Preek van ds. J.W.Tunderman

gehouden te Vrouwenpolder en Gapinge

op 31 October 1937


42 : 6

Schriftlezing

Psalm 44:1-9

44:1 Voor de koorleider, een onderwijzing, van de zonen van Korach.
2 O God, met onze oren hebben wij het gehoord,
onze vaderen hebben het ons verteld:
U hebt een werk gedaan in hun dagen,
in de dagen vanouds.
3 ŕ hebt de heidenvolken met Uw hand verdreven,
maar hťn geplant.
U hebt de volken kwaad aangedaan,
maar hťn zich laten uitbreiden.
4 Want zij hebben het land niet door hun zwaard in bezit genomen
en hķn arm heeft hun geen verlossing gegeven,
maar Uw rechterhand, Uw arm
en het licht van Uw aangezicht, omdat U hun goedgezind was.
5 ŕ bent mijn Koning, o God;
gebied volkomen verlossing voor Jakob!
6 Door U stoten wij onze tegenstanders neer,
in Uw Naam vertrappen wij wie tegen ons opstaan.
7 Want ik vertrouw niet op mijn boog,
mijn zwaard zal mij niet verlossen.
8 Maar U verlost ons van onze tegenstanders,
U maakt wie ons haten, beschaamd.
9 In God roemen wij de hele dag,
Uw Naam zullen wij voor eeuwig loven.
(Herziene Statenvertaling 2010)


Ps. 44 : 1a en 2b

Tekstlezing

Jer. 23 : 28b

Wat heeft het stro gemeenschappelijk met het koren?
spreekt de HEERE.
(Herziene Statenvertaling 2010)


Gez. 24 : 1 en 4
119 : 63
89 : 8
Jer. 23 : 28b

Vrouwenpolder
Gapinge
31-10-'37

Hervormingsdag
Kuyperherdenking

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wij gedenken deze dag wat God gedaan heeft met Zijn kerk. God heeft na tijden van diep verval reformatie willen geven. En Hij heeft in Zijn vrijmachtig welbehagen voor dat werk van de reformatie Zelf Zijn instrumenten uitgekozen en toebereid. Wij jubelen niet in mensen, wij juichen slechts in die ene mens Jezus Christus.

Maar al beroemen wij ons niet in mensen toch vergeten wij niet de weldaden van God, die wij mochten genieten in de mannen die Hij heeft verwekt, in de dienstknechten die Hij uitzond, in de profeten die Hij heeft geroepen. En zo danken wij God voor wat Hij aan Zijn kerk heeft willen geven in Maarten Luther en Johannes Calvijn en in allen die naast hen gestreden hebben.

Maar wij danken op deze dag in het bijzonder voor de gave van God, die wij ontvangen mochten in die dienstknecht van God: Abraham Kuyper. Nee, wij ontsteken niet de vuren van onze hulde om in een mens te roemen. Wij denken aan wat God gedaan heeft met Zijn kerk. Ik behoef u niet alles in herinnering te brengen. Onze bladen hebben u dit deze week van alle kanten belicht.

Ik zal u slechts iets in herinnering brengen. Gods kerk was tot diep verval gekomen. Op de meeste kansels in de Ned.Herv.Kerk werd 60, 70 jaar geleden de Christus openlijk geloochend. De meeste predikanten betoonden zich vijanden van de waarheid, die soms openlijk hebben gespot met het Woord des HEEREN en de belijdenis van de kerk. Wij noemen dat het Modernisme.

De grote massa van het Nederlandse volk is totaal vervreemd van de waarheid van God. Het openbare leven was ontkerstend. Ons volk ging al meer worden een goddeloos volk, zoals ook het Franse volk in die dagen een goddeloos volk geworden was. Maar deze afval werd, anders dan in Frankrijk, overgoten met een sausje van godsdienstigheid. Men wilde bij dat alles nog braaf-godsdienstig blijven.

Een uurtje wijding wilde er bij de massa nog wel in. Maar naast dat uurtje wijding van slappe godsdienstigheid wilde men een neutrale kerk, een neutrale school, een neutrale wetenschap, neutrale politiek, alles neutraal d.w.z. ongehoorzaam aan de openbaring van God.

In de achterste rijen van ons volk leefde toen nog een vergeten kring belijders van de Christus. Zij hadden zich teruggetrokken uit het hele leven, zelfs in de kerk werden ze niet meer gezien, omdat ze de leugenleer van de moderne predikanten niet wilden aanhoren.

Zelf waren ze in menig opzicht een prooi van de geest van dwaling, het waren arme verstrooide schapen van de kudde van Christus, die geslagen werden omdat ze geen herder hadden. Ze zochten in het gezelschap of in het conventikel slechts de zaligheid van hun eigen ziel.

Maar in dat gezelschap beleden ze toch de algenoegzaamheid van onze enige Middelaar Jezus Christus. Ze eerden daar, tegen alle menselijke hoogmoed in, de grootheid van onze God, ze zochten hun steun niet in eigen, brave godsdienstigheid, maar ze zochten al hun vastheid in de vrije genade van Jezus Christus, onze Heer.

Uit dat verdrukte volk van belijders is toen het gekerm omhoog gegaan tot God. En God heeft naar hun gebed geluisterd. God gaf verandering. God heeft Zijn kerk gereformeerd. God heeft Zijn profeten uitgezonden, knechten van de levende God: door hun arbeid heeft God Zijn werk gedaan.

Kuyper was onder die profeten van God de eerste. Hij en degenen die naast hem stonden hebben toen met het kleine volk geworsteld en gestreden voor de reformatie van de kerk, van de school, van de wetenschap, van de politiek, van het sociale leven. Ze kwamen bij elkaar en ze vonden elkaar in die ene brandende liefde voor de Naam van de HEERE. Ze leerden zingen in hun kerk en onder hun kansel, in de vergaderzaaltjes op de dorpen achteraf en in de grote bijeenkomsten in het centrum van het land, waar de plaats waar zij vergaderd waren bewogen werd.

Gij toch, gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht,
Uw vrije gunst alleen word' d'eere toegebracht.

Ze hebben geschreid van vreugde om de genade van God, ze hebben soms ook de deur achter zich gesloten en zich voor God gebogen. Ze hebben ook door de genade van God kinderen gekregen die in hun voetstappen wilden wandelen, die iets hebben opgezogen van wat in hen heeft geleefd. Dat willen we nu gedenken.

Ik zal nu niet spreken van de mensen en wat zij hebben geleden, gedaan, verkregen. Ik wil u wijzen op de kracht van hun kracht. Daarom preek ik u het Woord van de HEERE over de profetische kracht van het profetische Woord.

En wij letten op drie punten:

op de benauwdheid van Gods profeten,
op de zekerheid van Gods profeten en
op het vernieuwd getuigenis van Gods profeten.

Allereerst horen we van de benauwdheid van God profeten.
Profeteren is geen liefhebberij van mensen die naar tijdverdrijf zoeken. Het is altijd een gedreven-worden, een niet-kunnen-zwijgen, een moeten.

Als Gods Geest een mens drijft tot profeteren dan zoekt zo'n mens niet de veilige plaatsen op, waar hij kans loopt misschien door de mensen wel gevierd te worden, maar dan loopt hij de vlammen in, dan wordt hij gedreven juist naar de plaats waar de slagen vallen. En dan is ook dat staan in het vuur niet een tragisch lot, waarin wij die mens kunnen bewonderen maar dan is dat verteerd-worden in de dienst van het Woord.

Jeremia is ook door de vlammen heengegaan met zijn woord. Want God zond hem het vuur in. Daarom is die mens Jeremia tot stikkens-toe benauwd geworden onder zijn profetische roeping. Hij zocht de rustige veilige plaatsen niet op, hij zat niet ergens op een binnenplaatsje in het landelijke Anathot, maar hij moest gaan staan in de straten van Jeruzalem, in de poorten van de stad en in de voorhof van de tempel. Hij moest het volk opzoeken en naar de koning gaan, hij moest de priesters de boodschap van God brengen en hij mocht de oudsten van IsraŽl niet voorbijgaan.

Jeremia wilde wel uit die benauwdheid weg. Hij besloot te zwijgen, maar toen werd het in zijn beenderen als een vuur. Hij moest tot het volk gaan spreken van de komende ondergang. En toch is dit niet Jeremia's grootste benauwdheid geweest, dat hij met een boodschap van Gods dreiging moest gaan tot een tegensprekend volk. De allerzwaarste benauwdheid is over Jeremia gekomen toen hij stond tegenover de valse profeten.

Elia heeft ook tegenover valse profeten gestaan. Op de Karmel waren valse profeten van de Bašls, gehuurd door koningin Izebel. Het stond toen recht tegenover elkaar. Elia zei: zo spreekt de HEERE. En de Bašlsprofeten spraken: zo spreekt Bašl. Het heeft daar recht tegenover elkaar gestaan en Elia heeft het er zwaar onder gehad, maar het was voor ieder duidelijk: de HEERE tegen Bašl en Bašl tegen de HEERE.

Voor Jeremia is dat alles veel zwaarder geworden. Hij werd omringd door een zwerm valse profeten. Als een troep nijdige bijen hebben ze hem vervolgd. Maar dit was Jeremia's profetische benauwdheid: deze valse profeten waren geen Bašldienaars, maar ze gaven zich uit voor echte profeten des HEEREN.

Jeremia riep tot bekering en reformatie. IsraŽls zonden waren groot. Ze hadden heidense godsdienst vermengd met de dienst van de HEERE. En de heidense gruwelen waren het IsraŽlitische leven binnen gedrongen. Het altaar van de HEERE stond vlak naast het altaar van Bašl. Op een en dezelfde hoogte werd God en de afgoden offer gebracht.

De Sabbat werd niet gehouden, de armen werden verdrukt, om de wet van Mozes werd niet gegeven en het leven werd niet de HEERE geheiligd. IsraŽl was een goddeloos volk geworden. Ze leefden als de heidenen, die God niet kenden. Maar intussen wilden ze toch de dienst van de HEERE wel bijhouden. Ze wilden van alles hun voordeeltje trekken, ook van Jahwe.

Jeremia heeft tegen dat goddeloos gedoe geprofeteerd. Hij verkondigde hun de oordelen van de HEERE. Als ze doorgingen met hun zonden, als ze bleven vasthouden aan het kwaad dat Jeruzalem reeds volgens vers 14 gemaakt had tot een Sodom en Gomorra, dan zou de koning van Babel komen en ze brengen in een vreemd land.

Maar als Jeremia zo de woorden van God verkondigde, dan stonden de valse profeten op om IsraŽl gerust te stellen. Dan zeiden die valse profeten tot de mensen van Jeruzalem: laat Jeremia maar praten. U bent nog zo kwaad niet als hij zegt. Want u dient toch ook nog de HEERE. U hebt toch ook voor de God van de vaderen uw altaar staan naast al die andere altaren. U behoeft niet bang te zijn. U bent zo slecht nog niet. De tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE bent u. Vrede, vrede en geen gevaar.

Zo verzonnen zij hun praatjes om IsraŽl af te trekken van de ernst van het profetisch woord. Maar dan wilden zij hun eigen verzonnen gedachten nog kracht bijzetten en dan pleegden ze valse profetie. Dan spraken ze bijvoorbeeld: zo spreekt de HEERE. Of: ik heb vannacht in de droom een woord van God ontvangen.

Jeremia zag het wel als hij daar stond te bedienen het Woord van God over IsraŽl. Dan kwam daar zo'n valse profeet aanlopen met de sensationele mededeling: ik heb gedroomd, ik heb gedroomd. En dan liepen de mensen van Jeruzalem samen en drongen de mensen samen om toch maar geen woord te missen. En dan diste de valse profeet zijn leugenachtig verhaal op om IsraŽl toch maar gerust te stellen, opdat het zich niet bekeren zou.

Of Jeremia kwam daar oog in oog te staan voor de valse profeten als ze recht tegenover Jeremia gingen staan en met een vertoon van profetische ernst verkondigden: u hebt niet een woord van de HEERE ontvangen, maar God heeft tot ons gesproken. En dan keerden ze zich tot de schare: Zo zegt de HEERE, de God van de legermachten, gelooft Jeremia niet, want hij brengt ijn woord niet.

En dan verhief Jeremia zijn stem en dan profeteerde hij tegen de valse profetie in: De HEERE heeft tot mij gesproken. Zo zegt de HEERE: geloof de valse profeten niet, want zij profeteren niet in Mijn Naam. 0 land, land land, hoor het Woord van de HEERE.

Zo stond daar dan profetie tegen profetie, woord tegen woord, getuigenis tegen getuigenis. Dat was Jeremia's benauwdheid. In vers 9 horen wij van Jeremia's profetische benauwdheid aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich. Ik ben geworden als een dronkeman, als een man wie de wijn naar het hoofd is gestegen, vanwege de HEERE, en vanwege Zijn heilige woorden.

Zo zijn al Gods profeten in de benauwdheid geweest. Gods profeten zoeken de rustige plekjes niet op, maar ze brengen altijd beweging in de valse rust. Maar als ze dan profeteren van de HEERE, dan verheft ook de valse profetie haar mond. En dan klinkt het woord tegen woord, getuigenis tegen getuigenis.

En dan wordt de ware profeten gevraagd: toon ons toch dat de HEERE u gezonden heeft. Dan gaan de spotters vragen: waar is God die u verwacht? En dan komt al de benauwdheid vanwege het profetisch getuigenis over Gods profeten, dan worden zij dronken vanwege de HEERE, zoals Jeremia vanwege de HEERE en vanwege Zijn heilige woorden dronken werd.

Zo is Luther dronken geweest vanwege de HEERE en Calvijn, en Kuyper. Ze hebben het benauwd gehad onder de valse profetie. Kuyper heeft geroepen tot de wet en de getuigenis. Hij heeft geroepen als Gods profeet. Profeet was hij het eerste. Zo hebben we hem leren zien in onze jeugd, zo staat zijn gestalte voor ons als we iets hebben ingedronken van wat in het vorig geslacht heeft geleefd:

Kuyper niet als minister of kamerlid, niet als professor of theoloog, niet als partijleider of congrespresident, niet als stichter van een universiteit en als machtig journalist, niet als schrijver van boeken en als man van de pen, maar in dat alles: Kuyper als profeet van God, die geroepen heeft tot bekering van de zonden, die riep tot verootmoediging voor Gods aangezicht, die zijn mensen is voorgegaan in belijdenis van schuld, die met hen gekropen heeft onder de teisterende toorn van God over die verstrooide kudde van Zijn volk, Kuyper die met het kleine volk heeft leren schreien om het verval van Sion, die hun is voorgegaan en met hen heeft gekermd om genade, die dan ook met zijn mensen rust vond, omdat hij is weggezonken van alle mensengrootheid, doorgezonken tot op de vrije genade van God in Jezus Christus, terecht gekomen is op de bodem van het vrijmachtig welbehagen van God.

Maar toen hij zo werd Gods profeet onder ons, toen heeft de valse profetie om hen heen gezwermd, omdat hij de rust had gestoord, omdat hij durfde roepen tot de wet en tot de getuigenis, omdat hij sprak van oordelen van God over de kerk in Nederland, terwijl al wat modern of irenisch dacht juist ons volk wilde wijsmaken, dat er geen oordeel van God was over Zijn volk.

En toen werd Kuyper gescholden als de beroerder IsraŽls. Maar dat heeft Hem en de zijnen dan ook beroerd tot in het diepst van hun hart. Tegen hun woord het woord van de modernen, tegen hun profetie de valse profetie van de moderne godsdienstigheid, gehuld in ouderwetse en nieuwerwetse kleren van de valse profetie op de kansels van de kerk van de vaderen, de verleiders van het volk van God in de ambten van de kerk van God, de wolven in schaapskleren.

Toen zochten ze niet naar een rustige plek, maar toen liepen ze de vlammen in en toen stonden ze daar in het vuur, in de benauwdheid van de profeten van God, toen waren ze dronken vanwege de HEERE.

Ach, als het toen altijd nog maar zo duidelijk was geweest: echte profetie tegen valse profetie dienaren van de boze tegen dienaren van God. Maar velen waren verstrikt in de strikken van de valse profetie, vele belijders van de Christus zochten voor alles de rust. Zij noemden zich daarom ook irenischen: mannen van de vrede.

En deze Christusbelijders, die zich vredesmannen noemden, scholden met de modernen Kuyper uit voor een beroerder IsraŽls. Ze wilden de rust, zij zochten een veilige plek, zij wilden de vlammen niet in, ze waren bang voor het vuur.

Zie, dat was voor Kuyper en de zijnen het vuur van de loutering. God loutert zijn profeten. Ze moeten door de weerstand hoger klimmen. Zo is het vandaag nog. Het is geen tijdverdrijf om profeet van God te zijn.

U krijgt dan geen mensenroem, u krijgt zelfs geen gelijk. U moet dan profeteren tegen de zonde, profeteren misschien wel tegen alles wat achtenswaardig is, u moet profeteren tegen uw eigen vader en moeder misschien, u moet ook profeteren tegen uw beste vriend, u moet profeteren tegen uw eigen hart. Door de weerstand klimt u hoger en graaft u dieper. Door de weerstand ziet u nog zwaarder het oordeel van God, de toorn van God tegen onze zonden.

Kuyper heeft in de eerste jaren al meer moeten leren een arme zondaar te zijn voor God; toen hij tot bekering kwam in de pastorie van het Gelderse plaatsje Beesd, werd het voor hem geen victorietocht naar het Departement van Binnenlandse Zaken op het Binnenhof in Den Haag. Dat is een weg van tranen geweest, een weg van al dieper schuldbelijdenis, van al meer verstaan van het oordeel van God over Zijn kerk in Nederland, een weg van kermen onder de zonden, een weg van schreien om genade.

Er was bekering, maar de bekering moest verdiept worden. Er was profetie, maar de profetie moest worden gescherpt. En daartoe heeft God de weerstand gebruikt. Ons volk moest door het vuur. In de worsteling met de valse profetie moesten ze de onoprechtheid ook in eigen hart en leven al duidelijker gaan zien, al meer zich verootmoedigen voor God, al meer bukken in de schuld, al meer schreien om genade om zo te vinden de vrije genade van God in Christus.

Daarom moesten ze spot smaken en verachting, daarom moesten ze aan christelijk en onchristelijk Nederland worden voorgesteld als onruststokers, daarom moesten ze door de loutering gesterkt worden in profetische kracht.

En zo werd hun toegeroepen: waar is nu God, Die u verwacht? Bewijs het eens dat u de woorden van God spreekt, bewijs het eens dat u de waarheid zegt en dat de anderen vals profeteren.

Ik ga u deze worsteling niet tekenen. Ik ga u niet opsommen hoe ze in slapeloze nachten hebben liggen schreien om de ellende van de kerk, hoe ze dronken waren vanwege de HEERE en vanwege Zijn heilige woorden, hoe ze geschreeuwd hebben om verandering.

Dit moet u verstaan en niet vergeten: zij moesten met hun profetisch getuigenis door de benauwdheden heen. Ze werden niet met open armen ontvangen. Ze zagen zich niet een rustig plekje toegewezen, maar ze moesten in de vlammen staan vanwege de HEERE en vanwege Zijn heilige woorden.

In die weg van de loutering werden ze al meer ingeworteld in de zekerheid van Gods profeten. Zo heeft God onze vaders en moeders verootmoedigd. Als nu de kinderen deze verootmoediging maar niet vergeten. Want als wij niet meer in de schuld voor God willen bukken, als wij welverzadigde christenen en zelfbehaaglijke rustgenieters worden, als wij niet meer het profetisch getuigenis op ons nemen en de weerstand die het opwekt, dan mogen we onze vaderen roemen met de mond, maar dan is ons hart verre van hen, dan hebben we ze al verloochend en dan mogen we nog een poosje nateren op wat ze ons hebben nagelaten, maar dan is de deformatie al in volle gang en dan zullen jaar op jaar de tekenen van verval onder ons toenemen.

God heeft Kuyper en het volk, dat met hem de Naam van de HEERE belijden wilde, door de loutering heengeleid. Ze zijn door de weerstand en de bestrijding gekomen tot de zekerheid van de profeten van God.

De profetie is niet ingezonken, maar juist opgeleefd en zo hebben onze vaders en moeders leren spreken: wat heeft het stro gemeenschappelijk met het koren, spreekt de HEERE.

Jeremia staat daar voor die valse Profeten. Zij zelden ook: zo spreekt de HEERE. Dat heeft Jeremia geraakt. Zijn beenderen bewogen zich. Hij wankelde als een dronken man, dronken vanwege de HEERE.

Hij hoorde ze roepen: Want wie heeft in de raad van de HEERE gestaan, en Zijn woord gezien en gehoord?, zoals we in vers 18 lezen. En dan komt de kracht van de Heere HEERE over Jeremia: Ik heb in de Raad van de HEERE gestaan. Ik heb het Woord van God gehoord, ik verkondig u de waarheid.

Ach, misschien hebben de mensen wel gezegd: wat verbeeldt Jeremia zich wel? Maar Jeremia profeteert, want hij staat in de Raad van God, hij staat in de waarheid, hij spreekt de woorden van God.

En daarom profeteert hij tegen de valse profeten in: wat heeft het stro gemeenschappelijk met het koren, spreekt de HEERE. Het beeld is duidelijk genoeg. Het koren wordt bewaard, maar het stro wordt verbrand. Zo was het althans in de dagen van Jeremia. Het stro was waardeloos, goed voor het vuur, het werd verbrand.

Zo stonden daar die vormen van profetie tegenover elkaar als het koren en het stro. Het was het echte Woord van God en het verzinsel van de mensen. Jeremia had zijn profetie van de HEERE ontvangen, maar de valse profeten hadden hun eigen hart geraadpleegd. Het zijn profeten die uit hun hart profeteren.

Ze hadden met Jeremia getwist. Hoe zult u bewijzen dat u de waarheid spreekt en die anderen niet. Hebt u in de Raad van God gestaan? Maar de HEERE haalt Zijn benauwde dienstknecht uit de benauwdheid. Jeremia mag het horen uit de mond van de HEERE: Ik heb u gezonden, maar hen heb Ik niet gezonden. Ik heb u Mijn Woord gegeven, maar zij profeteren uit hun eigen hart.

Nee, Jeremia, u vergist zich niet. U beeldt zich niet wat in. U hebt uzelf niet verheven. Ik heb u gezonden. Wat heeft het stro met het koren gemeenschappelijk, spreekt de HEERE.

Zo geeft God in alle eeuwen Zijn knechten de zekerheid. Luther en Calvijn hebben ook die benauwdheden gekend. De mensen hebben gezegd: Luther, wat denkt u nu wel, dat u de waarheid in pacht hebt. En, Calvijn, verbeeldt u zich soms, dat u in de Raad van God hebt gezeten. En, Kuyper, zo klonk het drie eeuwen later, wat stelt u zich hoog boven de anderen als u denkt dat u het weet.

Maar dan gaf God Zijn profeten de zekerheid door de werking van Zijn Heilige Geest. Hij bond ze nog nauwer aan Zijn Woord, Hij deed ze nog meer uit de Schriften leven. Hij leidde ze in Zijn waarheid. Hij deed ze in Zijn waarheid staan.

En dan mochten de mensen vragen: wilt u het beter weten dan wij? maar dan legden ze de hand op het Woord van God en dan ontblootten ze het hoofd en dan zeiden ze: amen, dit is de waarheid en daarvan zullen wij getuigen.

Want dan hadden ze in dat Woord God horen spreken: vreest niet, al gij getrouwe knechten, vrees niet voor de valse woorden, wat heeft het stro met het koren gemeenschappelijk, spreekt de HEERE. En dan knielden ze neer en dan zeiden ze: zie HEERE, uw dienstknechten. Zend ons, dan zullen wij Uw Naam verheffen.

Gemeente, dat geeft God aan al Zijn profeten, in iedere tijd en in elke omstandigheid. Dat wil Hij schenken aan ieder geslacht. Wij zijn geen Jeremias, maar we zijn wel profeten. En wij moeten in de benauwdheid zoeken de vastheid in het Woord van onze God. Dan wil de HEERE door ons werken. En dan mag een hele wereld zich tegen ons verheffen en roepen: hebt u gestaan in de Raad van God? Toon ons dan dat u de waarheid spreekt. Maar dan zinken wij op de knieŽn voor onze God met al de geslachten van de profeten die ons zijn voorgegaan om in onze profetische benauwdheid al onze zekerheid te vinden in onzen God:

Ik ben Uw knecht, geef mij dan recht verstand
zo zal ik uw getuigenissen leren.
Nu is het tijd, dat 's HEEREN rechterhand
haar kracht vertoon', in 't godd'loos kwaad te weren;
Men schendt Uw wet zoo snood van allen kant
Men schroomt niet meer Uw groten Naam t' onteeren.
Ps.119 : 63

Wat heeft het stro met het koren gemeenschappelijk? Het stro zal met vuur verbrand worden. Dat is de zekerheid die God wil geven. Daarop mogen Zijn profeten bouwen. En dat geeft weer kracht voor de vernieuwing van het profetisch getuigenis.

Jeremia had het Woord van God gehoord: Jeremia, verschrik niet voor de valse profeten. Wat heeft het stro met het koren gemeenschappelijk? spreekt de HEERE. Maar toen Jeremia dit woord gehoord had, heeft hem dat gedreven tot de vernieuwing van het profetisch getuigenis. Hij is met dat Woord van God niet weggekropen naar een rustig plekje om er daar eens stil over te mediteren. Hij heeft de rust weer prijs gegeven voor de Naam van God. Hij is opgestaan. En hij heeft deze woorden uitgeroepen voor de oren van de valse profeten: u zegt: wie heeft in de raad van God gestaan? U spreekt: bewijs dan dat u de waarheid zegt.

Nu, ik heb gestaan in de Raad van God en ik heb Zijn Woord gehoord. Zo spreekt de HEERE, o al gij valse profeten, wat heeft het stro met het koren gemeenschappelijk? Het stro moet in de vlammen om verbrand te worden. En het stro zal vergaan voor de ogen van de mensen. Al de valse profetieŽn zullen beschaamd doen uitkomen allen die daar op vertrouwen. Dat is de vernieuwing van de profetie die God telkens onder Zijn benauwde profeten brengen wil door de werking van Zijn Geest.

Kuyper en de zijnen hebben dat verstaan. God heeft hun kracht gegeven om te profeteren. En door die profetie is het gekomen tot vrijmaking en reformatie van de kerk, tot reformatie van de scholen, tot reformatie van de wetenschap, tot reformatie van heel het leven.

Daar hebben die profeten van God zelf veel bij moeten verliezen. Ach, er werd bij hen nog zoveel stro gevonden, zoveel stro in hun levensgewoonten, zoveel stro in het valse zelfvertrouwen, zoveel stro in het eigen hart.

Maar ze moesten de vlammen in met de profetie en dan verbrandde daar al dat stro, al die valse gedachten die nog in hun harten leefden, al die valse woorden die ze gewend waren te spreken, al die valse begeerten.

Ze hebben het zelf in brand gestoken met eigen hand, ze hebben de HEERE nog gedankt als ze al dat valse stro in vlammen zagen opgaan, ze hebben in de loutering van God geloofd, ze hebben met vreugde zichzelf voor God neergebogen, ze hebben gebeden: o God, brand alles bij ons uit, wat niet is uit Uw Geest en naar Uw Woord.

Ze hebben niet opgehouden om te roepen om genade bij iedere weerstand die ze ondervonden. Ze hebben telkens hun schuld beleden, zelfs boete- en vastendagen uitgeschreven om zich voor God te verootmoedigen, ze hebben het uitgeschreid in de nood van kerk en vaderland: o God, we hebben alles verbeurd, we hebben gruwelijk tegen u gezondigd, we hebben het voor u verdorven. Maar, HEERE, vergeef. Doe het toch om Uw lieve Naam, doe het om Uw lieve kerk.

En dan stonden ze op van het gebed en zo opgestaan van het gebed, hebben ze geprofeteerd in de kerk en in de school, in de wetenschap en in het sociale leven. En omdat ze zich zo diep voor God gebogen hadden omdat ze zo hadden geschreid om genade, daarom gaf God hun de genade om te profeteren het krachtig getuigenis van het Woord van God.

Ach, ja, bij menigeen is de verguizing gebleven. Maar toch heeft God duizenden oren willen openen, zodat er al meer kwamen die zich schuldbewust voor God bogen om dan te volbrengen de profetische roeping.

Zo heeft God genade gegeven om te profeteren: wat heeft het stro met het koren gemeenschappelijk? Welke overeenkomst is er tussen het verzinsel van de mensen en het Woord van onze God, welke overeenkomst is er tussen Christus en Belial, Jeruzalem en Athene, het rijk der waarheid en het rijk der leugen?

God leerde ze de antithese verstaan, de tegenstelling tussen degene die God dient en degene die Hem niet dient, de antithese niet als een minderwaardig wapen in de politieke strijd, maar als de waarheid van God, als die waarheid die voor alle eeuwen geldt: wat heeft het stro met het koren gemeenschappelijk?

Dat gedenken wij nu op deze dag. God heeft dwars door de tranen van onze vaderen heen, Zijn kerk willen vrijmaken en Zijn volk willen aangorden tot een volk dat zeer gewillig is op de dag van Uw kracht, getooid met heilig sieraad.

Wij gedenken wat God in Kuyper heeft willen geven. Niet opdat wij blazen op de loftrompet voor een mens, want dat zou grove Kuyperverloochening zijn, dat is deformatie, maar om onder elkaar te getuigen: wij willen ook zo wezen.

Wilt u echte kinderen zijn van het geslacht dat ons voorgegaan is? Wilt u uw kerk, uw partij, uw sociale organisatie, uw universiteit niet verspelen dan zult u moeten profeteren. Dan kunt u niet een rustig plekje uitzoeken om stil wat te genieten, maar dan zult u tot de arbeid van uw vaderen moeten ingaan.

Dan moet u de vlammen in. Dan moet u in het vuur staan. Dan moet u staan op de plaats waar de slagen vallen. Dan zult u in de benauwdheid van de profeten al uw vastheid moeten zoeken in de HEERE, dan zult u in de schuld voor God moeten bukken, dan zult u in u zelf moeten wegzinken om te komen op die vaste grond van de vrije genade van God in Jezus Christus.

Dan zult u door de weerstand hoger klimmen en dieper graven. Dan komt u door de loutering verder. Maar dan bent u echte kinderen van een geslacht, dat door God begenadigd werd om Zijn Naam te dragen. Dan zult u wel na iedere weerstand u dieper voor God leren neerbuigen om nog meer uw zonden te belijden, dan zult u misschien schreien om genade.

Maar dan mag u als profeten van God staan in het vuur en dan zal God over u Zijn kracht vernieuwen opdat u profeteren mag al duidelijker en al vaster, totdat in de kerk van God alle stro van het koren zal gescheiden worden.

Dan zal God Zijn werk voleindigen.
Dan zult u hier genade en eer ontvangen.
En straks de kroon van de gerechtigheid.

Amen.