BILEAM SLAAT ZIJN EZEL

Van een Nederlandse (mij onbekende) meester uit de zeventiende eeuw
 
 



HANDLEIDING BIJ HET LEZEN VAN VERHALEN EN GEDICHTEN




 
  INLEIDING  


Mijn moeder had geen hout verstand van voetballen. Ze zag wat mannetjes rennen achter een bal aan over een veld met strepen en cirkels. Als wij thuis schreeuwden en juichten, straalden haar ogen. Ze begreep dat het ons goed ging. Maar echt genieten van een mooie pot voetbal, nee, dat was voor haar niet weggelegd. Ze keek dan ook bijna nooit naar een wedstrijd. Alleen naar Nederland-Duitsland. En dan hoopte ze dat de Duitsers ongenadig op hun ziel kregen. Want ze was Rotterdamse en had de oorlog meegemaakt.  

Als je een verhaal of een gedicht leest zonder dat je weet hoe het in elkaar steekt en wat er bij het lezen allemaal komt kijken, lijk je een beetje op m’n moeder. Je kijkt dan eigenlijk oppervlakkig naar het verhaal of naar dat gedicht. Maar echt genieten kun je pas als je de spelregels van het lezen kent.
 

Die spelregels kun je leren door de volgende hoofdstukken te lezen en te bestuderen. Bij de toelichtende voorbeelden heb ik me beperkt tot een klein aantal toegankelijke verhalen. De lezer kan vandaaruit zelf de meer gecompliceerde te lijf.
 

Deze handleiding is door mij samengesteld voor mijn lessen Nederlands in de bovenbouw van havo en vwo aan de Gereformeerde Scholengemeenschap Randstad te Rotterdam. Ik gaf daar les in de laatste dertig jaar van de 20ste eeuw.

In bepaalde hoofdstukken, zoals over mensbeelden en godsbeelden, en uit bepaalde voorbeelden, kunt u zien, dat de lessen werden gegeven aan een gereformeerde middelbare school.

Het is niet zo dat u de verhaalanalyse beter kunt overslaan, als u alleen maar geïnteresseerd bent in poëzie. Veel onderdelen van de verhaalanalyse zijn van toepassing op de poëzieanalyse.

Behalve voor individueel gebruik kan deze handleiding ook goed dienst doen bij leeskringen die de laatste tijd een verblijdende groei vertonen.

Ik hoop dat deze handleiding mag bijdragen tot verhoging en verdieping van uw leesvreugde.

Wanneer u wilt reageren op deze pagina, graag!


 

Gert Slings



PS Bij DBNL is een Algemeen Letterkundig Lexicon verschenen. Diepere zoekers kunnen daar terecht: Lexicon.
De uitgave van 2002 blijft ook raadpleegbaar: Lexicon 2002.    



---------------------------------------------




 






HANDLEIDING BIJ HET LEZEN VAN VERHALEN


1. AUTEUR

2. TITEL, ONDERTITEL, MOTTO, DRUK

3. HET VERHAALBEGIN

4. HET VERHAALEINDE

5. PERSONAGES

6. MOTIEF EN THEMA

7. TIJD EN RUIMTE IN HET VERHAAL

8. HET PSYCHISCH PERSPECTIEF

9. MENSBEELDEN

10. GODSBEELDEN

11. LITERATUUR EN LECTUUR

12. SOORTEN VERHALEN



HANDLEIDING BIJ HET LEZEN VAN GEDICHTEN


1. RIJM

2. RITME EN METRUM

3. BEELDSPRAAK

4. STIJLFIGUREN

5. VERS- EN STROFEVORMEN


















 
  Hoofdstuk 1 DE AUTEUR
 

1.0 Inleiding
 
Het eerste waar je oog op valt als je een boek in handen neemt, is de naam van de auteur.
 
Er zijn twee mogelijkheden:
 
1. de auteur gebruikt zijn/haar eigen naam
2. de auteur gebruikt een pseudoniem of schuilnaam
 

Hoe kom je daarachter?
Dat kun je vinden in een naslagwerk bv een lexicon of een handboek over letterkunde.
 

1.1 Waarom kiest een auteur een pseudoniem?
 
* Het kan zijn dat hij ontevreden is over zijn eigen naam.
 
* Hij wil niet dat iemand weet dat hij schrijft. Zeker in het begin kan dat een reden zijn. Je krijgt dan eerlijke reacties. Wanneer je naam maakt als schrijver, komt het toch een keer uit, wat je echte naam is.
 
* Je naam bestaat al als schrijversnaam. J. Bernlef is het pseudoniem voor H.J. Marsman. Nu kent de Nederlandse literatuur al een beroemde schrijver Hendrik Marsman (1899-1940). Daarom koos Bernlef voor een pseudoniem.
 
* De schrijver wil onderscheid maken tussen zichzelf (z’n privé-leven) en z’n schrijversleven.
Dit is een belangrijke reden voor auteurs om een pseudoniem te kiezen.
 

Voorbeelden van opvallende pseudoniemen:
  M. Vasalis, een dichteres, heet van zichzelf M. Leenmans. (Leenman = vazal).
Rutger Kopland, een dichter, heet van zichzelf Rudie van de Hoofdakker.
 
 

1.2 Wat moet je van de auteur weten?
 
Kort gezegd: alleen dat wat je nodig hebt om een boek beter te begrijpen. Bijv. het beroep van de auteur.
 
Voorbeeld:
 
1. Anne De Vries: christelijk onderwijzer, Drenthe.
2. Maarten ‘t Hart: bioloog, ex-gereformeerd, Maassluis.
3. M.Vasalis: psychiater.

In het algemeen is het zo, dat je een goed boek moet kunnen lezen en begrijpen, zonder dat je iets van de auteur weet. Dus eigenlijk hoef je van de auteur niets te weten.
 
Wanneer je een fan bent van een auteur, wil je alles van hem/haar te weten komen. Je gaat het hele leven navlooien. Leuk, maar nodig is het niet. Je kunt in dit geval een onderzoekje doen naar het gebruik van gebeurtenissen uit het leven van de auteur in een bepaald boek .
 
 
 
 
 
 
--------------------------------------------------
 
  Hoofdstuk 2 TITEL, ONDERTITEL, MOTTO, DRUK
 
2.1 Titel
 
De titel staat op de buitenkant van het boek en binnenin op de titelpagina.
Je kunt onderscheid maken tussen
 
* eenvoudige titels. Die spreken voor zichzelf en hebben geen verklaring nodig, zoals Bartje.
 
* ingewikkelde titels. Deze moeten uitgelegd of verklaard worden. Op het eerste gezicht zijn ze niet duidelijk. Je moet eerst het verhaal gelezen hebben om zicht te krijgen op de betekenis. Hiervan zijn veel voorbeelden te geven.
 
2.2 Waarom is de titel belangrijk?
 
De titel, zeker de ingewikkelde, vertelt iets over het boek. Ze bevat soms een samenvatting van het hoofdgebeuren.
 
Vb ‘Het bittere kruid’ van Marga Minco herinnert aan de bittere kruiden die het volk Israël moest eten bij het Pascha. Daar wezen de bittere kruiden terug naar de bittere verdrukking door de Farao van Egypte. Elk Pascha moest de joodse vader zijn kinderen ervan vertellen, opdat ze het nooit zouden vergeten.
Zo is dit boekje een bitter boekje over de oorlog, waarin de hele familie van de auteur door de Duitsers werd vermoord. Een bitter kruid, opdat niemand het zou vergeten.
 
Opmerking: op een tentamen wordt vaak gevraagd: Kun je de titel uitleggen?
 

2.3 De ondertitel
 
Op de titelpagina staat soms onder de titel een ondertitel. Zo’n ondertitel is ook belangrijk. Ze voegt iets toe aan de titel. De auteur vond de titel alleen niet voldoende.
Vb ‘Het bittere kruid’ heeft als ondertitel: ‘Een kleine kroniek’. Dat is een heel nauwkeurig geschiedverslag. Ze heeft precies opgetekend wat er gebeurd is. Opdat we het nooit vergeten.
 
 
2.4 Motto
 
Een motto is een spreuk, uitdrukking of citaat, boven een stuk geplaatst. Het geeft vaak in het kort de bedoeling van het verhaal aan. Meestal kun je het motto pas verklaren als je het verhaal gelezen hebt.

Vb Het motto van ‘Het bittere kruid’ is een citaat van de dichter Bert Voeten, de man van Marga Minco.
  Het citaat luidt:
 
Er rijdt door mijn hoofd een trein
vol joden, ik leg het verleden
als een wissel om...

 
Je kunt met dit citaat twee kanten uit.
1. Ze laat de trein met joden uit haar hoofd wegrijden door de wissel om te leggen.
2. Ze legt de wissel zo om dat de trein niet meer weg kan uit haar hoofd.
 
Ik kies voor het laatste. Dat klopt ook met de titel en de ondertitel.
 

2.5 Druk van het boek
 

Belangrijk is te weten wanneer de eerste druk is verschenen. Je kunt dan bepaalde politieke of maatschappelijke ontwikkelingen een plaats geven. Die hoeven niet nadrukkelijk aan de orde te komen, de auteur kan erop zinspelen.
Vaak staat op de titelpagina wel een jaartal en de hoeveelste druk. In een literatuurboek, lexicon of encyclopedie kun je het jaar van de eerste druk meestal wel vinden.
 

Sommige boeken hebben een hele drukgeschiedenis. Bv de ‘Max Havelaar’ door Multatuli. De schrijver heeft in allerlei drukken veranderingen aangebracht, maar ook de uitgever. Later heeft men geprobeerd na te gaan wat er in het originele handschrift heeft gestaan. Zo heeft men de nulde druk gereconstrueerd.

 
 
 
 
  -------------------------------------------------------------------
 
 

Hoofdstuk 3 HET VERHAALBEGIN
 

3.0 Inleiding
 
Alle begin is moeilijk. Ook het verhaalbegin. Denk maar aan je opstel. Als je een toffe openingszin hebt, ben je al lekker op weg.
Een auteur heeft vaak moeten zoeken naar een goed verhaalbegin. Dat kost heel wat denkwerk.
We onderscheiden drie soorten verhaalbegin.
 
3.1 Het ab-ovo-begin
 
Ab ovo betekent uit het ei. Het verhaal begint helemaal bij het begin. Bv bij de geboorte van de hoofdpersoon (hp). Of bij het leggen van de kiel van een schip. We komen dat tegen in ‘Het fregatschip Johanna Maria’ door Arthur van Schendel. Of bij het leggen van de eerste steen van een huis.
Het ab-ovo-begin komt weinig voor. De auteur staat voor het probleem: hoe houd ik het verhaal zo spannend, dat de lezer door blijft lezen.
 
3.2 Het in-medias-res-begin
 
In medias res betekent middenin de zaak. Het verhaal begint middenin een spannende situatie of vlak ervoor. De aandacht van de lezer is direct geboeid. De auteur staat alleen voor het probleem: hoe geef ik informatie over wat er aan het verhaal is vooraf gegaan?
 
3.3 Het post-rem-begin
 
Post rem betekent na de zaak. In het eerste hoofdstuk wordt beschreven hoe het verhaal afloopt. Bv er wordt een moord gepleegd. Verderop komt aan de orde, hoe men tot zo’n moord is gekomen. Politieverhalen hebben soms een post-rem-begin.
 
3.4 Een lastige keus?

De meeste verhalen hebben een in-medias-res-begin. Maar soms is het lastig om het verhaalbegin een naam te geven. Neem bv een verhaal over een havo-4 groep. Als iedereen uit dezelfde havo-3 zou komen, is het een in-medias-res-begin, want de groep bestond al. Maar nu verschillende leerlingen uit heel verschillende richtingen komen, kun je verdedigen dat zo’n verhaal een ab-ovo-begin heeft.
 

Dat is er nu het leuke van: je mag een eigen opvatting hebben, als je die maar kunt verdedigen met goede argumenten.
 
 
 
 
 
  -------------------------------------------------------

 
 

Hoofdstuk 4 HET VERHAALEINDE
 

4.0 Inleiding
 
Ook over het verhaaleinde moet de auteur goed hebben nagedacht. Als de schepper van het verhaal heeft hij verschillende mogelijkheden.
 

4.1 Het gesloten einde
 
Bij een gesloten einde is het verhaal voor het gevoel van de lezer afgerond, afgesloten. Alle vragen (in ieder geval de meeste) zijn beantwoord. De nieuwsgierigheid van de lezer is bevredigd. Het verhaal is klaar. Dat is altijd het geval, wanneer de hp sterft.
Maar er zijn heel wat andere situaties waarbij we ook kunnen spreken van een gesloten einde of van een min of meer gesloten einde. Zo’n verhaal over een havo-4 groep eindigt bijna altijd gesloten. Want na een jaar bestaat die groep niet meer als havo-4 groep.
 
Lectuur heeft eigenlijk altijd een gesloten einde. Hoe minder ontwikkeld de lezer, hoe groter de voorkeur voor een gesloten einde. Liefst een happy-ending. Dat is helemaal hèt einde.
 

4.2 Het open einde
 
Het verhaal is voor het besef van de lezer niet af. Hij zit nog met allerlei vragen. Z’n nieuwsgierigheid is nog niet bevredigd.
Veel moderne verhalen hebben een open einde. Van de lezer wordt meedenken verwacht. Hij zal er graag over doorpraten.
Een open einde vertoont overeenkomst met de werkelijkheid. Daarin worden ook niet alle vragen beantwoord.
 

4.3 Een lastige keus
 
Lang niet altijd is het verhaaleinde duidelijk. Soms kun je zeggen: het is min of meer gesloten. Of: het is min of meer open. Er zijn soms verschillende keuzes mogelijk. Jouw keuze moet je dan kunnen verdedigen.
 
 
 
 
 
 
---------------------------------------------------

 
  Hoofdstuk 5 PERSONAGES
 

5.0 Inleiding
 
Personages zijn verhaalfiguren, personen die in het verhaal een rol spelen.
We hebben een aantal soorten.
 

5.1 Het type
 
Kenmerk: één karaktereigenschap springt eruit. Het type is statisch. Dat wil zeggen: het ontwikkelt zich niet. Het is herkenbaar ook aan een vast uiterlijk. Je komt ze tegen in strips. Bv in Bommelstrips.
Ook in verhalen zoals Kopstukken van Bomans.
Types hebben soms een speaking name, die iets zegt over hun karaktereigenschap.
Het type is niet overeenkomstig de werkelijkheid, omdat een mens heel wat ingewikkelder in elkaar zit dan een type. Wel komt het voor dat sommige mensen op een bepaald type lijken: typisch een dominee of een juf.
In cabaret of op het toneel worden vaak typetjes gespeeld. Denk aan Kees van Kooten of André van Duin.
 

5.2 Het flat character
 
Dit personage is een echt mens. In een paar bladzijden wordt hij ons geschetst. Maar hij ontwikkelt zich niet. Hij blijft gelijk. Bijfiguren in een verhaal zijn vaak flat characters. Ze hebben maar een paar kenmerken.
 

5.3 Het round character
 
Hierbij is sprake van karakterontwikkeling. De hp komt tot een bepaald inzicht, bekeert zich, krijgt berouw, voelt zich schuldig enz. Kortom: hij/zij verandert. In de loop van het verhaal leren we een round character steeds beter kennen in zijn/haar verschillende basisrelaties.
 

5.3.1 De psychologische relatie
 
Dat is de relatie met jezelf. Hoe kijk je tegen jezelf aan? Hoe zit je in je vel? Wat zijn je gevoelens, angsten, verlangens, idealen, verwachtingen? Hoe ben je bijvoorbeeld bezig met je sexualiteit of de dood? De psychologische relatie is fundamenteel. Wanneer je met jezelf in de knoop zit of wanneer de relatie met jezelf gestoord is of ziek, dan functioneren de andere relaties niet goed.
 

5.3.2 De religieuze relatie
 
Dat is je relatie met God, met Christus en met zijn Geest. Voor een christen is deze relatie wezenlijk. Je bent daar dagelijks en voortdurend mee bezig. Je communiceert met God in woorden (gebed) en in gedachten.

Iemand die niet of niet meer gelooft, heeft ook een religieuze relatie. Die is uiteraard anders dan die van een gelovige. Die relatie hoeft zich niet op de God van de bijbel te richten, maar op een hogere macht uit een andere religie is ook goed mogelijk.
In onze interculturele samenleving moeten we bedacht zijn op heel uiteenlopende religieuze relaties.
 

5.3.3 De sociale relatie
 
Dat is je relatie met je medemensen: ouders, gezin, familie, vrienden enz. De mens is een sociaal wezen. Dus is deze relatie van belang.
 

5.3.4 De materiële relatie
 
Dat is je relatie met je spulletjes, met je kleren, met je walkman, je fiets, je bed enz. Dingen spelen in je leven een veel grotere rol dan je misschien wel denkt.


Opmerking:

In de genoemde relaties speelt je taligheid een fundamentele rol. Zonder taal kun je niet denken. Ook niet over je verschillende typen relaties.
 
 
 
 
 
 
------------------------------------------
 
 

Hoofdstuk 6 MOTIEF EN THEMA
 

6.0 Inleiding
 
We kennen het woord motief bij een moord. De recherche gaat altijd op zoek naar een motief. Dat is de reden om een misdrijf te plegen.
Hier gaat het om een literair motief. Dat is wat anders.
 

6.1 Literair motief
 
De omschrijving van een literair motief is: een situatie of gebeurtenis die in de literatuur vaker voorkomt. Deze situatie of gebeurtenis komt ook in het dagelijks leven voor. Door een motief wordt iets herkenbaar. We kunnen motieven met elkaar vergelijken.
 
Voorbeelden van literaire motieven uit de Bijbelse geschiedenis.
 
a. Jozef werd door zijn vader voorgetrokken: voortrek-motief.
b. Z'n broers werden jaloers: jaloezie-motief.
c. Z'n broers wilden hem doden: wraak-motief.
d. Jozef en de vrouw van Potifar: verleidings-motief.
 
Wanneer je motieven niet herkent, zegt het verhaal je niet veel. Hoe meer je leest, hoe meer je van motieven af weet. Je gaat ze dan met elkaar vergelijken. Je zoekt overeenkomsten en verschillen.
 

6.3 Soorten literaire motieven
 
Een verhaal zit vol motieven. Het is de bedoeling dat je de belangrijkste eruit haalt en een naam geeft.
 

6.3.1 Statisch motief
 
Het statisch motief vormt de achtergrond van een verhaal. Bv de Tweede Wereldoorlog, Israël in de woestijn.
 

6.3.2 Dynamisch motief
 
Het dynamisch motief stuurt de handeling in het verhaal een bepaalde kant uit. Het zet een verhaal in beweging. Vb Het moordplan van Haman in het bijbelboek Ester.
 

6.3.3 Concreet motief
 
Bij een concreet motief moet je denken aan bv een wapen, dat de hp bij zich steekt.
 

6.3.4 Abstract motief

Angst is een abstract motief. Het is niet zichtbaar, maar heel wezenlijk.
 

6.4 Thema
 
Dit is het hoofdmotief. Soms komen we het thema al tegen in de titel.
‘Het bittere kruid’ had als betekenis: zoals de joden de bitterheden van de verdrukking door de Farao niet mochten vergeten, zo moeten wij de bitterheden van de Joden in de Tweede Wereldoorlog niet vergeten.
 
Van het bijbelboek Ester is het thema: God beschermt zijn volk tegen de aanslag van Haman door middel van Mordechai en Ester.
 
Van elk verhaal of elk gedicht moet je het thema kunnen aangeven en kunnen verdedigen. Je keus kan heel persoonlijk zijn, als je er maar argumenten voor hebt.
 
 
 
 
 
 
------------------------------------------------------

 
Hoofdstuk 7 TIJD EN RUIMTE IN HET VERHAAL
 

7.0 Inleiding
 
Wanneer je het opschrift boven dit hoofdstuk voor het eerst leest, kun je denken: wat heeft tijd nou met een verhaal te maken? Het vervolg zal je duidelijk maken dat het een belangrijke factor is en niet altijd even eenvoudig.
 

7.1 Verteltijd
 
Verteltijd is de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen. Dus het aantal minuten of uren die je nodig hebt om het verhaal te lezen of voor te lezen.
 

7.2 Vertelde tijd
 
Vertelde tijd is de tijd in werkelijkheid, waarover wordt verteld. Bijv. de Tweede Wereldoorlog: vertelde tijd 5 jaar van 1940-1945. Israël in de woestijn: vertelde tijd veertig jaar.
 

7.3 Tijdverdichting
 
Bij tijdverdichting hebben we veel vertelde tijd en weinig verteltijd. Dus een lange periode wordt vrij kort beschreven. Bij een ab-ovo-begin moet een auteur vaak gebruik maken van tijdverdichting.
 

7.4 Tijdrekking
 
Tijdrekking of tijdvertraging is het omgekeerde van tijdverdichting. We hebben dan veel verteltijd en weinig vertelde tijd. Dus een korte gebeurtenis wordt uitvoerig beschreven. Bv een ongeluk. Vertelde tijd: 3 seconden. Verteltijd: een half uur.
 

7.5 Chronologisch of niet-chronologisch
 
Een verhaal is chronologisch als de gebeurtenissen in werkelijkheid achter elkaar liggen. Dus 4 sept, 5 sept, 6 sept. De structuur van zo’n verhaal is: en toen, en toen enz.

Een verhaal is niet-chronologisch wanneer je vertelt over het nu. Vervolgens denk je uitvoerig terug aan een tijd geleden. Daarna ga je verder met het heden enz.
Een chronologisch verhaal zit eenvoudiger in elkaar dan een niet-chronologisch verhaal.
 

7.6 Continu of niet-continu
 
Bij een continu-verhaal worden geen tijdsprongen gemaakt. Er worden geen stukken tijd overgeslagen. De gebeurtenissen liggen vlak na elkaar in de tijd. Er zitten geen grote gaten tussen.

Bij een niet-continu verhaal maakt een verteller een tijdsprong. Hij slaat een stuk tijd over. Het leven van Jezus bevat een tijdsprong van 18 jaar (tussen z'n 12de en 33ste). Dus zijn levensverhaal is niet-continu.
 

7.7 Antecipatie
 
Een antecipatie is een vooruitverwijzing.
In het begin van het verhaal kan de auteur opmerkingen laten maken, waardoor de nieuwsgierigheid van de lezer wordt gewekt. Vb: als je daar en daar naar toe gaat, moet je een pistool meenemen, want het is er gevaarlijk, zoals in ‘De herberg met het hoefijzer’ van A.den Doolaard.
In een goed verhaal gebeurt niets bij toeval. Alles heeft een functie. Wanneer het pistool uit het voorbeeld in het verhaal verderop geen rol speelt, had de schrijver het net zo goed kunnen weglaten.
 
Bij het lezen vooral aan het begin van het verhaal moet je erop letten of er antecipaties in voorkomen.
 

7.8 Retroversie
 
Een retroversie is een terugverwijzing.
In het begin van het verhaal wordt een gebeurtenis of situatie min of meer uitvoerig beschreven. Verderop in het verhaal wordt daarnaar kort verwezen. Vb. In het begin sterft iemand en later wordt daarnaar terugverwezen. Een ander vb: in het begin wordt iemands jeugd beschreven. Verderop wordt daarnaar met een elke woord terug verwezen.
Retroversies komen verderop in het verhaal voor.
 
Wanneer je een verhaal in drie stukken knipt en aan drie verschillende lezers geeft, zullen antecipaties en retroversies bijna niet functioneren.
 

7.9 Flashback
 
De auteur kan gebruik maken van een flashback, een terugblik, een herbeleving. De hp is met veel geweld verkracht in het begin van het verhaal en steeds vindt er een herbeleving plaats. Die herbeleving wordt vaak in de tegenwoordige tijd beschreven. Je komt het vaak in films tegen.
 

7.10 Flash forward
 
Een flash forward noemen we in het dagelijks leven een mijmering. Het is een vooruitbeleving. Het is dus uitvoeriger dan een anticipatie. Mijmeren is meestal verbonden met iets fijns. Je kunt echter ook heel angstig tegen een bepaalde gebeurtenis aankijken. Bij zo’n flash forward kan het zweet je uitbreken.
 
7.11 Ruimte in het verhaal
 
Het is goed erop te letten in welke ruimte het verhaal zich afspeelt. Onder ruimte kunnen we van alles verstaan. Het kan een kamer zijn, een huis, school, kantoor, kerk enz.
De ruimte kan groter zijn, bijvoorbeeld een straat, zoals in Het uur U van Nijhoff, of een dorp, stad of land. Onder ruimte valt ook het weer en klimaat.

Bijzonder gebruik van ruimte komen we tegen in Het bittere kruid van Marga Minco.
In het hoofdstuk In het souterrain zit de familie tijdens een razzia angstig in een ruimte beneden, waarbij ze door een klein raampje alleen voeten en benen van voorbijgangers zien.
Ze zien het buurmeisje hinkelen, totdat er zware laarzen kwamen die haar meenamen.
 
 
 
 
 
------------------------------------------

 
Hoofdstuk 8 HET PSYCHISCH PERSPECTIEF
 

8.0 Inleiding
 
Het maakt een groot verschil of we te maken hebben met een hij-verhaal of met een ik-verhaal.
Bij een ik-verhaal kijken we door de ogen van de ik: wat de ik denkt, beleeft enz. We zeggen dan: het psychisch perspectief ligt bij de ik-verteller. Vb Bij een live filmverslag kijken we door de ogen van de cameraman. Als hij wegholt in een gevaarlijke oorlogsituatie, zie je het beeld springen en verspringen. Als hij wordt neergeschoten, ligt plots het camerabeeld stil. Zo kijken we bij het psychisch perspectief door de ogen van de ik.
 
Bij de meeste hij-verhalen kijken we door de ogen van een verteller die alles weet van de personages. Hij knipt stukje bij beetje de zieltjes open en de lezer kijkt over zijn schouder mee. Dan heb je een soort helikopter-view.
 

8.1 Het auctoriale perspectief
 
Het auctoriale perspectief: de verteller is buiten het verhaal. Hij weet alles van de personages. Het is een hij-verhaal. Men noemt dit standpunt ook wel het panoramic point of view. De verteller is ‘alwetend’. Hij is de regisseur, die personages met elkaar in contact brengt en laat doodgaan.
 

8.2 Het personale perspectief
 
Het personale perspectief: de verteller is buiten het verhaal. Maar hij is niet alwetend. We weten van één persoon alles. Van alle andere figuren zien we alleen de buitenkant. De personale verteller wordt ook wel genoemd de verhulde ik-verteller. Het is een hij-verhaal, dat veel lijkt op een ik-verhaal. Vandaar de naam: verhulde ik-verteller.
 

8.3 De ik-verteller
 
Hier neemt de verteller deel aan het verhaal. De ik kijkt bij zichzelf naar binnen, zoals dat in werkelijkheid ook gebeurt. Van de anderen ziet hij alleen de buitenkant, het gedrag. Hij kan hooguit iets vermoeden. Ga maar na bij jezelf. Je kan bij jezelf naar binnen kijken. Je weet wat er in jou omgaat. Van de ander zie je alleen de buitenkant. Van de binnenkant van de ander weet je bijna niets. Je kunt hooguit iets vermoeden.
We onderscheiden drie soorten ik-vertellers.
 

8.3.1 Het bekentenis-model
 
De ik vertelt alleen over zichzelf. Hij biecht als het ware zijn gedachten, herinneringen, gevoelens enz op. Hij kijkt voortdurend bij zichzelf naar binnen en vertelt wat daar aanwezig is aan gevoelens, gedachten, herinneringen enz.
 

8.3.2 Het reporter-model
 
De ik vertelt alleen wat hij waarneemt met zijn zintuigen. Dus wat hij hoort en ziet enz. Zoals een reporter verslag doet van gebeurtenissen, zo doet de ik verslag van wat hij waarneemt. ‘Het bittere kruid’ wordt verteld via het reporter-model.
 

8.3.3 Het round character-model
 
De ik vertelt over z’n relatie met zichzelf (psychologische relatie), over z’n relatie met God (religieuze relatie), over z’n relatie met medemensen (sociale relatie), en over z’n relatie met de dingen, de schepping (materiële relatie). Zie hiervoor hoofdstuk 5.3.
Het round character-model komen we vooral tegen in psychologische verhalen, dus in veel moderne romans.
 
 
 
 
 
 
---------------------------------------------
 
  Hoofdstuk 9 MENSBEELDEN
 

9.0 Inleiding
 
Onder een mensbeeld verstaan we mensvisie of kijk op de mens. Het heeft te maken met de zin van zijn bestaan. Het gaat om de vragen:

* waarop komt het aan in het mensenleven?
* waar leeft de mens eigenlijk voor?
* hoe kijkt de hoofdpersoon tegen de mens aan?
 
Meestal heeft het antwoord op die vragen alles te maken met het Godsbeeld, dus met de kijk op God.
 

9.1 Het leven van de mens wordt beheerst door het toeval
 
Er is geen enkele zekerheid over z’n lot. Je kunt geluk of pech hebben. Het is dus niet een uitsluitend pessimistische visie. Je kunt immers ook geluk hebben.
 
Deze visie komt in het dagelijks leven veel voor. Veel mensen die van God vervreemd zijn geloven in het toeval.
 
Dit mensbeeld kom je o.a. tegen bij een schrijfster als Marga Minco in haar boek ‘De val’. De hp valt van een trapje op zolder, terwijl beneden haar man en kinderen door de Duitsers worden weggevoerd. Kennelijk hadden die haast, want als de vrouw beneden komt is iedereen weg. Een val van een trapje, een kleinigheid, kon in de oorlog beslissen over leven en dood.
 

9.2 Het leven van de mens wordt beheerst door het noodlot

Men noemt dit wel het fatalistische mensbeeld. Dit is pessimistisch. Hoe je ook leeft, het loopt altijd slecht af. Veel moderne verhalen hebben dit mensbeeld b.v. van Boudewijn Buch, Mensje van Keulen.
Ook bij oudere schrijvers kom je dit mensbeeld tegen zoals bij Louis Couperus. Hij schreef zelfs een roman met de titel ‘Noodlot’.
 

9.3 De mens is een verscheurend dier
 
De mens heeft een onbedwingbare lust tot moorden. Je komt dit mensbeeld o.a. tegen in ‘Het stenen bruidsbed’ door Harry Mulisch. De hp was betrokken bij het bombardement van Dresden aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Nadat ze de bommen hadden afgeworpen mitrailleerden ze onschuldige burgers die in de Elbe stonden omdat heel de stad één grote vuurzee was.
De mens als woesteling met een onbevredigbare lust tot moorden.
 

9.4 Het naturalistische mensbeeld
 
Hierbij wordt het gedrag van de personages bepaald door erfelijkheid en milieu (gezin, familie, vrienden enz). Dat gedrag is nagenoeg onontkoombaar. De mens is door die factoren gedetermineerd, vastgepind. Het is bijna onmogelijk zich aan die factoren te ontworstelen. Dit mensbeeld is pessimistisch.

Rond 1900 verschenen verschillende naturalistische romans van o.a. Marcellus Emants (bv Nagelaten bekentenis) en Louis Couperus (bv Eline Vere).

Na de Tweede Wereldoorlog verschijnen romans met naturalistische elementen, zoals van Yvonne Keuls. Daar ligt vooral de nadruk op milieufactoren. Wanneer je geboren bent in een crimineel milieu, is het bijna onmogelijk je daaraan te ontworstelen.

9.5 Het autonome mensbeeld
 
Autonoom wil zeggen: de mens is zelfbeschikkend. Hij bepaalt helemaal zelf wat goed en wat slecht is. Niet ‘de Heer is mijn herder’ maar ‘ik ben m’n eigen herder’.
Dit mensbeeld kom je veel tegen vandaag bij de moderne, humanistische mens zonder God: ik neem een kind; ik kies voor abortus; ik bepaal m’n eigen levenseinde; ik ben uitgekeken op m’n vrouw, ik neem een ander enz.
 

9.6 Het nihilistische mensbeeld
 
Nihil betekent 'niets'. Er is geen God, dus is alles geoorloofd.
Het nihilisme ontstond in en na de Eerste Wreldoorlog. Het was anarchistisch en sterk anti-burgerlijk en uiteraard anti-christelijk.
Dit mensbeeld is ook autonoom, maar veel agressiever en provocerender. Iemand als Jan Cremer was zo'n naoorlogse nihilist. Als er maar op los geleefd wordt in een wereld van drugs, sex en alcohol spreekt van een nihilistisch mensbeeld.
 

9.7 Het hedonistische mensbeeld
 
De hedonistische mens is op genieten ingesteld en op vermeerderen van zijn bezit. Het is de hedendaagse dominante cultuurtrek.
Hoe meer luxe hoe beter. Jacht naar meer en mooier. Ook het zoeken naar steeds weer een nieuwe kick hoort bij het hedonistische mensbeeld. Het is feite liberaal, marktgericht en individualistisch.
 

9.8 Het mensbeeld bij een schrijver als W.F.Hermans
 
Een belangrijk auteur W.F.Hermans heeft zich nadrukkelijk uitgelaten over zijn mensbeeld. Hij is van mening dat het leven een chaos is zonder oriëntatiepunten. De moderne mens drijft op een vlot middenin de oceaan en weet niet waar hij zich bevindt.
 
* In z’n achterhoofd draagt de mens een rad van fortuin: hij hoopt op geluk.
* Op z’n schouder draagt de mens een ongeluksvogel: niet geluk, maar rampspoed, ellende, ondergang is zijn lot.
* In z’n borst hangt een kompas, maar dat is allesbehalve schokvrij opgehangen. Dus onbetrouwbaar. Hij denkt een goede, vaste koers te varen en te weten waar hij uitkomt, maar zijn levensschip strandt op de rotsen, want z’n kompas wijst de verkeerde richting uit.
Je komt dit mensbeeld tegen b.v. in Het behouden huis, De donkere kamer van Damokles en in Nooit meer slapen. In mijn boek over moderne literatuur ‘Een boos en overspelig geslacht’ (1975) heb ik ze alle drie besproken.
 

9.9 Het bijbelse mensbeeld
 
Hierover is veel te zeggen. We beperken ons tot het volgende.
* Allereerst is er de realiteit van de zonde. Christenen zijn zondaars. Dus wordt aan de zonde aandacht besteed. Al hoeft dat niet ongeremd te gebeuren. Je hoeft niet alle zonde uitvoerig te beschrijven. Met suggereren of aanduiden weet de lezer vaak al voldoende.
* Vervolgens is er de vergeving en verlossing door Christus. Ook dat heeft nadrukkelijk een plaats in het bijbelse mensbeeld.
* Christus vernieuwt ook ons leven door zijn Geest.
 
We kunnen het ook anders formuleren. In het bijbelse mensbeeld komen we tegen: ellende, verlossing en dankbaarheid.
 
We komen het bijbelse mensbeeld tegen in werken van B.Nijenhuis, C. Rijnsdorp, H.Westerink, Rudolf van Reest, Sybe Bakker, Koos Geerds, Floris Bakels enz. Boeiend is na te gaan of dit mensbeeld ook zichtbaar wordt in de roman ‘Specht en zoon’ (2004) van de rooms-katholieke auteur Willem Jan Otten.
 
 
 
 
 
 
  -----------------------------------------------------
 
 
 

Hoofdstuk 10 GODSBEELDEN
 

10.0 Inleiding
 
Het gaat bij godsbeeld over de vraag: wie is God voor jou? Wat is jouw kijk op God?
In een verhaal kan over God gesproken worden. Hoe gebeurt dat? Wat betekent God voor de hp? Wat is het oordeel over God? Welke plaats neemt God in bij je beslissingen?
 

10.1 De ontbrekende God
 
God speelt in het leven van de personages geen enkele rol. Hij is een gepasseerd station. Hooguit wordt zijn naam misbruikt in een vloek. Bij veel moderne jongelui komen we dit beeld tegen. Ook in veel moderne verhalen.
 

10.2 De sadistische God
 
Dit godsbeeld kun je tegen komen bij sommige kerkverlaters. Er spreekt rancune uit. Bij Maarten ‘t Hart in ‘Een vlucht regenwulpen’ bijvoorbeeld. God is daar negatief almachtig. God geeft kanker juist aan mensen die Hem dienen om hen pijn te doen.
 

10.3 De machteloze God
 
Hij bestaat wel maar is niet almachtig. Hij heeft de zonde en de duivel niet in de hand. Hij heeft verdriet om het lijden in de wereld. Maar Hij kan er niets aan veranderen. Dit godsbeeld kun je tegen komen bij vrijzinnige christenen.
 

10.4 God als projectie
 
God bestaat niet echt. Hij is een denkmaaksel van de mensen. Hij bestaat alleen in onze gedachten, maar niet in werkelijkheid. Deze Godsvisie kun je tegenkomen o.a. bij Jan Wolkers. Veel moderne mensen zijn van mening dat christenen geloven in een illusie, in een geprojecteerde God.
 

10.5 God aan de periferie van het bestaan
 
God staat niet centraal in je leven, maar aan de buitenrand, de periferie. Je houdt eigenlijk geen rekening met Hem in je leven van alledag. Alleen als je in de piepzak zit, ga je bidden. Sartre beschrijft dit bij zijn grootouders. Die hielden alleen rekening met God in de spitsuren van hun bestaan. (Zie G. Slings ‘Een boos en overspelig geslacht’, pag.52).
 

10.6 Het deïstische godsbeeld
 
Dit wordt ook wel klokkenmakersgeloof genoemd. God heeft de aarde geschapen als een soort uurwerk. Hij is dus wel de Schepper, de Maker, maar verder hoeft Hij Zich er niet mee te bemoeien. Alles loopt volgens wetten van oorzaak en gevolg. Dit deïstische godsbeeld is ontwikkeld in de achttiende eeuw, de eeuw van de Verlichting.
 

10.7 De wrekende God
 
Bij dit godsbeeld is men bang voor God. Hij is niet de genadige Vader, maar de strenge, straffende God. Men noemt dit (ten onrechte) wel het oudtestamentische godsbeeld. Je kunt het tegenkomen in bevindelijke kringen van de ‘zware’ gereformeerden. Jan Siebelink beschrijft dit milieu bijvoorbeeld in ‘Knielen op een bed violen’ (2004).
 

10.8 Het gereformeerde Godsbeeld
 
Hiervoor moet je zondag 9 en 10 van de Heidelbergse catechismus eens lezen. Hij is de Schepper, de Levende, die alles regeert. Voor christenen is hij Vader, die voor alles zorgt en alles doet meewerken ten goede. Wie Christus heeft gezien, heeft de Vader gezien. Zie ook Psalm 103.
 
Je komt dit godsbeeld tegen bij Rudolf van Reest, Anne de Vries, H.Westerink, B.Nijenhuis, C.Rijnsdorp, W.vd Hoeven, J.Cavier, Sybe Bakker, om maar enkelen te noemen.
 
 
 
 
 


--------------------------------------------------------
 
 
  Hoofdstuk 11 LITERATUUR EN LECTUUR
 

11.0 Inleiding
 
Dit is een lastig onderwerp. Want wie bepaalt wat sjieke literatuur is met een grote L of wat lectuur is van een lager soort? Binnen een genre kun je literatuur en lectuur tegenkomen b.v. bij streekromans.
In het algemeen kun je zeggen dat lectuur is afgestemd op de smaak van een onkritisch publiek.
 

11.1 Kenmerken van lectuur en literatuur
 
Lectuur Literatuur
sjabloon-achtig origineel, uniek
zwart-wit tekening genuanceerde personages
vaak kant en klare oplossing vaak geen oplossing
geen echt probleem wel een echt serieus probleem
taalgebruik: onderschikt met clichés taalgebruik: belangrijkste criterium
intentie:commercieel, massaproduktie intentie: niet commercieel
 
11.2 Lectuurgenres
 
1. Detectives en politieverhalen, waarin het gaat om spanning en avontuur.
2. Doktersromans. Sjabloon: dokter wordt verliefd op mooie verpleegster en/of andersom.
3. Wildwest en cowboyverhalen. Sjabloon: held strijdt tegen boeven.
4. Liefdesverhalen uit Bouquetreeks enz.
5. Oorlogsromans.
6. Streekromans.
7. Stripverhalen.
 
 
 
 
 
--------------------------------------------------

 
 
Hoofdstuk 12 SOORTEN VERHALEN
 

12.0 Inleiding
 
Het is handig om verhalen te kunnen indelen. Je krijgt dan een beetje structuur in je overzicht. Vaak kun je een verhaal bij meer dan één genre indelen!

We behandelen eerst verschillen tussen verhalen naar lengte en traditie.
Daarna volgt een overzicht naar soort.
 

12.1 Verschillen tussen kort verhaal, novelle en roman
 
Kort verhaal Novelle Roman
beschrijving van hoogtepunt snel naar hoogtepunt langzaam naar hoogtepunt
enkelvoudige intrige enkelvoudige intrige samengestelde intrige
geen karakterontwikkeling weinig karakterontwikkeling karakterontwikkeling
weinig personages weinig personages veel personages
enkele bladzijden kleine omvang (ca. 90 bladzijden) grote omvang
 

12.2 Verschillen traditioneel opgebouwde roman en de moderne roman
 
Traditionele roman Moderne roman
een lineaire, chronologische ontwikkeling een zich los in de tijd bewegende handeling
een intrige met duidelijk begin en einde een willekeurig begin en open einde
duidelijke scheiding realiteit en fantasie grens realiteit en fantasie vaag of afwezig
romanwerkelijkheid overzichtelijk romanwerkelijkheid even chaotisch als realiteit
hoofdpersoon held hoofdpersoon anti-held
 

12.3 VERSCHILLENDE GENRES ROMANS
 

12.3.1 Avonturenroman
 
Hierbij gaat het om spannende avonturen, waarin de held centraal staat. De psychologie is meestal niet de sterkste kant. Soorten: oorlogsverhalen, detectives, reisverhalen enz.
 

12.3.2 Bijbelse roman
 
Verhaal waarin de bijbel een wezenlijke rol speelt.
Twee soorten:
a. een bijbels verhaal wordt in romanvorm naverteld, b.v. ‘De man van Nazareth’ door Arthur van Schendel.
b. een roman die speelt in de bijbelse tijd. De personages zijn gefantaseerd, b.v. ‘De tempelbouwers’ door H.Westerink.

12.3.3 Briefroman
 
Roman in de vorm van brieven.
 
Twee soorten:
a. één figuur schrijft brieven aan de lezer. Vb Dagboek van Anne Frank.
b. meer dan één auteur. Ze schrijven elkaar brieven.
 

12.3.4 Detective
 
We onderscheiden twee soorten:
a. Hard-boiled verhaal. Het gaat om geweld en vrouwen. Vb James Bond-verhalen.
b. Who-dun-it verhaal. Het gaat om het speurwerk, psychologische inleving, niet om knokpartijen. De geestelijke vader is Edgar Allen Poe: Conan Doyle met inspecteur Sherlock Holmes.
 

12.3.5 Dagboek
 
Een dagboek wordt min of meer van dag tot dag bijgehouden. Vaak intiem. Dat verklaart de nieuwsgierigheid naar dit soort verhalen. Vb ‘Het achterhuis’ door Anne Frank.. Het is tot nu toe het enige Nederlandstalige boek dat tot de wereldliteratuur wordt gerekend. Het is in meer dan 50 talen vertaald. Knap geschreven en aangrijpend.
 

12.3.6 Memoires
 
Ze worden bij wijze van terugblik geschreven door bekende figuren uit politiek, wetenschap, kunst of bedrijfsleven. Meestal aan de hand van dagboeknotities.
 
12.3.5 en 12.3.6 behoren tot de ego-documenten. Soms worden ze gelezen om de onthullingen. De nieuwsgierigheid van de lezer is dan een drijfveer tot kopen en lezen.
 

12.3.7 Historische roman
 
Een verhaal dat zich afspeelt in een min of meer verleden.
We noemen drie soorten:
 
a. Historische avonturenroman. Vaak geen literatuur. Spannende jongensboeken, oorlogverhalen.
  b. Psychologisch-historische roman: Hier ligt de nadruk op gedachten en gevoelens van de historische hp.
  c. Kerkhistorische romans. Er wordt een periode uit de kerkgeschiedenis beschreven. Bv ‘De Vuuraanbidders’ door S.Vestdijk; ‘Brandende harten’ door Gera Kraan-van den Burg; ‘Heiltje maria’ door Ali Drost-Brouwer.
 

12.3.8 Psychologische roman
 
Hierin gaat het om de binnenwereld van de hp: gedachten, gevoelens, angsten, frustraties, begeerten, liefde, haat enz

Een bijzonder soort is de kinderpsychologische roman. Hierin wordt de binnenwereld van een kind beschreven, bijvoorbeeld Bartje, Kinderjaren, Kees de jongen enz.
 

12.3.9 Sleutelroman
 
Dit is een verhaal waarin bekende figuren, min of meer verhuld, worden beschreven. Iemand die de situatie kent begrijpt dat meneer X of mevrouw Y, die en die moet zijn. Je moet dus eigenlijk de sleutel hebben (kennis van de werkelijke situatie) om het verhaal volledig te kunnen begrijpen.
 
12.3.10 Streekroman of regionale roman
 
Dit is een verhaal waarin gewoonten en gebruiken uit een bepaalde streek kenmerkend zijn voor het verhaal. Ze bepalen de voortgang van het verhaal. Dus een goede streekroman is niet uitwisselbaar door namen, plaatsen en dialect te veranderen. Ze kan uitsluitend in die en die streek spelen door de daar aanwezige folklore.
Er zijn nogal wat streekromans die tot de lectuur horen, omdat het taalgebruik zwak, clichématig is en de figuren sjabloonachtig zijn.
 
Enkele schrijvers van goede streekromans zijn:
Cor Bruijn (Terschelling)
Theun de Vries (Friesland)
Wolf Meesters (Groningen)
Anne de Vries (Drenthe)
Herman de Man (Grote rivierengebied)
Rudolf van Reest (Zeeland)
Antoon Coolen (Brabant).

12.3.11 Tendensroman of strekkingsroman
 
Dit is een verhaal dat geschreven is met de bedoeling om iets in de maatschappij of bij de lezers te veranderen. Voorbeeld: ‘Max Havelaar’ (1860) door Multatuli.
 

12.3.12 Toekomstroman
 
Verhaal waarin een denkbeeldige toekomst wordt beschreven.
Een speciaal soort is de science-fiction-roman. Hierin komen verzonnen wetenschappelijke uitvindingen voor. Vaak zitten deze verhalen vol met angst en bedreiging.
 

12.3.13 Raamvertelling
 
Een verhaal in een verhaal. Bijvoorbeeld: tien mensen in een lift. Ze vertellen elkaar hun levensverhaal.

12.3.14 Zedenroman
 
Een verhaal waarin de zeden en gewoonten van een bepaalde bevolkingsgroep of van een bepaalde tijd worden beschreven. Veel romans zijn ook zedenromans
 

12.3.15 Essay
 
Een soort opstel. Het kan gaan over uiteenlopende onderwerpen. Het moet goed geschreven zijn en van intellectueel niveau zijn. Het mag subjectief zijn.
 

12.3.16 Vie romancée
 
Verhaal waarin het leven van een bekend persoon wordt beschreven. Bv een verhaal over het leven van Rembrandt.
 

12.3.17 Biografie
 
Een levensbeschrijving niet in de vorm van een verhaal maar van een verslag.
 

12.3.18 Autobiografie
 
Een levensbeschrijving van iemand over diens eigen leven niet in de vorm van een verhaal, maar van een verslag. Een verhaal kan wel autobiografisch zijn.
 

12.3.19 Mythe
 
Een gefantaseerd verhaal over goden, over het ontstaan van de wereld of mensheid. We kennen o.a. Griekse en Germaanse mythen. Wanneer iemand zegt: Genesis bevat christelijke mythen, dan betekent dit dat het gefantaseerde verhalen zijn.
 

12.3.20 Sprookje
 
Een gefantaseerd verhaal over een niet-religieus onderwerp. Dieren, planten en dingen kunnen menselijke eigenschappen hebben.
We maken onderscheid tussen volkssprookjes zoals Roodkapje én cultuursprookjes zoals Erik door Godfried Bomans..
 

12.3.21 Legende
 
Een religieus verhaal met een kern van waarheid. Denk aan Marialegenden, zoals Beatrijs.
 

12.3.22 Sage
 
Een sage is een wereldlijk verhaal met een kern van waarheid. Tijd, plaats en persoon worden vaak genoemd. Vb. Siegfried de drakendoder.
 

12.3.23 Fabel
 
Een verzonnen vertelling, niet religieus, met een moraliserende bedoeling. Een soort sprookje met een les. Meestal treden er dieren in op of planten.
 

Dit is het einde van het overzicht van de verhaalanalyse.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
  -------------------------------------------------
 

HANDLEIDING BIJ HET LEZEN VAN GEDICHTEN

Inleiding
 
Veel van wat behandeld is bij verhalen is van toepassing op gedichten.
Ook daarbij is sprake van psychisch perspectief, van motieven en thema’s, van mens- en godsbeelden. Er bevinden zich in dit opzicht geen waterdichte schotten tussen proza en poëzie.
 



Hoofdstuk 1 RIJM
 


0 Inleiding
Iemand die geen verstand heeft van gedichten, denkt vaak dat een gedicht moet rijmen. Dat is niet zo. Rijm is niet noodzakelijk voor poëzie.
Er zijn periodes dat dichters de voorkeur gaven aan verzen zonder eindrijm. Met name na de tweede wereldoorlog zien we dat verschijnsel. Dat heeft alles te maken met het veranderen van het schoonheidsideaal door die oorlog.
 

1.0 Omschrijving
Rijm is overeenkomst in klank in beklemtoonde lettergrepen.
 


1.1 Rijm in een woord
 

1.1.1 Alliteratie of beginrijm
vb heerlijk, helder, heineken
Je komt het veel tegen in reclame en in boekentitels.
Onze taal bevat heel wat uitdrukkingen en gezegden met alliteratie vb. Huis en haard, man en muis. Men noemt het ook wel Germaans rijm: het is onze oudste vorm van rijm.
 

1.1.2 Halfrijm, klinkerrijn of assonantie
Alleen het klinkergedeelte rijmt. De medeklinkers rijmen niet.
Vb. lief-diep.
 

1.1.3 Vol rijm
Zowel klinker als medeklinker rijmen.
Vb. Lief-dief.
 

1.1.4 Rijk rijm of rime riche
De rijmwoorden zijn compleet hetzelfde.
Het lijkt simpel, maar rime riche komt voor bij de grootste dichters.
Het heeft een wat kinderlijk, naïef effect.
 


1.2 Rijm in een zin
 

1.2.1 Eindrijm
Rijm komt voor aan het eind van de versregel. Deze vorm komt het meeste voor.
 

1.2.2 Voorrijm
Rijm komt voor aan het begin van de versregel. Zeldzaam.
Vb Ruisende halmen ...
Bruisende golven ...
 

1.2.3 Middenrijm
Rijm komt voor in het midden van de versregel.
Vb Uit ‘Hy droech onse smerten’ door Jacob Revius
 

T'en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
Noch die verradelijck u togen voort gericht,
Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,
Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten,
 

1.2.4 Dubbelrijm
Aan het eind van de regel staan twee verschillende rijmwoorden achterelkaar.
Vb Een oude man in Gaasterland,
die nam een bronzen vaas ter hand.
Hij sloeg niet zonder tegenzin
zijn lieve vrouw de schedel in.
 

1.2.5 Binnenrijm
Rijm komt voor binnen een versregel.
Vb Merck toch hoe sterck Nu int werck zich al steld!
 


1.3 Andere indelingen van rijm
 

1.3.1 Mannelijk rijm
De laatste lettergreep is beklemtoond.
Vb huis-muis
 

1.3.2 Vrouwelijk rijm
De voorlaatste lettergreep is beklemtoond.
Vb huizen-muizen
 

1.3.3 Glijdend rijm
De voor-voorlaatste lettergreep is beklemtoond.
Vb luieren-kuieren
 


1.4 Rijmschema’s
 

1.4.1 Gekruist rijm: abab
Vb Het Wilhelmus
 

1.4.2 Gepaard rijm: aabb
Vb Sinterklaas kapoentje
 

1.4.3 Omarmend rijm: abba
Vb U, heilig Godslam, loven wij (Gez.18)
 

1.4.4 Slagrijm: aaaa
Vb Awater door Martinus Nijhoff
 

1.4.5 Verspringend rijm: abcabc
 


1.5 Verschillende termen in verband met rijm
 

1.5.1 Rijmdwang
Soms kiest een dichter een rijmwoord dat eigenlijk niet past in het gedicht. Maar omdat het gedicht moet rijmen, heeft hij het gekozen. Je voelt dat het niet lekker loopt. Het is geforceerd. In elk rijm zit een vorm van dwang, maar bij rijmdwang ligt het er dik bovenop. Sinterklaasgedichten zitten vol met rijmdwang.
Vb Sint heeft uren lopen turen
Hij dacht zal ik iets kopen of toch huren. enz
 

1.5.2 Ogenrijm
Twee rijmwoorden kunnen voor het oog op elkaar rijmen, maar als je ze uitspreekt rijmen ze niet.
Vb coach- Noach; details-rails
 
Een andere vorm van ogenrijm: rijmwoorden kunnen zo ver van elkaar afstaan, dat je het rijm niet hoort, maar alleen ziet.
 

1.5.3 Blank vers
Dit is een gedicht zonder eindrijm.
 

1.5.4 Enjambement
Het doorlopen van de zin in de volgende regel noemen we enjambement. Een van de effecten van enjambement is rijmverdoezeling. Een sprekend enjambement vind je in de 2de strofe van een vers van Ad den Besten
 

Klein Danklied
  Gij hebt, o God, dit broze
bestaan gewild,
hebt boven 't nameloze
mij uitgetild, -
  Laat mij dan dankbaar leven
de volle tijd
geborgen in de beven-
de zekerheid,
  dat ik niet uit dit smal en
onvast bestand
van mijn bestaan zal vallen
dan in uw hand.
 
 

1.5.5 Rijmverdoezeling
Je hebt bijna niet in de gaten dat er sprake is van rijm. Vooral als de zin doorloopt in de volgende regel, kan rijmverdoezeling optreden. Dat doorlopen van de zin noemen we enjambement. Een mooi voorbeeld vinden we in direct al in het begin van Het uur U van Martinus Nijhoff, dat vol zit met enjambementen:
 
Vb. Het was zomerdag.
De doodstille straat lag
te blakeren in de zon.
Een man kwam de hoek om.
 



1.6 Functies van rijm
 
Waarom maken dichters gebruik van rijm?
 
* makkelijker te leren, dus als geheugensteun
* spelelement; een leuk rijm geeft een goed gevoel; je bent als dichter benieuwd naar goede rijmwoorden
* rijm stuurt een dichter in een bepaalde richting; je komt op woorden die zonder rijm niet in beeld zouden komen. Dit is de belangrijkste functie van rijm.
 
 
 
 
 
  ---------------------------------------------------
 
 
 


Hoofdstuk 2 RITME EN METRUM
 


2.1 Omschrijving van ritme
 
De natuurlijke beweging van de zin, uitgedrukt door drie accenten:
 
* temporeel (vlug/langzaam)
* melodisch (hoog/laag)
* dynamisch (sterk/zwak)
 

We spreken onze moedertaal moeiteloos ritmisch. Als kind hebben we dat geleerd. Computers spreken tegenwoordig ook natuurlijk. In het begin van sprekende computers was dat niet zo. Alles werd in hetzelfde tempo, op dezelfde hoogte en zonder klemtonen uitgesproken.
Aan de hand van deze omschrijving begrijpen we iets van het wonder van het spreken.
 


2.2 Omschrijving van metrum of maat
 
De regelmatige afwisseling van sterk en zwak beklemtoonde lettergrepen.
Wanneer is een lettergreep beklemtoond? Een zelfstandige naamwoord van één lettergreep is beklemtoond. Ook de stam van een zelfstandig werkwoord. Een lidwoorden is niet beklemtoond. Een voorzetsel kan beklemtoond zijn.
 

2.2.1 Soorten metra
 
* Jambe: zwak-sterk (onbeklemtoond-beklemtoond);
De jambische maat komt vaak voor in het Nederlands.
Vb Het Wilhelmus
 
* Trochee:sterk-zwak;
Vb Sinterklaas kapoentje
 
* Dactylus:sterk-zwak-zwak;
Vb Wit van de hagel en blauw van de kou
 
*Anapest:sterk-zwak;-
Vb Kan het zijn dat de brief die je schreef
 

2.2.2 A-metrisch
 
Lang niet alle gedichten zijn metrisch. Een niet metrisch vers noemen we a-metrisch.
 

2.2.3 Anti-metrie
 
In een metrisch gedicht kunnen we een anti-metrie tegenkomen. Op de plaats van een onbeklemtoonde lettergreep staat dan een beklemtoonde of andersom. In een jambisch gedicht is de eerste lettergreep onbeklemtoond. Staat daar een beklemtoonde lettergreep bv het woord luister, dan is dat een anti-metrie.
 

2.2.4 Verband tussen ritme en metrum
 
Bij metrum is het dynamisch accent regelmatig gemaakt. De andere twee accenten, het melodische en het temporele, zijn natuurlijk, dus onregelmatig.
 

2.2.4 Tip om metrum en antimetrie te vinden
 
Het vaststellen van het metrum en van antimetrieën is niet altijd eenvoudig. Het beste gaat dat via een drietal soorten lezen:

1. Allereerst voordragend of natuurlijk lezen.
Daarvoor moet je het vers goed begrijpen. Bijvoorbeeld om belangrijke woorden te accentueren en om tegenstellingen goed te laten uitkomen.

2. Metrisch lezen. Dan probeer je een metrum uit. Soms kom je dan voluit jambische regels tegen zoals

langs dak en raam; de roodborst nestelt bij de vlier.

maar keert nog terug en stoot de stroeve huisdeur open.

3. Interpreterend lezen. Je stelt dan bijvoorbeeld vast wat de betekenisdragende delen van een zin zijn.
Zelfstandige naamwoorden van één lettergreep zijn betekenisdragend en dus beklemtoond. Droom, huis, dak, raam, vlier, schip, bel dragen klemtoon.

Verder de stam van zelfstandige werkwoorden: scheren: scheer, zeilen: zeil, weren: weer.
Voorvoegsels en achtervoegsels zijn onbeklemtoond.
Voorzetsel kunnen zowel beklemtoond als onbeklemtoond zijn.

Boeiend is altijd waar een vers een afwijkend metrum heeft, dus een antimetrie en vooral waarom? Wat is het effect? Waarom juist hier?
Hieraan ontleen je als lezer het grootste genoegen. Dan komt schoonheid en dichterlijk vakmanschap aan de oppervlakte. Het is dus voor fijnproevers altijd de moeite waard naar de metrumschatten op zoek te gaan. Voor hen deze korte toelichting over metrum oftewel maat.

 
 
 
 
 
 
----------------------------------------------------
 
 

Hoofdstuk 3 BEELDSPRAAK
 

3.0 Inleiding
 
In het dagelijkse taalgebruik maken we gebruik van beeldspraak. Hij was zo vies als een varken. In de bijbel wordt veel gebruik gemaakt van beelden. De Heer is mijn Herder is een bekend beeld. Christus is het Lam enz.
 

3.1 Omschrijving van beeldspraak
 
Beeldspraak is het gebruik van beelden op grond van vergelijking of op grond van een andere relatie.
Men noemt het ook wel figuurlijk taalgebruik.
 

3.2 Twee hoofdgroepen van beeldspraak
 
We kunnen twee soorten beeldspraak onderscheiden.
 
De eerste soort noemen we metafoor. Bij een metafoor wordt altijd iets vergeleken. Er is altijd sprake van overeenkomst.
 
De tweede soort heet metonymia. Hierbij is geen sprake van vergelijking of overeenkomst, maar van een andere relatie.
 


3.3 Soorten metafoor
 

3.3.1 Vergelijking met als
Vb Die man is zo sterk als een beer
In plaats van als kan er ook staan: zoals, gelijk, van (een boom van een vent).
 

3.3.2 A-syndetische vergelijking
Een andere naam is: een vergelijking zonder als.
Vb Die man is ontzettend sterk: een beer.
 

3.3.3 Metafoor in engere zin
Dit is de eigenlijke metafoor. Er wordt niet meer gezegd om wie het gaat, ook het punt van vergelijking wordt weggelaten. Hier wordt alleen het beeld genoemd.
Vb Daar heb je de beer.

3.3.4
Personificatie
Levenloze dingen krijgen menselijke eigenschappen.
Vb De bomen dromen van de lente die gaat komen.
 

3.3.5 Synesthesie
Hierbij worden twee verschillende zintuigen gecombineerd.
Vb Bittere kou (Smaak en tast)
Schreeuwende kleuren (horen en zien)
 

3.3.6 Allegorie
Dit is een metafoor waarin het beeld verder wordt uitgewerkt.
Vb Het verhaal van de goede herder in Johannes 10.
 


3.4 Soorten metonymia
 

3.4.1 Pars pro toto
Je noemt een deel in plaats van het geheel.
Vb Onze gemeente bestaat uit 500 zielen.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
 
3>3.4.2 Totum pro parte
Je noemt het geheel in plaats van het deel.
Vb De gsr won de beker.
 

3.4.3 Materiaal ipv het voorwerp
Vb Goud veroveren. De ijzers onderbinden. Iemand vol lood pompen.
 

3.4.4 Maker ipv het product
Vb Lust je een heineken? Hij heeft een philips gekocht.
 

3.4.5 Voorwerp ipv de inhoud
Vb Lust je nog een glaasje
 

3.5 Voordelen van metonymia
* Biedt de mogelijkheid om je beknopt uit te drukken.
* Je kan er een komisch effect mee bereiken.
* Het is een middel om te spotten, om ironie te bedrijven.
 


3.6 Cliché, bombast, retoriek
 

3.6.1 Cliché
Een cliché is een niet-originele beeldspraak, een afgesleten vorm van beeldspraak. Het woord komt uit de drukkerij-wereld. Het was een soort stempel.
De reclame heeft een hekel aan clichés, zoals de telefoon die roodgloeiend staat. Toch is het niet altijd negatief. In de geloofstaal gebruiken we vaak clichés. Eigenlijk is het Onze Vader ook een cliché.

3.6.2 Bombast
Het is overdreven beeldspraak, die niet past bij de situatie.
Vb Na een griepje: ik ben langs het ravijn van de dood gegaan.
 

3.6.3 Retoriek
Het is het gebruik van onbezielde, overspannen taal, zoals bombast en cliché. Iemand die zich aan retoriek bezondigt gebruikt vaak ook veel superlatieven.
 


3.7 Soorten beelden
 

3.7.1 Universele beelden
Deze beelden kom je overal in de wereld tegen.
Vb De leeuw als symbool voor kracht.
 

3.7.2 Groepsgebonden beelden
Deze beelden zijn in gebruik bij een beperkte groep.
Vb Het kruis als symbool bij christenen.
 

3.7.3 Individuele beelden
Dit zijn persoonsgebonden beelden. Het kan van alles zijn. Deze individuele beelden moeten uitgelegd worden, omdat ze niet algemeen zijn.
De dichter A.Roland Holst heeft een heel eigen symboliek. Als je daar geen weet van hebt, blijft zijn poëzie een gesloten boek.
 
 
 
 
 
 
--------------------------------------------------
 

  Hoofdstuk 4 STIJLFIGUREN
 


4.0 Omschrijving
Een stijlfiguur is een bewuste afwijking van de gewone manier van zeggen om een bepaald effect te bereiken.
Wat wil men dan bereiken? Nadruk, spanning, verrassing, verbazing, overtuigingskracht, speelsheid enz.
 

4.1 Archaïsme (oud woord)
Het gebruik van een ouderwets woord in een moderne tekst. Zoals een antieke klok in een heel modern interieur alle aandacht krijgt, zo gaat dat ook met een archaïsme.
Vb Die vrouw wist haar gezin goed te bestieren.
 

4.2 Neologisme (nieuw woord)
Het gebruik van een nog niet bestaand woord. Het moet wel herkenbaar zijn. Je gebruikt een neologisme, wanneer je niet voldoende hebt aan bestaande woorden om je uit te drukken of wanneer je een nieuw product een naam wilt geven, zoals flappentapper.
 

4.3 Inversie (omgekeerde woordorde)
De normale woordvolgorde is: onderwerp-pv-bepaling. Vb Ik kom daar nooit meer.
Bij inversie komt het onderwerp op de derde plaats. Dus bepaling-pv-onderwerp. Die bepaling krijgt veel nadruk.
Vb van inversie: Nooit kom ik daar meer.
 

4.4 Prolepsis (geïsoleerde vooropplaatsing)
Het zinsdeel staat helemaal los voorop en krijgt daardoor veel nadruk..
Vb Mijn vadertje, hij was rechtvaardigheid
 

4.5 Repetitio (herhaling)
Het ongewijzigd herhalen van een woord. Functie: uitdrukking van emotie.
Vb Nooit, nooit ga ik daar meer naar toe.
 

4.6 Parallellisme (Gelijk zinsverloop)
Het op dezelfde manier beginnen en verlopen van zinnen. Het is een uitdrukking van emotie.
Vb Wanneer Jacqueline van der Waals weet dat ze aan een ongeneeslijke ziekte lijdt, schrijft ze een gedicht van 5 strofen. Elke strofe begint met: Sinds ik het weet.
 

4.7 Ellips (weglating)
Het gebruik van telegramstijl. Je schrijft dus eigenlijk onvolledige zinnen. Je laat weg wat niet strikt noodzakelijk is. Het effect is een bondige, krachtige zegging.
Vb Oost, west, thuis best.

4.8 Enumeratie (opsomming)
Een aantal zaken wordt achter elkaar genoemd.
Wanneer je in een gedicht een opsomming tegenkomt, moet je even kijken, hoe die opsomming eruit ziet. Er zijn verschillende mogelijkheden.
 
* Asyndetische enumeratie
Een opsomming zonder verbindingswoorden, dus alleen met komma’s. Hierbij gaat het om de totaalindruk, meer dan om de afzonderlijke delen.
Vb Ze sprak Frans, Duits Engels, Italiaans en Russisch.
 
*Polysyndetische enumeratie
Een opsomming met verbindingswoorden. Nadruk op afzonderlijke elementen.
Vb Noch z’n huis, noch z’n os, noch z’n ezel, noch z’n vrouw, noch z’n dochter.
Vb Hij sloeg én z’n vader én z’n moeder én z’n oma én z’n opa.
 
* Climax (opklimming)
Je kunt in een opsomming opklimming aantreffen, een sterker worden.
Vb Hij riep, schreeuwde, krijste.
 
* Anti-climax (dalende reeks)
Hierbij neemt de opsomming af in kracht en spanning.
Vb Hij riep, sprak, fluisterde.
 

4.9 Antithese (tegenstelling)
Men gebruikt een tegenstelling om iets duidelijk te maken. Komt veel voor.
Vb Zij was op aarde, hij in de hemel.
 

4.10 Chiasme (kruisstelling)
De chi is de griekse x, een kruis. Twee zinnen zijn wat de woordvolgorde betreft het spiegelbeeld van elkaar. Vaak bevat een chiasme ook een tegenstelling.
Vb Hij op aarde, in de hemel zij.
Vb Hij is laf, dapper is z’n zus.
 

4.11 Paradox (schijnbare tegenspraak)
Er schijnt sprake te zijn van een tegenstelling, maar bij nader inzien blijkt dat niet zo te zijn. Dus op het eerste gezicht lijkt het tegenstrijdig.
Vb Wie z’n kinderen wil vasthouden, moet ze loslaten.
Vb Als ik zwak ben, ben ik machtig (Paulus).
 

4.12 Hyperbool (overdrijving)
Een dichter kan opzettelijk overdrijven om nadruk te geven, om te spotten of om een komisch effect te bereiken.
Vb Ik sta al een eeuw te wachten.
 

4.13 Understatement (onderdrijving)
Je kunt als dichter ook opzettelijk afzwakken. De lezer vult dan het ontbrekende aan. Een auteur als Marga Minco heeft van het understatement haar schrijfstijl gemaakt. Dat was voor haar de enige manier om over haar oorlogsherinneringen te schrijven.
Vb Iemand die blind geworden is: Het is wel een beetje lastig.
 

4.14 Litotes (verkleining)
Je verkleint iets om te extra nadruk te geven. Dat verkleinen doe je, door het tegenovergestelde te noemen + niet. Het is een vorm van understatement>
Vb Dat meisje is niet lelijk.
 

4.15 Eufemisme (verzachting)
Het is een verzachtende manier van spreken, vooral bij gevoelige onderwerpen zoals ziekte, dood en taboes.
Vb Hij heeft de gevreesde ziekte.
 

4.16 Retorische vraag (mededeling in vraagvorm)
In een rede of preek wordt gebruik gemaakt van de retorische vraag. Het is niet de bedoeling dat er geantwoord wordt, maar nagedacht.
Vb Zijn wij niet allen zondaars?
 

4.17 Pleonasme
Hier wordt tweemaal hetzelfde uitgedrukt met woorden van verschillende woordsoort. Het is een overbodige toevoeging. Het komt ook voor als stijlfout (vb tot later uitstellen).
Vb Het rode bloed stak scherp af tegen de witte sneeuw.
 

4.18 Tautologie
Hier wordt tweemaal hetzelfde uitgedrukt door woorden van dezelfde woordsoort. Beide woorden zijn synoniem.
Vb Enkel en alleen, wis en waarachtig.
 

4.19 Ironie (zachte spot)
Spot is een wapen. Bij ironie is het niet de bedoeling iemand te kwetsen. Er is sprake van lichte ergernis, lichte emotie. Je kunt dat laten blijken door het tegenovergestelde te zeggen van wat je bedoelt.
Vb Een leerling komt voor de zesde keer te laat. De leraar zegt: Zo je bent weer mooi op tijd.
 

4.20 Sarcasme (dodelijke spot)
Bij sarcasme is sprake van diepe emotie. Iemand kan zich persoonlijk bedreigd voelen en wordt dan sarcastisch. Milieu- en andere activisten kunnen ook sarcastisch worden als ze zien hoe weinig er verandert.
Vb Het is te hopen dat er binnenkort een dode valt, dan gaat de regering misschien wat aan die tbs-ers doen.
 

4.21 Cynisme
Een cynicus heeft z’n geloof in goede bedoelingen van mensen verloren. Hij laat dit blijken met een spottende lach of zeer sarcastisch. Z’n reactie lijkt kil en onbewogen, hard, maar is ten diepste heel emotioneel. Je kunt zeggen dat een cynische opmerking het gevolg is van schipbreuk van idealen. Het is een verdedigingswapen. Een cynicus verbergt z’n gevoeligheid achter een masker van hardheid. Vaak is een cynicus beschadigd door traumatische gebeurtenissen in z’n leven.
 

4.22 Heilige spot
In de bijbel kom je plaatsen tegen waar sprake is van heilige spot. Het is spot met ongeloof, met onmachtige afgoden.
Vb Elia op de Karmel tegen de priester van Baäl: Roep harder, misschien is jullie god wel op reis.
Vb Marnix spot in de Biëncorf met misstanden in de roomse kerk van de 16de eeuw.
 
 
 
 
 
 
---------------------------------------------


 

Hoofdstuk 5 VERS- EN STROFEVORMEN
 


5.1 Strofevormen
 

* strofe van twee regels distichon

* strofe van drie regels terzine (bij een sonnet:terzet)

* strofe van vier regelskwatrijn

* strofe van vijf regels kwintet

* strofe van zes regels sextet

* strofe van zeven regels septet

* strofe van acht regel octaaf
 


5.2 Versvormen
 

5.2.1 Traditionele versvorm
 

Vaak regelmatig in veel opzichten:
* regels ongeveer even lang
* rijm aanwezig
* metrum aanwezig
* strofe-indeling regelmatig
 

5.2.2 Moderne versvorm
 
Onder de indruk van de wereldoorlogen schreven jonge dichters vaak onregelmatige gedichten. Dat worden vrije dynamische verzen genoemd.
Ze zijn vaak onregelmatig in veel opzichten:

* regels niet even lang
* geen rijm, of onregelmatig rijm
* geen metrum
* strofe-indeling onregelmatig
 

5.2.3 Italiaans sonnet
 
Het sonnet komt uit Italië (13de eeuw). De naam komt van sonare=klinken. In de 17de eeuw noemden Nederlandse sonnettenschrijvers deze gedichten vaak klinkdichten.


Kenmerken van het Italiaans sonnet zijn:

* 14 regels

* twee kwatrijnen (samen octaaf) en twee terzetten (samen sextet)

* twee rijmklanken in het octaaf

* twee rijmklanken in het sextet

* rijmschema: abba, abba, cdc, dcd

* tegenstelling of wending, vaak tussen octaaf en sextet
 

Het sonnet is tot op vandaag een populaire dichtvorm, al houdt men zich niet aan al de kenmerken van het Italiaans sonnet. Je ziet heel wat variaties.
 

5.2.4 Shakespeare-sonnet
 
In Engeland ontstond in de 17de eeuw een variant op het Italiaanse sonnet: het Shakespeare-sonnet.
Kenmerken zijn:

* 14 regels

* drie kwatrijnen en een distichon

* rijmschema: abba, cddc, effe, gg

* tegenstelling of wending, vaak tussen laatste kwatrijn en distichon
 
.

NOG EEN LEESTIP

1. Citeer altijd het vers compleet met titel en bundel + jaar van verschijnen. En vermeld bij de naam van de auteur altijd de jaartallen.

2. Probeer eerst het vers te interpreteren door zo letterlijk mogelijk te lezen. Doe net of je niets van de auteur weet.

3. Laat ruimte voor onbegrepen woorden en zinnen. Liever iets open laten, dan onzin neerschrijven. Misschien vallen na herhaalde lezing onbegrepen stukjes op hun plaats.

4. Ga dan pas na of de biografie van de dichter je verder kan helpen bij het begrijpen van het vers.

5. De ik in een vers kan de dichter zijn. Je kunt wel zeggen dat dit vaak het geval is. Poëzie is in tegenstelling tot proza vaak autobiografisch. Zelfs bij indirecte lyriek heeft de dichter het meestal over zichzelf. Pas echter op: er zijn nogal wat uitzonderingen.



Hier eindigt de HANDLEIDING BIJ HET LEZEN VAN VERHALEN EN GEDICHTEN
 
Nogmaals: wanneer u een op- of aanmerking hebt of een aanvulling, hoor ik dat graag.

Ik hoop dat de HANDLEIDING een goede hulp is om het lezen van verhalen en gedichten meer inhoud te geven.
  Gert Slings