RECHTERS (in ontwikkeling)
 







Het boek Rechters bevat gruwelijke passages
zoals die over Jefta die zijn dochter offert




Gert Slings - <B>BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN</B>




BIJBELSTUDIES VOOR JONGEREN EN OUDEREN


INLEIDING


Heel wat jaartjes ben ik medewerker geweest aan Rechte Sporen, een maandblad voor het verenigingswerk onder gereformeerde jongeren.
Hierin heb ik ondermeer bijbelstudies (in schetsvorm) geschreven. Ze gaan over verhalende, historische stof.

Ieder kan daar naar eigen inzicht gebruik van maken. Ze zijn niet alleen voor jongeren geschikt. Ik weet dat ook ouderen er met vreugde mee hebben gewerkt. Ze zijn bijvoorbeeld op vrouwenverenigingen gebruikt.

Mijn uitgangspunt is dat de mensheid (dus ook u en ik) opgenomen is in de grote geschiedenis van paradijs tot wederkomst met als centrum de Here Jezus Christus. Heel die geschiedenis wordt bepaald door Gods plan om door Christus verlossing of heil te brengen. Daarom wordt die geschiedenis ook wel heilsgeschiedenis genoemd. In elk bijbelgedeelte probeer ik na te gaan, welke betekenis dat heeft in Gods heilsgeschiedenis.

Ik heb het schrijven van deze bijbelstudies voor jongeren als een groot voorrecht beschouwd.
Wat is er mooier dan het Woord uit te leggen voor meer dan 10.000 jongelui, alleen al in Nederland.
Voor Canada, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland werden de bijbelstudies in het Engels vertaald. Ze verschenen in het blad My Live.

Ik ben benieuwd naar uw oordeel. Laat het me weten. Ik kan er dan mijn voordeel mee doen. Alvast hartelijk dank.



Gert Slings





GEBRUIKSAANWIJZING

De meest eenvoudige vorm is de volgende:

. U leest eerst het Schriftgedeelte in z'n geheel rustig door. Laat het goed op u inwerken.
Wellicht is er bij u een vraag opgekomen. Of hebt u al een mening gevormd of het gedeelte.

. Vervolgens leest u per pericoop de bijbelstudie door. Er zal veel instaan, wat u al wist. Maar misschien bevat ze ook informatie waarvan u nog niet op de hoogte was. Als u dat belangrijke informatie vindt, probeer dat dan op te slaan en vast te houden.

. Het is goed mogelijk dat u tot een heel andere uitleg komt. Dat is niet slecht, want dan hebt u al een mening gevormd. Dat kan niet iedereen zeggen. Binnen exegese van een gedeelte is soms ruimte voor een verschillende uitleg. Dat noemt men de vrijheid van de exegese.

. Uw bijbeltje moet u bij de hand houden om de stukjes nog eens te lezen. Maar ook om de verwijzijgen naar andere gedeelten op te zoeken. Vaak hebben die te maken met de grote lijnen in de Schrift.

. Ik wil u in overweging geven de bijbelstudie te beginnen met een kort gebed, waarin u vraagt om de leiding van de Heilige Geest. En te besluiten met een kort dankgebed, waarin u aan de Here vertelt, wat u zo mooi vindt in dit gedeelte of waar u het zo moeilijk mee hebt.





INLEIDING BIJ HET BOEK RECHTERS


Het boek Rechters staat vol met gruwelijke verhalen over moord, doodslag en vernietiging. Als je het leest, vraag je je misschien wel eens af: "Waarom moet dat allemaal in de Bijbel staan? Ik word er niet goed van."

Bedenk dan dat de Bijbel een eerlijk boek is. Gods Woord wil ons onverbloemd duidelijk maken, hoe slecht de mensen zijn, als ze van God afvallen. In het boek Rechters komt de gemene en vernietigende kracht van het kwade aan het licht. Dat kwaad komt te voorschijn als het volk van het verbond de HERE niet meer liefheeft en dient.

Maar hoe vreselijk de afval van God ook is, de HERE grijpt telkens weer reddend en verlossend in. Hij doet dat door heel gewone mensen die in zichzelf zwak en zondig zijn. Dat zijn de rechters. Door Gods Geest worden ze bekwaam gemaakt om het volk te verlossen en op te komen voor het recht van de HERE op zijn volk.

Zo schrijft de HERE dwars door de vreselijke onheilsgeschiedenis van mensen zijn eigen heilsgeschiedenis. De HERE houdt zijn kerk in stand. Het vrouwenzaad sterft niet, want de grote Verlosser moet geboren worden.


DE TIJD VAN DE RECHTERS


Het boek Rechters lijkt op het eerste gezicht nogal eentonig. Telkens zie je hetzelfde gebeuren. Het volk verlaat God en gaat andere goden dienen, er komen vijanden die het volk plunderen en onderdrukken, het volk roept tot de HERE, Hij geeft een verlosser, die het volk bevrijdt en er een poos het recht handhaaft. Dan gaat het goed. Maar na verloop van tijd valt het volk weer van de HERE af, komen er nieuwe vijanden, roept het volk tot de HERE, schenkt Hij een verlosser enz. En dan volgt weer hetzelfde liedje. Een vast stramien!

Het lijkt eentonig. Maar het is schokkend. Telkens weer die afval en die afgoderij! Wanneer leert IsraŽl het nou eens om op de HERE alleen te vertrouwen en Hem te dienen?! Het opent ons oog ervoor dat ook Gods eigen volk niet vanzelf trouw blijft. Het is een strijd om steeds weer de verleiding te weerstaan en de HERE te blijven dienen. Daar zullen we ook als kerk nooit bovenuit komen! Zorg in de kerk en om de kerk zal er pas nŠ de jongste dag niet meer zijn! Tot aan die tijd geldt: sta op uw post, wees nuchter en wakker.

Tegelijk is het boek Rechters met dat stramien ook een machtig verhaal van Gods genade en geduld. Telkens weer komt Hij dan toch maar weer met een verlosser. Wat een onverdiende goedheid! Pure genade! Telkens weer een nieuw begin! Wat een God!


Samengevat puntsgewijs:

1. De verschrikkelijke afval van het volk van God. Het verbond met de HERE wordt verlaten. Men gaat de afgoden dienen van de Kanašnitische volken die ze verzuimd hadden uit te roeien. Daarmee wordt de HERE op een lijn gesteld met goden die geen goden zijn. Ze snijden de band met de levende God door.

2. De HERE straft dan zijn volk. Hij geeft zijn eigendom in handen van heidense vijanden. En dan gebeuren er vreselijke dingen: oorlog, moord, wraak en verraad.

3. In hun nood toont het volk berouw. Het roept om hulp tot de HERE. Hij hoort het gebed en zendt dan rechters. Zij verlossen het volk van de vijanden en handhaven het recht van de HERE. Je mag ze een beetje vergelijken met de reformatoren uit latere tijd.

4. Na enige tijd is het volk de HERE en zijn grote daden vergeten. Het komt opnieuw tot afval van God enz.

5. Telkens weer komt Hij dan toch maar weer met een verlosser. Telkens weer een nieuw begin! Pure genade! Wat een God!


DE HERE KONDIGT AAN ZIJN ONTROUWE VOLK TE VERLATEN Rechters 1


DE HERE BEPAALT DAT JUDA DE LEIDING KRIJGT (vs. 1-2)

In vs. 1 lees je over de dood van Jozua. Het boek Rechters sluit dus direct aan bij het boek Jozua. Dat eindigde met de vernieuwing van het verbond met de HERE te Sichem. Tot drie keer toe had het volk beloofd: wij zullen de HERE dienen. Nu moesten ze die belofte gaan waar maken onder de directe leiding van de HERE, dus zonder een leider als Mozes of Jozua.

Het volk is bij elkaar gekomen om de HERE te raadplegen. Jozua had de stammen naar het hun toegewezen gebied gestuurd. Maar de opdracht van de HERE was nog niet uitgevoerd: overal wonen nog Kanašnieten. Toch weten ze, dat ze de strijd van de HERE moesten strijden. Lees maar wat ze vragen. Waar ze zijn, is ook de hogepriester. Ze moesten namelijk via de hogepriester aan de HERE vragen, wat ze moesten doen. Zie Numeri 27:21. Het antwoord werd gegeven door middel van de orakelstenen.

Juda moet voorop gaan voor het hele volk. Toch valt het op, dat ze vragen, wie het eerst moet strijden, want had Jozua ze niet allemaal die opdracht gegeven? Juda was de grootste en machtigste van alle stammen. Het was bovendien de stam, waaruit de Christus geboren zou worden. De roeping van Juda wordt ondersteund door een belofte. Let daar goed op. De HERE belooft een goed resultaat, als Juda zich trouw houdt aan de opdracht.


JUDA OVERWINT ADONIBEZEK, SAMEN MET SIMEON (vs. 3-7).

Vs. 3 begrijpen we, als we denken aan wat we lazen in Jozua 19:1. Het is fijn, dat Juda de kleine broederstam gewillig heeft opgenomen. Samen beginnen ze gehoorzaam en gelovig aan de uitvoering van Gods opdracht. Als ze zo werken, zegent de HERE (zie vs. 4). Daar worden twee volken genoemd. Dat zijn toch beide Kanašnieten! Die Ferezieten woonden op het platteland; de rest in ommuurde steden.

Nu moet je goed vs. 5 lezen. Daar zien we, dat die volken zich verzameld hadden, want ze troffen hem aan bij Bezek. Hij was dus al onderweg, deze Adonibezek of koning van Bezek. We weten niet precies waar het lag in de buurt van Gezer. Daar zou je uit kunnen opmaken, dat deze koning met zijn leger op weg is naar het stamgebied van Juda en Simeon.

Lees, hoe de strijd verloopt. Wat ze met de koning doen, is tegen Gods gebod. In Deut.7:2 en 20:16 lezen we, dat ze de vijanden moesten doden, maar hier gaan ze de commandant verminken. Adonibezek erkent in die verminking vergelding van God. Hij heeft dezelfde wreedheid begaan tegen 70 koningen. Dat getal moet wel opschepperij zijn. Denk eens aan die geweldige veldslagen van Jozua tegen de verbonden koningen. En dat waren er 31.


DE VEROVERING VAN JERUZALEM MISLUKT (vs. 8, 9 en 21)

Juda en Simeon strijden verder tegen Jeruzalem. Het lag eigenlijk binnen het gebied van Benjamin. Maar omdat Jeruzalem gevaarlijk was voor Juda en Simeon moest het eerst worden onschadelijk gemaakt. Naar Gods belofte wordt Jeruzalem ingenomen, de bevolking gedood en de stad in brand gestoken. Benjamin moet verder voor de vernietiging van de stad zorgen. Daarvoor hebben Juda en Simeon nu geen tijd.

Uit vs. 21 blijkt, dat Benjamin ongehoorzaam is geweest aan het bevel van de HERE. Het laat de inwoners van Jeruzalem die waren overgebleven, in leven. Terwijl ze die hadden moeten uitroeien tot de laatste man. Door het ongeloof van Benjamin blijft het heidense Jeruzalem gespaard. Het bleef een bolwerk van heidendom tot de verovering door David. Zie 2 Sam.5:6.


OOK BIJ DE KONINGSSTAM JUDA HEERST ONGELOOF (vs. 10-21)

In vs. 10-15 lezen we wat we bij Jozua 15 al hebben besproken. Uit dat gedeelte blijkt welk geloof Juda bezat in die begintijd.

De Kenieten (vs. 16) krijgen nu een definitieve woonplaats. We weten van hen uit Numeri 10:29-32. U kunt daar lezen welke belofte Mozes hen daar geeft. We weten ook dat Bileam hen prijst, omdat ze onder IsraŽls vleugels wonen. Zie Numeri 24:21. Ze worden niet ťťn met het volk. Het blijven goede bondgenoten van IsraŽl. Ze leiden een nomadenleven in het zuiden van Kanašn.

In vs.17 valt op dat ťťn plaats met de ban wordt geslagen. We weten wat dit betekent. Dat het hier apart genoemd wordt, staat in verband met wat Mozes over Horma had gezegd. We lezen daarover in Num. 21:2. We lezen ook van Filistijnse steden (vs. 18). Maar ook dan blijft hun ongeloof. Hoewel de HERE beloofde met hen te zijn in de strijd, zijn ze bang voor de ijzeren strijdwagens van de Filistijnen. Er was een bemanning van drie personen: een paardenmenner, een schilddrager en de zwaardvechter. Het was inderdaad een geducht wapen, een soortement tank.

Maar wat had Kaleb gedaan in het geloof? Hij had de Enakieten uit Hebron verdreven. Zou Juda dan niet in het geloof de Filistijnen kunnen verslaan, al hadden ze duizend ijzeren strijdwagens? Ze hebben zelfs een belofte, waarin die strijdwagens genoemd worden. Zie Jozua 17:18.


ISRAňL VOERT UIT ONGELOOF GODS OPDRACHT NIET UIT (vs. 22-36)

Hetzelfde ongeloof, dat Juda vertoonde, toen het de strijdwagens van de Filistijnen zag, vinden we nu bijna in ieder vers. Zie vs. 27-34. Dat is nu het ontrouwe verbondsvolk, waarover de titel boven deze bijbelstudie spreekt. Ze doen of de HERE niet bestaat. Ze gaan gewoon hun eigen gang zonder zijn opdracht en zonder zijn beloften in gedachten te houden.

En wat in vs. 22-26 wordt verteld, getuigt al evenmin van gelovig en gehoorzaam strijden, hoewel ze met de HERE begonnen waren (vs. 22). Want Bethel (=Luz) krijgen ze niet door het geloof, maar door list met behulp van een verrader. Die man kun je niet vergelijken met Rachab. Die hielp de verspieders in geloof en in eerbied voor de God van IsraŽl. Maar deze man wil niets met de HERE te maken hebben. Hij trekt naar een heidense stam. In het 'huis Gods' (=Bethel) wil hij niet blijven. Hij wilde alleen zijn eigen hachje redden.

Je hebt zonet in vs. 27-34 kunnen lezen, waaruit het ongeloof van Gods volk bleek, zo kort na het sterven van Jozua. Wat had die hun op het hart gedrukt, toch gehoorzaam de strijd te strijden. De HERE had al zijn beloften doen uitkomen. Ook nu zou Hij hen bijstaan.

Waaruit bleek hun ongeloof? Ze lieten de Kanašnieten wonen, waar ze woonden. Zeker, ze legden ze herendiensten op, lieten ze voor zich werken en belasting betalen. Maar dat had de HERE niet bevolen! Ze wisten, dat vooral de goddeloze en zedeloze eredienst van Bašls en Astartes zo gevaarlijk voor hen konden zijn.

Wat had Jozua in zijn afscheidsrede hen niet gewaarschuwd! Bij Aser (vs. 31) was het helemaal verschrikkelijk. Daar speelden de Kanašnieten de baas. Dan (vs. 34) wordt door de oorspronkelijke bewoners zelfs de bergen in gedreven. Evenals Naftali. Ze hielden bijna geen ruimte over om te wonen en te leven. De twee plaatsen, waarvan men de inwoners niet verdrijft, zijn juist centra van hen afgodendienst. Beth-Semes is het huis van hun god en Beth-Anath van hun godin.

Dat maakt het des te erger. In het land van de HERE worden onbelemmerd de afgoden vereerd! Verschrikkelijk!


WAAROM MOEST ISRAňL DE KANAńNIETEN UITROEIEN?

Zoals de Gibeonieten bleven leven, zo bleef een groot deel van de oorspronkelijke bevolking leven. Waarom druiste dit in tegen de uitdrukkelijke opdracht van de HERE om de Kanašnieten uit te roeien?

De HERE wilde een heilig volk IsraŽl, dat zich niet zou vermengen met de heidense bevolking van Kanašn. Dat kunnen we afleiden uit Deut. 7:3 en 4: "Sta ook geen huwelijksverbintenissen met hen toe; sta uw dochter niet af aan een van hun zonen en zoek bij hen geen vrouw voor uw eigen zoon. 4 Want zij zouden uw kinderen ertoe verleiden de HEER ontrouw te worden en andere goden te dienen. Daarmee zou u zijn toorn over u afroepen en dat zou u meteen met de dood moeten bekopen."

In deze verzen lezen we de verklaring voor de strenge maatregel tot het uitroeien van de Kanašnieten: als IsraŽlieten en Kanašnieten samen optrekken, winnen de Kanašnieten het. De HERE zegt dat Zelf. Hij is daar heel duidelijk over. Ook al zou IsraŽl al die Kanašnieten tot houthakkers en waterputters hebben gedegradeerd, dan nog waren hun altaren, hun afgodsbeelden, hun feesten en hun seksgerichtheid overeind gebleven en was het daardoor in de kortst mogelijke tijd met IsraŽl gedaan.

De HERE kent zijn volk van haver tot gort. Als het land Kanašn niet grondig schoongemaakt wordt, zal het volgende gebeuren: IsraŽl schakelt de Kanašnieten niet uit, maar de Kanašnieten schakelen IsraŽl uit. Het mag vreemd klinken, maar het is waar: afgoden winnen het dan van de HERE! Om een theocratie te vestigen met God als Koning, was er een heilig land nodig, zonder al die afgoderij en zedelijke vuiligheid van de Kanašnieten. En er was een heilig volk nodig, dat zich helemaal richtte naar zijn eigen koning Jahweh.

Mag ik hieruit een les trekken voor vandaag? Als christenen zich inlaten met deze goddeloze wereld via de slechte kant van internet en tv, video en disco, dan wint de wereld het van de kerk. Samengaan leidt tot verwereldlijking en ondergang van de kerk. Als christelijke ouders hierin geen duidelijke leiding geven aan hun kinderen is het op termijn met de christelijke kerk in Nederland gedaan. Zo gevaarlijk is het!

Tegelijk moeten die ouders hun kinderen voorgaan in een leven als geestelijke mensen, vol van de Geest van Christus. Als zielen waar Gods vreugde in woont hen voorgaan in het vinden van de verborgen omgang met God (Ps. 25:7 berijmd). Dan is er hoop op zegen van de HERE. Alleen dan!





DE HERE GEEFT RECHTERS VOOR REFORMATIE VAN HET VOLK Rechters 2


INLEIDING

Misschien komt de vraag wel eens bij je op: is het ook bij ons mogelijk, dat we als gereformeerde kerken de HERE en zijn verbond verlaten? Wij zijn toch geen haar beter dan het oude volk IsraŽl?

Misschien kan die vraag je bang maken, dat we toch met z'n allen verloren gaan. Uit het nu volgende gedeelte kun je leren, wat de oorzaak is van het afvallen van de HERE. Als we ons laten waarschuwen door dit gedeelte, mogen we erop vertrouwen, dat de HERE ons niet zal verlaten, hoe moeilijk de omstandigheden ook kunnen worden.

Vooral vs. 10 en 11 laten heel duidelijk zien, wat de oorzaak is van de afval. Het volk kende de HERE niet meer, noch de grote werken die Hij had gedaan. En als het de HERE niet kent, waarom zou het dan de HERE nog liefhebben?

Daarom is ook het werk op de bijbelstudievereniging voor de kerk zo belangrijk. Jullie moeten de HERE leren kennen, steeds meer en steeds beter. Dan ga je Hem steeds meer liefhebben en dienen. En dat kennen doe je niet alleen met je hoofd, maar ook met je hart en je gevoel.


DE HERE KONDIGT DE STRAF OVER HET ONGELOOF AAN (vs. 1-5)

De HERE komt met zijn strafaankondiging. Hij is de Enige God. Hij kan de ontrouw van zijn verbondsvolk uit Rechters 1 niet ongestraft laten! De Engel van de HERE, dat is de HERE Zelf. Dat blijkt uit wat Hij zegt. Zo openbaarde Hij Zich vaak onder het oude verbond. Wat Hij zegt komt in het kort hierop neer: Als jullie mijn verbond niet meer houden, zal Ik het ook niet langer houden.

Eerst schetst de HERE de voorgeschiedenis, wat Hij allemaal voor het volk heeft gedaan. Dan hun overtreding, de oorzaak dat ze eigenlijk onderdrukt worden. Hij houdt hun het verbond voor met de vorwaarde die ze hebben overtreden. Daarom kondigt de HERE de straf aan in het slot van vs. 3: de volken die ze moesten uitroeien, zullen voortaan tegenstanders zijn; hun goden worden hun ondergang.

En dan jammert het volk wel en ze offeren wel, maar tot reformatie komt het niet. Ze laten de heidenen rustig zitten, waar ze zitten. De moeite daarvan zullen ze ondervinden. De HERE zou het volk in de Rechterstijd nog vaak moeten straffen, voordat ze begrepen, dat gehoorzaamheid beter is dan offeranden, en luisteren beter dan het vette der rammen.


HOE DE AFVAL VAN ISRAňL BEGON (vs. 6-10).

Weer grijpt de schrijver van Rechters terug naar Jozua. Nu met een ander doel dan in hoofdstuk 1. We krijgen hier een beschrijving van heel de Rechterstijd, een beschrijving van de levenshouding van het volk zoals we die steeds zullen tegenkomen.

Vs. 6 sluit aan bij Jozua 22:6, als het volk de opdracht van Jozua heeft aangehoord. Vs.7 is erg belangrijk. Zolang er dus mensen waren, die Gods grote daden hadden beleefd en erover konden vertellen, bleef alles goed. Die mensen hadden ervaren wie de HERE was. Die mensen hadden ook de opdracht om van Gods grote daden te vertellen. Denk maar aan het begin van Ps.78.

Het gaat in dit gedeelte ook om de manier, waarop de HERE omgaat met zijn volk, waarmee Hij zijn verbond sloot op de SinaÔ, en dat Hij vernieuwde voor het volk de Jordaan overtrok.

De oorzaak van de afval lezen we in vs. 10. Het zou vandaag genoemd worden: 'het probleem van de tweede generatie', net als bij de gastarbeiders. Als vs. 10 zegt, dat er een geslacht kwam dat de HERE niet kende, wil dat zeggen: ze dienden Hem niet van harte. Ze hadden natuurlijk van Hem gehoord en van zijn grote daden.

Hun ouders zullen er best veel over verteld hebben, zoals opgedragen was in Deut. 6. Maar desondanks kenden zij Hem niet, zoals Hij Zich geopenbaard had. Als de Heilige en Rechtvaardige, en als de Barmhartige en Genadige God. Ze dienden hem niet. Ze verzuimden Hem te aanbidden en alles wat Hij deed te overdenken.


ZE GAAN DE BAńLS DIENEN, WAARNA DE HERE HEN STRAFT (vs. 11-15)

Omdat ze de HERE niet erkenden als hun God die alleen eigendomsrecht op hen had, vergaten zij al zijn wonderen. Ze gingen zich buigen voor de afgoden van de heidense volken, die ze verzuimd hadden uit te roeien. Dat waren vruchtbaarheidsgoden en -godinnen, waarbij alles draaide om seks. Ze kenden ongetwijfeld heel goed het eerste gebod: geen andere goden naast mij. Uiterlijk zullen ze God nog wel gediend hebben. Het kan zelfs zijn, dat ze in die Bašls de HERE wilden dienen. Denk aan het gouden kalf. Maar het is echt afval van de HERE, omdat ze wisten dat het ongehoorzaam was.

Hier zien we dus een typering van het volk, zoals het heel de Rechterstijd steeds weer zal blijken te zijn. In vs. 13 worden ook de Astartes genoemd. Dat waren vrouwelijke goden van de seks en van de vruchtbaarheid. Als je weet dat die Astartedienst gepaard ging met allerlei onzedelijkheid, waarbij men zich sexueel mocht uitleven, begrijp je, waarom de Bijbel zo vaak spreekt van 'afhoereren'.

Je begrijpt dan ook, dat de woede van de HERE ontbrandt. Dan blijkt Hij ook trouw aan zijn dreigingen. Waren er niet een belofte en eis (voorwaarde) in het verbond?

Vs.14 vertelt daarvan. Roversbenden zullen komen en hun bezit wegnemen. Dat is erg. Maar benauwder is, dat er ook vijanden zullen zijn, tegen wie ze het onderspit zullen delven. Ze proberen wel te winnen, maar de HERE geeft de overwinning aan de vijanden. Want Hij denkt aan zijn verbondseed. Die kun je vinden in Deut. 29:14-28.


DE HERE GEEFT RECHTERS, MAAR HET VOLK LUISTERT OOK NIET NAAR HEN (vs. 16-23)

Dan lezen we, dat God rechters schenkt. Er staat niet, dat de HERE pas rechters schenkt, nadat ze zich bekeerd hebben en tot Hem roepen. Want zijn ontferming hangt niet van mensen af, maar ligt alleen in Gods handen. Hij gedenkt zijn verbond. Hij wil zijn volk nog een kans geven. Hij is lankmoedig, heeft een lang geduld.

Die rechters roept de HERE tot hun verlosserstaak. In Recht. 3:10 zie je, dat Hij ze zalft met zijn Geest. Die rechters moeten dan ook opkomen voor het recht van God. Maar het volk luisterde niet (vs. 17). De rechters lukt het niet om het volk weer recht tegenover de HERE te krijgen. Er staat zelfs, dat het volk binnen de kortste keren afdwaalde van de weg die hun voorouders waren gegaan. God liefhebben is maar niet iets vaags. Het is luisteren naar en gehoorzamen aan zijn geboden.

Waren er dan geen priesters en profeten, vraag je misschien? We lezen nergens dat die hun ambt vervullen. Ze zijn in elk geval geen rem om het volk van de heilloze weg tegen te voeren.

Toch hoort de HERE hun kermen, als de nood groot is. Maar dat kermen is niet vanwege hun zonden, maar om de ellende en narigheid door de onderdrukking van vijanden en roversbenden. Als de HERE in trouw aan zijn verbond Rechters zendt, dan moeten die het volk leren weer ernst te maken met de dienst van God.

Maar dat lukt ze niet erg. Zie vs.19. Het volk vervalt steeds van kwaad tot erger. Erger dan de slapheid van hun vaderen na Jozua. De woorden stapelen zich op: nalopen, dienen, zich buigen. In geen enkel opzicht beteren ze hun leven.

Tot tweemaal toe staat er, dat de HERE woedend werd (vs. 14 en 20). Geen wonder, zijn verbond is geschonden. De straf is, dat God de heidenvolken die er nog woonden, niet zal verdrijven. Ze zullen daar blijven wonen om zijn volk op de proef te stellen.

We zien dat de IsraŽlieten de Kanašnieten op verschillende plaatsen niet konden verdrijven, maar ze in leven lieten of/en hen tot 'herendienst' (vorm van slavernij) dwongen. Dit is al voorzegd in Gen. 9:26vv, waar staat dat Kanašn (ook) knecht van Sem zal zijn. Lees ook Gen. 10:15vv, waar aan Kanašn, de zoon van Cham, volken verbonden zijn als de Jebusieten, Amorieten, Girgasieten en Chiwwieten (denk aan de Gibeonieten, Joz. 9!). Het feit van de schenking van het land Kanašn aan de nazaten van Abraham (afstammelingen van Sem) is reeds een bewijs van de onderworpenheid van Kanašn aan Sem.





DE HERE GEEFT ZIJN VOLK DE EERSTE RECHTERS (Rechters 3)


INLEIDING

Je kunt je verbazen over de snelle afval van het volk van God in de tijd van de rechters. Je houdt het haast niet voor mogelijk.

Het heeft zeker te maken met het feit dat het volk IsraŽl volstrekt uniek was met zijn godsdienst van ťťn, onzichtbare God. De aantrekkingskracht van zichtbare goden van de heidense volken om hen heen, was groot. Maar dat is niet de enige oorzaak van die steeds terugkerende afval.


MILITAIR OEFENTERREIN VOOR DE KOMENDE GENERATIES (vs. 1-4)

Het volk wordt dus in de overblijvende heidenen beproefd om te zien of ze al dan niet de weg van de HERE zullen gaan. De komende geslachten moesten leren de antithese te handhaven. Ze moesten steeds meer gaan zien de armoede van het leven buiten de HERE. De HERE laat dus de heidenen blijven als straf, maar ook als leerschool voor zijn volk. Ze zullen moeten leren de strijd des HEREN te strijden.

De HERE had bevolen dat de volken in Kanašn niet in ťťn klap zouden worden verdreven. Het moest gaan in kleine stapjes: 'De HERE, uw God, zal deze volken langzamerhand voor u uit verdrijven; gij zult hen niet in korte tijd mogen vernietigen, opdat het wild gedierte u niet te talrijk worde.' (Deut. 7: 22).

In de eerste verzen van dit hoofdstuk lezen we dat die wilde dieren niet de enige beperking vormden aan de verovering van Kanašn. De HERE liet volken overblijven om onervaren IsraŽlieten met de strijd vertrouwd te maken. Er moesten dus militaire oefenterreinen overblijven. De IsraŽlieten leefden constant omringd door Kanašnitische invloeden. Als je dit voor ogen houdt, begrijp je beter, waarom het zo gemakkelijk misging.


LES VOOR VANDAAG

Willen we een les trekken uit deze kennis, dan is die te vinden in het serieus nemen van de gevaren die uitgaan van beÔnvloeding door een godloze omgeving. De Here had dit ook voorspeld: Gij zult alle volken die de HERE, uw God, u geven zal, verslinden; gij zult hen niet ontzien en hun goden niet dienen, want dat zou u tot een valstrik worden (Deut. 7:16).

Wij leven vandaag in een omgeving die zich steeds meer van God afwendt. Er worden steeds meer Kanašnitische trekjes zichtbaar, die ons bij de HERE vandaan kunnen trekken. Verering van demonische machten, zoals in tovenarij, en zich overgeven aan vrije sexualiteit (zie bijvoorbeeld de sexuele zonden in Leviticus 18).

De les van de niet volvoerde verovering van Kanašn is dat het kind van God zichzelf niet moet overschatten. Kanašnieten zijn van huis uit sterker dan IsraŽlieten. Dat komt doordat elke IsraŽliet een Kanašniet in het eigen hart draagt (Jochem Douma). En ook elke gereformeerde Nederlander.


DE HERE VERLOST ZIJN VOLK DOOR OTHNIňL (vs. 5-11)

Voorlopig zien we het volk in die beproeving struikelen (vs.6). Wat daar staat, is heel erg. Die huwelijken over en weer betekenen het uitwissen van de antithese, die de HERE had gesteld. Daar waren ze zo tegen gewaarschuwd, want daardoor zouden ze verleid worden tot afgoderij. Dat gebeurt. Zie vs.7. Daar staat, dat ze de HERE vergaten. Dat betekent, dat ze Hem met hun hart vergaten.

Natuurlijk wisten ze van Hem nog wel. Maar ze rekenden niet meer met de HERE. Dan wordt de HERE weer erg boos. Hij stuurt een tiran, aan wie ze 8 jaar onderworpen zijn. Nu blijken hun afgoden machteloos. Wat hun land opbrengt, moeten ze aan de vijand afgeven. Wat duurt het lang, voordat ze zich tot de HERE wenden. Ze gaan roepen tot God (9). Betekent dat bekering? We merken er in het vervolg weinig van.

Toch luistert de HERE naar die schreeuw om hulp. Hij weet wel, dat zijn volk het niet gemakkelijk heeft. Het gaat nu zijn volk verlossen uit vrije genade.

Hij roept een richter die we al eerder zijn tegengekomen: OthniŽl. Zie, hoe de HERE hem roept. Hij zalft hem met de Heilige Geest. Bedenk dus, dat het volk deze verlossing niet verdient door bekering of door gebed, maar dat het enkel en alleen uitgaat van de HERE Zelf.

We lezen niet, dat ze hun schuld beleden. Maar de HERE wil hun ondergang niet. Ze hadden Hem kunnen vinden, want Hij woonde temidden van hen. Maar de tempeldienst was machteloos in die dagen.


DE HERE VERLOST ZIJN VOLK DOOR EHUD (vs. 12-30)

Als we deze verzen lezen, zien we dat het weer misgaat. Ze vergeten Gods trouw, Gods verlossing. Het 'kwaad-doen-in-deogen-des-HEREN' is maar niet een beetje zondigen, maar een heel bewust gaan dienen van de afgoden en het zich vermengen met de door God gevloekte stammen. Dan roept God weer een onderdrukkende macht. Ditmaal geallieerde volken uit de buurt onder commando van Eglon. Zie vs. 12. De HERE maakte Eglon sterk tegen zijn eigen volk. Wie goed leest ziet dat de HERE zwaarder straft. Eerst 8 jaar onderdrukking, nu 18 jaar.

De HERE schenkt dan op zijn tijd een verlosser. Hij ontfermt Zich in zijn genade. Ditmaal roept Hij Ehud, een man uit Benjamin die de leiding had bij het aanbieden van de belastingen. Toen de HERE hem riep, was er geen sprake van bekering. De afgodsbeelden stonden nog te Gilgal. Als men zich had bekeerd, waren al die beelden vernietigd. Ze waren immers een gruwel voor de HERE.

Het volk komt pas in actie als de verlossing een feit is. Zie vs. 27. Ze bezetten de voorden. Dat zijn doorwaadbare plaatsen in de Jordaan en versloegen de Moabieten. De HERE geeft dan een lange periode van rust. Dit volk krijgt mimschoots de gelegenheid zich te oefenen in het bewaren van de antithese: 80 jaar rust. De HERE heeft zijn volk nog niet aan vernietiging overgegeven. Hij gedenkt genadig aan zijn verbond met zijn volk.


DE HERE VERLOST ZIJN VOLK DOOR SAMGAR (vs. 31)

Vs. 31 vertelt van Samgar, die in geloof strijdt tegen binnenvallende Filistijnen. Samgar is aan het ploegen. Dat doet men in IsraŽl in november-december. Er is geen oogst meer op het land. Er valt dus niet veel meer te plunderen. Wat ze willen, weten we niet precies. Waar het om gaat, is dat Samgar door genade krachten van God ontvangt om de vijanden te verslaan. Hij verdedigt zijn erfdeel, dat hij van God ontving.

Hij gebruikt een merkwaardig wapen: een ossenstok. Dat was een lange stok met een ijzeren punt. Daarmee werden de ploegende ossen aangespoord. De HERE geeft hem buitengewone lichaamskracht, zodat hij 600 Filistijnen doodt. Vergelijk Simson. Het is de HERE die verloste en daarbij Samgar gebruikte in zijn gunst.





'IS DE HERE NIET VOOR U UITGEGAAN?' Rechters 4


DE HERE GEEFT HET VOLK OVER IN DE MACHT VAN JABIN (vs. 1-3)

De verzen 1-3 laten zien, hoe de toestand bij het volk was. Na de 80 jaar rust na Ehud komen weer 20 jaar van verdrukking. Erger dan de vorige keren. Zie maar 5 : 6, 7. Het volk moet langs sluipwegen gaan om de verdrukkers te ontlopen. En wat erger is: de onderdrukker is een vorst uit Kanašn: Jabin van Hazor. Dan moet je eens bedenken dat Hazor vroeger door Jozua was ingenomen en verwoest. Zie Joz. 11 : l0, 11. Wat een schande voor het volk van God, verdrukt te worden door een eens verslagen vijand. De onderdrukking was zelfs wreed. En dat twintig lange jaren.

Als je vs. 3 goed leest, zie je dat het roepen in verband stond met die strijdwagens. Maar de hoofdoorzaak is, dat hun geloof verdwenen was en daarmee hun moed. Waar het geloof wel was, daar pakte men de vijand aan. Denk aan Samgar die in diezelfde tijd leefde. (Ongeveer eind 13de eeuw voor Christus).


DEBORA, DE PROFETES (vs 4, 5)

Maar laat ons niet vergeten te letten op wat de HERE doet. Dat is het belangrijkste. Hij beweegt het volk tot het roepen (vs. 3). Hij is het die een richteres roept en haar wijsheid geeft om het volk te richten. In het noorden woonde nog een vrouw die het Woord van de HERE kende. Zie je de ernst van de afval? Er is kennelijk geen man te vinden die opkomt voor de rechten van de God van het Verbond.

Opmerkelijk is dat het volk met eigen ruzies en onderlinge moeiten tot haar komt om haar recht te laten spreken. Niet om naar de HERE te luisteren. Ook lezen we niets over gaan naar Silo waar de tabernakel stond, waar dus de HERE woonde. Hoe slap de band met de dienst van de HERE was, blijkt ook hieruit, dat er geen rechtvaardige rechters zijn. De HERE had dat bevolen in Deut. 16 : l8.

Wat een ontrouw in de ambtsdienst bij priesters en rechters! Wat is het dan een bijzondere en beschaamd makende trouw van de kant van de HERE: Hij roept een vrouw en geeft haar gelegenheid om recht te spreken en om te richten.


DEBORA ROEPT OP GODS BEVEL BARAK (vs. 6-10)

We herinneren ons nog, dat God de rechters zijn Heilige Geest schonk. Zo roept Debora op Gods bevel Barak uit de stam van Naftali, waar de onderdrukking hevig was. De HERE roept dus Barak. Dat betekent, dat hij een gelovig man was. Zie maar Hebr. 11 : 32. Al is hij geen volmaakt mens, toch schakelt de HERE deze man in.

Hij moet de strijd openen met de stammen die het zwaarst te lijden hadden onder de verdrukking. Wat een heerlijke belofte krijgt Barak (vs. 7). De HERE zal Sisera naar u toe voeren en hem in uw macht geven. Barak is echter kleingelovig. Hij wil wel gehoorzamen, op voorwaarde dat Debora met hem meegaat.

Hij onderwerpt zich wel aan Gods opdracht, maar dus onder een voorwaarde. Hij ziet niet in, dat de HERE tegelijk met de opdracht er ook de kracht voor geeft. Om die wankelmoedigheid zal de eer van de overwinning niet naar Barak gaan, maar naar een vrouw: JaŽl.


DE HERE ZELF VERSLAAT SISERA (vs. 11-16)

Barak mobiliseert het leger. Natuurlijk loopt dat in de gaten. Zie vs. 12. Barak zit mooi opgesloten op die berg Tabor. Dan moet Debora Gods bevel geven (vs. 14). Daar zien we de woorden die het opschrift boven dit hoofdstuk vormen. De HERE gaat dus vooraan. Hoe Hij dat doet, zien we in vs. 15. Maar dat moeten we lezen naast 5 : 4 en 5, uit het lied dat Debora en Barak zongen na de overwinning.

In dat lied van Debora wordt herinnerd aan Gods openbaring bij de SinaÔ, waar Hij de krachten van de natuur 'bewoog'. Dat deed Hij hier weer. Als Barak met zijn leger de Tabor afdaalt, dan is de HERE hem al voor.

Dat afdalen was een geloofsdaad. Hij gaat nu naar de plaats waar de 900 ijzeren strijdwagens dood en verderf zaaien. God beschikt over de krachten van zijn schepping. De lucht wordt zwart, de regen stort neer, het dal wordt een modderpoel waarin de wagens wegzakken. De slag is hevig. Alleen Sisera ontvlucht door van zijn wagen te springen.

De HERE heeft met zijn scheppingskrachten Zelf Sisera verslagen. Hij gaf Sisera in de hand van Barak. De Kanašnieten werden verpletterend verslagen. Sisera vlucht naar de Kenieten. Zie vs. 11. Zij waren met iedereen goede vrienden.


GOD VERNEDERDE JABIN OP DIE DAG (vs. 17-24)

JaŽl moet Sisera herkend hebben. Zie maar wat ze zegt. Ze heeft kennelijk geweten van de oproep van Barak. Je zou bijna zeggen, dat ze de afloop van de strijd verlangend heeft afgewacht. We zien immers in vs. 19-23 wat ze doet.





Een tafereel dat tot de verbeelding spreekt.

Jael and Sisera
Artemisia Gentileschi
about 1620
Oil on panel, 92.3 x 127.5 cm
Budapest, Szťpmuvťszeti Mķzeum

Weer moeten we in rekening brengen, wat de HERE over JaŽl heeft geopenbaard. Debora zingt van haar, dat ze gezegend is onder de vrouwen. Zie 5:24-27. Bedenk, dat Debora als profetes zingt, gedreven door de Heilige Geest. Richteres en dichteres!

De HERE prijst JaŽl dus, omdat zij de kant koos van Gods volk in de strijd des HEREN. Ze heeft maar een eenvoudig wapen: een list. De HERE werkt door haar aan de verlossing van Zijn volk. Niet alleen Debora zingt ervan, heel IsraŽl moet ervan zingen. Zie Ps. 83 : 10, 11. Zo vernedert God Jabin en worden de rollen omgekeerd.





HET LIED VAN DEBORA (Rechters 5)


We hebben al een paar keer naar dit lied verwezen. Nog een paar hoofdlijnen willen we laten zien.

Vs. 1-3 bevatten de inleiding. Debora wil de HERE loven en prijzen voor zijn trouw.
Vs. 4-11 geven een situatietekening. Het staat er heel slecht voor met de strijdlust.
Vs. 12-22 laten bij sommige stammen de wil zien om de strijd des HEREN te strijden.
Vs. 23-27 Vloek over het dorpje Meroz, dat de strijd weigerde; zegen over JaŽl die wel streed.
Vs. 28-30 Spot van de HERE over de trotse vijand die Sisera wil huldigen, maar hij is dood.
Vs. 31 Afsluiting. Het ging om de strijd des HEREN tegen de vijanden van de kerk.


INLEIDING (vs. 1-3)

Debora wil de HERE loven en prijzen voor zijn trouw. De Heer moet geprezen worden, want IsraŽl meldde zich voor de strijd. Ze roept koningen en vorsten op te luisteren naar haar loflied op de God van IsraŽl.


SITUATIETEKENING (vs. 4-11)

Het staat er heel slecht voor met de strijdlust.


WIL OM DE STRIJD VOOR DE HERE TE STRIJDEN (vs. 12-22)

De verzen laten bij sommige stammen de wil zien om de strijd des HEREN te strijden.


VLOEK OVER MEROZ EN ZEGEN OVER JAňL (vs. 23-27)

Vloek over het dorpje Meroz, dat de strijd weigerde; zegen over JaŽl die wel streed.


SPOT VAN DE HERE (vs. 28-30)

Spot van de HERE over de trotse vijand die Sisera wil huldigen, maar hij is dood.


AFSLUITING (vs. 31)

Het ging om de strijd des HEREN tegen de vijanden van de kerk.


LESSEN UIT HET LIED VAN DEBORA VOOR VANDAAG

Prof. dr. Jochem Douma trekt in de bijbelcursus: Gaan in het spoor van de Bijbel uit het Lied van Debora een drietal lessen, die ik hieronder weergeef:

"In de eerste plaats is het duidelijk dat de macht die Jahwe toont door de Kanašnieten in de modder van het Kisondal vast te laten lopen, de IsraŽlieten niet ontslaat om aan de strijd tegen de Kanašnieten deel te nemen. Wij kunnen niet zeggen: Jahwe moet het toch doen; wat wij mensen doen, voegt aan Gods handelen niets toe. Als dat juist zou zijn, hadden alle stammen thuis kunnen blijven en viel zelfs Meroz niets te verwijten. Laat God zijn gang gaan !
Deze passieve houding, soms ook nog heel vroom ingekleed, heeft niets te maken met de actieve rol, die Jahwe voor de mens als zijn verbondspartner ingeruimd heeft. Ook al kan Jahwe het alleen wel af en heeft Hij, zoals in het geval van Gideon maar driehonderd mensen nodig - wie geroepen wordt om mee te strijden, moet komen. God beschikt, maar de mensen moeten meedoen.


In de tweede plaats moeten we Jahwe prijzen, maar niet vergeten ook mensen te bedanken. Het lijkt opnieuw weer heel vroom God alleen de eer te bewijzen en over mensen te zwijgen. Maar het lied van Debora laat wat anders zien:

Recht. 5,9vv NBV

Looft Jahwe! Ik dank hen die niet aarzelden de strijders aan te voeren (vs. 9)
Laat ieder bij het drenken zingen van Jahwe die overwon,
Van de overwinning door zijn aanvoerders voor IsraŽl behaald (vs. 11)
Geloofd zij JaŽl, de beste aller vrouwen (vs. 24).

Wie God looft, maar mensen vergeet te bedanken, is als de dominee die zijn gemeenteleden begraaft met een 'soli Deo gloria'- preek, zonder duidelijk te maken waarom hij de HERE prijst boven de kist van deze man of deze vrouw. Dank God, maar bedank ook de mensen voor wat zij in het geloof hebben mogen doen in de gemeente van Christus of daarbuiten!


In de derde plaats valt het ons op, hoe belangrijk de rol van de leiders in IsraŽl was:

Recht. 5,7vv NBV

Aanvoerders ontbraken, het land kende geen leiding (vs. 7)
Uit Machir kwamen aanvoerders, uit Zebulon de leiders van het leger (vs. 14).
Uit Issachar sloten de vorsten zich bij Debora aan (vs. 15).
Na Issachar kwam Barak; hij ging het volk voor in de vlakteÖ.

Hoe democratisch het ambt van alle gelovigen ook mag zijn, het was, is en blijft de taak van bepaalde mensen om aan de gemeente van Christus leiding te geven. Een paus moeten we niet hebben, maar mensen die met beslistheid richting kunnen geven aan discussies en op die manier anderen helpen om tot een goed inzicht te komen, zijn onmisbaar. 'Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord van God tot u hebben gesproken', staat er in de brief aan de HebreeŽn (13,7).
Je kunt zů allergisch zijn voor wat we hiŽrarchie noemen, voor synodes en zo, dat je zou vergeten van hoe grote betekenis goede leiders in de kerk zijn. Zij kijken verder dan hun neus lang is, hebben profetische gaven om de Schrift uit te leggen en het woord van God de mensen op het hart te binden. Zij weten wat moed is en gaan de strijd aan. Ze knopen aan bij de wijsheid die er is, omdat ze weten dat die wijsheid niet bij hen begint. Ze maken zich niet sterk om het voorgeslacht er van langs te geven.
Ontbreken de goede voorgangers, dan worden de gaten opgevuld met allerlei geŽxperimenteer. De verstrooiing onder de stammen van IsraŽl gaat meer opvallen dan hun eenheid. Het gebed om echte leiders, en zelfs de Debora's kan heel actueel worden!"
Tot zover de heldere en leerzame lessen van Jochem Douma.



DE HERE ROEPT GIDEON TOT VERLOSSER Rechters 6


DE HERE STRAFT DE AFVAL DOOR DE MIDIANIETEN (6 : 1-5)

De HERE zendt een nieuwe straf op het kwaad dat zijn volk doet. Wat dat 'kwaad' is, weten we: dienen van de afgoden van de Kanašnieten.

Zeven jaar lang komen de Midianieten, de Amalekieten en oosterlingen opdagen, als IsraŽl gezaaid had. Ze vernielden dan het gewas op het land. Er bleef geen schaap, rund of ezel in het land over. Ze roofden alles mee.

Deze straf is weer zwaarder dan de vorige, want nu is er armoede, gebrek, geen koren, geen vlees. Als een vloedgolf komen de vijanden over het land. Over het hele land.

Weet je waar die vijanden van af stammen? Midian was een zoon van Abraham en Ketura. Gen. 24 : 2. Het is dus een verwante stam. Ze hebben IsraŽl veel kwaad berokkend: ze hebben bv op raad van Bileam de IsraŽlieten tot ontucht verleid. Daarom beveelt de HERE hen als vijanden te behandelen en te doden. Zie Num. 25. Amalek was ook een oude vijand. Evenals de oosterlingen: ook nakomelingen van Abraham en Ketura.

Waarom staan we deze keer uitvoerig bij de vijanden stil? Om even te laten zien, wie de HERE vrijmachtig gebruikt om IsraŽl te tuchtigen. Voor een groot deel kinderen van Abraham, maar ze waren weggestuurd, ze hadden geen deel aan de erfenis van Abraham en aan het Verbond met de HERE. Bij het volk van God zien we in die 7 jaar geen bekering. Geen geloof, geen moed, maar wel een wegkruipen in de holen, spelonken die men hoog in de bergen vond en inrichtte als vestingen.


ISRAňL ROEPT TOT DE HERE (6: 6-10)

Toen riepen ze tot de HERE in grote nood. We lezen wat de HERE doet. Hij stuurt een profeet, die verder onbekend is. Die begint hun een lesje vaderlandse geschiedenis te geven. Die is vol van geweldige daden van verlossing die de HERE geschonken heeft.

Zie maar: de verlossing uit Egypte, de verdrijving van de tegenstanders. Maar ook de waarschuwing over het dienen van de afgoden. En het verwijt: maar jullie hebben niet geluisterd naar mijn stem! Daar ligt de oorzaak van de nood van 7 jaar.

De komst van de profeet en het Woord dat hij namens de HERE tot hen spreekt is de eerste verhoring van hun roepen tot de HERE. De wortel van hun ellende wordt hun duidelijk aangewezen. Ook hoe ze zich voortaan moeten gedragen.



DE HERE ROEPT GIDEON ALS RECHTER (6: 11-16)

Vervolgens geeft de HERE een tweede verhoring van hun roepen. Hij gaat ook een verlosser schenken. Hij komt Zelf in de gedaante van een mens. We lezen Engel des HEREN (11), dus niet zomaar een engel, en even verder: de HERE (14). We weten dat de HERE Zelf zo zijn volk heeft geleid naar dit land als de Engel des HEREN. Nu is Hij er weer tot verlossing van zijn volk, omdat Hij aan zijn Verbond denkt.

Die Gideon behoort tot de stam van Manasse. Op een verborgen plek, ergens in de bergen, klopt hij tarwe met een stok. Er komt geen dorsslee aan te pas uit vrees voor ondekking door de vijanden. Zoals arme mensen die een beetje koren hebben verzameld, probeert hij voedsel uit de klauwen van de vijand te redden. En dat terwijl het volk alle voedsel in overvloed had gekregen. Hier zien we duidelijk de Verbondsstraf, waarvan Deut. 28 : 33 spreekt.

Als we de groet van de HERE lezen en Gideons beantwoording, valt ons op, dat hij niet ingaat op dat held-zijn. Hij spreekt zelfs de HERE tegen. Wat de HERE doet, is het geven van een zegengroet, maar Gideon weigert die zegen te aanvaarden. Hij zegt: Waar zijn dan de wonderen als de HERE met ons is? Zie vs. 13, waar hij spreekt over Gods uitredding uit Egypte, maar Hij' heeft ons nu verstoten.

Let erop, dat Gideon die verhalen van Gods trouw wel geloofde, maar hij ziet niet het verband tussen de Bašlsdienst en deze straf.

Bij zijn geloof sluit de HERE aan. (14). Ga heen in deze uw kracht! Namelijk de kracht van het geloof in Gods wonderdaden. Zo mag hij IsraŽl gaan verlossen. Dan komen die prachtige woorden, vol van belofte: Ik zend u immers!

We zien dan Gideon allerlei dingen aanvoeren om van deze opdracht af te komen. (vs. 15). Hij vindt zich niet de aangewezen man. Maar de HERE verkiest wie Hij wil! De HERE bemoedigt Gideon door hem de overwinning te beloven. Hij zal Midian verslaan als was het ťťn man!


DE HERE OPENBAART ZICH VERDER AAN GIDEON (6 : 17-24)

Na die indrukwekkende woorden van de HERE vraagt Hij een teken. Hij wil graag meer zekerheid. Hij heeft intussen wel in de gaten met een hoge gast te doen te hebben. Vandaar dat hij een geschenk wil halen.

Let op het Goddelijk geduld, want als Gideon terugkomt, zit de Man er nog. Dan krijgt hij ook het gevraagde teken. Toen de Engel op een wonderlijke manier verdween, begreep hij, dat dit de Engel des HEREN was.

Maar het maakt hem niet blij. Hij is bang om te sterven, omdat hij de Engel des HEREN in het gezicht heeft gezien. Op welke manier de HERE hem gerustgesteld heeft, weten we niet. Maar wat Hij zegt is zo heerlijk: sjaloom (vrede).

Gideon bouwt dan een altaar als monument. Let erop, dan noemt hij het niet: de HERE zal vrede geven, maar Jahweh is vrede. Gideon vertrouwt op de belofte en nu gaat de HERE verder met hem.


DE HERE GEEFT DOOR GIDEON HET BEGIN VAN REFORMATIE (6 : 25-32)

De HERE geeft Gideon de opdracht om op het erf van zijn vader Joas de oorzaak van de straf weg te nemen. Het is een geloofsdaad, wat hij met die tien mannen gaat doen. Dat hij het 's nachts doet, is niet om verborgen te blijven, maar om ongehinderd te kunnen werken. Dat hij daarin gelijk heeft, blijkt uit de houding van de stadsgenoten.

Aan de Bašlsdienst wordt een eind gemaakt en de HERE krijgt zijn offer. We mogen vooral niet uit het oog verliezen, dat het dus de HERE Zelf is die het volk komt helpen. Het is zijn eindeloze goedheid, dat Hij het Verbond blijft gedenken, ondanks al het kwaad dat werd bedreven.

De verzen 28-32 laten zien, hoe nijdig men is, als ontdekt wordt dat Gideon hun eredienst heeft vernield. Wonderlijk is de houding van Joas. Hij die op zijn eigen erf die eredienst stichtte, is door Gideons daad en het profetenwoord tot inkeer gekomen. Maar de manier waarop hij dat toont, is niet erg fraai. Door een slimmigheidje redt hij zijn zoon, maar er is geen opkomen voor het recht van de HERE.

Gideon krijgt dan zijn naam, waarmee hij later bekend zal blijven: Bašlbestrijder. We moeten in hem niet alleen maar een moedig man zien. Want moed is niet hetzelfde als geloof. En dat toont Gideon hier: Godsvertrouwen.


DE GEEST DES HEREN BEGINT IN GIDEON TE WERKEN (6 : 33-40)

Als de vijand weer binnenvalt, kruipt Gideon niet weg zoals vorige jaren. Maar hij roept zijn stam en de aangrenzende stammen op tot de strijd. De Geest des HEREN maakt hem vaardig. Het gaat hier om een strijd van de HERE tegen zijn vijanden. De HERE gebruikt Gideon daarbij als zijn instrument.

Zijn vraag om een teken is geen ongeloof. Dan had God hem niet geantwoord op deze manier, Nee, het is eerder kleingeloof dat zekerheid zoekt dat de HERE voor hem zal strijden. En die zekerheid geeft de HERE. Twee keer zelfs.



DE HERE STELT GIDEON OP DE PROEF Rechters 7


GIDEON DOORSTAAT DE BEPROEVING (7: 1-8)

Het volk is gekomen, toen Gideon de krijgsbazuin blies: 32 duizend man. Vergeleken bij de vijand is dat nog niet veel. Toch vindt de HERE het aantal nog te groot. Het volk moet nooit kunnen zeggen, dat zij de vijand versloegen. Alle aandacht moet vallen op wat de HERE doet.

Daarom moet Gideon gaan toepassen wat in Deut. 20 : 8 bevolen was. Let erop, dat ze moeten wegsluipen; de vijand mag er niets van merken. Wat is dit een beproeving van Gideons geloof! Wat moet hij nu met zo'n klein leger. En nog is het te groot, zegt de HERE.

Nogmaals: de HERE wil het voor iedereen duidelijk maken, dat het gaat om een strijd tussen de Geest en Bašl. (6 : 34). Gideon en zijn mannen zijn alleen instrumenten in de strijd van de Geest. De HERE moet straks alle eer ontvangen.

Dan moet Gideon de drinkproef nemen. We moeten ons dat zo voorstellen: er waren soldaten die snel op hun buik gaan liggen, haastig wat water slorpen als een hond, en snel weer in het gelid staan. De anderen nemen er meer tijd voor, ze gaan knielen en scheppen dan water met hun handen.

De woorden uit vs. 6: 'met de hand aan de mond' staan volgens de uitleggers op een verkeerde plaats. Ze horen aan het eind van vs. 6 te staan. Anders begrijp je er niets van. Hoe moeten we deze drinkproef nu uitleggen? Ik geef een paar mogelijkheden:

1. We krijgen zo heel willekeurige groepen. Het heeft niets te maken met dapperheid of paraatheid enz.
2. De dappersten blijven over, de meest parate soldaten.
3. Op de grond gaan liggen en drinken als een hond is minder beschaafd dan met de hand water scheppen. Op die manier wordt het minste uit IsraŽl verkozen.
4. Gideon kon op die manier de afgodendienaars onderkennen. Die waren gewoon voor de Bašls knielend te bidden. Zo krijgt hij 300 mannen die nooit voor de Bašl geknield hadden.

Op dat moment heeft Gideon nog niet begrepen wat de HERE ging doen. Hij hield uiteindelijk maar 300 man over. Maar hij heeft de beproeving doorstaan. Het zal heel wat voor hem geweest zijn al die mannen naar huis te zien gaan. Hij heeft hierdoor begrepen: de HERE gaat de vijand verslaan, ik mag alleen doen wat Hij wil.


DE HERE GAAT GIDEON BEMOEDIGEN (7: 9-15)

De HERE kent Gideon. Hij weet ook van zijn vrees. Daarin komt Hij Gideon helpen. Hij mag met eigen oren uit de mond van een Midjaniet horen, hoe er in dat grote leger over hem wordt gedacht.

Samen met Pura hoort hij hoe er vrees heerst in dat leger. Zo biedt de HERE hem hulp. Hij mag weten dat de HERE aan de spits is getreden van het leger.

Let er nu op wat Gideon gaat doen: hij dankt de HERE! Wat zal hij de HERE dankbaar geweest zijn. Maar hij gaat ook aan het werk. Zie je zijn geloof en zijn bemoedigende woorden tot de 300: staat op, want de HERE heeft ze in uw macht gegeven.


DE HERE GEEFT GIDEON DE OVERWINNING OP DE MIDJANIETEN (7 : 16-25)

De vorige schets eindigde met het dankgebed van Gideon. Nu gaat hij aan het werk met die 300 man. Lees in vs. 16 welke opdracht hij geeft. Die kruiken dienden om voedsel in te bewaren. Zie nog vs. 8. De fakkels waren al aangestoken, maar smeulden in die kruiken, zodat ze nog niets verraadden.

Gideons plan is verwarring te zaaien. Wie zijn opdracht leest, merkt dat. En het doel wordt bereikt. De verspreide mannen veroorzaken met hun herrie een geweldige paniek. Ze verlammen de kracht van de Midjanieten.

Erg opvallend is dat de 300 mannen moeten blijven staan. Ze moeten alleen maar lawaai maken. Maar de HERE strijdt voor zijn volk. Hij brengt verwarring. En dat geweldige leger, beangst door al dat lawaai en al die flambouwen overal, weet niet meer wat het doet. In iedere schim die ze tegenkomen, zien ze een vijand. En zo doden ze elkaar. Kijk nog eens naar de belofte van JahwŤh in vs. 7 en 9. Zo kan IsraŽl rekenen op de HERE! Hij doet wat Hij zegt.

. Dan is het moment gekomen dat Gideon de nog maar net afgedankte troepen weer nodig heeft. Nu de vijand vlucht, moet iedereen meedoen om hen te vernietigen. Zie welke stammen hij inschakelt (23) en vergelijk dat met 6 : 35.

Alles vlucht in de richting van de Jordaan. Vandaar dat EfraÔm opgeroepen wordt. Diens gebied heeft de Jordaan tot grens. Zo komen de Midjanieten in de klem. Zelfs twee van hun vorsten worden gedood. Als bewijsstukken brengen ze de hoofden naar Gideon. De overwinning is een feit.

Het juk dat IsraŽl drukte heeft God verbroken op Midjansdag. Zie Jesaja 9 : 3; 10 : 26 en Ps. 83 : 10. Onder die naam Midjansdag herdacht men feestelijk de overwinning van de HERE op de Midjanieten. Zo zal de ware Midjansdag de overwinning van Christus zijn op de vijanden van de kerk bij het laatste gericht.



HET VOLK VERGEET GODS VERBOND IN RUIL VOOR DE BAńL Rechters 8


HET VERWIJT VAN EFRAŌM AAN HET ADRES VAN GIDEON (8 : 1-3)

We lezen dan van een vervelend voorval. EfraÔm komt met de hoofden van Oreb en ZeŽb bij Gideon. Ze komen met een onbillijk verwijt. Zie vs. 1. Ze voelen zich meer dan de stam van Manasse, waaruit Gideon afkomstig was. EfraÔm en Manasse waren immers broederstammen, genoemd naar de zonen van Jozef. EfraÔm ging er prat op dat God hen voorrang had gegeven. Ze vinden dat Gideon de gemeenschap der heiligen heeft geschonden door de eer van de overwinning alleen voor zichzelf op te eisen.

Het erge is, dat ze niet zien dat het hier om de strijd des HEREN gaat en niet om de eer van Gideon. In hun jaloersheid zien ze niet, dat Gideon een instmment is van God.

Wat geeft Gideon dan een wijs antwoord. Zie vs. 2 en 3. Hij noemt niet eens zijn eigen naam, maar die van zijn geslacht. En dat stond al niet in hoog aanzien. (6 : 15). Maar het mooie is, dat hij de eer voor het verslaan van Oreb en ZeŽb aan God geeft. De HERE heeft EfraÔm een paar koningen in handen gegeven, terwijl hij nog met lege handen staat. Hun oogst is dus meer waard dan de oogst van Gideons mannen. Gelukkig blijft het volk bewaard voor een twist.


GIDEON STRAFT HET ONGELOOF VAN SUKKOT EN PENUňL (8 : 4-17)

De kwestie met EfraÔm was nauwelijks opgelost of er gebeurt iets veel ergers. Bij de achtervolging van de Midjanieten weigeren de inwoners van Sukkot en PenuŽl (PniŽl) de vermoeide strijders voedsel. Ze zien niets van de strijd des HEREN. Zie, hoe honend ze hem antwoorden. Ze hebben de vluchtende Midjanieten wel gezien met hun koningen. De angst voor hen zat er diep in, want al 7 jaar vangen zij in het Overjordaanse, de eerste klappen op.

Maar ook zij erkennen niet Gideon als instrument van God tot verlossing van de vijanden. Gideon, de door God geroepen richter, heeft dan ook het recht om straffen aan te kondigen. Toch moet hij voedsel hebben, want de achtervolging gaat voort, zelfs zo ver dat de vijanden zich veilig wanen. (12). Wel valt het op, dat Gideon niet meteen de gevangen koningen ombrengt, zoals EfraÔm had gedaan.

Eerst straft hij de bevolking van de weigerachtige steden. Let erop dat die jongeman uit Sukkot schrijven kon. Gideon weet dus precies via hem wie hij straffen moet. PenuŽl wordt zwaarder gestraft. Niet alleen hun trots, de vesting met uitkijktoren wordt vernield. Er worden ook mannen gedood. Kennelijk was het verzet van PenuŽl heviger dan van Sukkot.


GIDEON STAAT GODS VERLOSSINGSWERK IN DE WEG (8 : 18-21)

Vervolgens zien we duidelijk zonde bij Gideon. Hij treedt niet op als de door God geroepen richter, maar als bloedwreker.

Hij herinnert de koningen eraan dat ze zijn volle broers hebben gedood. Ze hebben goed begrepen dat het zijn broers waren.

Nu verliest Gideon zijn rechtersambt uit het oog. Van de strijd des HEREN mag geen familiestrijd worden gemaakt. Hij neemt wraak op het vergoten bloed. Hij vernedert de vorsten door zijn zoon te gebieden hen te doden. Maar de jongen is bang; dit is geen kinderwerk. Dan doodt Gideon hen eigenhandig.

Waarom was dit nu verkeerd van Gideon? We hebben er al iets van gezegd. Als rechter had hij te maken met heel IsraŽl. Ieder gedode IsraŽliet was even erg als een gedode broer. Door zo te handelen verduistert Gideon het verlossingswerk van de HERE. Hij verlaat de weg der reformatie.


GIDEON VOERT HET VOLK OP DE WEG NAAR HET BIJGELOOF (8 : 22-27)

Na de overwinning op de Midianieten bieden de IsraŽlieten aan Gideon het erfelijk koningschap aan. Prachtig is het antwoord van Gideon: de HERE zal over u heersen. Het volk was fout. Ze zochten bescherming bij Gideon in plaats van bij de HERE.

Wel maakt hij van de buitgemaakte sieraden een met goud bestikte efod. Nu was de efod het schouderkleed van de hogepriester. Deze efod werd een voorwerp van verering. Gideon maakte er een eigen eredienst mee, want het echte efod werd gedragen door de hogepriester te Silo. Eigenwillige dienst van de HERE, zonde tegen het tweede gebod.

Het volk gaat opnieuw afwijken van de dienst van de HERE met alle ellende vandien. De efod werd door de Hogepriester gedragen als hij in uitzonderlijke gevallen via de Urim en Tummim van God een beslissing wilde hebben. Gideon wil ervoor zorgen dat hij via de efod kan vragen naar de wil van God.

. Dat was helemaal fout. Dat was een zaak van de hogepriester. Het kan zijn dat Gideon het deed met de beste bedoelingen. Maar de gevolgen zijn slecht. Men bedreef er afgoderij mee en het werd voor Gideon tot een valstrik.


HET VOLK VERGEET GODS VERBOND EN GAAT WEER DE BAńL DIENEN (8 : 28-35)

Eerst wordt er geconstateerd dat de strijd tegen de Midianieten in een overwinning was geŽindigd. Veertig jaar was er rust in het land. Dan wordt er een beschrijving gegeven van het levenseinde van Gideon. Dat was niet zo best. Hij leeft niet in alles naar de stijl van de HERE, maar naar die van de wereld. Hij had heel wat vrouwen, vijf!, terwijl de HERE daartegen zo had gewaarschuwd. Zie Deut. 17: 17.

Toch wordt Gideon in Hebr. 11 : 32 tot de geloofshelden gerekend. Dat moeten we nooit vergeten. Onder de rechters is hij een van de edelste figuren. Zijn overwinningen waren overwinningen in de strijd van de HERE. In de geschiedenis van IsraŽl bleef Midjansdag een begrip. Dus het eindoordeel over Gideon is positief in de Schrift.

Na de dood van Gideon is het een kleine stap voor het volk om opnieuw de Bašlsdienst weer van stal te halen. Terwijl het volk zo duidelijk was gewaarschuwd. Zij vergaten de HERE en zijn verlossingsdaden. Zij vergaten ook Gideon. Zij vergaten Gods Verbond door in plaats van de levende God te buigen voor dode afgoden.




REVOLUTIE - MAAR GOD GRIJPT IN! Rechters 9


GOD IN PLAATS VAN HERE

Gewoonlijk gebruik ik in deze bijbelstudies de naam HERE, allemaal hoofdletters. Dat is de aanduiding voor die prachtige naam: Jahwe, de Ver-bondsnaam. Zo wordt ook bijna overal over Hem gesproken.

Maar in deze hoofdstukken lezen we alleen over God. Daarin komt tot uitdrukking, dat de Verbondsverhouding is verstoord. Dat het volk, dat zoveel gunsten genoot, verbondsweldaden, dat Verbond vergŤten heeft en de HERE nu ook van Zijn kant Zijn straf gaat zenden.

De HERE heeft ook in Gideons leven ingegrepen, maar dan tot zegen. Nu grijpt Hij in door een boze geest te zenden tussen Abimelech en de mensen die hem koning hebben gemaakt. Door dat optreden van Abimelech en zijn familie en de mensen van Sichem en omgeving plegen zij revolutie tegenover de HERE. Herinner je je nog wat Gideon had gezegd, toen het volk hem het koningschap aanbood (8 : 23).


ABIMELECH GRIJPT HET KONINGSCHAP (9: 1-6)

Maar Abimelech grijpt er zelf naar. Dat is opstand tegen en verwerping van God. Dat er sprake is van zijn geslacht (zijn moeders geslacht) Ťn al de burgers, ligt hieraan, dat er in Sichem nog Kanašnieten woonden. Die bijvrouw van Gideon hoorde daartoe, daarom bleef ze bijvrouw. Jotham noemt haar: slavin (18).

We moeten ons over deze dingen niet al te zeer verwonderen. Lees nog maar eens 8 : 33, 34. Nauwelijks is Gideon gestorven of het gaat weer mis. En zie nu vs. 4, daar lezen we dat er een tempel van Bašl-Berit in Sichem staat.

Opstand gaat vaak met bloedvergieten gepaard. Hier met een afschuwelijke broedermoord. Abimelech doet dat zelf als een terechtstelling, hoewel hij zich een lijfwacht had uitgekozen. We zien wel uit wat voor lui die bestond (4). Hoe ver hij zijn opstand doorvoert, zien we in vs. 6, want de kroning laat hij plaats vinden bij het gedenkteken van Jozua (Joz. 24: 26). Een vreselijke daad en een brutale!

Nog een opmerking over dit gedeelte, n.1. Beth-Millo. Men nam altijd wel aan, dat dit Millo een vestingwerk was, maar.door onderzoekingen van de laatste tijd weet men dat het eigenlijk een opvulling is tussen twee hoogten, waarvan men een vesting maakte. Ook Jeruzalem had een Millo. Zie 2 Sam. 5 : 9.


GOD LIET JOTAM ONTKOMEN (9: 6-21)

Eťn broer Jotam, de jongste kon ontkomen. God zorgde daarvoor, want Hij had een taak voor deze Jotam.

Als hij vernomen heeft, wat er zich heeft afgespeeld in Sichem, klimt hij op een van de vooruitspringende rotspunten van de Gerizim. Sichem lag namelijk tussen deze berg en de Ebal. Hij kan de mensen in de stad makkelijk beroepen en is toch niet meteen te grijpen, vs. 21.

Hij brengt zijn boodschap wel in de vorm van een fabel, waarin hier bomen spreken, maar hij zet die Sichemieten meteen onder de klem van God. Zie vs. 7. Luister naar me, en God zal naar u luisteren! Dat betekent: Hij luistert, als jullie mijn woorden ter harte nemen. Als jullie je bekeren.

Een paar opmerkingen over de fabel. De nuttige bomen begeren geen koningschap. De spot is wel groot, als we bedenken, dat een doornstruik in Palestina geen schaduw kan geven, omdat die laag bij de grond zich vertakt. Daarin laat Jotham de dwaasheid van Abimelech zien.

Let goed op de toepassing (17, 18). Daarin verraadt hij wie hij is, want "zijn vader" heeft voor hen gestreden. Heeft ze gered! Dit is nu de dank om wat zijn vader heeft gedaan. En zie dan, dat hij hem met die prachtnaam: Jerubbašl noemt. Hij gebruikt dat woord 'opstand', revolutie (18) en verwijt de mensen van Sichem hun medeplichtigheid. Hij eindigt met ~en honende opmerking, dat als ze het oprecht met die slavinnezoon meenden, dat hij ze dan veel geluk met elkaar wenst (19). Maar rust hun bondgenootschap met hem niet op recht en trouw, dan zal er vuur uitgaan, over en weer. Dat zegt, dat ze elkaar zullen verteren. Wie nu vs. 23 en 57 leest, ziet dat God dit alles zo liet uitkomen.


GOD GAAT ZELF INGRIJPEN (9:22-57)

Een boze geest moet als een instrument in Zijn hand dienst doen tot straf. Zie vs. 24: opdat de misdaad vergolden zou worden. Om te begrijpen wat er gebeurt, moet bedacht worden dat Sichem op het kruispunt lag van twee belangrijke verkeerswegen, karavaanwegen dus. Ze beginnen nu de transporten te onderscheppen, ze plunderen ze dus uit. Daarmee krijgt de heerser, de koning dus een slechte naam, want hij is verantwoordelijk voor de rust in zijn gebied.

Dan, treedt ineens die Gašl op, die met een stel vrijbuiters in Sichem komt. Een Kanašniet, die hun verzet steunt tegen Ablmelech. Hij heeft een goed moment gekozen, een wijnfeest, een oogstfeest, dat gevierd wordt in de tempel van hun bašl. Lees (28) hoe hij een tegenstelling gaat maken tussen die zoon van Jerubbaal, die in Sichem een stadhouder aanstelde en zelf "buiten" woonde tegenover de oerbevolking van Sichem, de kanašnietische afstammelingen van Chamor. Gašl wil best helpen (29). Hij heeft zijn opstokerij niet geheim gehouden want Zebul hoort ze ook. Hij gaat zijn dubbelspel spelen en waarschuwt Abimelech (31-33).

De volgende morgen zegt hij tot Gašl die hem eerst niet wil geloven, omdat hij Abimelech niet verwacht, (36), dat hij nu maar eens moet tonen wat hij waard is (38). Hij moet wel aanvallen, maar lijdt een bloedige nederlaag (40). Let erop dat Sichem niet meestrijdt (39).

Als Gašl verdreven is, denkt men in Sichem, dat alles gewoon door kan gaan. Ze werken weer op de velden als anders, maar Abimelech straft ze af met zijn drie groepen. De strafexpeditie is dus goed opgezet! Zie hoe zwaar hij de bewoners vergeldt, want zelfs hun landerijen worden onvruchtbaar gemaakt en hun muur afgebroken (45). Dan zien we ineens Sichem-Toren staan (46), dat is het stadsdeel waar de tempel van Bašl-Berit staat, een aparte stadswijk dus, dezelfde als Bet-Millo. Ieder die in het keldergewelf onder de tempel is gevlucht (een spelonk dus) komt om (48, 49). Van de Salmon, een uitloper van de Gerizim, hakt men brandhout en zo wordt Jothams boodschap van het vuur dat van Abimelech zou uitgaan en verteren, letterlijk vervuld.

Maar ook de andere helft van die boodschap wordt waar, lees vs. 50 - 54. Tebes ligt iets noordelijk van Sichem en was ook in opstand. Daar vlucht alles in de toren, een burcht en uitkijkpost, waar Abimelech dezelfde taktiek wil toepassen. Maar nu gebruikt de HERE een vrouw, die haar meegebrachte molensteen (want er moet toch gegeten worden) gooit en zijn schedel verplettert. Zie zijn vreselijk einde (53).

Maar houdt goed in het oog, dat God hier ingreep, dat Hij vergold (56) niet alleen aan Abimelech, maar ook aan Zijn volk daar, dat tegen Hem in opstand was gekomen. Hij vervult Jothams profetie (57).




GODS KONINGSCHAP - TEN GOEDE EN TEN KWADE Rechters 10


TOLA STOND OP OM ISRAňL TE VERLOSSEN (10:1-2)

We beginnen met Recht. 2: 15, 16 nog eens te lezen. Daarmee is de titel al duidelijk geworden: het is de HERE, die de Koning is, die Zijn volk regeert en bestuurt. Hij stelt rechters aan op Zijn tijd en Hij zendt vijanden, als Hij dat wil.

Als we nu zien naar vs. 1 en 2, valt het op dat er meteen al staat: na Abimelech. We weten dan, dat die periode toch wel ingrijpend geweest is, toen Abimelech met behulp van zijn geslacht in opstand kwam tegen die ECHTE KONING door zich koning van Sichem te laten maken. Dat gebied was ook groter dan Sichem alleen, denk maar aan die plaatsen Aruma en Tebes, die ook genoemd worden (9: 41 en 50).

Tola stond op om IsraŽl te verlossen. Deze keer niet van een buitenlandse vijand, maar erger, van de binnenlandse twisten, de burgeroorlog die door Abimelech was ontstaan. Dat is nog veel groter kwaad. Met Gods hulp kan hij in heel die streek van Efraim, die zo geleden heeft door Abimelechs tirannie, weer rust brengen. Toch komt hij uit de stam Issachar, dat gebied dat zo te lijden had van de Midjanieten, maar hij woont in Samir in Efraim. Nu is er oqk een andere vertaling, die zegt: hij hield zitting in Samir en dat doet ons denken aan Debora die ook ergens op het gebergte Efraim zitting hield om recht te spreken. Zo moeten we ons Tola's werk waarschijnlijk ook voorstellen. Ik denk hier ook aan 9 : 55. Ieder was naar zijn plaats gegaan.

Het heeft er veel van dat het volk uiteen valt, maar Tola richt het volk weer, hij onderwijst hen weer in de wetten en rechten van Gods verbond. En zo verlost hij met Gods hulp het volk van de ondergang door hun eigen kwaad. Je kan zeggen: 23 jaar heeft het volk mogen genieten van zijn wijze leiding. Hij krijgt daar in Efraim zelfs zijn grafstede.


JAIR WAS 22 JAAR RECHTER OVER ISRAEL (10:3-5)

Vs. 3-5 vertellen van de rechter JaÔr. Dat "na hem" heeft heel wat hoofdbrekens gekost. Na wie? Na Abimelech, zeggen sommige uitleggers. Na Tola, zeggen anderen. Ik zie dat woordje "na" niet in de betekenis van "na zijn dood". Tola richt in het Westjordaanland, maar de verwarring was ook groot in dat deel van Manasse, dat oostelijk lag. Denk nog maar eens aan Sukkot en PenuŽl, dan weten we dat ook daar eigenlijk grote nood onder het volk heerste.

Men leefde niet meer uit het Verbond, men vergat God en Zijn wet. We zouden dus kunnen zeggen: enige tijd nadat Tola begonnen is te richten, trad in Gilead (het Overjordaanse) JaÔr op als rechter.

We weten maar weinig van deze rechters, maar we mogen in hun optreden wel zien, dat God, de eigenlijke Koning in hen Zijn volk een gezegende tijd heeft geschonken. Want hun invloed is ten goede geweest. Dat komt duidelijk uit als we in vs. 6 lezen, dat er na hen weer afval kwam, grote afval zelfs.

En JaÔrs tijd was een gezegende tijd. Een tijd van welvaart. Hij kan zijn vele zonen laten leven als koningskinderen, want prinsen reden op ezelshengsten en ze mogen hem behulpzaam zijn bij zijn arbeid, want als beambten hebben ze elk een gebied. Ook zijn richterschap kenmerkt zich niet door krijgsdaden, maar werd door God, die ook JaÔr riep, gezegend, zodat het volk het Verbond weer leerde onderhouden.

In Abimelech zien we dat het volk een ambtsdrager koos naar zijn eigen lust, hier - bij deze rechters - gaat het licht van Gods liefde weer schijnen.


HET VOLK GAAT WEER BAńLS EN ASTARTES VEREREN (10:6-17)

Dan komt de grote terugval, zie vs. 6. Niet alleen de goden der Kanašnieten, de Bašls en Astartes, maar ook die van andere volken, vijf volken, worden gediend. Al die goden waren eigenlijk vruchtbaarheidsgoden, al droegen ze in ieder land een andere naam.

Het ergst is, dat ze niet maar de HERE dienden met daarbij de Bašls, dus een vermenging van die erediensten, nee, er staat duidelijk: ze verlieten Hem. En als we dan zien, dat die volken aan alle kanten van IsraŽl woonden, dan weten we dat het hele land doordrenkt was van afgo-derij. Geen wonder wat we dan in vs. 7 lezen.

God laat toe dat het een extra slechte tijd wordt, want IsraŽl komta.h.w. in een tang te zitten. Van uit het westen komen de Filistijnen, van het oosten Ammon. Hoe groot de nood is, lezen we in vs. 7 en 8.

De HERE toont Zijn koningschap in toorn, door een grote nood over het volk te brengen. We krijgen de indruk dat het land door vijanden overstroomd werd. Van de Ammonieten heeft dat 18 jaar geduurd (8).


HET VOLK ROEPT TOT DE HERE EN HIJ HOORT IN GENADE (10:10-18)

Dan pas gaat het volk de oorzaak van hun nood zien. Ze gaan weer tot de HERE roepen (10). Ze belijden ook hun zonden. Toch geeft de HERE niet meteen verlossing. Hij geeft wel een antwoord op het gebed. Wie dat antwoord heeft gebracht, weten we niet. Maar het is wel overduidelijk. Het is weer een antwoord, dat hun de geschiedenis van Gods roemrijke daden-tot-verlossing-van-Zijn-volk in gedachtenis moet brengen.

De HERE doet dat op zo'n manier, om er als het ware meer klem bij te zetten: "Ik heb jullie vaak genoeg gered" (11). En dan is het opmerkelijk, dat Hij dan van de verlossing van zeven vijanden spreekt. Denk nu aan wat bij vs. 6 behandeld werd. Jahwe zegt duidelijk, dat ze Hem verlieten en dat Hij daarom niet meer verlossen zal. Zie, hoe Hij spot met hun goden (14).

Eigenlijk zegt Hij: Al die vrome woorden helpen niet. Zo kan de HERE in Zijn vrijmacht doen. Hier wendt Hij Zijn koningschap aan ten kwade! Maar in Zijn antwoord ligt ook vermaning. Want vermaning is ook een van de middelen die God aanwendt tot zaligheid. Zo belijdt de Kerk dat ook in de Dordtse Leerregels, hfdst. III/IV, par. 17.

Welnu, deze harde vermaning werkt iets uit, lees vs. 15, 16. Als er dan staat: vreemde goden, worden ook de altaren bedoeld. En als Jahwe dat ziet, ontfermt Hij Zich toch weer, Hij trekt Zich het droev;ig lot van Zijn kinderen aan. Zo lief heeft Hij Zijn kinderen, Hij is een levende God, die ondanks alles met Zijn volk meeleeft.




GOD NEEMT JEFTA ALS RECHTER IN DIENST (Rechters 11)


JEFTA VERSTOTEN (11:1-3)

Als dan Ammon een nieuwe veldtocht beraamt en IsraŽl gemobiliseerd wordt te Mizpa, ergens in het Overjordaanse, is er die belangrijke vraag, wie aanvoerder zal zijn. De vorsten, de oudsten, dus, de leiders weten tot hun spijt maar ťťn man, die zo op kan treden, maar hij is door henzelf verstoten, zie 11 : 7.

Die Jefta is door zijn broers verstoten omdat hij een kind is van hun vader met een vrouw, die van ontucht leeft, die dan met deze, dan weer met een andere man samenleeft, een hoer.

De jongen is dus wel bij vader Gilead terecht gekomen en daar opgevoed, maar met het oog op hun erfdeel wordt hij verjaagd. Gestoten uit zijn familie, verjaagd uit het land, terwijl hij toch bij dat volk hoorde en graag wilde horen. Want zodra we direct meer van hem horen, zien we hoe hij met Jahwe rekent.


JEFTA GEVRAAGD ALS RECHTER (11:4-11)

In het land Tod, ten oosten van IsraŽl zwerft hij en leeft van wat rooftochten hem opleveren. Allerlei lui, die om de een of andere reden niet in het land kunnen blijven, sluiten zich bij hem aan. Door die rooftochten en oorlogen (nooit tegen IsraŽl, zijn eigen volk) is hij vermaard geworden. En op grond van die roemruchte naam, komen de oudsten hem vragen hun leider te zijn. Zie (vs.7) dat zijn eigen familie ook tot die oudsten behoorde.

Ze bieden hem aan hun hoofd te worden, over heel Gilead. Lees dan het antwoord van de gelovige Jefta. Hij belooft dat niet hij de vijand zal verslaan, maar: "als de HERE hen aan mij overlevert". Als we vs. 10 en 11 lezen, zien we, dat ook de oudsten zich met Jefta voor Gods aangezicht stellen en zo hun belofte geven. Dat is dus een eed - voor Gods aangezicht, Hij is getuige!

Niet voor niets staat Jefta in de rij van geloofshelden uit Hebr. 11. Het is wonderlijk: ze zoeken een krijgsheld, maar ze vinden een "geloofsheld". God heeft deze keuze van de volksvergadering ook bevestigd, want in vs. 29 zien we, dat Jefta Gods Geest ontving.

We zien hier ook een groot verschil met het heidendom, daar staat de mens in het midden, daar draait ook alles om de mens en zijn geluk, maar hier in Mizpa gaat het om de Naam van de HERE. Hij is ook immers de Koning. Dat heeft Jefta erkend en in hem schenkt de HERE Zijn zegen.


JEFTA PROBEERT OORLOG TE VOORKOMEN (11:12-27)

Jefta, de verstotene, de zwerver, buiten de Verbondskring groot geworden, heeft zich toch tot dat volk gerekend, heeft met de HERE gerekend en zich bezig gehouden met de geschiedenis van wat God met Zijn volk in het verleden heeft gedaan. We weten wel niet op welke manier, maar uit al wat hij doet en zegt is het overduidelijk. Dat zien we meteen al in vs. 12. Hij probeert de oorlog te voorkomen. Niet omdat hij bang was (zie vs. 1) maar omdat de HERE dat had gezegd.

Zoek maar op Deut. 2 : 19, waar de HERE het broedervolk wil ontzien. We vinden dat ook terug in wat Mozes zegt over het oorlogvoeren in Deut. 20: 10. Jefta houdt daar rekening mee, nu hij tot het richterambt is geroepen. Gods verordeningen staan hem voor ogen.

Het antwoord van Ammon is duidelijk. Het wil IsraŽl wel met rust laten als ze het Overjordaanse maar terugkrijgen. Zie maar naar die grenzen. Maar wie de historie nagaat, ontdekt dat dit land nooit van Ammon is geweest. En daar gaat Jefta die koning aan herinneren door middel van de boodschap die zijn gezanten moeten overbrengen. Vs. 15-27.

Enkele dingen vallen daarbij op:

1e. Het volk is op zijn tocht naar het land van belofte ook om Moab is heengetrokken. Dat lazen we niet eerder dan dat Jefta het hier vertelt, we wisten alleen van Edom uit Num. 13.

2e. Wel had Sihon land veroverd op Ammon, maar doordat de HERE Sihon deed verslaan door IsraŽl, kreeg het ook dat land, als verovering op Sihon.

3e. Uit vs. 24 zien we dat men in die tijd het bezit van het land zag als een gave van de god van dat land. Dat heeft men later ook gevonden op de "steen van Mesa", waaruit blijkt dat dit toen als internationaal recht gold.

4e. Wat laat Jefta zijn geloof schitteren door telkens uit te doen komen dat alles door Jahwe, de Verbondsgod, tot stand werd gebracht. (21, 23).

5e. Let vooral op vs. 25, waar Jefta dat internationale recht ook laat gelden voor IsraŽl. Daar komt als god der Ammonieten Kamos voor. Mogelijk dat die ook vereerd werd, maar uit 1 Kon. 11 : 5 weten we dat ze Milkom dienden.

6e. Merkwaardig is dat hij Balak aanhaalt. Sihon had ook land genomen van de Moabieten, maar zelfs Balak heeft daar bij IsraŽl nooit aanspraak op gemaakt. (26).

7e. Heel politiek is de opmerking uit vs. 26, dat ze in 300 jaar, die sindsdien verlopen zijn nooit een poging deden om die veroverde gebieden in Hesbon en AroŽr te heroveren. Jefta wil ermee zeggen: dat is allemaal al verjaard, hier geldt het verjaringsrecht.

Tot slot vs. 27, waar Jefta, ondanks dat hij veel narigheid van het volk van God, zijn broeders heeft ondervonden, toch als richter optreedt en de zaak van zijn volk, dat al 18 jaar vertrapt werd en zoveel te lijden had (9), in de handen van de HERE, de Rechter, (je kunt ook zeggen: de Koning) geeft. God is rechter, die beslist!


JEFTA DOET EEN GELOFTE (11:28-40)

Maar Ammons koning luistert niet, al heeft hij tegen Jefta's historische opmerkingen niets in te brengen. Dan wordt Gods Geest vaardig over Jefta. Hij trekt dwars door het Overjordaanland om zoveel mogelijk manschappen te verzamelen, in de richting van de vijand.

Dan lezen we van zijn gelofte. Dat was niet zo vreemd. We weten bv. van de gelofte die Hanna aan de HERE deed om als ze een zoon zou krijgen, ze die aan de HERE zou wijden. Bovendien weten we uit Lev. 27 : 1, dat de HERE dit Zelf heeft geregeld.

Nu vragen we ons af, waarom wilde men een gelofte doen? Wel, door zo'n gelofte verplichtte je jezelf tegenover de HERE, je kon er niet onderuit. Je stond daardoor sterker in je trouw en dankbaarheid. We kunnen zo'n gelofte nooit losmaken van het gebed. Eigenlijk bad Jefta hier om de overwinning. Hij legde die in Gods handen. Als precies vertaald wordt wat in het oorspronkelijk staat, zou er moeten staan: Als U ze mij totŗal, vollŤdig geeft, zal ik U een totaal offer brengen. Daarmee dwingt hij de HERE niet, je moet dit zuiver als een bede zien. Zo sprak Jacob bv. ook na de droom bij Bethel.

Nu zal Jefta, die zo goed in de Bijbel thuis bleek te zijn, echt wel geweten hebben, dat de HERE een afschuw had van mensenoffers, die worden "de gruwel der Kanašnieten" genoemd. Toch lijken zijn woorden uit vs. 31 op een mens te slaan. Die zal tenminste uit de deur hem tegemoet komen. Zo praat je niet over een dier. Daarom heeft men deze woorden onvoorzichtig genoemd.

Dat blijkt ook uit zijn reactie als hij zijn dochter als eerste hem tegemoet ziet komen. Lees vs. 35, dan zien we zijn diepe smart. Daaruit volgt dat hij de Ammonieten verslagen heeft, God heeft zijn strijd gezegend en ze "volledig" aan IsraŽl overgegeven, zie maar vs. 33 het slot: de rollen zijn nu omgekeerd.

Toch moeten we niet aan een echt brandoffer denken. Jefta was een veel te gelovig mens om daarin God ongehoorzaam te zijn. Bovendien had hij dan dit "offer" niet 2 maanden uitgesteld (37).

Maar wat wel grote indruk maakt is de geloofsuiting van zijn dochter. Ook al ziet ze zijn verdriet en begrijpt ze heel goed wat dit ook voor haar betekent, ze zegt: "De HERE heeft u volledig wraak gegeven, nu moet u ook volledig doen, wat u de HERE beloofd hebt." We moeten hier letten op het geloof en de gehoorzaamheid die er uit spreken.

Het is voor Jefta een zwaar ding, want het betekent dat hij geen nageslacht zal hebben in IsraŽl, want hij moet zijn enig kind, deze dochter afstaan. Zijn geslacht gaat onder en een van Gods heerlijke beloften aan IsraŽl was, dat ze een vruchtbaar volk zouden zijn en dat de HERE Zijn heerlijkheid zou doen zien in de geslachten.

En zij die zo blij met andere meisjes de redder van het volk tegemoet was gegaan (34) en die graag had willen trouwen om een moeder in IsraŽl te zijn, zij vraagt uitstel om "haar maagdom" te bewenen. Niet haar leven, want ze wordt niet gedood, geofferd. Maar het moederschap is niet voor haar weggelegd en ze doet daar ook gewillig afstand van.

Waar ze heen is gegaan, weten we niet. Er zijn uitleggers, die denken aan de tabernakel, om daar een dienst te vervullen. Maar anderen denken meer aan volslagen eenzaamheid, ergens in het gebergte.

Als we dan in vs. 40 lezen dat de meisjes uit IsraŽl haar vier dagen per jaar gaan bezingen, dan moeten we dat zo zien, dat ze haar prijzen om de bereidwilligheid, waarmee ze de belofte van Jefta aan Jahweh vervulde.

IsraŽl heeft door wat hier verhaald wordt, moeten leren verstaan dat men zijn geloften betalen moet. Ook hierin is Jefta rechter geweest, heeft hij het volk het doen van gerechtigdheid leren verstaan.

We moeten bij heel deze geschiedenis niet vergeten dat SamuŽl, door de Geest gedreven, Jefta's naam met ere noemt (1 Sam. 12: 11) en dat hij als geloofsheld wordt genoemd in Hebr. 11.





NA BURGEROORLOG GEEFT GOD RUST (Rechters 12)


EFRAŌM ONTKENT HET AMBT VAN JEFTA (12:1-7)

Maar de geschiedenis is hier niet mee klaar. Weer ontstaat er onrust, strijd. Weer is het EfraÔm, dat jaloers is op wat iemand uit een andere stam tot redding heeft mogen doen.

Even de kaart erbij halen. EfraÔm was een groot gebied in het hart van Kanašn. Gilead lag aan de andere kant van de Jordaan in de stam Gad. Als EfraÔm de Jordaan overstak zaten ze zo in Gilead.

Ze willen niet erkennen, dat Jefta instrument van God was. Zie maar (12: 1) dat ze hun strijders oproepen en wat ze Jefta verwijten en wat ze van plan zijn. Hoe hevig jaloers ze zijn en hoe onrechtvaardig komt uit in vs. 2.

We wisten wel niet dat Jefta hen opriep en ze niet kwamen, maar ze hebben er geen enkel weerwoord op. Zie (vs. 3) dat hij zich niet beroemt, maar de eer aan de HERE geeft.

Maar EfraÔm luistert zelfs daar niet naar. Erger nog, zie vs. 4, ze maken hen uit voor weggelopen Efraimieten, een leugen, want Manasse had zijn grondgebied, ook in het Overjordaanse van God zelf ontvangen. Efraim kent geen enkele dankbaarheid dat de HERE door dat kleine Gilead redding voor het hele volk had geschonken. Zie 10: 9.

Dat betekent broedertwist, burgeroorlog en EfraÔm wordt verslagen!

Toch mag Jefta nog 6 jaar als richter het volk leiden. Hij mag weer rust brengen en geen Ammoniet rooft of plundert.


In de Inleiding bij het bijbelboek Rechters gebruikten het woord eentonig. Het lijkt eentonig. Want echt eentonig is het boek niet. Hoe verder je komt in het boek, hoe dieper het dal wordt waarin IsraŽl komt te verkeren. Het gaat van kwaad tot erger, lazen we in hoofdstuk 2. Iedere keer ging het bederf een stap verder.

In hoofdstuk 10 wordt het bekende stramien zelfs doorbroken! Dan roept het volk zijn ellende uit naar de HERE, maar wijst Hij hen af. Ik heb jullie nu vaak genoeg gered. Hoevaak hebben jullie Mij niet te hulp geroepen en heb Ik jullie gered. Maar telkens keren jullie Mij de rug weer toe om andere goden te dienen. Daarom bevrijd Ik jullie niet meer. Roep die goden maar te hulp aan wie jullie de voorkeur hebben gegeven. Laten zij jullie maar uitkomst brengen! De maat is vol bij de HERE.

Maar IsraŽl gaat diep door het stof. Het belijdt zijn schuld en doet alle vreemde goden weg. En dan, staat er in Rechters 10, kan de HERE het niet langer aanzien hoe moeilijk IsraŽl het heeft. Hij geeft ze de richter Jefta. Het is: op het nippertje!


NOG DRIE RECHTERS (12:8-15)

Na Jefta beschrijft het boek Rechters Ibsan, Elon en Abdon. In hen wordt Gods zegen openbaar. Vele kinderen, grote rijkdommen, rust in het land. Je zou toch zeggen: nu moet IsraŽl toch weten waar het aan toe is. Zo'n redding op het laatste nippertje bij Jefta. En daarna die zegen die de HERE schenkt. Nu zullen ze toch wel door hebben hoe het moet!

God schenkt genade ook door deze richters, schenkt verlossing - ook al weten we niet tegen welke vijand ze streden - en schenkt voorspoed, welvaart, zie vs. 13.

Na de jaren van oordeel en straf mag het volk zich verblijden in goede jaren. De HERE is goed voor zijn volk. Het boek Rechters brengt niet alleen maar narigheid en afval. Bij de rust van God moeten we ook de vinger leggen.






GODS NIEUWE BEGIN IN DE GEBOORTE VAN DE NAZIREEňR SIMSON Rechters 13

INLEIDING OP RECHTER SIMSON

Simson! Een boeiende figuur. Anders dan anderen was hij. In zijn eigen tijd was hij een eenzame man. Je komt hem nooit tegen in gezelschap. Hij krijgt ruzie met zijn ouders. Zijn liefdesleven is vol teleurstellingen. Vrouwen die hij wil, kan hij niet houden. Ze worden hem afgepakt of ze verraden hem. Zijn eigen volk levert hem uit aan de Filistijnen. Een hele bijzondere figuur is die Simson. Maar ook heel eenzaam. Hij bedoelt het zo goed, maar er lijkt niemand te zijn die het opmerkt.

Ja, Simson was bijzonder. Hij beschikte bij tijden over een kracht die bovenmenselijk was. Want hij had die kracht niet van zichzelf of uit de sportschool of uit doping. Het was de Heilige Geest die hem op bepaalde momenten zijn geweldige kracht gaf. Die zette hem tot zijn daden aan.

Het is opvallend dat de persoon van Simson zoveel aandacht krijgt in de Bijbel. Is deze man nu reclame voor God? Deze eenling en zonderling?

Maar weet je wat het opvallende is? Over Simson wordt ook nog een keer in het Nieuwe Testament gesproken. Zijn naam wordt genoemd in HebreeŽn 11. En in dat hoofdstuk worden allemaal gelovigen uit het Oude Testament genoemd, die tegen alles in, ook tegen hun omgeving in, zich vastklemden aan wat God beloofd had en bevolen. HebreeŽn 11 vertelt hoe gelovigen in het Oude Testament boven zichzelf uitgrepen naar God. En aan Hem hun houvast en kracht en uithoudingsvermogen ontleenden. Hoe ze verder zelf ook waren.

HebreeŽn 11 laat zien hoe machtig God is. Hoe Hij met mensen die soms heel kwetsbaar en zondig waren, toch zijn weg ging en hoe Hij, genadig en almachtig als Hij is, door hen zijn werk deed.

DŠt geldt ook voor Simson. In zijn tijd was hij vrijwel de enige die Gods plan diende. Met al die vreemde dingen die hij deed, en waarmee hij de HERE ook in de weg kon zitten, maakte God gebruik van hem. En zorgde hij ervoor dat het werk van God door kon gaan. In die moeilijke tijd voor IsraŽl werkte Gods Geest door een man als Simson. (P.Niemeijer).

Voor de bijbelstudies over Simson heb ik dankbaar gebruik gemaakt van een serie preken over deze boeiende figuur door mijn vriend ds. P.Niemeijer te Den Helder.


VEERTIG JAAR BEZET DOOR FILISTIJNEN (13:1)

Als we vs. 1 goed lezen zien we twee dingen. Eerst dat we terug moeten grijpen naar 10: 6 en 7, waar we lazen dat de HERE, toen daar die uitbarsting kwam van afgoderij, toen nl. 7 vreemde goden werden vereerd, ze overgaf in Zijn toorn aan Ammonieten en Filistijnen. In de tang dus.

In hfdst. 11 en 12 zagen we, hoe in het oosten de straf van God over Zijn volk werd toegediend door Ammon, maar dat God Zich ook weer ontfermde door Jefta als richter te schenken.

Nu zien we dat in het westen de Filistijnen instrument zijn van Gods toorn. Dit vond plaats in dezelfde tijd. Het tweede is, dat deze onderdrukking 40 jaar duurt. Zolang zuchtten de IsraŽlieten onder Gods straffende hand.

Hij levert ze uit: zo staat het er. Hij geeft ze prijs. En niet aan zomaar een volk, maar aan de Filistijnen. Die heetten in de wereld van die tijd 'onbesnedenen'. Ze stonden bekend om hun ruigheid, drankzucht en seksuele losbandigheid. Het is een heidens volk, dat zichzelf wel redt en van geen ingrijpen van buitenaf of hogerhand wil weten. Aan dit volk levert God IsraŽl uit!

En weet je wat het erge is? Dit keer lezen we niet dat het volk tot de HERE ging roepen! Het blijft stil. Is het nu dan voorgoed afgelopen met IsraŽl? Houdt nu alles op wat God begonnen is met Abraham, Isaak en Jakob? Hier zitten we op het dieptepunt van het boek Rechters. Het volk roept niet eens meer om verlossing. Terwijl ze door de HERE prijsgegeven zijn aan die onbesneden Filistijnen.

Als Simson straks gaat optreden, zien we hem inderdaad als een eenling opereren en in hoofdstuk 15 zelfs door zijn volksgenoten uitgeleverd worden aan de Filistijnen. Het tekent de situatie in IsraŽl! De van God gegeven verlosser Simson moet opereren als een eenling! Verder is er niemand! Er is nog maar een heel dun draadje tussen God en IsraŽl. Maar geen zijden draadje, maar een gouden draad. De draad van Gods wonderlijke genade.


DE ENGEL VAN DE HERE VERSCHIJNT AAN VROUW VAN MANOACH (13:2-5)

God genade gaat schenken. Dat ligt enkel en alleen aan Hem. Hij gaat die genade geven door de Engel van de HERE te sturen naar de vrouw van Manoach (2). De Engel van de HERE is Christus Zelf, voordat Hij geboren werd. Christus Zelf gaat een nieuw begin maken! Want dat is wat opvalt in Rechters 13. Hoewel het volk niet roept, maakt God een nieuw begin. Dat begin maakt HŪj! Er komt een engel uit de hemel! De Engel van de HERE.

Maar waarbij kan de HERE aansluiten in IsraŽl? De engel verschijnt aan de vrouw van Manoach. Moet er via haar toekomst komen voor IsraŽl? Zij is onvruchtbaar! Zij heeft geen kinderen en kan ook geen kinderen krijgen.

Sterker nog: de HERE blijkt juist met deze vrouw iets groots voor te hebben! Zij mag moeder worden van IsraŽls toekomstige verlosser Simson. Maar die toekomst dankt ze dus niet aan iets in zichzelf. Maar puur en alleen aan het ingrijpen van de HERE. Hij maakt haar vruchtbaar. Hij schept Zichzelf via deze van zichzelf onvruchtbare vrouw een weg naar het nieuwe begin dat Hij wil maken.

Daar valt op dat er staat: het geslacht van Dan. Men maakt daar uit op, dat die stam zo klein was, eigenlijk net een "geslacht" uit de andere grotere stammen. Maar God ziet toch die onaanzienlijke stam aan. Hij verkiest het onedele, als Hij dat nodig heeft, zie 1 Kor. 1:28.

Verder valt op, dat die vrouw onvruchtbaar was. Nu had de HERE het volk rijke zegeningen beloofd voor het leven in Kanašn. Als ze maar gehoorzaam waren! Er zou eten en drinken in overvloed zijn, gezondheid en een lang leven, maar ook kinderrijkdom, lees Ex.23:25-26 en Deut 7:14.

Deze vrouw lijdt dus onder de Verbondsvloek. Ze moet een deel dragen van de schuld van heel het volk. Het is dus niet een persoonlijke straf.

Er gaat een wonder gebeuren: de vrouw, die niet zwanger kon worden, zal straks een zoon baren. Daar zien we weer de genade, die God schenken gaat ondanks Zijn toorn. Uit vs. 4 en 5 zien we, dat het wonder nog groter wordt, want die zoon wordt geroepen tot een heel bijzondere dienst: Hij zal een begin maken met de verlossing van het volk. God ziet weer om naar IsraŽl. Niet om iets van het volk, maar om wat Hij eenmaal heeft gezworen!

Dat kind wordt afgezonderd tot een bijzondere dienst, hij zal een nazireeŽr zijn. Niet vrijwillig om een bijzondere reden (denk aan Paulus), maar door God opgelegd en niet tijdelijk maar voor zijn hele leven. En daarom mag ook de vrouw geen wijn of sterke drank drinken of iets onreins eten. Zij wordt ook apart gezet.

De HERE laat langs deze weg zien dat Hij het is die voor redding gaat zorgen. Een redding die IsraŽl zichzelf niet meer kan geven. Een onvruchtbare vrouw zal zwanger worden en een zoon krijgen die IsraŽl zal gaan verlossen. Duidelijker kan niet gezegd worden dat alles van God moet komen. Alles hangt hier aan de draad van Gods wonderlijk ingrijpen, van zijn genade.

Simson is niet geboren op natuurlijke wijze. Hij is geen product van IsraŽl zelf. Hij is door God gegeven. Het is Gods trouw aan zijn belofte die Simson aan IsraŽl geeft. En niets anders. Waar IsraŽl de HERE niets meer te bieden heeft, werkt de HERE een wonder. En blijkt IsraŽl niet uit het vlees, maar uit de belofte en genade van God te leven.

Gods genade krijgt nog een diepere glans als we kijken in welk gezin Simson geboren wordt. Dat van Manoach en zijn vrouw. Hij wordt genoemd: een zekere Manoach. Een verder onbekende figuur. Hij woont in de omgeving van Sora. Een onbetekenend dorpje waarvan we amper meer weten waar het gelegen heeft. Manoach behoorde ook nog een keer tot de stam Dan, een stam die er in de rest van de Bijbel nu niet direct geweldig op staat!


DE ENGEL VAN DE HERE VERSCHIJNT AAN MANOACH ZELF (13:6-23)

De vrouw van Manoach heeft de boodschap goed begrepen en ook goed gezien dat het een boodschap van God was, lees maar vs. 6, 7. Opmerkelijk is, dat ze van de engel zegt, dat die er zeer vreselijk uitzag. Er was dus iets bovenaards aan.

Als Manoach dan bidt of die man Gods nog eens mag komen om te zeggen, wat ze met hun zoon moeten doen, hoe ze hem moeten laten leven, dan merken we weer Gods genade op in de verhoring van dat gebed. (9). Manoah wil zeker zijn, zie vs. 11.

Maar als hij weer vraagt, wat hun zoon straks zal moeten doen, en hoe hij zal moeten leven, dan zegt het antwoord niets over de zoon, maar alleen over de vrouw. Met nadruk wordt dus herhaald hoe zij leven zal. Weten ze dan hoe ze hun kind moeten opvoeden?

Zeker, want hij zal opgevoed moeten worden als ieder ander IsraŽlietisch kind. Ze zullen hem moeten vertellen van de grote daden van de HERE, die Hij voor Zijn volk heeft gedaan, van de wonderen van genade, dat Hij telkens weer naar dat ongehoorzame volk wou omzien, omdat Hij dat beloofd, gezworen had. Natuurlijk begrijpen ze, dat ze hun zoon moeten opvoeden als een aan God gewijde, ze zullen hem moeten vertellen van het wonder van zijn geboorte en zijn opdracht.

In vs. 15 en 16 zien we dat de Engel een maaltijd weigert, maar dat ze wel een brandoffer uit dank voor de boodschap van heil, die goede tijding aan God mogen brengen. Toch wil Manoah "de man Gods" eren, daarom vraagt hij naar zijn naam. (17).

Pas als Manoach de engel naar zijn naam gevraagd heeft en hij te horen heeft gekregen dat die voor hem te wonderbaarlijk is, en pas als hij ziet dat de engel opstijgt in de rook van een offer dat hij aan de HERE brengt, dan begrijpt hij: dit is maar geen profeet! We hebben God gezien! En dan is hij zo van de kaart dat hij uitroept: dat wordt onze dood!

Het is zijn vrouw die hem dan moet wijzen op wat de engel gedaan heeft en gezegd. Zij heeft oog voor het wonder en de genade van God. Kijk toch eens wat God ons beloofd heeft! Zou Hij ons dan willen doden?! Maar aan Manoachs reactie merk je dat voor hem geldt wat later in 1 SamuŽl 3 zal worden gezegd: het Woord van God was schaars in die dagen. Als de HERE van Zich liet horen wist men niet wat men ermee moest! Ook Manoach herkende Hem niet. Hij was de omgang en het rekenen met de HERE ontwend.

De vrouw van Manoach krijgt een wonderlijke en heerlijke boodschap. Zij zal zwanger worden en een zoon krijgen. En die zoon zal al vanaf de moederschoot als nazireeŽr aan God gewijd zijn. Zijn ongeschoren haar zal er een teken van zijn. Er wordt van de vrouw meteen een gelůůfsreactie gevraagd: ze mag vanaf dit moment (!) geen wijn of andere bedwelmende drank meer gebruiken en geen voedsel eten dat onrein is. De geboorte van haar zoon vraagt al meteen om maatregelen vooraf. Vraagt om geloof in Gods belofte!


HET KIND ZAL VANAF DE MOEDERSCHOOT ALS NAZIREEňR AAN GOD GEWIJD ZIJN (Numeri 6)

Het kind zal nazireeŽr zijn. De wet op het nazireeŽrschap vindt u in Numeri 6. Een nazireeŽr moest zich onthouden van wijn en andere drank. Hij mocht niets eten dat van de wijnstok afkomstig was, geen verse of gedroogde druiven, zelfs geen pitten of velletjes. Zijn hoofd mocht door geen scheermes worden aangeraakt. Heel de tijd van zijn nazireeŽrschap moest hij zijn haar laten groeien. Hij mocht niet in de buurt van een dode komen: dat zou hem onrein maken en dat was hem verboden. Zelfs als het zijn allernaaste familie was: vader of moeder, broer of zus.

Deze eisen gaan nog verder dan die aan de gewone priesters. Priesters mochten ook geen wijn of sterke drank gebruiken, maar dat gold voor als ze naar de tabernakel gingen. Ze moesten nuchter en helder zijn om het onderscheid tussen rein en onrein, heilig en onheilig aan het volk te kunnen leren. Priesters mochten niet in contact met doden komen, maar een uitzondering gold voor hun allernaaste familie (alleen de hogepriester mocht zelfs aan zijn vader of moeder zich niet verontreinigen). Ook priesters mochten niet alles met hun haar: ze mochten zich niet kaalscheren en ook geen stukken uit hun baard knippen. Maar voor de nazireeŽrs golden dus, zou je kunnen zeggen, op alle drie punten nog zwaardere eisen dan voor de priesters.

De nazireeŽrs waren in IsraŽl geen priesters. Het waren mensen uit het volk. Om het zo maar eens te zeggen: lekebroeders, gewone gelovigen die aan God gewijd waren. De HERE had tegen Mozes gezegd dat heel IsraŽl een koninkrijk van priesters zou zijn. En niet alleen de nakomelingen van Levi en Ašron. Welnu, in die nazireeŽrs had IsraŽl daar een voorschot op. Een voorschot op de tijd dat heel Gods volk -ook buiten Levi en Ašron- priester zou zijn, met de Geest gezalfd. In de nazireeŽrs zag IsraŽl waar de HERE met zijn volk heen wilde. Een volk dat priesterlijke heiligheid en toewijding aan de HERE kende.

Het geheim van Simsons optreden zou dus zijn wijding aan de HERE zijn. Een wijding die een belofte aan IsraŽl voorhield: dŪt wil God, hiťrnaar is Hij onderweg met zijn volk. En tegelijk is het ook een appŤl op IsraŽl: kijk, IsraŽl, dit wil de HERE van u!

Bij het nazireeŽrschap ging het om een vrijwillige en een tijdelijke wijding aan de HERE. Je werd nazireeŽr door een gelofte af te leggen aan de HERE. En je werd weer nazireeŽr-af via een ritueel in de tabernakel, bij de priester. Ook tussendoor kon je als nazireeŽr de priester en de tabernakel nodig hebben: als je onverwachts door iets onreins verontreinigd werd. Dan moest je via een apart reinigingsritueel opnieuw gewijd worden.

Op dit punt is Simson iets aparts. Simsons nazireeŽrschap is niet iets tijdelijks. Hij zal het zijn hele leven zijn. En zijn nazireeŽrschap is ook niet iets dat hij vrijwillig op zich genomen heeft. Hij is al nazireeŽr van vůůr zijn geboorte. Vanaf de moederschoot! Ja, Simson is inderdaad iets heel bijzonders. Zoals hij was er in zijn dagen geen tweede. Iets dergelijks zal ook van SamuŽl gaan gelden En later van Jeremia en van Johannes de Doper en van de Here Jezus. Vanaf de moederschoot en levenslang gewijd aan de HERE en zijn dienst. Geroepen door God Zelf. Simson was om zo te zeggen een nazireeŽr in het kwadraat!

Ook hierin zie je de HERE een stap voorwaarts maken in het boek Rechters. Tot dusver zijn er heel wat rechters geweest. Mannen uit het volk zonder bijzondere wijding. Zij brachten geen van allen definitieve verlossing. Er is zwaarder geschut nodig! God geeft Simson. Een rechter die ook nazireeŽr zal zijn. NazireeŽr van een bijzonder slag zelfs!

Maar ook hij brengt de volmaaktheid niet. Hij zal zijn wijding zelfs te grabbel gooien en besmeuren. Straks, na hem, gaat de HERE dan ook weer een stap verder: Hij gaat de priťster Eli tot rechter aanstellen. En als ook dat vastloopt, komt de profťťt SamuŽl. Als ook die het volmaakte niet brengt, gaat God een koning aanstellen. Eerst Saul, daarna David. En Salomo. En al de koningen daarna. Maar alle priesters, profeten en koningen kunnen de volkomen verlossing niet brengen. Daarvoor is het wachten op Jezus Christus, Gods eigen Zoon, de unieke hogepriester, de eeuwige koning en de hoogste profeet.

Eeuwen na Simson zal de Here Jezus Zich volledig aan zijn Vader wijden. Het zal zijn eten en drinken zijn om de wil van zijn Vader te doen. Hij zal leven en werken in IsraŽl. En dat leven zal een belofte zijn voor wie Hem ziet en hoort: zoals Ik ben, zo zullen ook zij worden die van Mij zijn. We zijn onderweg naar een nieuwe wereld waarin God alles in allen zal zijn. Waarin God door alles en iedereen geŽerbiedigd zal worden. En Christus' leven is ook een appŤl: laat zijn liefde in u allen gestalte krijgen en doorwerken!


HET BEGIN VAN GODS VERLOSSING DOOR SIMSON (13:24-25)

Er wordt in dit hoofdstuk niets gezegd over het verbod om met een dode in contact te komen (zie Num.6:6). Dat zou bij hem ook wat moeilijk zijn. Hij moest immers een begin maken met de bevrijding van IsraŽl uit de greep van de Filistijnen. Hij zou er velen doden!

In plaats van het verbod op contact met een dode, moet Simsons moeder -en dat zal ook gelden voor Simson zelf- zich onthouden van onrein voedsel. Maar dat gold toch voor alle IsraŽlieten? Ja, dat gold voor alle IsraŽlieten. Daarom zou het hier kunnen gaan om het eten dat God in de wet op het nazireeŽrschap heeft genoemd: het eten van iets dat aan de wijnstok groeit, druiven, pitten en velletjes. Maar het kan ook lťtterlijk bedoeld zijn: niets onreins, en dan tegen de achtergrond staan van een volk waar de reinheidswetten met voeten getreden werden.

Onder Filistijnse bezetting is dat ook niet zo vreemd, dat mensen zich niet meer aan Gods reinheidswetten houden. Ze deden per slot van rekening immers wat slecht was in de ogen van de HERE. Dan zou Simson dus door zijn dieet telkens weer nadrukkelijk de scheidslijn met de Filistijnen aangeven en accentueren.

Simson zal een begin maken met de bevrijding van IsraŽl uit de greep van de Filistijnen. Daarvoor moet hij IsraŽl eerst wakker maken. Want ze leefden onder het Filistijnse juk zůnder tot de HERE om hulp te roepen. Kennelijk hadden ze zich geschikt. Het eerste wat Simson moet doen is onrust stoken. Niet maar een beetje ruzie zoeken, maar in de bijbelse zin van het woord. Direct na de zondeval heeft de HERE God immers vijandschap gesteld tussen de vrouw en haar zaad aan de ene kant en de slang en zijn zaad aan de andere kant. Kennelijk was dit besef bij IsraŽl verloren gegaan. Het is Simsons taak om daar weer wat aan te doen. Hij gaat onrust stoken. En hij gaat de strijd met de Filistijnen aan. En het lukt hem inderdaad de nodige prikken uit te delen en successen te boeken.

Vs. 24 zegt, dat God hem zegent in het voorspoedig opgroeien. God schenkt hem ook Zijn Geest, zodat hij een idee krijgt van zijn bijzondere roeping. Opmerkelijk is dat woord "aandrijven" (25). De Geest is dus niet voortdurend, permanent aanwezig, maar dŗn wanneer Simson ambtelijk moet optreden. Ook Simson moet wachten op wat God met hem gaat doen. Hij mag niet op eigen houtje optreden, maar leven naar de wet van God en wachten op de Geest.

Simson heeft een begin gemaakt met de verlossing van IsraŽl uit de greep van de Filistijnen. Het was en bleef maar een begin. Er bleef een grotere toekomst uitstaan! Daar heeft de HERE van meet aan IsraŽls aandacht voor gespannen. Mensen, er komt iets veel groters dan Simson doet en gedaan heeft. Wat hij doet is maar een begin! Door te spreken van een begin, hield God het vuur van de verwachting brandende bij zijn volk. Ze moesten vooruit blijven zien. Vol verlangen en vol vertrouwen.





GOD BEGINT ZIJN VERLOSSINGSWERK IN SIMSONS HUWELIJKSKEUS (Rechters 14)


INLEIDING

Het gaat in dit hoofdstuk van de Bijbel niet in de eerste plaats om Simson, maar om wat de HERE doet. In vers 4 lees je ineens over de HERE die ergens op aanstuurde. En aan het slot van het hoofdstuk horen we dat de Geest van de HERE in Simson voer.

Het gaat in de Bijbel om meer dan Simson. Het gaat om de HERE en om zŪjn plan.


SIMSON KIEST EEN MEISJE UIT TIMNA (14:1-4)

Het slot van hoofdstuk 13 heeft verteld dat Simson als kind de zegen van de HERE genoot en voorspoedig opgroeide. Bij het ouder worden wordt hij voor het eerst door de Geest van de HERE tot daden aangezet. Dit zijn verzen waar we niet overheen moeten lezen! Simson is meer dan een krachtpatser.

Op een keer gaat Simson naar Timna. Die stad hoorde oorspronkelijk bij het grondgebied van de stam Dan, maar de Danieten hadden niet kunnen voorkomen dat de Filistijnen er de macht hadden overgenomen en er de dienst uitmaakten.

Wat gaat Simson daar in Timna doen? Hij is geboren om een begin te maken met de verlossing van IsraŽl uit de greep van de Filistijnen. Gaat dat nu gebeuren? Maar het valt tegen. We horen niks over verlossende daden. Integendeel, Simson laat zijn oog vallen op een Filistijns meisje. Als hij thuis komt, vertelt hij zijn ouders dat hij een meisje heeft gezien in Timna, een Filistijnse, en dat hij met haar wil trouwen. Hij vraagt zijn ouders dat te regelen.

Zijn ouders zijn er niet blij mee. Die Filistijnen zijn onbesnedenen, zeggen ze. Die kennen God en zijn verbond niet. Hun levensstijl staat haaks op die van ons. Je kunt bij ons in de stam toch ook wel iemand vinden? En anders uit een andere stam van IsraŽl? Simsons ouders kunnen zich beroepen op Gods eigen gebod. Hij had zijn volk verboden hun zonen en dochters uit te huwelijken aan mensen uit andere volken. Dat zou hen maar van de HERE losweken en andere goden doen volgen. Maar Simson wijkt niet. Het meisje dat hij gezien heeft, is het gewoon voor hem!

Als we naar Simsons ouders kijken, zou je zeggen: ze beginnen goed! Ze hebben terecht bezwaar tegen de keus van hun zoon. Ze kunnen zich ervoor op Gods eigen gebod beroepen. Maar ze houden hun verzet niet vol. Kennelijk berusten ze erin. En ze gaan zelf actief mee aan het regelen.

Tegelijk staat er ook die zin in vers 4: zijn ouders wisten niet dat het de HERE was die aanstuurde op dat huwelijk van Simson, omdat Hij een aanleiding zocht om de strijd met de Filistijnen aan te gaan.

Een bijzondere zin! Is dat kritiek op het aanvankelijke verzet van die ouders? Hadden zij het bij het verkeerde eind? En had Simson gelijk? Nee, zo moeten we dat niet zien.

De zin in vers 4 is een reactie op Simsons beslissing. En veroordeelt die in feite. We komen het in de Bijbel vaker tegen dat er iets verkeerds gebeurt en dat er dan een zin volgt waaruit blijkt hoe toch de HERE de regie blijft houden. Daarmee wordt de HERE niet verantwoordelijk voor of schuldig aan de zonde. Maar Hij maakt er wel gebruik van.

In de geschiedenis van Chofni en Pinechas, de beide zonen van Eli, horen we op een gegeven moment dat de beide zonen weigeren naar de waarschuwende woorden van hun vader te luisteren. De HERE, staat er dan, had namelijk besloten hen te doden. Hun ongehoorzaaamheid diende de uitvoering van Gods plan.

In 1 Koningen 12 lezen we van koning Rechabeam, die ook iets dwaas doet. Hij luistert niet naar het gerechtvaardigde verzoek van het volk en hij wijst de verstandige raad van zijn oudere adviseurs af. De HERE, staat er dan, had dat zo beschikt om in vervulling te doen gaan de profetie dat het rijk in tweeŽn gescheurd zou worden.

We vinden iets soortgelijks ook een keer in het Nieuwe Testament. In de preek van Petrus op de eerste pinksterdag in Jeruzalem. Hij vertelt dat Christus door wetteloze mensen is gekruisigd en gedood. Maar het ging wel, zegt Petrus, overeenkomstig Gods bedoeling en voorkennis. Christus' volstrekt oneerlijke veroordeling en dood werd ons heil en ons leven!


Er kunnen volstrekt verkeerde dingen gebeuren. Die in de Bijbel verboden worden. Maar in de hemel troont God en Hij voltrekt ondanks alle zonde en slapheid van mensen zijn eigen plan. Hij komt waar Hij wezen wil! Dat ontslaat mensen niet van hun plicht. Niet Gods verbůrgen wil, maar zijn geopenbŠŠrde Woord, moet ons drijven (Zie ook Deut. 29:29). Maar zelfs onze zonde houdt uiteindelijk de HERE niet tegen. Hij kan met een kromme stok (onze zonde) een rechte slag slaan (Gods plan).

Als we kijken naar Simson, hebben we de neiging hem in dit hoofdstuk aan het werk te zien naar zijn slechtste kant. Hij ziet een meisje, hij wil haar en hij zet gewoon door. Geen respect voor zijn ouders. We zien hem aan de gang als een soort oermens die een leeuw doodt en honing uit een kadaver eet. Iemand die dan ook nog eens aanpapt met de Filistijnen terwijl hij er nu juist tegen strijden moest. Wat een macho! Wat een opeenstapeling van vreemd gedrag! Zo'n man is toch absoluut onbekwaam om verlossing te brengen?

Klopt dat beeld? Denk allereerst aan de slotverzen van hoofdstuk 13. De jongen genoot de zegen van de HERE en hij liet zich door de Geest van de HERE tot daden aanzetten. Vergeet die woorden niet. Simson was iets bijzonders. En dat bleef hij.

Als Simson dat meisje in Timna ziet, stort hij zich ook niet meteen in een seksueel avontuur. Hij ligt niet, zoals vandaag nog wel eens gebeurt, meteen uit de kroeg met haar in bed (H. de Jong). Hij gaat keurig naar zijn ouders en vraagt hun om een ordelijk huwelijk voor hem te willen regelen. Hij erkent hun plaats en taak in het sluiten van zijn huwelijk.


SIMSON GAAT MET ZIJN OUDERS NAAR TIMNA (14:5-9)

Je ziet Simson in Rechters 14 na die eerste keer ook niet meer alleen naar Timna gaan. Hij gaat niet zonder zijn ouders! Hij maakt wel even een uitstapje bij de wijngaarden van Timna. Het is bij de wijngaarden van Timna. Simson mocht niets van de wijnstok drinken of eten. Is Simson daarom expres even omgelopen? We weten het niet. Het was in ieder geval wel een bijzondere buurt voor hem. Eťn die hem ongetwijfeld aan zijn nazireeŽrschap herinnerd heeft.

Er komt een leeuw op Simson af, brullend. Simson aarzelt niet, maar grijpt het dier beet en scheurt het in tweeŽn. Alsof het een geitenbokje is. Macho-gedrag? Nee, de Geest van de HERE voer in hem, zegt vers 6. Hij grijpt de leeuw met zijn blote knuisten en scheurt hem in tweeŽn. Zijn ouders vertelt hij niets! Nee, hij houdt het voor zich. God herinnert Simson aan zijn kracht. En dus aan zijn opdracht!






Simson doodt de leeuw

Noorditaliaanse school, laat 18de eeuw.



HET RAADSEL VAN SIMSON (14:10-14)

Ze komen in Timna, maken uitgebreid kennis met het meisje, en Simson wordt bevestigd in zijn oordeel: zij is voor hem de ware. En of zijn ouders nu willen of niet, ze ontkomen er niet aan. Een poosje later, gaan zijn ouders en hij opnieuw naar Timna voor de bruiloft.

Onderweg gaat hij nog even bij de dode leeuw kijken. In het kadaver zit een bijenvolk met honing. Met zijn blote handen haalt Simson de honing eruit. Al etend sluit hij zich weer bij zijn ouders aan. Hij geeft ook zijn ouders te eten. Hij vertelt er niet bij dat het uit een dode leeuw komt.

In Timna gekomen gaat Simsons vader naar het ouderlijk huis van het meisje, zoals in die tijd gebruikelijk was. Simson organiseert daar een grote bruiloft. Dertig van zijn leeftijdgenoten houden hem gezelschap en moeten de feestvreugde voor hem verhogen. Hij geeft ze een raadsel op. Een raadsel waarvan de oplossing voor hen nooit te vinden is. Als ze de oplossing geven krijgen ze elk een setje onder- en bovenkleren.

Simson is zijn taak niet vergeten. Je ziet hem op allerlei punten zuiver optreden. Hij eert zijn ouders. Hij probeert de Filistijnen te pakken. Hij verscheurt die leeuw in de kracht van de Heilige Geest. Zie hem als een man bij wie zijn taak en gehoorzaamheid aan Gods gebod vermengd worden met dingen die niet kunnen.

Want ook al was Simson echt zijn nazireeŽrschap en zijn taak niet vergeten, hij maakte er zijn huwelijk wel van los! Als hij dat meisje in Timna ziet, is het enige wat telt: dat ze hem bevalt. Hij laat zich door zijn gevoel meeslepen en laat dat de doorslag geven. Zijn ouders waarschuwen hem voor een bruid uit die onbesneden Filistijnen, maar Simson wijkt niet: ze bevalt me. Hij kon een tijdgenoot van ons zijn! Hij koerst op wat goed voelt, en daarmee is de kous af. Hij drukt zijn huwelijk door.


SIMSON DOOR ZIJN VROUW BEDROGEN (14:15-18)

Maar het loopt anders dan Simson gedacht had. Hij dacht dat het te combineren was: zijn taak richting de Filistijnen en een huwelijk met een Filistijnse. Maar de HERE laat zien dat dit niet kan. Het loopt anders dan Simson had gepland.

Simson probeert zijn dertig Filistijnse metgezellen te pakken en aanvankelijk lijkt hem dat ook te lukken. Na drie dagen hebben ze nog geen begin van een idee voor de oplossing! Er begint angst te groeien. Het lukt hen nooit. En dat komt hun duur te staan. En dan grijpen ze naar het middel van de chantage. Ze gaan naar Simsons vrouw en zetten haar onder druk om de oplossing bij Simson te achterhalen en aan hen door te spelen. Anders steken we jullie huis in brand zodat jij en je familie in de vlammen omkomen.

Simsons bruid zwicht. Ze legt het zo sluw aan dat Simson uiteindelijk door de knieŽn gaat. En ze verklapt het raadsel aan haar volksgenoten. Simson dacht dat hij zijn huwelijk wel buiten zijn taak zou kunnen houden (zijn vrouw was toch anders dan haar volks-genoten!), hij dacht dat zijn huwelijk best met zijn taak te combineren was. Maar hij merkt dat dit onmogelijk is. Via zijn vrouw wordt hij gepakt! Zijn huwelijk frustreert zijn ambt als rechter!

Heel kunstig beantwoorden de dertig Filistijnen het raadsel van Simson. Simson had het raadsel in dichtvorm opgegeven. De NBV geeft het daarom op rijm weer:

Het is sterk en verslindt altijd,
nu biedt het een maal van zoetigheid.


Let op de contrasten. Het is sterk en nu geeft het iets zoets. Het verslindt, maar nu geeft het te eten.

Het antwoord van de dertig Filistijnen is ook in dichtvorm:

Wat zou er zoeter zijn dan honing
en sterker dan de leeuwenkoning?


Weer vertaald in rijm. Leeuw en honing verwijzen natuurlijk naar wat Simson gedaan heeft onderweg naar Timna. Ze weten wat gebeurd is. Simson is bedrogen door zijn eigen vrouw.


SIMSON TREEDT OP ALS NAZIREEňR (14:19-20)

Simson is bedrogen. Het maakt hem woedend. Dertig stel onder- en bovenkleren is hij de Filistijnen schuldig. Die dertig stel zullen ze krijgen. Maar het wordt een sigaar uit eigen doos. Hij gaat naar Askelon en doodt er dertig man. Hun kleren raapt hij bij elkaar en levert hij in Timna af aan de mannen die hem hadden afgetroefd. Hij is zo kwaad dat hij terugkeert naar zijn ouderlijk huis. Zijn vrouw wordt aan een ander gegeven.

Zo loopt deze geschiedenis af. In blinde drift? Wel in woede. Maar niet in blŪnde drift. Want het is niet zijn instinct of zijn wraakzucht, maar het is de Geest van de HERE die Simson aanzet tot zijn daad in Askelon. Zo staat het met zoveel woorden in vers 19. De HERE zocht een conflict met de Filistijnen, stond er in vers 4. Dat conflict is er gekomen! En dat is geen terroristisch bloedbad. Het land is van God. De Filitijnen hebben de maat van hun zonde volgemaakt. En nu maakt de HERE via deze actie van Simson een begin met de bevrijding van IsraŽl uit de greep van de bezettende macht van de Filistijnen.

En Simsons huwelijk, dat hij dacht buiten zijn rechterstaak te kunnen houden, ligt aan het eind van het hoofdstuk aan diggelen. Simson is weer single. En dat wat hem aan een Filistijnse verbond, is weg. God heeft de man die IsraŽl moest bevrijden, bevrijd van wat hem in de weg zat! De toekomst ligt weer open! De HERE breekt eigenhandig de zonde af in het leven van zijn kinderen en knechten.

Simson is een van de mannen die in HebreeŽn 11 genoemd worden als levend uit de belofte. Ja, zijn geheim was niet dat hij nooit buiten de lijntjes kleurde. Zijn geheim was dat de HERE hem gebruikte en dat hij zich met al zijn lek en gebrek door de HERE liet gebruiken.

Er was een verlosser nodig die meer zou zijn dan Simson. Een die heel zijn leven, zonder enig gebrek aan de HERE wijden zou. Bij wie ambt en persoon volkomen ineen zouden schuiven. Hij die in zijn leven niet anders was dan in zijn werk, en in zijn werk niet anders dan in zijn leven. Jezus Christus. Hij is de Enige die daar volmaakt toe in staat was. Hij is de Enige die echt verlossen kan!


HOE SIMSON ZIJN VERLOSSINGSWERK HEEFT GEDAAN Rechters 15


INLEIDING

Dit hoofdstuk laat zien hoe Simson zijn bevrijdende werk heeft gedaan. Het laatste vers van hoofdstuk 15 vertelt: zo heeft Simson 20 jaar Gods recht in IsraŽl gediend. Het is een terugblik op zijn activiteit.

Het lijkt alsof Simson een ordinaire vechtersbaas was. Hij zocht ruzie, nam wraak, pleegde een aanslag en zorgde voor een hoop onrust. Moet dit een verlosser zijn namens God? Dan verwacht je toch wat anders dan zo'n wildebras?

De mensen van zijn volk konden Simsons acties ook niet erg waarderen. Doordat die Simson als een dolleman tekeer ging, kregen zij de Filistijnen over zich heen. Ze hadden van die Simson alleen maar last, vonden ze. En dat maken ze hem duidelijk ook. Ze leveren hem uit aan de Filistijnen.

En dan vaart de Geest van de HERE in Simson. Niet eerder. Simson wreekt zich niet op zijn volksgenoten. Hij keert zich tegen de Filistijnen. Met ťťn simpele ezelskaak slaat hij er duizend dood. Als dat geen wonder is! Simson noemt de plaats van het slagveld ernaar: Ramat-Lechi: kaakheuvel. Tot in lengte van jaren kan men zich door deze naam de geschiedenis herinneren.

Maar daarmee is de geschiedenis nog niet af. Want er komt nog een tweede naam in die streek. Als Simson uitgeput is en schreeuwende dorst heeft, zorgt de HERE dat hij te drinken krijgt. Uit een wonderlijke bron. Ook die krijgt een naam: En-Hakkore. Bron van de roepende, betekent dat. Dat wijst op de diepere bron van Simsons kracht: die putte hij uit God. Ook dat moet IsraŽl zich blijvend herinneren.

Zo rijst voor ons een beeld van deze verlosser op. Een ruwe vechtersbaas. Niet direct wat je verwacht. Maar wel een die zijn volksgenoten ontziet en Gods vijanden aanpakt. En een die zijn afhankelijkheid belijdt van de God tot wie hij roept.


SIMSON GAAT ZIJN VROUW BEZOEKEN IN TIMNA (15:1-2)

Simson was getrouwd geweest met een Filistijns meisje, maar de HERE heeft dat huwelijk op niets doen uitlopen. De vrouw heeft Simson verraden en met haar volksgenoten onder ťťn hoedje gespeeld.

Maar Simson is dat allemaal kennelijk al weer gauw vergeten. Simson gaat naar Timna. Hij heeft een cadeau voor zijn vrouw bij zich. Hij wil het weer goedmaken. Maar dan wacht hem een bittere teleurstelling. Zijn schoonvader was er vast van overtuigd dat Simson niets meer om zijn vrouw gaf, en hij had zijn dochter daarom aan iemand anders uitgehuwelijkt. Aan iemand die op Simsons bruiloft zelfs een belangrijke rol had gespeeld. Misschien wel een van de dertig met wie Simson zijn weddenschap had afgesloten.

Het klinkt aannemelijk, het verhaal van Simsons schoonvader. Maar dat was tegen de volksgewoonte. Dat blijkt wel als de Filistijnen erachter komen wat de reden voor Simsons wraakactie is. Dan kiezen ze geen partij voor de man uit Timna en dan vinden ze zijn handelwijze ook niet normaal. Nee, dan gaan ze naar het huis van deze man in Timna en steken dat in brand. Daar hadden de man en zijn dochter om gevraagd door dat tweede huwelijk. Dat vonden zelfs de Filistijnen!


DE WRAAKACTIE VAN SIMSON (15:3-7)

Simson is woedend. Hij heeft het helemaal gehad met de Filistijnen. Wat zijn schoonvader deed, ziet hij maar niet als een individuele streek. Het laat zien hoe men in Filistea aankeek tegen de IsraŽlieten. En moet je verder ook maar kijken aan wie zijn vrouw gegeven is: aan een van de mannen op zijn bruiloft. Uiteindelijk, zo voelt Simson, vormen die Filistijnen allen samen ťťn front tegen hem.

En hij beraamt een plan om ze hard te treffen. Hij vangt driehonderd vossen. Daarmee kunnen ook jakhalzen bedoeld zijn. Die leven in grote groepen, terwijl vossen alleen leven. Maar het zijn er wel driehonderd!

Hij bindt de dieren twee aan twee met de staarten aan elkaar. In de knoop van de staarten steekt hij een fakkel die hij aansteekt. En zo jaagt hij ze de akkers van de Filistijnen op, die op dat moment vol koren staan. Het is immers oogsttijd. De tijd van de tarweoogst, zei vers 1. Volgens de Filistijnen dankten de akkers hun vruchtbaarheid en koren trouwens aan hun god Dagon. Door juist die akkers met al dat koren te verwoesten pakt Simson dus de Filistijnen aan op het sterke punt van hun god. Er zit een diepe ondergrond in Simsons optreden!

De schade is enorm! Daar kunt u zich wel wat bij voorstellen met de berichten over bosbranden die we via de tv krijgen. Als op 150 plaatsen een vuurspoor wordt getrokken in een warm en droog land, dan is dat ruÔneus. De Filistijnen zijn woedend. Daar gaat hun oogst. En ze doen nu alsnog waarmee ze eerder gedreigd hebben: wie ons tot de bedelstaf brengt, diens huis laten we in vlammen opgaan, en hemzelf en zijn dochter verbranden we.

Dan is Simson ontzettend kwaad. Gaat dat hier zo?! Dan zal ik niet rusten voor ik me gewroken heb, zweert hij. En hij slaat links en rechts genadeloos om zich heen. En doodt een heel stel Filistijnen. Daarna trekt hij zich terug, een eind landinwaarts. Timna en Sora en Estaol lagen tegen het land van de Filistijnen aan. De rotskloof bij Etam ligt in Juda, vlak onder Betlehem, zo'n 30 km van Timna.


DE FILISTIJNEN KOMEN SIMSON GEVANGEN NEMEN (15:9-14)

De Filistijnen laten het er niet bij zitten. Met groot machtsvertoon vallen ze Juda binnen en slaan hun kamp op bij Lechi, niet ver van Etam. Vandaar zenden ze patrouilles uit en richten ze overal wachtposten in. Ze zijn vastbesloten om Simson op te sporen en hem betaald te zetten wat hij hun heeft aangedaan.

De JudeeŽrs zijn doodsbenauwd voor het Filistijnse militair vertoon. Ze vragen de Filistijnen wat ze kunnen doen. Voor de Filistijnen telt maar ťťn ding: wij willen die Simson.

De JudeeŽrs zoeken Simson op bij Etam en roepen hem ter verantwoording. Waar ben je mee bezig? Weet je wel wat dit voor ons betekent? Maar Simson antwoordt: ik heb ze alleen maar betaald gezet wat ze mij hebben aangedaan.


INTERMEZZO: IS DIT NOU DE DOOR GOD GEGEVEN VERLOSSER?

Opvallend is dat we in het begin van het hoofdstuk niet ťťn keer lezen dat de Geest van de HERE in Simson voer. En als Simson uiteindelijk zegt: ik wil de Filistijnen betaald zetten wat ze mij hebben aangedaan, zegt hij precies hetzelfde als de Filistijnen. Hij heeft het niet over wat God of het volk is aangedaan. Hij heeft het alleen over zijn eigen schade. En hij blijft in wraakzucht steken. Heel vreemd is het niet dat de JudeeŽrs in Simson geen bevrijder zien, maar iemand die hen alleen maar onrust brengt. Moet dat onze verlosser zijn?

Toch Ūs hij het wel. De HERE heeft hem ertoe geroepen: hij, Simson, moet een begin maken met de bevrijding van Israel uit de greep van de Filistijnen. Het is de HERE die hem langs een door Simson ongedachte weg in botsing brengt met de Filistijnen. Zijn huwelijk wordt een bron van strijd. En terwijl de JudeeŽrs, op zich toch een dappere stam, zich bij de vreemde overheersing hebben neergelegd ('je weet toch dat de Filistijnen hier de baas zijn', zeggen ze tegen Simson) -, gaat Simson de strijd aan. In z'n eentje. En hij richt zich daarbij ook en passant op het koren, dat voor de Filistijnen de gave van hun god Dagon was.

Simson: de verlosser door IsraŽls God gegeven. Maar wat gaat het langs ongedachte wegen en op onverwachte manieren! De HERE is een God die, als je naar Simson kijkt, zijn verlossing met wonderlijke middelen kan bewerken. Wie herkent in iemand als Simson nou een door God gegeven bevrijder?! Wat een mysterieuze stijl van werken houdt de HERE er hier op na.

Simson is een rechter die ons laat zien hoe de HERE langs ongedachte wegen verlossing kan bewerken. Als zodanig leert hij IsraŽl Gods verlossing langs ongedachte weg verwachten. Hij vraagt, zou je achteraf kunnen zeggen, de aandacht voor Hem die verlossing kwam brengen via het kruis: als was Hij een vervloekte crimineel. Dat was ook een geheimenis. In geen mensenhart zou zoiets op hebben kunnen komen, zegt Paulus. Het is het geheim van Gods genade. Op zo'n gekruisigde Christus zat geen Jood of Griek of Nederlander te wachten.


SIMSON DOODT MET EEN EZELSKAAK (15:14-17)

De JudeeŽrs vertellen waarvoor ze gekomen zijn. Ze zijn van plan hem uit te leveren aan de Filistijnen. Op zijn spontane medewerking rekenen ze niet. Ze zijn niet voor niets met drieduizend man gekomen. Maar Simson stribbelt niet tegen. Hij verlangt maar ťťn toezegging van ze: zweer me dat jullie me niet doden! Die belofte is gauw gegeven. Dat zullen ze niet doen: hem doden. Nee, dat kunnen ze gerust aan de Filistijnen overlaten.

Dan binden ze Simson met twee nieuwe, sterke touwen. Ze voeren hem uit zijn schuilplaats naar Lechi, waar de Filistijnen hen juichend tegemoet stormen.

De reactie van Simson is opvallend. Hij verzet zich niet. Hij wil alleen niet door zijn volksgenoten gedood worden. Hij laat zich boeien en uitleveren aan de Filistijnen. Maar als die juichend denken dat ze de buit binnen hebben, vaart de Geest van de HERE in hem. De touwen om zijn armen smelten als vlas in het vuur. Hij ziet een ezelskaak, raapt die op en begint ermee om zich heen te rauzen. Hij slaat er duizend Filistijnen mee dood.

En opvallend is dat Simson dan een enorme triomf boekt. De grootste tot dusver: duizend man. Uit bijkans geslagen positie. Ja, dan boekt Simson zijn grootste triomfen. Want zijn kracht is uit God!


HET LIED VAN DE EZELSKAAK (15:16)

Met een ezelskaak richt Simson een slachtpartij aan onder de Filistijnen. Hij zingt ervan in een gedicht. Fraai vertaald in de NBV:

Met een ezelskaak
heb ik hun botten gekraakt.
Met een ezelskaak
heb ik er duizend geraakt.

Is dit het lied van iemand die opschept over eigen kracht? Daar wordt het wel voor aangezien. Of dat terecht is, is de vraag. In vers 14 stond immers nog dat de Geest van de HERE in Simson voer. Was die nu al uitgewerkt? En meteen na dit lied belijdt Simson: Aan U, Heer, heb ik deze geweldige overwinning te danken. En hij voegt eraan toe: Moet ik dan nu sterven van de dorst en alsnog in handen vallen van die onbesnedenen? Zo noemt hij de Filistijnen: onbesnedenen! En hij wil hun niet in handen vallen. Hij weet dat hij nog een taak heeft tegenover hen!

Simson zingt van zijn ezelskaak. Dat is natuurlijk een wapen van niks. Na het gevecht gooit Simson de kaak ook achteloos weg. Die ezelskaak was het geheim niet van zijn kracht! Toch versloeg hij er in zijn eentje duizend Filistijnen mee. Hoe kon dat? Zo'n wapen en dan zo'n overwinning? Dat is toch niet normaal?! Dat klopt.

Hier is gebeurd wat Jozua al had voorzegd. De HERE, uw God, zal voor u strijden. Hij zal u het land geven dat Hij uw vaderen beloofd heeft. Denk maar terug aan hoe Hij volken voor u uitroeide. Niemand kon tegen u standhouden. Hoe vaak kwam het niet voor dat 'slechts ťťn van u wel duizend man' achtervolgde?! Dat kwam doordat het de HERE, uw God, was die voor u streed (Joz. 23)!

Het lied over de ezelskaak is daarvan een echo en zingt voor de goede verstaander de lof van God. Hij, de HERE is het die Simson in zijn eentje duizend Filistijnen deed verslaan.


SIMSON BIDT TOT GOD OM WATER (15:18-20)

Maar over God kon nog op een hogere toon gezongen worden dan Simson het in zijn eerste lied deed. Het kan nog concreter dan in de eerste naam die hij gaf: aan de heuvel daar. Ramat-Lechi: kaakheuvel. Die naam hield de herinnering aan Gods macht al levend. Maar er moest nog meer gezegd worden. Want het geweld met de ezelskaak bracht de complete overwinning nog niet.

Ook Simson zelf moest zich gewonnen geven. En hij moest ondervinden dat meer dan de ezelskaak het leven was, dat God hem gaf. Meer dan de strijd met een aards wapen is de strijd die biddend gevoerd wordt. De strijd van hem die roept naar de HERE en van Hem triomf en leven verwacht.

Daarvan spreekt dan ook de tweede naam die in dit gedeelte wordt uitgedeeld. En-Hakkore: bron van de roepende! Op die naam loopt de geschiedenis bij Lechi uit! Het roepen tot God. Dat maakt de grootste krachten los.

Zo laat dit hoofdstuk zien hoe Simson zijn bevrijdende werk heeft gedaan. Het laatste vers van hoofdstuk 15 vertelt: zo heeft Simson 20 jaar Gods recht in IsraŽl gediend. Het is een terugblik op zijn activiteit als bevrijder van de onbesnedenen: instrument in Gods hand.


HET EINDE VAN SIMSON: DE HERE TRIOMFEERT OVER DAGON Rechters 16


INLEIDING

De Heilige Geest heeft de geschiedenis van Simson laten optekenen in de Bijbel. Van zijn wieg tot zijn graf. Niet om ons te informeren over ene Simson. Maar om ons te vertellen over de God van Simson. Die ook onze God is. Daar gaat het in de Bijbel telkens weer om: wat leren wij uit de geschiedenis van -in dit geval- Simson over God? En over de dienst van God? Dat is altijd de eerste vraag die u zich moet stellen als u uit de Bijbel leest. Wat leer ik hier over God?!

We moeten ons niet op Simson blindstaren. Dan is er veel wat teleurstelt en wat vragen oproept en onduidelijk is. Het gaat er ook niet om dat we uiteindelijk aan het eind van de serie bijbelstudies over Simson een rapportcijfer voor zijn geestelijk leven geven. Het oordeel is aan God. We moeten zien op wat de HERE doet in en met zo'n leven als dat van Simson. En we moeten zien waarin wij met Christus rijker zijn dan IsraŽl was met Simson. In het leven en werk van Simson wordt duidelijk hoe genadig en trouw de HERE is aan zijn verbond.


SIMSON ONTSNAPT UIT GAZA (16:1-3)

Simson gaat een geweldige daad verrichten. Maar intussen kondigt zijn einde zich al aan. En het is niet eens een vreemd of onverwacht einde. Eigenlijk wordt de lijn van de voorgaande hoofdstukken doorgetrokken. Want Simson kon geweldig sterk zijn. Maar hij had ook een heel zwak punt, dat opspeelt in alle drie de hoofdstukken die over zijn optreden gaan.

Hoofdstuk 14 begon met: Op een keer ging Simson naar Timna. Daar viel zijn oog op een Filistijns meisje. En dan moet je haar toch hebben! Wat je plaats en taak van God ook maar is? In hoofdstuk 15 zoekt hij nadat zijn huwelijk op de klippen is gelopen, toch weer verzoening met deze vrouw. Zijn vlees blijft trekken. Maar hij komt voor een dichte deur. En nu in hoofdstuk 16 begint het weer met: Op een keer was Simson in Gaza. Daar viel zijn oog op een hoer. Weer hetzelfde liedje. En straks in vers 4 begint hij een verhouding Delila. Steeds weer blijkt zijn zwak voor vrouwen, met name voor Filistijnse vrouwen.

Bij de vrouw uit Timna had Simson zich niet in een avontuur gestort, maar had hij nog via zijn ouders een wettig huwelijk willen sluiten. Maar hier is elke rem weg. Was Simson in Timna nog bezig om zijn seksualiteit buiten zijn ambt te houden, hier laat hij zijn ambt rechtstreeks aantasten door zijn seksuele pleziertje. Aan zijn lange haar kon iedereen zien dat hij met zijn ambt in bijzondere dienst van de Here stond.

Dit keer staat er niet dat de HERE aanstuurde op een conflict met de Filistijnen. Dat conflict was er al lang! Dat blijkt als de inwoners van Gaza erachter komen dat Simson in hun stad is. Ze zien hun kans schoon om hem in hun macht te krijgen. Alarmfase rood treedt in werking. De waakzaamheid in de stad wordt verhoogd. Bij de poort wordt een aantal mensen opgesteld om in te grijpen zodra Simson de stad wil verlaten. Simson zit als een rat in de val! Het lijkt nu gedaan te zijn met hem. De zege kan de Filistijnen toch niet meer ontgaan!

Zou je zeggen, ja ... Maar het loopt anders. Want het sterkste net waarin Simson gevangen zit, is niet de stad Gaza met haar enorme poort en geharnaste wachtposten. Het sterkste net waarin Simson verstrikt zit, is zijn eigen zonde. De poort en de Filistijnen konden Simson niet tegenhouden! Maar zijn zonde wel! Die leidt straks tot zijn dood.

Simson zit opgesloten in Gaza. Hij staat midden in de nacht op. Hij wil de stad uit en komt bij de poort. En daarin zitten niet van die blankhouten saloondeurtjes van de Gamma. De steden in Kanašn stonden bekend om hun dikke muren en zware poorten. De naam Gaza betekent zelfs: vesting, sterke vesting. Simson loopt naar de poort, grijpt de beide deurposten vast en rukt de posten met deuren en sluitbalken en al los en wandelt de stad uit met het hele gevaarte op zijn schouders.

De Geest van de HERE zorgt ervoor dat Simson uit kan breken. Ja inderdaad: de Geest van de HERE. Want wat Simson doet is niet normaal. De poort van Gaza was niet licht. Maar loodzwaar. En Simson loopt er dik 50 kilometer mee op zijn rug! De HERE bevrijdt Simson! Zonder dat we iets van een schuldbelijdenis van Simson lezen. Of dat we iets horen van een gebed om redding.

Toch verlost de HERE zijn knecht. Dat is dus voluit Gods genade. En Gods trouw aan zijn eigen plan. Hij doet het niet om SŪmson! Hij doet het om Simsons ambt. De HERE had een taak voor hem. Simson moest de weg openhouden naar de komst van de Messias. Hij moest een begin maken met de bevrijding van IsraŽl uit de greep van de Filistijnen. Daarom bevrijdt de HERE Simson.

Deze bevrijding zegt niet dat Simsons zonde zo erg niet was. Of al vergeven. Deze bevrijding zegt alleen dat de HERE verder wilde naar de komst van Hem die meer zou zijn dan Simson. Naar Hem die de echte Verlosser zou zijn op wie ook Simson was aangewezen. Jezus Christus. Om Hťm te brengen, redde God Simson uit Gaza. Omdat ook Simson als zondaar deze Heiland zo onloochenbaar nodig had.

Simson neemt de poort op zijn nek en sjouwt er een heel eind mee. Helemaal naar een van de bergtoppen tegenover Hebron. Dat is meer dan 50 kilometer van Gaza in oostelijke richting. Daar legt hij de poortdeuren met alles wat er nog aanhangt, neer. Voor het oog van de inwoners van Hebron.

Welnu, in het zicht van die stad legt Simson de poort van Gaza neer. Het is bedoeld als een boodschap aan de inwoners van Hebron. Jullie zijn bang voor de muren en poorten van de steden in Kanašn? Jullie zijn benauwd voor de Filistijnen die de dienst uitmaken? Kijk wat de HERE door ťťn man kan doen! Daar liggen ze, die machtige poorten van Gaza! Wees toch niet bang. Kruip niet in uw schulp. Maar ga in de naam en de kracht van de HERE de strijd aan! Neem in bezit wat de HERE u heeft toegezegd. En wat u van Hem krijgt. Laat u niet weerhouden!vIn Hebron en IsraŽl kregen ze een toonbeeld van Gods macht te zien in die poortdeuren van Gaza.

Wat een uitvoerig verhaal over de aanloop naar en het verloop van Simsons einde! Dat vinden we bijna bij niemand zo uitvoerig in de Bijbel. Ja toch, bij Jakob en Mozes en Elia en bij de Here Jezus! Maar misstaat Simson niet in dat rijtje? Jakob zegende zijn zonen. Mozes werd door de HERE Zelf begraven. Elia voer op naar de hemel in een vurige wagen met paarden ervoor. En de Here Jezus stierf tot verlossing van al de zijnen. Maar Simson ... Was zijn einde niet net zo woest als zijn leven? We zullen zien!

SIMSON IN DE MACHT VAN DELILA (vs.4-20)

Simson is door de HERE bevrijd uit de omsingeling in Gaza. Hij had er zichzelf in verstrikt door zijn bezoek aan een hoer. Hij heeft kennelijk weinig geleerd. Want hij valt opnieuw ten prooi aan zijn zwakke punt. Nu knoopt hij een verhouding aan met een zekere Delila. Weer een Filistijnse. We kennen het verhaal vaak al van jongsaf. Daarom aantal hoofdlijnen.

Delila wordt benaderd door de vijf Filistijnse stadsvorsten, die willen dat zij Simson hun in handen speelt. Ze hebben er een hele prijs voor over. Per stadsvorst zullen ze duizend sjekel zilver (11,4 kg) betalen aan haar plus nog een bonus van 100 sjekel per stadsvorst. Vijf keer elfhonderd sjekel zilver. Zo graag willen ze Simson onschadelijk maken. En Delila zwicht voor het grote geld. Ze deinst er niet voor terug om haar relatie met Simson te misbruiken om hem zijn geheim te ontfutselen. Geraffineerd speelt ze op zijn gevoel. Ze verwijt Simson dat die haar voor de gek houdt en haar leugens opdist. Terwijl ze zelf bedrog op bedrog stapelt en Simson probeert uit te leveren aan de Filistijnen voor geld.

Delila gaat ervan uit dat Simson in zichzelf een magische krachtbron moet hebben zitten. Maar zijn kracht komt van buiten, van Boven. Dat blŪjkt ook in Rechters 16. Als Simsons haar geschoren is, en Delila hem weer alarmeert dat de Filistijnen er zijn om hem te halen, kan Simson zich niet meer losbreken. Dat is niet maar omdat zijn hŠŠr eraf was, maar -zegt vers 20- omdat de HERE hem verlaten had. Aan de HERE dankte Simson zijn kracht. Natuurlijk speelde dat haar een rol. Maar het was niet meer dan een teken van Simsons verbondenheid en toewijding aan de HERE die zijn echte kracht was. Als Simson straks aan het eind van het hoofdstuk in zijn sterven nog ťťn keer zijn kracht toont, is dat dan ook na een gebťd tot de HERE.








Simson en Delila

Vroeg 17de eeuws.



Drie keer leidt Simson Delila om de tuin. Dan komt de vierde keer. Simson is het beu en bezwijkt uiteindelijk. Wie de zonde niet de deur wijst maar ermee speelt en hem bevrucht, zal merken dat de zonde het verderf baart. Simson vertelt van zijn nazireeŽrschap. Zijn gewijd-zijn aan God. Daardoor is hij zo sterk. En het teken van die wijding is zijn haar. Als dat afgeschoren wordt is hij zijn kracht kwijt. Als ze dŠt hoort, weet Delila dat hij zijn ziel aan haar verkocht heeft. Nu kunnen de stadvorsten zťlf komen. De vorige keren waren het steeds Filistijnse mannen die door de vorsten gestuurd waren. Nu komen de vorsten zelf. En ze nemen het geld al bij voorbaat mee!

Opvallend, dat deze geschiedenis zo uitvoerig verteld wordt. Het is een waarschuwing aan ons, hoe je met de zonde niet spelen moet. Want is het niet heel herkenbaar? En zie je het ook vandaag niet gebeuren? Eerst lijk je de situatie nog meester. En lijkt de dreiging van de zonde geweldig mee te vallen. Waar maakt je omgeving zich druk over? Jij kent echt jezelf wel en je weet precies wat je doet. Ja, ja ... Denk aan Simson en Delila!

En er is nog iets bij Simson. Dat komen we op het spoor via vers 20. Ook als Simsons haar is afgeschoren, springt hij op bij Delila's kreet over de Filistijnen die hem komen halen. Hij wil zich net als de vorige keren losrukken. Want, staat er dan, hij wist niet dat de HERE hem verlaten had. Hij rekende er dus nog altijd op dat de HERE bij hem was en hem hielp! Gods genade is er toch altijd?! Hij vergeeft toch wat je maar verkeerd doet?

Op die manier had Simson zichzelf in slaap gesust. Hij had van Gods genade goedkope genade gemaakt. Genade waardoor hij lekker kon doorgaan met zondigen. Want de Here vergeeft toch wel?! Dat is toch zijn beroep?! Bij Hem kun je toch Šlles maken en dan gewoon terugkomen?! Bij Simson was Gods genade niet de motor van een nieuw leven, maar een excuus om verder te gaan in een zondig leven! DŠt is Simsons zonde. Niet dat hij achteloos Gods genade zich liet afnemen. Maar juist dat hij Gods genade misbruikt. Hij beschouwt het als een kapitaal waarover hij kan beschikken en waaruit hij moeiteloos zijn misstappen kan betalen


SIMSONS OVERWINNING IN DE DOOD (vs. 21-31)

Simson wordt gevangen genomen, zijn ogen worden uitgestoken en hij wordt opgesloten in de gevangenis van Gaza. Gaza, de stad waarvan hij een poosje terug de poortdeuren midden in de nacht had losgewrikt en weggedragen tot bij Hebron. Maar dit keer is er geen ontsnappen aan. In de gevangenis moet hij meel malen. Het werk van een slavin. Een diepe vernedering. Dit is er over van hem.

Simson is helemaal klein gemaakt. De ogen waarmee Simson zoveel begeerlijks had gezien en die Simson zovaak gevolgd was, zijn hem uitgestoken. Maar veel erger dan dat hij zijn ogen kwijt is, is dat hij zijn haar kwijt is Hij is ten dode opgeschreven. Dat is ook ongetwijfeld wat hem wacht. De doodstraf. Belangrijk om te bedenken voor straks. Simson is zometeen geen zelfmoordterrorist, maar een ter dood veroordeelde, die in zijn dood nog een triomf boekt. Niet op ťigen kracht, maar dankzij de HERE die niet van hem geweken is. Want het is maar een klein zinnetje in vers 22, maar het bevat een rijke belofte voor wie maar kijken wil: zijn afgeschoren haar begon meteen weer aan te groeien.

De Filistijnen zijn intussen dolgelukkig. En ze tillen de zaak op religieus niveau. De stadsvorsten verklaren: Onze god heeft onze vijand Simson aan ons uitgeleverd. En ze beleggen een groot offerfeest ter ere van hun god Dagon. En het volk neemt hun stemming over. Bij duizenden stromen ze toe naar de tempel van hun god. Alleen al op het dak van de tempel zitten 3000 mannen en vrouwen.

Wat hebben zij geleden onder Simson! Je hoort hun bange ervaring met hem in het lied dat ze zingen: Geloofd zij onze god, want hij levert aan ons uit onze vijand, die ons land verwoestte, onze vijand, die zovelen van ons doodde. Je hoort tussen de regels door het ontzag en de ontzetting om Simson. Maar nu zingen ze de lof voor hun god. Die is toch maar de sterkste. Dagon! Ze zingen hem hun hallel toe. Dat woord gebruiken ze: het woord dat wij kennen uit 'halleluja'. Zij zingen: hallelu-dagon. En dat klinkt in het land van Gůd, het land dat God voor zijn volk bestemd heeft. In dat land wordt via Simson God vernederd en de lof van een afgod gezongen!

Simson is de Filistijnen niet in handen gevallen omdat zij zo sterk waren, of hun god Dagon de HERE te slim af was. Simson is gevangen omdat de HERE van hem geweken was en hem zijn kracht onthouden had. En daarom klinkt het de HERE als een vloek in de oren, die lofzang voor Dagon. Het prikkelt Hem om voor zijn naam op te komen.

De Filistijnen vieren feest. Iemand komt op het idee om Simson erbij te halen. De menigte juicht en jouwt. Het komt allemaal over Simson heen. En dan klinkt daar temidden van die uitzinnige menigte het gebed van Simson. HERE, mijn God, denk toch aan mij! Geef me alstublieft nog eenmaal genoeg kracht, zodat ik me voor minstens een van mijn beide ogen op de Filistijnen kan wreken. Simson bŪdt om kracht. Hij heeft die niet van zichzelf. Hij moet die krŪjgen van God. Hij bidt niet om de wraak voor alles wat hťm is aangedaan. Hij bidt maar om wraak voor ťťn van zijn ogen. En uiteindelijk is dŠt ook niet wat hem drijft. Hij hoort de Filistijnen brullen over hun god Dagon. Het snijdt hem door de ziel. HŪj wil dat Gůds naam wordt grootgemaakt. DŠŠrop beroept hij zich ook. HERE, mijn God, zo begint hij zijn gebed.

HERE met allemaal hoofdletters. Jahwe. De God die trouw is aan zijn verbond. Niet Dagon, maar Hij is God. De enige ware God. En Hij is de God die Simsons Heer is. 'Mijn' God, noemt Simson Hem. De machtige God, die het over hem te zeggen heeft, in wiens dienst Simson zich weet te staan. Zijn Heer. Simson belijdt Gods naam midden in die Filistijnse tempel. Ook dŠŠr is Jahwe trouw en God en Simsons Heer. Tegen alle gekrijs van de Filistijnen in is daar die ene belijdenis van Gods naam. In het hart van 's vijands land. Op het hoogtepunt van hun feest.

En de HERE hoort temidden van al dat lawaai die ene stem die zijn naam belijdt. Hij is nabij allen die Hem aanroepen in waarheid en vast vertrouwen. Hij hoort hun roepen. Hij hoort dat beroep op zijn naam. En de HERE grijpt in! Simson steekt zijn handen uit naar de beide zuilen waar hij tussen staat. Op de tast zoekt hij de goede plek en vervolgens zet hij zich schrap. Met een luide brul roept hij uit: mijn dood zal de dood zijn van de Filistijnen. En hij duwt uit alle macht tegen de pilaren. Met donderend geraas stort de tempel in. Als de stofwolken zijn opgetrokken is het doodstil. Alle feestgangers hebben de dood gevonden. Ook de stadsvorsten. Nooit eerder heeft Simson zoveel slachtoffers gemaakt. Het waren er zelfs meer dan tijdens zijn hele leven.








Simson verwoest de tempel van Dagon

Lorenzo de Caro (1740-1761)



Simsons dood is geen zelfmoord. Het is de doodstraf die hij verdiende. Maar in die dood boekt hij zijn grootste triomf. Opvallend is dat: zijn grootste daad verricht Simson uit geslagen positie, als hij machtelozer oogt dan ooit. Juist waar hij zwak is, blijkt hij krachtig. Gods kracht en Gods genade is het die triomfeert!

Bij Simson zien we na zijn dood een aantal familieleden zoeken tussen de puinhopen van de Dagon-tempel. Nu komen ze tevoorschijn en horen we voor het eerst van hen. Tijdens Simsons leven lieten ze zich niet horen of zien. Maar nu komen ze en bergen Simsons dode lichaam en begraven het in de streek tussen Sora en Estaol, waar de Geest van de HERE hem zo vaak had aangedreven. Simsons sterven heeft wat losgemaakt. Maar het gaat maar om een paar mensen. En het beperkt zich tot een daad van piŽteit. Zonder opsmuk. Stilletjes. In de schaduw van de dood.


UITLEIDING VAN DE GESCHIEDENIS VAN SIMSON


Het was indrukwekkend om te luisteren naar de geschiedenis van Simson. Misschien dacht u wel: maakten wij zoiets maar eens mee. Maar wij mogen Jezus Christus kennen. Meer dan Simson is Hij. Laten wij dan niet -als IsraŽl indertijd- aan deze Verlosser voorbijkijken en Hem alleen laten staan. Laten we Hem dienen met vreugde. Midden in de wereld van vandaag. Laten we uitkomen voor zijn naam. Te midden van alle geroep over andere machten en goden. Laten we zijn naam in ons leven laten oplichten. Ook voor de ogen van hen die er niets van moeten hebben. Opdat de wereld niet naar de Filistijnen gaat, maar velen God leren kennen en zich laten inlijven in zijn rijk. Want dat heeft de toekomst. Simson leidde IsraŽl 20 jaar. Maar Christus is een eeuwig Koning. Wie Hem aanbidt en eert, krijgt daar nooit spijt van.