onze omgeving. De mensen moeten dan goed in de gaten krijgen hoe gul we zijn.
  God wil het anders. En als we zo doen als Christus het zegt, dan kan ons de eer van mensen niet schelen. Maar - en dat is een wonder van genade - dan ontvangen wij (onnutte dienstknechten) toch loon voor die gerechtigheid.
  We doen het voor God omdat we van Hem houden. Dan doen we het zo dat niemand er iets van merkt. Je geeft bijvoorbeeld van je zakgeld iets extra's in de collecte, zonder dat je ouders het weten. De HERE weet het alleen. Je hebt een geheimpje met je hemelse Vader!
 
BIDDEN IN JE BINNENKAMER (vs.5-8)
Weer verzet Christus Zich tegen het demonstratieve bidden van de FarizeeŽn. Hij wijst ons de weg van het stille, persoonlijke gebed, dat van God verhoord wordt. Hij waarschuwt tegen de omhaal van woorden, een stortvloed van woorden. Maar Hij leert ons dat machtige gebed waarin alles wat we nodig hebben aan God wordt verteld. Waarin het ook niet alles om ons draait, maar waarin Hij ons leert dat we al het nodige krijgen om in de dienst des HEREN verder te kunnen gaan.
  De Here Jezus heeft ons dat persoonlijke gebed tot God uitdrukkelijk opgedragen, toen Hij beval te bidden in je huis. Men had vroeger nl. niet allemaal een eigen kamer waarop men zich terug kon trekken. Niet zelden was er in een huis maar ťťn kamer, waarin alles moest gebeuren. Men had dus nergens privacy. Men kon nergens rustig en in afzondering bidden. Behalve in de binnenkamer dan.
  Die binnenkamer was een bepaald vertrek in een oud oosters huis. Het opberghok, de bergruimte. Daar kwam vrijwel nooit een mens. Het was ook een donker hok. Wie zich daarin terugtrok om te bidden, die kon in alle rust en stilte bidden, zonder dat iemand erbij was. Behalve God. De Vader die in het verborgene ziet.
  Ook daar moeten we bidden. Niet alleen aan tafel temidden van het gezin dus. Of in de kerk tussen de broeders en zusters. Maar ook in de eenzame en donkere binnenkamer. Dat wil zeggen: daar waar je in rustige afzondering bidden kunt zonder gestoord te worden door anderen.
 
ONZE VADER DIE IN HET VERBORGENE ZIET, ZAL HET VERGELDEN (vs.4 en 6)
De Here Jezus spreekt in Matt. 6 verschillende keren over de Vader die in het verborgene ziet, die het ons zal vergelden. Dus als we bij het geven van giften en bij ons bidden er geen show van maken, zal God ons belonen. Hierbij moet je niet denken aan verdienste.
  Want je moet er eens op letten, wat de Here Jezus precies zegt. God wordt niet voorgesteld als een directeur die loon uitbetaalt op grond van een arbeidscontract. Nee, Christus spreekt van "Uw Vader die in het verborgene ziet". Het gaat in Matt. 6 niet om de verhouding "heer-slaaf", "werkgever-werknemer", maar om die tussen vader en zoon. In die verhouding spreekt de bijbel over onze beloning door God.
  Ons loon moet niet vergeleken worden met het salaris dat een arbeider verdient, maar met het zakgeld dat een kind van zijn ouders krijgt. Verdient een kind zakgeld? Welnee! Dat je afwast, is toch heel normaal! In een gezin moet nu eenmaal iedereen wat doen. Als het kind met afwassen of de auto poetsen wat verdiende, hoeveel zou zo'n kind dan wel niet aan moeder moeten betalen voor haar koken en stofzuigen? Als er naar verdienste betaald moest worden, zou ieder kind in plaats van zakgeld ontvangen, geld moeten toeleggen.
  Toch geven ouders zakgeld aan hun kinderen. Want het is belangrijk dat kinderen met geld leren omgaan. Als ze dat niet jong leren, kunnen ze later onverantwoorde dingen met hun geld doen. Vandaar dat ouders hun kinderen zakgeld geven. Maar dat is geen loon, maar een aardigheidje. Geen verdienste, maar genade, zou de Catechismus zeggen.
  Zo is het tussen God en ons ook. Hij is niet onze directeur, die ons verdiende loon uitbetaalt, maar onze Vader, die ons uit genade beloont.
  Het is dan ook niet zo, dat Gods kinderen straks op de jongste dag voor Gods rechterstoel zullen verschijnen om de door hen verrichte prestaties betaald te krijgen. Integendeel. In Matt. 25 vertelt de Here Jezus, dat als Hij de Zijnen zal prijzen om hun liefde voor Hem, zij verrast en verwonderd zullen vragen: Maar wanneer hebben wij U een slok water gegeven. Wanneer hebben wij U opgezocht? Gods kinderen zijn geen arbeiders voor loon die op de jongste dag hun welverdiende vergoeding op komen eisen. Absoluut niet. Tot hun verrassing, uit genade, worden ze beloond.
 
DE MEESTER GEEFT GEBEDSONDERWIJS (vs.9-15)
Je zou het Onze Vader een gebedsvoorbeeld kunnen noemen. De Here heeft niet bedoeld om ons in alle situaties aan de preciese bewoordingen van dit gebed te binden. Dan zou het in Matt. 6 en in Luk. 11 wel precies dezelfde vorm gehad hebben. Het ging de Here Jezus er dan ook niet om zijn discipelen tot in details voor te schrijven wat ze bidden moesten. Hij wilde hun een voorbeeld geven hoe ze bidden moesten. Als de Here Jezus het Onze Vader gaat leren aan zijn discipelen, zegt Hij niet: Bidt gij dan dit. Maar: Bidt gij dan aldus.
  Er valt nog wat op. En wel dat het Onze Vader bestemd is als gebed voor de binnenkamer. De Here Jezus heeft het zijn discipelen geleerd om richting te geven aan hun persoonlijk gebed. Bij ons heeft het vaak een plaats in de publieke of de gezinsgebeden, maar in Matt. 6 is dit hŤt gebed voor de binnenkamer. En dan niet alleen om het letterlijk na te bidden, maar vooral als aanwijzing hoe wij in de binnenkamer zullen bidden.
  En wat dan opvalt is de enorm wijde kring die dit gebed bestrijkt. In onze persoonlijke gebeden staan niet zelden onze eigen zaken en onze persoonlijke verlangens en wensen centraal.
  Maar de Here leert ons hier juist in ons persoonlijk gebed allereerst gespitst te zijn op de zaak van God. Op de heiliging van zijn naam, op de komst van zijn rijk, en op het geschieden van zijn wil.
  En pas als dat onze gebedsaandacht gehad heeft, komen wijzelf in het blikveld. En dan niet als losse individuen. Maar als leden van Gods huisgezin. Geef ons heden ons dagelijks brood. Vergeef ons onze zonden. En leidt ons niet in verzoeking. Kinderen van God zijn geen ego-trippers, maar leden van het lichaam van Christus. Ook op de meest persoonlijke momenten weten ze zich opgenomen in Gods zaak en in Gods volk. En bidden ze daarvoor.
  Antwoord 118 van onze catechismus omschrijft de inhoud van het gebed als: alles wat wij voor lichaam en ziel nodig hebben. Dat heeft God ons bevolen van Hem te vragen. Dat betekent: daarvoor heeft Hij Zich garant gesteld en daarover hoeven wij ons dus geen zorgen te maken.
 
 
 

5 CHRISTUS EIST DAT WE MET ONS BEZIT ALLEEN GOD DIENEN Matt.6:16-24
 
INLEIDING
Vasten, is dat niet typisch rooms? Dat hoeven wij als gereformeerden toch niet? Maar als vasten nu betekent: je bepaalde dingen ontzeggen om dichter tot de HERE te komen? Loslaten wat zich tussen God en mij schuift?
 
HET VASTEN (vs.16-18)
Telkens weer klonk in het voorafgaande die waarschuwing: het echte loon is het loon dat je van de Here krijgt. Dat is meer, veel meer dan de beloning van het in aanzien staan bij de mensen. Zijn oordeel, daar komt het op aan. Je leeft niet voor jezelf, voor eigen eer, maar voor de Here. Het is die lijn, die in dit gedeelte wordt doorgetrokken.
  Eerst gaat Christus het vasten van de FarizeeŽn bestrijden. Ze maken hun gezicht ontoonbaar. Ze wassen zich niet en strooien as op het hoofd. Ieder zal het zeggen: wat vroom! En die eer van de mensen, daar ging het hen om, dat was hun loon. Ze waren voldaan.
  Nu wijst Christus de zijnen de goede weg: geen uiterlijk vertoon, maar wanneer de zonden je drukken en je eronder gebukt gaat, toon dat dan aan je Vader. Hij zal je - uit genade - vergelden. Dat is je loon.
 
DE WARE SCHAT (vs.19-21)
Verzamelt u geen schatten op de aarde, maar verzamelt u schatten in de hemel. Het gaat hier niet over de soort schatten die we moeten zoeken, maar over de plaats waar we schatten verzamelen. Er staat niet: verzamelt u geen aardse schatten, maar: verzamelt u geen schatten op aarde. Er wordt de nadruk gelegd op de plaats waar je je schatten verzamelt. Want waar uw hart is, daar zal ook uw hart zijn.
  Waar wil je schatten verzamelen? Op aarde of in de hemel? In wiens oordeel stel je belang: in dat van de mensen op aarde of in dat van je Vader, die in de hemelen is? Waar leef je voor? Voor de Here of om door de mensen gezien te worden? Waarvoor gebruik je je bezit? Om je hier van een lui en lekker leventje te verzekeren? Of zoek je met je geld en goed de Here te dienen? Zoek je eigen genot? Of zoek je met je spulletjes de voortgang van Gods zaak en de verheerlijking van zijn naam?
  Schatten verzamelen op aarde. Dat is: je gebruikt alles wat je gekregen hebt voor jezelf. Schatten verzamelen in de hemel. Dat is: je leeft voor de Here en je bent uit op zijn genadeloon. Een schat in de hemelen verzamelen, dat doe je door je geld te gebruiken in dienst van de Here.
  Dit gedeelte verbiedt ons dus niet om veel geld te verdienen. Maar er wordt ons geboden het te besteden in de dienst van onze Vader die in de hemelen is. Rijkdom is op zich niet verwerpelijk. De HERE kan er zijn kinderen zelfs mee zegenen. Denk aan Abraham. Denk aan Salomo. Schatrijke mannen, gezegend door God. Als je je kapitaal nu ook maar belegt bij de bank van het koninkrijk der hemelen!
  De Here Jezus voegt daar nog aan toe: Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. Wie op een wereldse manier met zijn geld en bezit omgaat en dat zoveel mogelijk buiten de dienst van de Here houden wil, die moet niet denken dat hij zijn hart rein kan houden. Dat hij gelovig blijft. Ook zijn hart zal van de Here losraken en naar de aarde gezogen worden. Hoezeer je dat ook probeert te voorkomen en denkt dat dat jou niet zal gebeuren. Als je met je bezit aan de aarde blijft hangen, blijft je hart ook aan de aarde hangen.
 
HET ZUIVERE OOG (vs.22-23)
De Here Jezus spreekt over een zuiver oog en over een slecht oog. Een slecht oog is een oog dat zich laat trekken door slechte dingen. En een zuiver oog is een oog dat zich helemaal op de wil van de Here richt.
  De Here Jezus noemt het oog in vers 22 de lamp van het lichaam. Een heel opmerkelijke beeldspraak omdat een oog immers geen licht uitstraalt, maar het alleen maar opvangt.
Hiermee wil de Here aandacht vragen voor de belangrijke functie die het kijken bij ons heeft. Wij laten onze opstelling vaak afhangen van wat we waarnemen. Wat je doet, wordt bepaald door de manier waarop je de dingen bekijkt. Je ogen sturen je gang. Wat je ziet, wekt je begeerte op of je afschuw.
  De lamp van het lichaam is het oog. Daarmee wijst de Here Jezus de centrale betekenis van ons kijken aan. Als je naar de goede dingen kijkt, wordt je leven naar de goede dingen getrokken. Stel je je open voor allemaal verderfelijke waarnemingen, dan raak je daarin gevangen.
  Dit gedeelte is belangrijk voor ons tv-gebruik. Waar kijk je naar? Waar laat je je geest door voeden. Er zijn een heleboel dingen waarvan je je af kunt vragen: is het nu verkeerd als ik dat doe? Wordt dat ook ergens in de wet verboden? Maar de HERE wil dat we veel positiever leven!
  We moeten ons eens afvragen: als we nu leven naar Gods wil en ons oog zuiver is, zouden we dan ook naar die omstreden programma's verlangen? Je kunt wel praten over de vraag of je met iets ook een bepaalde grens overschrijdt, ja of nee, maar je moet je eerst eens afvragen hoe je bij die grens terecht gekomen bent. Was dat uit liefde tot de Here. Of vanwege de begeerte der ogen?
  TWEE HEREN DIENEN (vs.24)
Hier wordt de tegenstelling heel scherp geformuleerd door de Here. God Úf de Mammon. Minder scherp, minder zwart_wit, ligt het niet! De Here maakt ons allen heel duidelijk, dat je maar niet wat neutraal over geld en geldbesteding kunt spreken, maar dat je daarbij altijd voor de keuze staat: wie wil ik dienen met mijn geld en goed. God Úf de Mammon. Zonder een radicale keus voor ťťn van beiden gaat het niet. Niemand kan twee heren dienen, zegt de Here Jezus.
  Als de Here dat zegt, moet je denken aan de omstandigheden in het toenmalige IsraŽl. Het was daar en toen absoluut ondenkbaar, dat een slaaf in dienst van twee heren zou zijn. Je was nl. maar niet slaaf voor een aantal uren per dag. Slaven moesten juist de hele dag volledig ter beschikking van hun heren staan. Het was absoluut onmogelijk twee heren te dienen.
 
De Here Jezus zegt dus, zoals niemand twee kan heren dienen: zo kunnen jullie, discipelen van Mij, niet God dienen ťn Mammon. Mammon: dat is het verafgode geld. De afgod bij wie de wereld zijn zekerheid zoekt.
  Geld op zich is niet fout. Maar als het verafgood wordt, is het mis. Dat verbiedt de Here Jezus hier dan ook. Je moet Mammon nooit als heer hebben. Je moet nooit de slaaf van geld en welvaart worden. Je moet ze altijd vrij gebruiken. Wie Christus als Heer heeft, is niemands slaaf. Alles staat hem ter beschikking. Zelfs de onrechtvaardige Mammon gebruikt hij! In dienst van de enige Here! Zolang Mammon maar geen heer is, maar middel, gebruiksvoorwerp.
  Nee, er is voor Gods kinderen maar ťťn Here, in wiens dienst ook levensonderhoud en stoffelijke goederen moeten staan. Wie de Here dient, kan niet tegelijk de Mammon dienen. Die kan de onrechtvaardige Mammon alleen maar gebruiken bij het werk in het koninkrijk der hemelen. Niet wij moeten Mammons slaaf zijn, maar hij de onze!
 
 
 
6 ZOEK EERST GODS KONINKRIJK Matt.6:25-34
 
INLEIDING
Veel mensen zijn tegenwoordig ontzettend met hun uiterlijk bezig. Onder de zonnebank, schoonheidsbehandelingen, dure merkkleding enz.
In hoeverre mag je daar als christen aan meedoen?
 
BEZORGDHEID (vs.25-34)
Dit mooie gedeelte is een verdere uitwerking van wat hierboven gezegd is over het schatten vergaren, over het zuivere oog en over het dienen van God of Mammon.
  Hoe zijn we bezig met voedsel en kleren, met ons lichaam en ons uiterlijk? Moeten we dan niet zorgen? Natuurlijk. Maar we moeten allereerst het koninkrijk van God zoeken. Dus niet allereerst in de weer zijn voor lekker eten en drinken of voor de laatste mode.
  Denk maar eens aan die mooie woorden uit het Doopsformulier: "Wanneer wij gedoopt worden in de naam van de Vader, verklaart en verzegelt ons God, de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade sluit. Hij neemt ons tot zijn kinderen en erfgenamen aan en zal ons daarom van al het goede voorzien en al het kwade van ons weren of voor ons meewerken ten goede."
 
NIET INZITTEN OVER VOEDSEL EN KLEDING (vs.25)
Dit vers kan misverstand veroorzaken. Alsof we met het oog op de toekomst met de armen over elkaar kunnen gaan zitten. De Here Jezus zegt niet, dat we niet hoeven te zorgen, dus dat we bijvoorbeeld niet de nodige voorzorgsmaatregelen mogen nemen met het oog op de winter. Of dat we niet moeten werken om vooruit te komen in de wereld.

Maar al dat zorgen moet verband houden met Gods koninkrijk. Zijn discipelen en zijn gelovige kinderen mogen niet in angst zitten over de toekomst en ongerust zijn met het oog op morgen. Die zorgen mogen niet hun hart vervullen. De dingen van het dagelijks leven mogen niet het ťťn en al zijn. Maar ze mogen zich in het volste vertrouwen aan hun God en Vader overgeven.
 
KIJK NAAR DE VOGELS EN DE BLOEMEN (vs.26-30)
De Here Jezus roept zijn hoorders op eens te kijken naar de vogels en de bloemen. Ze zaaien niet en maaien niet en toch krijgen ze voedsel. Als God zo zorgt voor de vogels en de bloemen, hoeveel te meer zal Hij voor hen zorgen die zich allereerst richten op Gods koninkrijk.
  Bezorgdheid is verkeerd als zij ingaat tegen het bevel van de Here en als zij voortkomt uit gemis van vertrouwen op de Here. Maar ze is ook nutteloos. Want wie kan een el aan zijn lengte toevoegen? We kunnen hier, volgens de uitleggers denken aan lichaamslengte maar ook aan levensduur. Met al ons zorgen kunnen we ons leven ook niet een minuut verlengen.
  Nadat de Here gesproken heeft over het levensonderhoud, gaat Hij spreken over de kleding. Let op de bloemen die niet zorgen voor kleren. Salomo is zelfs niet gekleed geweest als ťťn van de bloemen. Hoe mooi ook het produkt van menselijke kunst is, het haalt het niet bij de pracht van de bloemen. Dat geldt ook de statiegewaden van koning Salomo.
  Als nu God het gras dat een kort bestaan heeft en als waardeloos verbrand wordt, zo bekleedt, zo mooi, hoeveel te meer zal hij ons telkens voorzien van wat we nodig hebben aan kleding en verwarming, als we allereerst het Koninkrijk Gods zoeken.
 
GOD WEET VAN ALLE MENSEN WAT ZE NODIG HEBBEN (vs.31-32)
Opnieuw zegt de Here: richt uw aandacht niet alleen op eten en drinken. Wees niet alleen bezig met de laatste mode. Zit niet in zorg over voedsel en kleding.
  Hiermee zegt de Here niet, dat wij niet werken moeten om ons dagelijks brood te verdienen. Of dat we niet naar werk moeten zoeken als we werkloos zijn.
  Integendeel, Hij eist van ons getrouwheid ook in het werk en in het vervullen van onze aardse roeping. Maar Hij bedoelt met dat zoeken een opgaan in de dagelijkse zorgen om voedsel en kleding.
  Want naar deze dingen zoeken degenen die God niet kennen als hun God en Vader in Christus. Voor de ongelovigen is vaak het materiŽle het ťťn en het al. Zeker in het materialistische West-Europa.
  Maar God weet van alle mensen wat ze nodig hebben. De Here bedoelt hier een weten, dat er voor zorgen doet, een weten dat in liefde en ontferming geven doet wat nodig is en dat op het juiste moment.
 
ZOEK EERST HET KONINKRIJK VAN GOD (vs.33-34)
In vs.33 komen we bij de kerntekst van dit gedeelte uit de Bergrede. Zoekt met alle inspanning en krachten steeds Gods koninkrijk en Gods gerechtigheid. De goederen van het koninkrijk: verzoening, vrede, gerechtigheid, heiligheid, het wandelen in de wegen van Gods Woord. Dan ontvangen we de aardse dingen als toegift. Dat koninkrijk met zijn heil wordt dan ons deel. Maar ook ontvangen we dan wat we nodig hebben voor ons lichamelijk en aardse bestaan. Misschien heel bescheiden, maar wel voldoende.
  We moeten ook Gods gerechtigheid zoeken. Dat wil zeggen: we moeten leven volgens de roeping die de mens bij de schepping ontving. Het moet weer worden zoals God de mens bedoeld heeft: God dienen in gehoorzaamheid aan zijn Woord. Zie je hoeveel het zoeken van Gods Koninkrijk en Gods gerechtigheid met elkaar te maken hebben?
 
 
7 CHRISTUS GEEFT ONDERWIJS OVER DE WANDEL IN GODS KONINKRIJK Matt.7:1-12
 
INLEIDING
Mensen lijken ontzettend veel op elkaar. Ze doen vaak verkeerde dingen of hebben nare gewoonten. Het is niet zo moeilijk iemand op z'n nummer te zetten. Je vindt altijd wel wat.
Maar voor welk gevaar waarschuwt de Here Jezus ons, wanneer we op de fouten van de anderen gaan letten (vs.2)
Een oordeel is een schot dat vaker de schutter treft dan het doel.
 
OORDEELT NIET (vs.1-2)
Oordeelt niet, wanneer dat niet nodig is en je niet tot oordelen geroepen wordt. Dat deden de FarizeeŽn naar alle kanten: fel veroordelen.
  Het ambt van rechter wordt hier niet verboden. Maar hier wordt het onnodige onderlinge oordelen bedoeld, zonder dat er noodzaak of roeping toe bestaat. We zijn vaak niet in staat een rechtvaardig oordeel te vellen. Want er is nu nog een heleboel wat wij niet weten.
  Wij zullen niet geoordeeld worden door God, als we niet onnodig oordelen. Want in dat niet-oordelen komt onze innerlijke gesteldheid aan het licht: ootmoedigheid en eerbiedige omgang met de Here.
  We moeten niet oordelen, dan zullen we niet geoordeeld worden nl. in het grote gericht van God bij het sterven en aan het eind van de wereldgeschiedenis. Om de vergeving van onze zonden door God te kunnen ontvangen en genieten, moet er bij ons zijn de gezindheid tot vergeven en het werkelijk vergeven aan wie tegen ons zondigde.
 
SPLINTER EN BALK (vs.3-6)
Nu wijst de Here op het zien en veroordelen van iemands anders zonden, terwijl men eigen grotere zonden niet in de gaten heeft. Christus waarschuwt ons ervoor dat we niet onbillijk en hard zullen oordelen, zonder onze eigen zonden te zien. Zie maar die splinter en die balk. Aan de balk in eigen oog schenkt men geen aandacht. Scherp laat de Here het slechte van zulk spreken en handelen uitkomen door de aanspraak 'huichelaar'. Want met zo te doen, doet men zich voor als vrij van zonde en als bezorgd over het heil van de ander en als hater van de zonde. Maar uit eigen zondig handelen blijkt, dat dit onwaar is en niet van harte gemeend wordt.
  Je vraagt dan misschien: 'mag je dan helemaal niet oordelen?' Dan moet je goed onderscheiden. Als vader en moeder je berispen, dan oordelen ze ook, maar ze doen het gedreven door liefde. Daar zit nu net dat verschil met het oordelen waarover Christus spreekt. Dat is het oordeel van een vreemde, zonder liefde.
  De Here zegt dus niet, dat we ons met het verkeerde gedrag van de ander niet bemoeien moeten en hem maar aan zichzelf moeten over laten. Maar eerst moeten we op onszelf scherp toezien om weg te doen wat bij ons niet goed is en in strijd met Gods wil en wet. En dan eerst mogen we ons met de ander bemoeien. Dit werk eist grote voorzichtigheid om geen schade aan te richten. Er is geen reden tot zelfverheffing boven de ander. Onze eigen zonden zijn vaak groter dan die van hen, waarover we zo'n grote mond hebben.
  En dat niet alle oordelen verkeerd is, blijkt uit vs.6, waar van sommige mensen die onze naasten zijn gezegd wordt, dat het zwijnen en honden zijn (in het oosten verachte dieren). Hier worden mensen bedoeld, die onbekeerlijk zijn, die niet willen luisteren. Er kan een tijd komen, dat men zulke mensen niet langer het Evangelie meer brengt (zie Luc.9:5).
 
BIDT EN U ZAL GEGEVEN WORDEN (vs.7-8)
We lezen nu vs.7 en 8. Christus zegt hier, dat we moeten bidden, als het moeilijk is deze weg te bewandelen. Op ons gelovig gebed ontvangen we wat we nodig hebben. Christus gebiedt het ons. Houdt weer goed vast, dat Christus het tegen zijn discipelen zegt. Een ongelovige zal op zijn gebed niets ontvangen. Maar de kinderen van de Vader in de hemel krijgen wat nodig is.
  Denk nu aan de Bergrede zelf. Begeren we brood (6:26) of kleding (6:30), we mogen erom vragen. We mogen bidden om de Heilige Geest (Luc.11:13) en om wijsheid (Jak.1:15). Want we zijn kinderen van de Vader. Zie nu maar hoe die Vader-kind-verhouding getekend wordt.
De Here verzekert zijn discipelen, dat hun gebeden stellig verhoord zullen worden, wanneer zij in ernst, aanhoudend, dringend bidden nl. om wat nodig is. En Ik zeg u. Daarmee stelt de Here Zich ahw borg voor de waarheid van wat Hij nu gaat zeggen.
  Driemaal zegt Hij hetzelfde met andere woorden: bidt, zoekt, klopt. Maar het is niet helemaal hetzelfde zondermeer. Elk van de drie uitspraken heeft iets bijzonders, dat het voorafgaande versterkt.
  Met bidden spreekt de Meester hier van een vragen, waar de wil om te ontvangen in werkt en dat daarom aanhoudend bidden genoemd wordt. Hier wordt geen bidden bedoeld, dat een ogenblik of korte tijd geschiedt, maar vervolgens weer nagelaten wordt. Want dan blijkt dat het geen zaak van het hart is, die ernstig gemeend wordt. Het is een opwelling van het ogenblik, een wens, een begeerte, maar geen levenskwestie. Bidden betekent hier: met alle aandrang van het hart God aanroepen om het nodige en dan daarmee doorgaan totdat God het gegeven heeft.
  En met zoeken wordt deze gedachte nog versterkt. Daarmee wordt gesproken van het op alle manieren uitdenken van middelen om het nodige te krijgen en wat God kan bewegen tot verhoring.
  En kloppen versterkt dit ook. Aanhoudend kloppen maakt duidelijk dat men gehoord wil worden en naar binnen wil. Dat spreekt dus van grote aandrang, waarmee het gebed tot de Here wordt opgezonden, van het vurige bidden en van het sterke roepen.
  Dan is het gebed niet flauw, niet mat, geen sleur, geen dorre redenering maar dan is het een worstelen met God. En dan zegt de Here toe: u zal gegeven worden, gij zult vinden, u zal opengedaan worden.
 
EEN VADER ZORGT TOCH VOOR ZIJN KINDEREN? (vs.9-11)
Voor de derde keer geeft de Here zijn verzekering dat Hij de gebeden van de Zijnen verhoort. Daartoe wijst Hij op de houding van een vader tegenover zijn zoon.
  Mocht iemand wellicht aan zijn vijand een slang geven, als deze om een vis vroeg, hij zou dat zeker niet doen bij zijn zoon. En niemand van de discipelen of gelovigen zou zo doen. Wat door wereldlingen mogelijk gedaan kon worden, zou toch een van de gelovigen nooit doen.
  Met deze beelden tekent de Here de verhouding van God tot zijn uitverkorenen en gelovigen als die van vader en zonen. Hij spreekt dus niet wat ten aanzien van alle mensen waar zou zijn, maar over Gods kinderen die door het geloof de Here als hun Heiland aangenomen hebben en Hem volgen en dienen.
  Ten slotte maakt Hij de toepassing op zijn discipelen in hun verhouding tot God als hun Vader. Als gij dan hoewel ge verdorven bent, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal de Here dat doen voor hen die tot Hem bidden.
 
WAT GIJ WILT WAT U GESCHIEDT, DOET DAT OOK EEN ANDER (vs.12)
Dan vat Christus heel de wandel als kinderen van het Koninkrijk samen in dat kostelijke woord: alles wat gij wilt dat de mensen u doen, doet gij hun ook aldus.
  Dat is duidelijk, positief. Heel wat beter dan het gezegde dat we vaak horen: wat hij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat zegt slechts, wat wij niet moeten doen, maar laat wat we wel moeten doen onbesproken.
  Christus keert het om. Hij zegt: zo moet ge doen aan uw naasten. De Here zegt het hier positief, wat wij moeten doen. En dat omvat veel meer. Met deze woorden vat de Here in een algemene regel samen wat Hij tevoren heeft bevolen.
Dit is ook de wet en de profeten
 
 
 

8 CHRISTUS EINDIGT DE BERGREDE MET ERNSTIGE WAARSCHUWINGEN Matt.7:13-28
 
INLEIDING
Welke weg ga je? De brede of de smalle?
Wat voor boom ben je? Een goede of een slechte?
Wat is het fundament onder je levenshuis? Van rots of van zand?
Voor die keus stelt Christus jou.
Weet je het antwoord al?
 
TWEE WEGEN (vs.13,14)
Durf je alleen te staan? Of sluit je je altijd maar aan bij de meerderheid? De Here Jezus waarschuwt je in deze verzen dat het heel goed kan gebeuren, dat je alleen komt te staan als je Hem wilt volgen. Waarom volgen zo weinig mensen de smalle weg?
  Het kost vaak moeite en inspanning om te doen van Christus van je vraagt. Maar het moet, want daarom houdt Christus ons voor wat in dit Schriftgedeelte staat.
  Daar staat dat we elke dag weer opnieuw moeten ingaan door de enge poort van het gehoorzaam wandelen op de weg van het Koninkrijk. Dat is de weg van Christus.
  Die enge poort is er elke dag en die smalle weg is er steeds opnieuw. Het is maar geen enge poort aan het eind van ons leven om in de hemel te komen. Weet je wat het zijn die enge poort en die smalle weg? De strijd van het geloof! Om het nog duidelijker te zeggen (en dan nemen we maar weer de Bergrede zelf), het is: je broeder niet haten (5:22), geen onreine blikken en woorden (5:28), desnoods een hand afkappen (5:29), niet vloeken (5:34), eenvoudig ja-zeggen (5:37), je vijanden liefhebben (5:47), echte aalmoezen geven (6:3), je schuldenaars vergeven (6:12).
  Zo zie je - die enge poort en smalle weg vindt een mens iedere dag in zijn leven. Maar, ga er door, want die weg leidt ten leven! Die enge poort is er dus voor ieder die gelooft.
 
TWEE BOMEN (vs.15-23)
De Here Jezus spreekt in dit gedeelte over bomen. Ze lijken op elkaar. Ze hebben stammen, bladeren, takken, maar ze hebben niet allemaal goede vruchten. Sommige geweldige bomen dragen oneetbare vruchten, terwijl dwergboompjes de lekkerste vruchten kunnen dragen.
  Zo is het ook met de mensen. Ze kunnen er aan de buitenkant indrukwekkend en schitterend uitzien met prachtige huizen en peperdure auto's. Ze hebben alles wat hun hartje begeert. Maar voor de Here dragen ze geen goede vruchten. Ze zijn als slechte bomen die slechte vruchten voortbrengen.
  Dat is een ernstige vermaning en dat komt nog sterker uit als je ziet, hoe Christus waarschuwt tegen slechte leidslieden, valse profeten. Ze lijken op herders, maar pas op. Let vooral op hun werken. Aan hun werken, hun vruchten zul je ze kennen. Zijn die werken niet in overeenstemming met Christus' onderwijs, dan zijn het valse profeten.
  Hoe ernstig oordeelt Hij over ons leven, als we zien hoe zij, die Christus de eretitel: Here, Here hebben gegeven, toch afgewezen worden. Uitgedreven! Werkers der wetteloosheid, zegt Hij. Dus zij die de wet de wil van de Vader iet hebben gevolgd. Allerlei moois kan dan niet meer helpen. We moeten daders van het Woord zijn.
 
TWEE HUIZEN (vs.24-29)
Christus gaat de Bergrede besluiten. Hij doet het met een soort gelijkenis. Een gelijkenis over twee mannen, die allebei een huis bouwen. Het verschil zit 'em alleen hierin dat de ťťn Christus' woorden niet alleen hoort, maar ze ook doet, terwijl de ander ze wel hoort, maar er niets mee doet.
  Maar beiden horen Christus' woorden. Dat wil zeggen, dat Christus hier dus niet een IsraŽliet en een heiden met elkaar vergelijkt, maar twee IsraŽlieten.
  Er is een diepgaand verschil dat er pas uitkomt als de orkaan van Gods gericht overtrekt! Dan blijkt dat de ťťn was voorbereid op die catastrofe en de ander niet. De een had zijn huis in de rotsgrond verankerd, en de ander niet.
  Waarom noemt de Here zo iemand dan dwaas? In de Schrift wordt 'dwaas' genoemd wie met God niet rekent. De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God! Dŗt is zijn dwaasheid. Hij rekent niet met God. En laat zich door de Here niet onderwijzen. Hij slaat geen acht op wat de Here zegt.
  Zie je, waarvoor de Here je waarschuwen wil? Hij wil ons waarschuwen voor een mentaliteit waarbij we met van alles rekening houden, maar waarbij we intussen met de Here en zijn oordeel niet rekenen.
  We zien het kerkelijk leven al meer afkalven in de samenleving. Wie maakt er zich nog druk om de Here en zijn dienst. Wie vreest er zijn gericht nog? Men heeft nog wel angst, maar dat is angst voor ongeneeslijke ziekte, voor een plotselinge dood of voor en milieuramp. Maar wie maakt er zich nog druk over het oordeel van God? Dat alles heeft men uitgebannen uit zijn leven.
  Daar heb je de dwaasheid van de wereld. Maar het trieste is dat die mentaliteit ook zomaar in de kerk kan binnendringen. In de kring van hen die Christus' woorden horen. Zoals het verderf in de dagen van Noach ook zover was voortgeschreden dat van heel de kerk maar acht zielen de zondvloed overleefden. Zoals het verderf was binnengeslopen tot in het huis van de vrome Lot toe en zelfs diens eigen vrouw had aangestoken.
  Zo wordt het rechtstreeks tot jou gezegd. Wees niet dwaas. Leef niet zonder met de Here te rekenen en met zijn oordeel dat zeker komt. Gebruik de dingen van deze wereld. Maar laat het leven er niet in op gaan. We zijn allen op weg naar de dag van Gods eindgericht. Als God nog eenmaal de hemel en de aarde zal doen beven, dan stort alles ineen wat niet hecht verankerd was in Gods onwankelbare koninkrijk.